Als u tips wilt over hoe u kunt winnen bij de slots lees dan door. U zult tips tips ontdekken waarmee u meer kunt behalen tijdens het spelen op de slots.

Het is logisch voor casinospelers om op slots te spelen die hun geld verdubbelen. Het is geen exact geheim om te winnen op deze slots. U kunt alleen leren hoe u uw kansen voor het winnen kunt verhogen. Hier zijn enkele tips over hoe u effectief op de slots kunt spelen en ladingen geld mee naar huis kunt nemen.

Er zijn honderden of zelfs duizenden slots in het casino. Sommige van deze zijn goed in termen van uitbetalingen en sommige kunnen moeilijk zijn om op te winnen. Als u uw kansen op het winnen wilt verhogen, moet u weten hoe u een goed presterende gokkast kunt kiezen. De algemene regel is wanneer de gokkast is geprogrammeerd om een grotere jackpot uit te betalen, dat u op die gokkast naar verwachting een kleinere kans heeft om te winnen. Natuurlijk, hebben casino’s kleinere winkansen voor slots ingesteld met grotere jackpot prijzen, zodat de casino’s ook in staat zijn om wat winst te maken.

gratis-slots-online

Dit gezegd hebbende is het raadzaam om een slots machine te kiezen die de beste uitbetalingen geeft en een kleinere jackpot. Er zijn vele goed presterende gokkasten die u zullen toestaan om regelmatig te winnen maar dan in kleine hoeveelheden. Deze gokkasten zijn altijd beter dan die met grotere jackpots maar met moeilijkere winkansen, omdat het u uw winst laat maximaliseren wanneer u wint op een video slot.

Progressieve video slots zijn de beste voorbeelden van slots die niet goed zijn om mee te spelen. Het winpercentage voor deze slots zijn zeer laag. Dit komt omdat elke inzet op deze progressieve gokkasten wordt toegevoegd aan de jackpot prijs. Alle progressieve slots zijn onderling verbonden met de andere gokkasten in het casino. Soms worden deze ook verbonden met de andere slots in anderen casino’s. U hoeft dit soort gokkasten niet te vermijden. Het is een feit dat als u wint op deze gokkast, dat het levensveranderend kan zijn. Dus u kunt spelen op andere gokkasten, maar zorg ervoor dat u sommige bedragen van uw bankroll opzij zet voor het spelen op de progressieve gokkasten.

Wanneer we spreken over goed betalende gokkasten, zijn de beste voorbeelden de niet-progressieve video slot gokkasten. Deze kunnen lagere bedragen hebben wanneer het gaat om de prijzen jackpot maar deze garanderen u een frequente kans om te winnen. Dit komt omdat niet-progressieve gokkasten onafhankelijk staan van andere gokkasten. Dus, als u grotere geaccumuleerde geldprijzen wilt winnen bij video slots kies dan voor de niet-progressieve gokkasten.

Referenties:

Youtube.com

Onlinecasinolijst.be

Iedereen maakt al sinds lange tijd gebruik van het internet. Internet is een winkel met onbeperkte informatie over elk onderwerp. U hoeft alleen maar door verschillende websites die beschikbaar zijn te bladeren en u kunt alle informatie krijgen die u maar wilt. Maar wist u ook dat u online een minilening online kunt krijgen. Ja, ik heb het over “Online leningen”.

Online leningen zijn de minileningen die een individu kan krijgen door deze aan te vragen door middel van een computer. Het verlangen van mensen naar gemak is vandaag de dag een van de redenen achter de vooruitgang in de technologie. Een online lening is een handige manier om een ​​minilening te krijgen zonder dat u zich hoeft te verplaatsen van de ene plaats naar de andere.

minilening-aanvragen

Nu kunt u toegang hebben tot het internet en kunt door verschillende websites bladeren om een ​​online minilening te krijgen. U hoeft uw geldschieter niet persoonlijk te ontmoeten. De websites zijn 24 uur per dag, 7 dagen per week en 365 dagen per jaar geopend. Deze websites bieden u ook faciliteiten om uw creditscore te berekenen, kosteloos of tegen nominale kosten.

In het verleden waren er slechts enkele kredietverstrekkers en werden er een beperkt aantal opties voor het aanvragen van een minilening. Tegenwoordig heb je webgidsen zoals www.minilening365.nl Om te zoeken naar de juiste geldschieter, moest de kredietnemer op zoek gaan naar de geldverstrekker en hem persoonlijk ontmoeten voor het verkrijgen van informatie over de verschillende leningsopties die er beschikbaar waren.

Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?

 

Ze kregen steeds weer hetzelfde antwoord: De Duitsers zijn veel te gezapig, veel te gemakzuchtig, niet flexibel genoeg. Ze vinden zich veel te goed om asperges te steken. Bondskanselier Gerhard Schröder zei: ‘Er bestaat geen recht op luiheid.’ Het was een vaststelling, geen verwijt. De crisis was volgens hem het directe gevolg van een oeroude zonde, die reeds door Paus Gregorius de Grote onder de Latijnse naam Acedia tot de zeven hoofdzonden gerekend werd: vadsigheid. 1500 jaren later waren de Duitsers er klaarblijkelijk opnieuw voor gezwicht.

Nu, in het jaar 2009, beleeft Duitsland opnieuw een recessie. Opnieuw stijgt de werkloosheid. Opnieuw stellen de talkshows de vraag naar het waarom. Maar deze keer spreekt niemand over luiheid, alhoewel ook dit voorjaar Oosteuropese oogsthelpers Duitse asperges zullen steken. Deze keer hebben politiek en media een andere oorzaak voor de recessie uitgekozen: ‘De financiële crisis bevestigt veel van wat met hebzucht te maken heeft,’ zei Bondskanselier Angela Merkel in oktober.

Hebzucht: ook niet beter dan luiheid, in het Latijn Avaritia, doodzonde nummer twee in de catalogus van Gregorius de Grote.

Er doet zich een kapitalistische crisis voor, en de schuld wordt niet toegeschreven aan – het kapitalisme en zaken zoals minileningen, maar aan de mens in al zijn zondigheid. Zo ging het reeds bij de beurscrash van 1857, bij de Zwarte Vrijdag van 1929, en zo gebeurt het momenteel opnieuw. Steeds wanneer de markteconomie opeens geen rijkdom meer produceert, maar werkloosheid, worden daarvoor menselijke tekortkomingen verantwoordelijk gesteld. Luiheid, hebzucht, spilzucht. In dit opzicht gelijken de mensen van de nieuwe tijd op die van de middeleeuwen, die een droogte niet als een metereologisch toeval zagen, maar als een straf voor hun zonden. Totdat de geleerden van de Verlichting hen van dit bijgeloof bevrijdden, ook doordat ze boeken schreven. Wanneer het evenwel over economie gaat, lijkt een rest van het oude denken nog in het hoofd te zitten. De straffende God is enkel maar vervangen door de straffende markt.

Op donderdag 10 januari was het verzamelen geblazen aan de universiteit van Tilburg voor een conferentie over de overgang naar een ecologische economie. Het doel van de initiatiefnemers van de conferentie was om in Nederland en België de urgentie van economische beleidswijzigingen aan de orde te stellen. Meer dan 300 deelnemers hadden alvast interesse voor dat initiatief. Ze kregen allen een openingspeech van Susan George, een panel van kritische economen en een afsluitend gesprek met sociale partners en politici voorgeschoteld. In de namiddag vonden er parrallel thematische workshops plaats. Een beknopt verslag.

 

De dag kwam op gang met het pleidooi van een oudgediende van de andersglobalisten, de politicologe Susan George. Ze pleitte voor een grote door de overheid geleidde omschakeling van de economie. Die transitie zou op gang gebracht worden door massale overheidsinvesteringen in alle sectoren die deel uitmaken van een meer milieuvriendelijke economie : alternatieve energie, milieuvriendelijke materialen, publiek transport, energiebesparende bouw enzovoort. Voor de financiering van die investeringen zorgen nieuwe taksen. Onder andere de uitstoot van CO2, de winsten van multinationals of de bewegingen van beursgeld zouden zwaarder belast kunnen worden.

Susan George vergeleek de aard van de omschakeling met het op gang brengen van een oorlogseconomie in de VS, ten tijde van de tweede wereldoorlog. Die vergelijking werpt niet alleen licht op de omvang van de nodige inspanning en het belang van de reden voor de drastische ingreep. Ook maakt ze duidelijk hoe de omstandigheden als ze vertaald worden in een helder verhaal van zo een ingreep een breed gedragen maatschappelijk project kunnen maken. George noemt het zelf een ‘public relations dream’: werknemers, ondernemers en politici samen brengen rond een economisch project dat de aarde kan redden. Aan ieder kan duidelijk gemaakt worden wat er bij te winnen valt, niet enkel materieel maar ook op het vlak van maatschappelijk respect en aanzien. Actiegroepen en sociale bewegingen krijgen de rol toebedeeld om bruggen te bouwen. Ze ondersteunen de politici, ondernemers en werknemers die volluit gaan voor de ecologische economie.

Naar ze zelf zegt komt George tot deze idee omdat de maatschappelijke realiteit meer radicale pistes uitsluit. Nu de ecologische crisis op een dramatische escalatie afstevent, zullen veranderingen op gang moeten komen vanuit de geldende krachtverhoudingen in de samenleving. Ook wil Susan George met haar Keynesiaans voorstel een antwoord bieden op allerlei recente recepten die een overdreven nadruk leggen op de consument, het kleinschalige alternatief of de strijd vanuit één thema. Zulke benaderingen volstaan niet langer. Er is niet alleen een nieuw groot verhaal nodig, maar eveneens grote overheidsdaden.

De voorzet die Susan George gaf, bleef in het eerste deel van de dag wat onbeantwoord. Aan een inzichtelijke beantwoording van de vraag hoe de omschakeling van de economie tot stand zou kunnen komen, kwam het panel van economen niet toe. Wel waren alle participanten het er over eens dat het hoog tijd is om de BNP maatstaf in het economische beleid aan te vullen met andere indicatoren of zelfs te weren. De bizarre prof economie op rust Heertje hamerde daarbij op zijn subjectivistische, verruimde welvaartsbegrip. Het moest de aandacht vestigen op de onmeetbare aspecten in wat we onder economie of ‘de omgang met schaarse, alternatief aanwendbare middelen voor de behoeftebevrediging van huidige en toekomstige generaties’ verstaan. Schone lucht of een mooi landschap zijn even belangrijk als boter, kaas en eieren. Economische beslissingen mogen niet genomen worden op basis van economische indicatoren die slechts de helft meten van wat onze behoeften bevredigt. Francine Mestrum geloofde ook dat er nood was aan andere indicatoren. Die moeten niet enkel de echte welvaart van de mensen of de draagkracht van de aarde beter in beeld brengen, ze kunnen bijvoorbeeld ook de informele arbeid van vrouwen eindelijk waarderen. Professor Jeroen van de Bergh concentreerde zijn kritiek op het BNP. Niet alleen meet die iets helemaal anders dan de welvaart, hij is zelfs niet nodig voor goed economisch beleid. Van den Bergh zijn slogan luidt bijgevolg: BNP weg ermee! Volgens de Leuvense professor Vandevelde tenslotte ligt er potentieel om mensen inzicht te geven in de relativiteit van BNP door het over geluk te hebben. Zo leert geluksonderzoek dat na een bepaald niveau van behoeften bevrediging de BNP groei nog weinig invloed heeft op de toename van geluk. Voor Heertje was een concept als geluk echter een brug te ver. In economische discussies mag je het volgens hem enkel over welvaart hebben en niet over geluk. Geluk heeft immers ook te maken met behoeften bevrediging waarbij geen schaarse middelen in het spel zijn.

Na de middag deelden we onszelf op over de verschillende thematische workshops. Ik wisselde op de valreep nog van degene over groei en herverdeling, naar die van de sociale partners. Die keuze heb ik niet betreurd. Het was een kans om te zien hoe vertegenwoordigers van werkgevers en werknemersorganisaties reageren op de grootse ideeën zoals het afzweren van de BNP groei, of een nieuwe investeringsgolf vanuit de overheid. Omdat dezelfde sociale partners in het afsluitend debat ook samen zaten met politici, geef ik hier enkele indrukken van beide gesprekken:

 Het was duidelijk dat noch werkgevers noch werknemers al nagedacht hadden over alle implicaties van een transitie naar een ecologische economie. Ze hadden beiden nog geen uitgewerkt idee hoe de grenzen aan de materiële groei hun core business beïnvloeden in de energie en materiaal intensieve industrieën van het Westen. Dat andere indicatoren dan de BNP maatstaf dringend noodzakelijk zijn, vond bij de sociale partners minder weerklank.

 Toch was het duidelijk dat het klimaat denken een hoge vlucht neemt. Werknemers, werkgevers en politici schatten de urgentie van de klimaatproblematiek hoog in. Dat olie en meer algemeen energie duurder zal worden is een zekerheid. Is het niet door marktgedreven evoluties, dan is het door nieuwe maatregelen in het post Kyoto tijdperk. Een hele industrie rond alternatieve energie en energiebesparing zal zich ontwikkelen. De sociale partners leken ook bereid om hun schouders te zetten onder progressieve klimaat maatregelen.

 Opvallend was ook dat een aantal deelnemers uit de Nederlandse financiële wereld zoals Daan Dijk van Rabobank of Kejetan Hetzer van SNS asset management de uitgangspunten van de ecologische economie delen. De economie is een deel van het ecosysteem aarde, en haar werking moet afgesteld worden op de noden en evenwichten van het grotere geheel. Financiële spelers ontwikkelen in toenemende mate meetinstrumenten om te zien in hoeverre ondernemingen toekomstige duurzaamheid vereisten nu reeds incorporeren in hun strategie, er vanuit gaand dat iedereen vroeg of laat rekening zal moeten houden met de draagkracht van de aarde.

“Er ritselt van alles in het struikgewas, maar een beeld op wat er zich allemaal afspeelt, en hoe het totale plaatje eruit zal zien is er nog niet” zie een deelnemer. Bij heel wat mensen en ondernemingen groeit blijkbaar het bewustzijn dat de economie op een periode van veranderingen afstevent. Over de nood aan nieuwe economische indicatoren of maatregelen om het klimaat te vrijwaren waren veel mensen het eens op de conferentie. Maar of het totale plaatje er zal of moet uitzien zoals Susan George het schetste, daar durfden weinigen zich over uitspreken.

Gisteren (5/9/2007, nvdr) kon u in deze krant (De Morgen, nvdr) lezen hoe de ecotaks de Belgische consument over de grens jaagt. Sinds de invoering ervan in 2003 hebben Belgen bijna 50 procent meer aan winkelen over de grens besteed. Maar de tragedie van de ecotaks kent veel meer bedrijven.

Achter ecofiscaliteit zit een simpele maar efficiënte filosofie: de milieuvriendelijke consument wordt financieel beloond en de vervuiler betaalt. Milieutaksen kunnen gemakkelijk vermeden worden door te kiezen voor ecologische alternatieven. Op die manier worden consumenten en bedrijven gestimuleerd om te kiezen voor ecologische producten. De opbrengsten van milieutaksen worden gebruikt om een gericht milieubeleid te voeren. En als ecotaksen worden gecompenseerd door lagere arbeidslasten schept men heel wat banen, stelt ook de OESO.

Het ecotaksakkoord uit 1993 zat oorspronkelijk zo in elkaar: herbruikbare verpakkingen die beter zijn voor het milieu worden goedkoper gemaakt dan wegwerpverpakkingen die slecht zijn voor het milieu. De voormalige CVP, nu CD&V, die zo graag koketteert met goed en betrouwbaar bestuur, boycotte echter moedwillig dat akkoord en wijzigde de ecotakswet niet minder dan zeven keer. Ondanks die pogingen om een efficiënt afvalbeleid te ondergraven, heeft die ecotakswet ook positieve gevolgen gehad. België is Europees koploper op het vlak van sorteren en recycleren van afval. “Ik beschouw de ecotaks als een van de beste mislukkingen van mijn loopbaan”, stelt voormalig Agalevkopman Jos Geysels dan ook in Knack van 7 februari 2007.

In 2003 goot de paars-groene regering de ecologische filosofie in een wet. Met de combinatie van ecoboni en ecotaksen was het de bedoeling “niet het beleid van de overheid te financieren, maar wel de gedragspatronen van de producenten en de consumenten te wijzigen en milieuvriendelijker te maken”, zoals de memorie weergeeft. De bedoeling van die paars-groene maatregel was de consument die kiest voor milieuvriendelijke verpakkingen te belonen. Bijkomend voordeel ervan waren de verlaagde accijnzen en btw op bepaalde dranken, wat het drankentoerisme naar het buitenland kon indijken.

Maar wat later verlieten de paarse partijen die ecologische filosofie en misbruikten ze de ecotaks voor budgettaire doeleinden. In juli 2005 werden de ecoboni afgeschaft, die nog maar bestonden sinds januari. Paars holde de ecotaks in 2006 zelfs volledig uit, toen ze er de ideale hefboom in zag om 320 miljoen euro extra middelen in kas te krijgen. Alle drankverpakkingen werden voortaan belast, wat vanuit ecologisch standpunt helemaal absurd is. De paarse ecotaks werd wel verkocht als belangrijk onderdeel van de strijd tegen de klimaatverandering. De groene schijn werd even opgehouden door te stellen dat de heffing zou afhangen van de CO2-uitstoot nodig voor de productie van de verpakkingen. Vrij onzinnig voor wie weet dat de productie van verpakkingen zorgt voor amper 0,5 procent van de totale CO2-uitstoot, en zoals voorspeld bleek die CO2-modulering technisch onmogelijk. Verhofstadt stootte met zijn ecotaks dan ook op een cascade van negatieve uitspraken door de Raad van State. Het paarse begrotingsbeleid is berucht voor zijn vele kunstgrepen en one shot-operaties om de begroting in evenwicht te brengen en zelfs de schijn van een begrotingsoverschot te wekken. Het goochelen met milieutaksen is een van de vele manipulaties die in dat kader past.

Nochtans is groene fiscaliteit cruciaal voor een doortastend milieubeleid. Door milieukosten van producten in rekening te brengen, bijvoorbeeld via taksen, kan de markt in een duurzame richting gestuurd worden. In het regeerakkoord van paars stond dat “op meerdere terreinen vergroening van de fiscaliteit zal worden ingevoerd”. De OESO, niet bepaald een groene organisatie en meestal heel diplomatisch, stelt in haar evaluatie van het Belgische milieubeleid (2007) dat “België geen actie heeft gestart voor een groene belastinghervorming, zoals we nochtans hadden aanbevolen in de vorige evaluatie (van 1998)”.

Open Vld, sp.a en ook CD&V hebben de voorbije jaren de groene fiscaliteit gewoon in diskrediet gebracht. De ecotaks is het symbool geworden van dat soort bedrog. Wat vandaag nog rest, zijn ordinaire belastingverhogingen. De milieubewuste consument betaalt het gelag en de ondernemingen die investeerden in milieuvriendelijke oplossingen komen bedrogen uit. Op die manier wordt het draagvlak voor echte milieutaksen en een doortastend milieubeleid ondergraven.

Op 1 mei lanceerde het ABVV het idee van de graaitaks, een lelijke term uit Nederland die een schoon principe huldigt: boven een bepaald bedrag het inkomen door belastingen afromen en herverdelen. Ceo’s krijgen soms een vertrekpremie uitbetaald die hoger is dan het totale verdiende salaris in een hele loopbaan. Het voorstel van de graaitaks past dan ook in een pleidooi voor een meer rechtvaardige fiscaliteit. De huidige fiscaliteit is niet meer van deze tijd: ze tast de werkgelegenheid aan, is sociaal onrechtvaardig en laat vele kansen liggen voor een toekomstgericht milieubeleid. Inkomsten uit arbeid worden zwaar belast terwijl inkomsten uit kapitaal en minilening aanvragen zowat ongemoeid worden gelaten, en de milieufiscaliteit staat nog in de kinderschoenen.

Wij pleiten dan ook voor een grondige belastinghervorming die leidt tot een rechtvaardiger belasting. Rechtvaardiger betekent dat de laagste inkomens ten volle kunnen genieten van een verlaging van de fiscale druk én dat discriminaties worden aangepakt. Zo worden alleenstaanden in België het zwaarst belast. De fiscus discrimineert ook tussen arbeid en kapitaal: eveneens sociaal onrechtvaardig.

Daarom pleiten wij samen met de vakbonden voor een echte vermogensbelasting door een extra belasting op vermogensinkomsten. Vermogens tot 500.000 euro worden vrijgesteld en de bestaande vermogensbelastingen worden herzien. Het gaat er niet om de intrest op het zuurverdiende spaargeld of de eigen woning extra te belasten, maar bijvoorbeeld wel om grote winsten bij de verkoop van aandelen ook te laten bijdragen.

Het blijft een even gerechtvaardigde eis om de ontslagvergoedingen van ceo’s tot een minimum te beperken. Het kan niet dat John Brock in december 2005 door InBev wordt ontslagen omdat hij niet voldoet, maar daarvoor wel een ontslagvergoeding van 10 miljoen euro krijgt, dat hij in april 2006 elders aan de slag gaat en tussendoor nog eens 20 miljoen euro wil vangen. Staatssecretaris Bruno Tuybens is twee jaar geleden wel een mediacampagne over grote toplonen begonnen, maar behalve wat kleine correcties is er weinig veranderd. Waarom niet binnen de vennootschapsbelasting de aftrekpost ’toplonen’ beperken? Bedrijven kunnen dan die graailonen vanaf een bepaald niveau niet langer inbrengen als bedrijfskost. Zeker zou de code inzake corporate governance, de regels voor goed bestuur, niet alleen moeten slaan op de ondernemingen, maar ook op de topverdieners. Dat zij dan maar eens publiekelijk uitleggen aan werknemers, aandeelhouders en stakeholders, waarom ze zoveel moeten verdienen.

Voor een onderneming is sociale rust een zegen voor de bedrijfsontwikkeling, voor de vakbonden is een integere bedrijfsleider de beste garantie voor een gehandhaafd en continu arbeidsproces. Het is stuitend dat sommige ceo’s -ongeacht hun prestaties – miljoenen vangen, en zelfs nog durven te zeuren over gemiste aandelenopties. Het toont aan dat ze met al dat geld niet gelukkig (kunnen) zijn. Het zijn geldzieke mensen. Veel mensen slagen erin gelukkig te zijn met aanzienlijk lagere inkomsten. Het is evident dat een bedrijf beter geleid wordt door een gezonde geest die de bedrijfsdoelstelling voor ogen houdt. Waarom dan nog kiezen voor het soort manager die, goede of slechte resultaten, uiteindelijk vooral uit is op een zo groot mogelijk eigen gewin?

Op de arbeidsmarkt is voldoende potentieel dat bereid is voor aanzienlijk lagere bedragen op een verantwoorde manier een bedrijf te leiden. Niet omwille van snel gewin, wel omwille van gezonde winstcijfers over een langere periode. De vakbond kent het arbeidspotentieel en kan dus mee zoeken naar de leiders die bedrijven op een gezonde manier kunnen doen groeien. Vakbonden kunnen fungeren als headhunters voor bedrijven. En in tegenstelling tot een echte headhunter is de winst voor de vakbond niet dat hij de persoon aanbrengt, wel dat hij de werkzekerheid van de arbeiders verhoogt.

Vera Dua is voorzitster van Groen. Els Keytsman is in Oost-Vlaanderen kandidaat voor de Kamer voor Groen!

Het wegenvignet komt er ten vroegste in 2009. Groen! vindt dat het wegenvignet maar beter definitief afgevoerd kan worden en pleit voor een ecologische kilometerheffing, het liefst in Beneluxverband.

DE invoering van het wegenvignet is uitgesteld, of misschien zelfs definitief afgevoerd. Groen! heeft altijd de grootste vragen gehad bij de invoering van een wegenvignet. Omdat het in wezen niets oplost. Het is geen sturend instrument. Het vignet zal niet leiden tot minder verkeer of minder vervuiling door auto’s of vrachtwagens.

Als de Vlaamse regering toch nog van plan is haar Kyoto-doelstelling te halen, dan is de vervanging van de bestaande verkeersbelastingen door een ontradende ecologische heffing eigenlijk een absolute noodzaak. Zelfs als men kiest voor een ’groen’ vignet (waarbij relatief schonere auto’s minder betalen dan relatief vervuilender auto’s, wat minister Peeters ooit beloofde), zal de groene inkleuring maar een marginaal effect hebben in vergelijking met een ecologische heffing per kilometer. Daarnaast is er nog sprake van een vergroening van (wat dan nog rest aan) verkeersbelastingen: een wagen met een goede ’ecoscore’ (die minder CO2 of fijn stof uitstoot en minder lawaai maakt) wordt dan minder belast. Die vergroening van de verkeersbelasting ligt al jaren in de lade. Voordat die belasting naar Vlaanderen kwam, lagen op het kabinet-Aelvoet de KB’s al klaar. Daarna heeft Vlaanderen dus jaren getalmd. Waar wacht men eigenlijk op?

Intussen is duidelijk geworden dat het vignet vooral bedoeld is om buitenlanders geld uit de zak te kloppen. En op dat vlak krabbelen belangrijke woordvoerders van de meerderheid al terug, want men wil nu ook weer geen toeristen of klandizie verliezen in de Vlaamse steden. Bovendien zal Europa een systeem waarbij buitenlanders het vignet voluit moeten betalen, maar Belgen het helemaal terugbetaald krijgen, niet aanvaarden. Als minister Van Mechelen twee jaar nodig heeft om een goede argumentatie op te maken die Europa misschien zal overtuigen, dan ligt het blijkbaar toch niet zo simpel als men eerst liet doorschemeren.

Het vignet zal er ten vroegste in 2009 komen. Net als de vergroening van de autobelasting. Als men nog wat verder bekvecht binnen de meerderheid, dan worden die dingen allicht over het einde van de regeerperiode heen getild en dan spreken we al van 2010.

Sommige socialisten zeggen nu al dat het vignet eigenlijk maar een overgangsvorm is en dat we beter kunnen overstappen naar een meer sturend systeem vanaf 2012. En laat 2012 nu uitgerekend het jaar zijn dat de nieuwe Nederlandse regering-Balkenende IV een slimme kilometerheffing wil invoeren, ,,gedifferentieerd naar tijd, plaats en milieukenmerken’’. Zal Vlaanderen – of eigenlijk België, want de drie gewesten moeten overeenkomen – dan twee of drie jaar tevoren een heel ander systeem invoeren dat eigenlijk ingaat tegen de richting die Europa uit wil? En in Antwerpen moeten wagens met vignet dan ook nog eens tol betalen.

De oplossing ligt nochtans voor de hand. Laten we met zo veel mogelijk landen in 2012 samen in een nieuw systeem van slimme kilometerheffing stappen. Eventueel, om te beginnen, alleen voor vrachtwagens. Ook in Nederland willen ze gefaseerd werken. Een kilometerheffing voor vrachtwagens bestaat al in Duitsland. We zouden op zijn minst met de Beneluxlanden kunnen beslissen om zo’n kilometerheffing in te voeren, eventueel in stappen. En dan allemaal samen beginnen in 2012.

Is dat niet veel logischer en simpeler dan nu al te marchanderen tussen Vlaanderen en Nederland: als zij een vrijstelling krijgen voor het vignet, dan moeten wij minder kilometerheffing betalen. Gearrangeer met een hoog Kafka-gehalte.

Waarom houden we het niet simpel? Eén systeem, in alle Beneluxlanden en straks misschien in alle landen die vroeger meededen met het eurovignet voor vrachtwagens. De apparatuur bestaat al om er zelfs een slimme kilometerheffing van te maken, zodat rekening gehouden kan worden met tijd en plaats, en aparte tolheffingen niet meer nodig zijn. Ook de milieuprestaties van de wagen kunnen meteen verrekend worden. Dat kan allemaal met een soort gps-systeem via de satelliet. In Nederland wordt het de komende jaren verder uitgewerkt. Waar wachten wij op? Waarom kiezen we niet voor een eenvoudig en uniform systeem? Zeker als dat ook de beste oplossing is voor milieu en klimaat.

Je hoeft geen milieupessimist te zijn om te beseffen dat het op dit ogenblik – en al geruime tijd – zwaar bergaf gaat met de gezondheid van deze planeet. Meer nog, we begeven ons voortaan op onbekend en onvoorspelbaar terrein waarbij de meest realistische inschatting is dat we zware ecologische rampen riskeren.

Peter Tom Jones en Roger Jacobs zijn geen doemdenkers. Het is hen toevertrouwd een hyperrealistische tekening te maken van een wereld die haar ecologische fundamenten om zeep aan het helpen is en daarbij de sociale rechtvaardigheid aan diggelen gooit. De economische groei die we maar blijven nastreven – en die nu al in veel rijke landen achteruitgang in welvaart meebrengt – maakt van de ecologische crisis evenzo een sociale crisis. De rechten van meeste mensen en van alle toekomstige wereldburgers worden miskend.

Weten hoe ernstig de toestand is en waarom het zo ver kon komen, is hoogdringend. Niet om immobilisme te prediken, wel om zo gedocumenteerd mogelijk te zoeken naar de uitwegen uit de dreigende sociaal-ecologische impasse. Dat is wat Peter Tom Jones en Roger Jacobs doen. Hier spreken geen naïevelingen, wel hyperrealisten die de beste koers proberen uit te tekenen voor onze aarde. Zij noemen zich voorzichtig hoopvol omdat de mensen en de mensheid vrij kunnen kiezen voor een echt duurzame economie. Het is niet te laat om te handelen, maar diep ingrijpende actie dringt zich op, liefst nog vandaag i.p.v. morgen.

Deze auteurs hebben iets te vertellen, een verhaal van zo cruciaal belang voor onze levens en onze directe nakomelingen dat we het allemaal moeten kennen, dat niemand straks kan uitroepen: maar dat heb ik niet geweten.

Ik ben benieuwd in hoeveel talkshows en andere mediaformats ze zullen geraken met dat verhaal, en nog meer in wat ze er dan echt kwijt kunn en en mogen vertellen, op hoeveel onbegrip, onkunde, regelrechte domheid en zelfs manipulatie ze zullen stuiten.

PALA zal alvast nog meer dan eens terugkomen op dit indrukwekkende boek omdat – je raadt het al – zoveel mogelijk mensen de toestand van onze aarde en wereld moeten kennen. Dan kunnen ze op hun beurt tal van anderen kritisch doen stilstaan bij hun roekeloze overtuiging dat het wel niet zo’n vaart zal lopen en hen daar liefst van afhelpen, in het belang van ons allemaal. (DB)

Op een dag begint het te knagen. Het bedrijf waar je werkt lijkt niet meer zo gehecht aan de plek waar het al zovele jaren produceert. Je kan het niet geloven dat jouw bedrijf tekenen van vertrek begint te vertonen. Toch valt het niet langer te ontkennen, investeringen raken teruggeschroefd, aanwervingen zijn er amper of niet, mondjesmaat verdwijnen delen van de productie naar elders, onzekerheid is troef over nieuwe producten of modellen en een stroom herstructureringen moet de neergang maskeren.

En plots is het helemaal zover, grote delen van de productie verhuizen naar elders, meestal naar lageloonlanden. Of nog erger, je bedrijf sluit volledig de deuren. Zo overkomt delokalisatie miljoenen werknemers, in rijke landen én in arme landen. Zo ervaren op dit ogenblik werknemers in de textiel- en confectiefabrieken van Mexico tot Tunesië, van Turkije tot Bangladesh de mokerslag van de Chinese industrie. Hun werkgevers kunnen de concurrentie op de wereldmarkt niet langer aan, jobs gaan massaal verloren en de mensen die de jobs uitoefenen vallen zonder werk en dikwijls zonder inkomen want sociale zekerheid is er amper of niet.

De kijk op delokalisatie van de bedrijfsleider, van de manager en van de onderneming waarvoor hij werkt is anders. Hij (heel soms zij) wil de kansen grijpen die zich voordoen op de steeds vrijere wereldmarkt. Vanzelfsprekend zoekt hij goede infrastructuur op, natuurlijk wil hij degelijk opgeleide, toegewijde en productieve werknemers, liefst ook rechtszekerheid en niet al te veel corruptie. Maar evenzeer zal hij uitkijken naar de goedkoopste grondstoffen, zal hij de goedkoopste werkkrachten verkiezen, de laagste belastingen, de laagste sociale zekerheidsbijdragen, goedkoop kapitaal en liefst zelfs onbelaste winsten. Hij zal zeggen dat hem weinig keuze rest… want wanneer handelsbarrières wegvallen, wanneer er steeds minder beperkingen zijn op het vrij verkeer van goederen, diensten, geld, minilening en kennis, wanneer de tijd van de min of meer afgeschermde thuismarkt op haar laatste benen loopt, wanneer de economische bedrijvigheid zich steeds meer op wereldmarkten afspeelt en bedrijven concurrentie zien opdoemen uit vele hoeken van de wereld, dan is overleven niet makkelijk. Dan kijken managers vooral naar de kosten, dan veranderen de werknemers van menselijk kapitaal in kostenposten waarin stevig gesnoeid moet worden, dan kijken zij uit naar goedkopere plekken waar mensen voor veel minder geld en met veel minder rechten aan het werk kunnen worden gezet.

Nogal wat economen en politici zullen van op de zijlijn van het mondiale economische speelveld argumenteren dat het goed is wanneer de economische en handelsgrenzen verdwijnen, de markten zich overal openen en ondernemingen zonder veel beperkingen aan de slag kunnen en mekaar kunnen beconcurreren. Want zo zal de productie van welvaart over de hele wereld op de meest efficiënte wijze gebeuren. Dat moet tot verhoogde welvaart leiden wat in principe meest voordelig voor de bewoners van die wereld is. Daar zit een groot stuk waarheid in, de vrijheid om te ondernemen op lokale, regionale en mondiale markten leidt dikwijls tot grotere productiviteit, tot nieuwe en tot betere producten. Zelfs is het waar dat delokalisatie niet negatief hoeft te zijn, op voorwaarde dat er nieuwe werkgelegenheid komt en opvang voor wie toch uit de boot valt en dat waar het werk naartoe gaat de mensen het beter krijgen, dat ze meer gaan verdienen en betere arbeidsvoorwaarden verkrijgen. Dan is het wijs om die vrijheid te koesteren.

Maar het is wijzer om tevens in te zien dat onbegrensde vrijheid het economische speelveld in een strijdperk verandert waar veel onschuldige slachtoffers vallen. Het grootste deel van de mensen is werklustig en zit vol initiatief maar heeft weinig of geen greep meer op zijn economische situatie. Werk, inkomen en dus het leven zelf zijn wankel. De steeds sneller draaiende wereldeconomie waarbij o.a. bedrijven voortdurend jagen op plekken waar het nog goedkoper produceren is, kan mensen van dag op dag in de buitenbaan doen belanden van onderbetaald werk, werkloosheid, ineenklappend inkomen en afwezige sociale bescherming, van uitsluiting, uitbuiting, ongelijkheid en armoede.

Nog wijzer is het om te beseffen dat in een menswaardige samenleving de focus niet enkel op het voortbrengen van welvaart moet liggen maar evenzeer op de verdeling ervan. Vergeet die fabel dat je eerst moet produceren en de verdeling van de welvaart dan wel zal volgen, het is niet het één na het ander, maar tegelijkertijd en van gelijk belang. Want het is een leugen dat de gecreëerde rijkdom wel vanzelf van de rijken naar de armen zal doorsijpelen, dat weten we intussen. En wanneer de lonen toch een keer stijgen, merken we regelmatig hoe bedrijven nog maar eens opstappen en hun activiteiten doorschuiven naar nieuwe lagekostgebieden.

Meest wijs is dan om de vraag te stellen naar het maatschappelijk nut van onze economische activiteiten. Onze economie is cruciaal omdat zij de middelen kan leveren om mensen en samenlevingen goed te laten leven. Hoe belangrijk ook, boven die economie als middel verdienen de rechten van alle mensen voorrang te krijgen, zeker ook hun sociale en economische rechten om werk en goede arbeidsvoorwaarden te hebben, voldoende te verdienen en te genieten van maatschappelijke zekerheid.

Wie op het standpunt staat dat economie een middel moet zijn in dienst van mens en samenleving, die kan onmogelijk vrede nemen met een economisch speelveld dat ontaardt in een slagveld waar regels, rechten en dus elke menselijkheid ontbreekt. Die huidige economie is een middel dat we ons laten ontsnappen, die economie is nog veel minder een democratie, zoveel is duidelijk. Hebben we dan maar werkloos te ondergaan hoe het werk verhuist? moeten we aanvaarden dat sociale zekerheid wereldwijd slechts voor een slinkende minderheid werknemers is weggelegd? moeten we maar slikken dat de welvaart steeds ongelijker verdeeld geraakt? moeten we berustend toekijken wanneer de keuze om alle economische remmen los te gooien ons mondiaal in een neerwaartse sociale spiraal doet terechtkomen, bijna als de radioactieve neerslag die onlosmakelijk samengaat met een kernontploffing.

Neen toch? de mens en de mensensamenleving zijn toch vrij om hun lot in handen te nemen? om hun welvaartsmachine te oliën en goed af te stemmen? Meer zelfs, is een humane samenleving eigenlijk niet verplicht om haar economie te sturen in het algemeen belang, moet zij uiteindelijk ook niet haar economie democratiseren, d.i. in handen geven van al wie er belang bij heeft en er moet van leven? Misschien de allereerste opdracht nu is om de delokalisaties die leiden tot mondiale sociale achteruitgang i.p.v. vooruitgang aan te pakken. Enkele remedies tegen die nefaste en dreigende dynamiek zijn bekend. Er is dringend nood aan sociale minimumregels die overal gelden. Verantwoordelijke politici kunnen zich niet langer verstoppen. Als zij in staat zijn om wereldwijd rechten te geven aan geld, goederen en diensten, waar blijven dan de afdwingbare sociale en economische rechten voor alle mensen? hun rechten op een levensvatbaar inkomen, menswaardige werkomstandigheden en duurzaam werk? Hoe krachtig verdedigen zij ook het recht op vrije vakbonden? Want de werkelijkheid leert hoe hard werknemersorganisaties nodig zijn om die rechten dag aan dag op te eisen, om de rechtvaardige verdeling van de geproduceerde welvaart te forceren en om ook systemen van sociale zekerheid af te dwingen? Wie dan ziet hoe werknemersorganisaties op de terugweg zijn in de Verenigde Staten en weinig voet aan de grond krijgen in China, twee bolwerken van de wereldeconomie, wie het misprijzen voor sociale en economische rechten kent bij internationale organisaties als het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie, begrijpt dat er dringend werk aan de winkel is voor al wie in de samenleving en in de politiek weigert de mens als speelbal aan de economie uit te leveren.

Er wordt de laatste tijd opnieuw veel over fascisme gesproken. De grootste Vlaamse partij, het Vlaams Belang, wordt van fascisme beschuldigd, zelfs vanuit regeringskringen, met name door de minister van binnenlandse zaken. De schrijver Geert van Istendael associeerde opnieuw elk flamingantisme met fascisme, iets wat politici en journalisten in Wallonië eigenlijk al zestig jaar doen. Dat is geen onschuldig spelletje politiek pesten meer, dat is er óver. Tijd dus voor een stevige commentaar, die uiteindelijk niet over het Belang maar over de Vrede zal blijken te gaan.

 

Het woord fascisme wordt te pas en te onpas gebruikt. Soms wordt het gedefinieerd als het bundelen van alle macht rond een leider . Het is natuurlijk allemaal een kwestie van definitie, maar voor dit soort machtsconcentratie gebruik ik liever het woord autoritarisme . Het Vlaams Belang wordt inderdaad gekenmerkt door een autoritaire partijstructuur. De voorzitter van de partij bepaalt eigenmachtig wie hij in het bestuur opneemt en wie niet; hij vindt dat hij dat zelfs niet moet motiveren. Maar autoritair, ook wel despotisch genoemd, is nog niet fascistisch. De katholieke kerk kent dat in wezen ook, met de paus als onfeilbare leider, die het kiescollege voor zijn opvolger samenstelt. Ook andere vormen van cultus rond een bijna mythische leider zijn nog geen fascisme. Ik denk aan Castro, voor wie ik ook niet meteen over fascisme of links-fascisme wil spreken.

Een autoritair systeem kan verlicht genoemd worden als het zich ten dienste wil stellen van de mensen, zoals onze keizer-koster Jozef-II. Het regime kan tolerant genoemd worden als het zich niet wil moeien met alle menselijke gedragingen en eigenlijk alleen maar de openbare ruimte wil beheersen, zoals in Saoedi-Arabië. Als alle staatsmacht in één persoon verenigd is, wordt hij soms absoluut genoemd.

Wanneer een overheid werkelijk alle denken en alle gedragingen gaat beheersen wordt zij totalitair . De voormalige Duitse Democratische Republiek was een systeem dat bevolking zonder veel machtsvertoon kon beheersen, onder andere door de geheime politie. Het was wellicht het prototype van een totalitair regime dat niet absoluut was. Leiders als Ulbricht en Honecker meenden wellicht oprecht dat ze een nieuwe staat met een nieuwe mens uitbouwden. Sommige West-Europese landen gaan nu in die richting; het steeds meer pagina’s tellende Belgische Staatsblad is een signaal voor de groeiende bemoeizucht. Maar ook dit totalitarisme is niet fascistisch. De leiders van de DDR waren specifieke machtstypes, die ik ooit Honecker-types genoemd heb. Voor fascisme is er blijkbaar meer nodig.

De volgende trede in de slechtheid van een politiek systeem is die van de terreur en de fysieke uitschakeling. Autoritaire of totalitaire systemen kunnen de oppositie broodroven, gevangen houden, verbannen en eventueel een aantal van hen ter dood brengen. Dat is wat in het China van vandaag gebeurt. Een democratie kan dat uiteraard allemaal niet zonder haar democratisch karakter te verliezen. Maar ook de doodstraf voor politieke opponenten is nog geen fascisme, ik zou het eerder staatsterreur noemen. Het Amerikaanse gevangenisregime op Guantanamo gaat ook in de richting van staatsterreur, uitgelegd als anti-terreur. Maar het is geen fascisme.

Men kan nog één stap verder gaan. En dat is het (nodeloos) uitschakelen van een speciaal met dat doel geviseerde groep . Om de macht te bestendigen – zelfs te vereeuwigen – wil men deze groep dan zonder consideratie en met alle mogelijke middelen vernietigen. Dat noem ik fascisme . Dit regime heeft behoefte aan een permanente oorlogstoestand, minstens een voortdurende spanning. In die gespannen omgeving is namelijk een normale discussie, en dus ook een normale oppositie, niet meer mogelijk. En dat is precies de bedoeling, zodat de voorgenomen zuiveringen kunnen uitgelegd worden in het belang van de eenheid .

Als ik deze definitie wil uitwerken met voorbeelden, moet ik verschillende soorten fascisme onderscheiden (een poging tot systematiek).

1. het plebejisch fascisme

Het doel van het plebejisch fascisme is bestendiging van macht door de adel of de rijkere klasse of hun vooraanstaande vertegenwoordigers niet alleen te onteigenen maar doelbewust blijvend en fysiek te liquideren. Dat is wat de geschiedenis vertoond heeft bij het ontstaan van het Romeinse keizerrijk, bij een aantal communistische machtsovernames en in mindere mate bij de Franse revolutie.

Caesar en zijn opvolger Octavianus (Augustus) hebben doelbewust de republiek vernietigd en veel senatoren en patriciërs laten vermoorden, daaronder Cicero, om hun imperiale ambitie waar te maken. In Engeland hebben wij de kortstondige maar moordende “volksdictatuur” van Cromwell gehad. In Frankrijk lieten Robespierre en zijn jacobijnse partij de afgezette Franse koning Lodewijk XVI en veel afgevaardigden van de nationale conventie bewust elimineren. De daaropvolgende dictatuur van Napoleon valt mijns inziens niet onder de definitie van fascisme. Napoleon lanceerde wel een reeks Europese oorlogen maar in eigen land deed hij de uitroeiing van tegenstanders stopzetten. Lenin in Rusland en Mao Zedong in China lieten dan weer de oude elites en de rijke boeren, de koelakken bijvoorbeeld, fysiek elimineren.

In alle gevallen werden de geliquideerde tegenstanders een gevaar voor de eenheid of voor de revolutie genoemd. Volgens sommige bronnen zouden Castro en Mao Zedong ten tijde van de rakettencrisis in 1962 bij Chroesjtjov aangedrongen hebben op een wereldrevolutie door Amerika nucleair te vernietigen, zelfs als ook hun eigen landen er zwaar onder zouden lijden. Als dat waar is, waren zij zeer gevaarlijke fascisten.

De leuze alle macht aan het volk kán de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar is dat uiteraard niet noodzakelijk.

Ik verwerp alleszins de idee van de gewapende klassenstrijd. Een volgehouden vreedzame herverdeling door middel van tegensprekelijke belastingen moet kunnen volstaan.

2. het nationaal of etnisch fascisme

Het doel van het nationaal of etnisch fascisme is bestendiging van macht door een bepaalde bevolkingsgroep te liquideren. Dit is meestal terug te vinden bij genocides zoals in Turkije (tegen de Armeniërs), in Duitsland (tegen de Joden en de Roma), in Ruanda (tegen de Tutsi’s), in Servië (tegen de Albanezen), in Kosovo (tegen de Serviërs). Ook kinderen worden geviseerd want zij zijn de toekomstige vijand en dus een latere bedreiging van de macht. De eenheid wordt vertaald als “één volk, één staat, één leider”.

De leuze eigen volk eerst kán de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar is dat uiteraard niet noodzakelijk.

Ik verwerp alleszins de idee van gewapende botsende beschavingen (Huntington, 1993). Als het geleidelijk verdringen van een bevolkingsgroep geen algemeen doelbewuste gewelddadige actie is, zoals tegen de Indianen in Amerika, tegen de Grieken in Turkije en de Turken in Griekenland, tegen de Tibetanen in Tibet of tegen de Vlamingen in Brussel, dan is er geen fascisme, wel etnische zuivering en racisme. Of de gewelddadige verdrijving van Duitsers uit het Sudetenland en uit het huidige Polen in 1945 onder mijn definitie van fascisme valt, is te bediscussiëren. Dat het een etnische zuivering was, is duidelijk. Het eventueel ontbrekende element voor fascisme is de machtsbestendiging. Het is denkbaar dat Stalin voorzag dat hij geen communistische regimes in Polen en Tsjechoslovakije kon vestigen als er grote Duitse minderheden bleven wonen. Dan is wel aan mijn definitie van fascisme voldaan.

3. het religieus fascisme

Het doel van het religieus fascisme is bestendiging van macht door de ongelovigen die zich niet bekeren uit te roeien. Sommige islamitische strekkingen hebben die houding tegenover hun eigen land en tegenover Israël. Het is zonder twijfel toelaatbaar om zonder geweld een bepaalde politieke structuur, zoals het Perzische keizerrijk of de staat Israël (of België ?), te willen “vernietigen”. Maar dit wordt natuurlijk totaal anders als men in feite ook nog maar durft te denken aan de verdrijving van de ongelovigen. De eenheid en de zuiverheid wordt in dit geval opgelegd door de éne almachtige god.

De leuze god met ons kán de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar is dat uiteraard niet noodzakelijk.

Ik verwerp alleszins de idee van de gewapende jihad. Toch mag religieus fanatisme niet gelijkgesteld worden met religieus fascisme. Een strenge houding voor zichzelf, eventueel gepaard aan een vriendelijke bekeringsijver, zoals bij de getuigen van Jehova, is in principe ongevaarlijk. Na 11 november 2001 is het wel aan een aantal streng islamitische strekkingen om duidelijk te maken dat zij niet fascistisch zijn.

4. het ecofascisme

Het doel van het ecofascisme is bestendiging van macht door bewust de bevolking te verminderen door oorlog of hongersnood omdat er meer “slechte” mensen zijn dan de aarde kan dragen”. Eénheid van de “goede” mensen en ook wel soberheid is nodig als een overlevingsstrategie in een aangekondigd rampenscenario.

De leuzen anders gaan leven of stilte, soberheid, samenhorigheid kúnnen de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar zijn dat uiteraard niet noodzakelijk. Vanuit een bepaalde hoek, vooral in Duitsland, wordt tegenwoordig al te gemakkelijk met de term “ecofa” geslingerd in de richting van groene stromingen die zich ietwat conservatief opstellen.

Ik verwerp alleszins de idee van de gewapende strijd om de natuurlijke rijkdommen. Volgens sommigen had de genocide in een overbevolkt Ruanda zoiets ecofascistisch. De haatradio Mille Collines riep op om “het ongedierte dat het land overwoekert te vernietigen”. Ook de Duitse nazi’s hadden blijkbaar ecofascistische gedachten als ze voor zichzelf “lebensraum” wilden tot aan de Zwarte Zee. Soms wordt ook de Amerikaanse interventie in Irak op die manier uitgelegd, met name als een strijd om de olievoorraden, maar enige wil om de bevolking er te decimeren lijkt mij nochtans niet aanwezig.

5. het “zuivere” fascisme

Het doel van dit zuivere fascisme kan gezien worden in de bestendiging van macht door louter de interne oppositie te vernietigen. Dit is wat in Italië onder de fasces van Mussolini gebeurd is. Het Italiaanse fascisme was niet echt plebejisch, niet bijzonder racistisch, niet speciaal religieus, het was als het ware een fascisme zonder reden, pur sang, met onbetwiste “eeuwige” macht als enige doel. Je zou het ook wel aristocratisch fascisme kunnen noemen, de wil om beter te zijn en tegelijk de slechten te vernietigen. Misschien kan dit verklaren waarom het woord fascisme, oorspronkelijk de partijnaam van Mussolini, een meer veralgemeende betekenis gekregen heeft. De reden van dit fascisme ligt louter in de eenheid en de grootheid van de Staat. Iets soortgelijks hebben wij in het Spanje van Franco en in het Chili van Pinochet gezien. Ook Saddam Hoessein valt in deze categorie te plaatsen met de inval in Koeweit en de uitroeiing van Koerden en Sjiïeten.

Het organiseren van een mars op Rome of het uitroepen van een redder des vaderlands kúnnen de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar is dat uiteraard niet noodzakelijk.

Ik verwerp alleszins de idee van de heldhaftige machtsgreep.

Niet elke dictatuur voldoet aan deze definitie van zuiver fascisme. Bij enkele Afrikaanse despoten, zoals Idi Amin in Oeganda en Bocassa in de Centraal-Afrikaanse Republiek, kan men de vraag stellen of zij hun tegenstanders bewust wilden uitroeien, dan wel of ze zonder meer zeer wreedaardig waren. Het apartheidsregime in Zuid-Afrika of de dictaturen van Mobutu in Congo of van Kadhafi in Libië zou ik niet fascistisch noemen, ondanks het uitgesproken racisme in het eerste voorbeeld en de uitgesproken personencultus in de laatste voorbeelden. Deze dictaturen beschouwden hun rijk niet als “eeuwig” en zij probeerden de tegenstellingen alleen maar te controleren, niet te vernietigen.

Een algemene beschouwing over de evolutie van het begrip fascisme

Het woord fascisme is blijkbaar geëvolueerd van een positief begrip bij de oprichting in 1921 van de Partito Nazionale Fascista naar de ergste vorm van tirannie, twintig jaar later. Daardoor ontstaat veel dubbelzinnigheid. Soms is het niet duidelijk of iemand het woord wil gebruiken in een nuchtere politieke analyse of er een stigmatiserende ondertoon weerklinkt. Die dubbelzinnigheid kan bewust uitgespeeld worden. Omdat het woord intussen onmiskenbaar een stigmatiserende betekenis gekregen heeft, is het eigenlijk niet meer zonder verduidelijking bruikbaar in de oorspronkelijke betekenis, namelijk als een radicale opvatting van patriottisme en corporatisme (Mussolini), als een collectivistisch nationalisme (Spann), als een bijproduct van het kapitalisme (Gramsci, Fromm), als een noodregering door de kleine burgerij (Trotsky, Mandel), als een pathologische massapsychologie (Reich), of als enige vorm van autoritair conservatisme (Winkler Prins).

Als men bijvoorbeeld op internet het gebruik van het woord nagaat, zal men vaststellen dat het begrip fascisme voortdurend oneigenlijk gebruikt wordt. Algemeen gekend is gelijkstelling met nationalisme; van het inderdaad fascistische nationaal-socialisme wordt als het ware het nationalisme overbelicht en het socialisme onderbelicht. Vanuit een andere hoek wordt elke vorm van ecologisch conservatisme gelijkgesteld met ecofascisme. Nog anderen verbinden bijna elke vorm van islam met religieus fascisme. Deze stigmatiseringen zijn onzindelijk te noemen. Dit felle anti-fascisme heeft tot doel het debat te verhinderen, ook met respectabele tegenpartijen. De enig redelijke houding is in het hedendaagse politieke taalgebruik het woord fascisme te reserveren voor de allerergste vormen van politieke zuivering. In de praktijk is het dat wat tegenwoordig ook meestal expliciet of impliciet bedoeld wordt. Persoonlijk maak ik daarbij geen onderscheid tussen “links” of “rechts”, begrippen die mijns inziens sowieso een erg relatieve betekenis hebben. In de definitie zoals wij ze uitgewerkt hebben, fascisme als excessieve zuivering, zal niemand er bezwaar tegen maken dat het woord in die omstandigheden stigmatiserend mág werken.

De leuze nooit meer fascisme krijgt dan ook een algemeen aanvaardbare betekenis.

De eerlijkheid gebiedt nu ook te zoeken naar regimes die volgens oude definities fascistisch waren maar die feitelijk nooit de systematische wreedheden begingen, zoals bedoeld in de nieuwe definitie. Er zijn er niet veel te vinden maar het regime van Salazar in Portugal (1926-1974), dat duidelijk een fascistisch corporatisme van de oude soort was, moet nu toch eerder met de DDR vergeleken worden. Ondanks een alomtegenwoordige geheime politie, is het nooit overgegaan tot fysieke liquidatie van een interne oppositie. Het heeft ook niet de massahysterie gekend die daarmee gewoonlijk gepaard ging. Het valt nu buiten mijn definitie van fascisme en wordt gewoon een corporatistische dictatuur.

Nog enkele bijkomende stellingen

1. over “fascisme” in verenigingen

Onze definitie laat ook toe het “fascisme” te beschrijven in andere dan staatsaangelegenheden. Ik zet het hier wel tussen aanhalingstekens. Ook verenigingen of organisaties kunnen respectievelijk “autoritair leiderschap”, “totalitaire controle” of “fascistische machtsgrepen” kennen. Religieuze sekten voldoen vaak aan de definitie van totalitarisme omdat zij het hele leven van hun leden willen beheersen. Politieke partijen zijn niet meteen “democratisch” omdat zij interne verkiezingen kennen, waar alleen maar een voorstel van het bestuur kan goed- of afgekeurd worden, zoals bij een poll over een modellijst. Bij de laatste voorzittersverkiezingen bij de Vlaamse liberalen, die weliswaar “open” waren, haalde de voorzitter (Somers) een uiterst nipte meerderheid. Eén van zijn eerste bestuursdaden was het uitsluiten van een tegenkandidaat (Coveliers) uit de partij. In plaats van te proberen met een ruime interne oppositie te leven, trachtte hij deze te vernietigen of te verzwakken door het buitenspel zetten van een woordvoerder ervan. De interne spanning wordt opgevoerd in het vooruitzicht van de voorgenomen zuivering. De eenheid die men hier inroept, is vanzelfsprekend de eenstemmigheid in de verkiezingsstrijd. Wat hier gebeurd is valt mutatis mutandis onder de aangenomen definitie van “fascisme”. In dit soort omstandigheden gebeurt de liquidatie uiteraard niet fysiek. Het steeds agressievere cordon tegen het Vlaams Blok begint ook kenmerken te krijgen van een “fascistische” zuiveringsoperatie.

2. over fascisme en anti-fascisme

Gevleugelde woorden van de Vlaamse hoogleraar Matthias Storme begin dit jaar (2005) luidden: als het fascisme ooit terugkeert, zal het dat doen onder de naam anti-fascisme .

Bij de eerste verkiezingen in 1946 in de Russische bezettingszone van Duitsland werden alle partijen gedwongen zich te verenigen in een anti-fascistisch blok. Anderen mochten niet deelnemen. Zo ontstond uit het anti-fascisme meteen een autoritaire en totalitaire staat, die weliswaar niet zover gegaan is zelf fascistisch te worden door fysieke zuiveringen uit te voeren.

Fascistische verkrampingen kunnen ontstaan als twee strijdende partijen elkaar met alle middelen gaan bekampen. In de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) is dat niet gebeurd, in de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) dan weer wel. De beide burgeroorlogen waren een betreurenswaardige escalatie van geweld maar toch is er een groot verschil. In Amerika hebben de “noordelijken” en de “zuidelijken” zich weten te beheersen. In veroverde of gecontroleerde zones werden de aanhangers van het andere kamp wel gecontroleerd maar niet geliquideerd. De verliezer wist dus dat er voor hem nog wel een plaatsje zou zijn na de oorlog. In Spanje hebben zowel de nationalisten (Franco) als de republikeinen (het linkse Volksfront) elk bijna 100.000 executies en moorden gepleegd buiten de eigenlijke militaire strijd. Beide kampen wilden hun macht bestendigen door de elite van de tegenstander uit te schakelen. Het ging onder meer om zuivering van vakbondsleiders en religieuzen. Daar ligt nu precies onze definitie van fascisme en dus kunnen de beide kampen zo genoemd worden. Het lijkt er bovendien op dat zij elkaar versterkt hebben. Het fascisme van de ene partij was een excuus voor dat van de andere partij; in beide kampen konden de extremen zich doorzetten. Wellicht wensten de leiders of de meerderheid in beide kampen geen oorlog, en als dat toch gebeurde, dan alleen maar een “beschaafd” gevecht. De werkelijkheid is anders gelopen. In Spanje duurden de executies van republikeinse sympathisanten voort tot in de jaren zestig.

Uit zulke ervaringen ontstaan overtuigingen van pacifisme en geweldloos verzet . Toch moeten wij wellicht vaststellen dat de bereidheid om het geweld te beperken wel van twee kanten moet komen. Het geweldloos verzet van Mahatma Gandhi was succesvol tegen een beschaafde Britse overheerser, maar zou wellicht minder kans gemaakt hebben tegen dictators als Hitler of Stalin.

Misschien zal de geschiedenis ooit vaststellen dat het anti-fascisme en het fascisme een Europese burgeroorlog gevoerd hebben, die in 1917 begon bij de beschieting van het Winterpaleis in Sint-Petersburg (terwijl er nog een klassieke oorlog tussen de mogendheden woedde) en die in 1989 eindigde bij de val de Muur in Berlijn. In de heetste fase van deze Europese burgeroorlog, tussen 1933 en 1945, hebben zij elkaar tot monsterachtige gruweldaden opgejut.

Na 1945 is de atoomknop in beschaafde handen terechtgekomen. Zowel Chroestsjov als Kennedy hebben zich weten te beheersen. We moeten er niet aan denken wat er zou gebeurd zijn als lieden als Hitler of Mao of Bin Laden bij die knop gekund hadden.

3. over de pax Romana, de pax Brittannica en de pax Americana

Op 25 oktober 1981 liep ik met bijna een kwart miljoen anderen door Brussel in een manifestatie tegen de kernbewapening. Op 21 november 1981 deden wij dat in Amsterdam nog eens over met bijna dubbel zoveel volk. De in West-Europa geplande raketten werden niettemin geplaatst maar misschien hebben wij toen toch de generatie van Gorbatsjov in het Kremlin overtuigd dat wij vrede wilden en geen Europese (burger)oorlog en dat er voor hen nog wel een plaatsje zou zijn na de opgave in de koude oorlog. (NB. Margaret Thatcher en Johannes-Paulus II hadden daarbij ook hun verdienste.)

Vergeleken bij die koude nucleaire oorlogsspanning tussen twee grootmachten, lijkt de wereld ons nu een stuk veiliger, zelfs met een oorlog in Irak. Over het algemeen wordt de wereld veiliger wanneer één enkele grootmacht de overhand haalt. De pax Romana ontstond in 146 vC. na de overwinning in een lange strijd met Carthago. De pax Brittanica ontstond in 1815 in Waterloo na de overwinning op Frankrijk. En de pax Americana ontstond in 1989 toen de Sovjet-Unie het opgaf. De overwinnaar en zijn geallieerden konden nadien relatief gemakkelijk de rust handhaven door hier en daar orde op zaken te stellen. De Romeinen moesten dat bijvoorbeeld doen in Egypte (40 vC.) en Judea (66), de Britten in India (1818), Griekenland (1854) en China (1860), de Amerikanen in Panama (1989), Irak (1991), Kosovo (1999), Afghanistan (2001) en nogmaals Irak (2003). Deze interventies worden ook oorlogen genoemd, maar verleken bij een vernietigende strijd om de wereldmacht vallen zij in het niets. De actuele herrie om Irak moet dan ook als erg tijdsgebonden beschouwd worden.

4. over de Kantiaanse vrede, linksisme en rechtsisme

Immanuel Kant is bij mijn weten de eerste filosoof geweest die een wereldvrede door een wereldfederatie in het vooruitzicht stelde (Zum ewigen Frieden, 1795). Op dat vlak werd hij nadien hevig bekampt door de hegelianen. Hegel zelf, en ook Marx en Lenin schenen te menen dat alles wat belangrijk is de vorm van dialectische tegenstelling aanneemt, dus vooral strijd en oorlog, voor Hegel tussen de naties, voor Marx tussen de klassen. Hegel pleitte tegen elke vorm van een volkenbond omdat zoiets de soevereiniteit van de naties aantastte. Wij hebben gezien welke ellende de hegeliaanse thesis en antithesis (fascisme en anti-fascisme, communisme en anti-communisme, linksisme en rechtsisme) over de twintigste eeuw gestort hebben. Voor een goed overzicht van die ellende, lees Hobsbawn (Een eeuw van uitersten, 1994). Intussen pleit ook Fukuyama (Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, 1992) vanuit een ietwat verrassende hegeliaanse invalshoek, voor het beëindigen van de tegenstellingen.

Sinds de grote tegenstelling van de koude oorlog in 1989 inderdaad geëindigd is, is de Kantiaanse wereldvrede nog nooit zo dichtbij geweest. Het is ook zo dat door de atoombewapening de vrede nog nooit zo nodig geweest. Het geweld kan echt te vernietigend worden. Wat er praktisch te gebeuren staat is dat de militaire macht van de Verenigde Staten geleidelijk aan wordt overgedragen aan de Verenigde Naties. Een andere weg om hetzelfde te bereiken is dat de andere atoommachten (Rusland, Pakistan, China, India, Israël) in de NAVO worden opgenomen, zodat er uiteindelijk niemand meer buiten en tegen de alliantie staat.

Er moet alles aan gedaan worden om te verhinderen dat nieuwe tegenstellingen zouden ontstaan, nieuwe gewelddadige thesissen en anti-thesissen, die opnieuw opgevoerd worden tot wereldwijde proporties. Een inventaris van de verschillende soorten fascisme kan daarbij leerrijk zijn. Wij hebben daarom geen nieuw militair tegengewicht tegenover de Verenigde Staten nodig, noch van de kant van Europa, noch van de kant van de islam, noch van de kant van China. De Verenigde Staten hebben in de twintigste eeuw aangetoond dat zij de situatie meester kunnen zijn zonder de vijand te vernietigen, dat wil zeggen zonder fascistisch te worden. Vele anderen hebben die terughoudendheid niet getoond.

5. over Europa

Eén van de doelstellingen van de nieuwe Europese grondwet is dat Europa militair met één stem zou spreken. Europa heeft zogezegd een slecht figuur geslagen door hopeloos verdeeld te zijn over de oorlog in Irak. En dat mag volgens sommigen nooit meer gebeuren. Het militaire hoofdstuk is in feite het enige nieuwe aan de grondwet. Alle andere bepalingen zijn herschreven en gecoördineerde bepalingen uit de vroegere verdragen van Rome, Maastricht en Nice. Hier is een waarschuwing op zijn plaats. Degenen in Europa die menen dat Europa een nieuw militair tegengewicht voor Amerika moet ontwikkelen (couterbalancing of power) vergissen zich schromelijk. Op den duur dreigen er weer drie of vier grootmachten verwikkeld te zijn in een onhoudbare evenwichtsoefening.

De rol die Europa moet spelen onder de pax Americana is de rol die Griekenland speelde onder de pax Romana. Griekenland behield zijn cultuur, zijn taal, zijn kunsten en wetenschap en overvleugelde daarmee zelfs Rome, dat te druk bezig was met de ordehandhaving en de graanvoorziening. In politieke en militaire zaken hielden de Grieken contact met alle strijdende partijen. Wat is er verkeerd wanneer sommige Europese leiders wat meer begrip hebben voor het Amerikaanse standpunt en andere wat meer voor het Arabische? Het tegendeel is eerder waar. Als de spanningen in een familie oplopen is het beter dat de verzoeners niet allemaal aan dezelfde kant staan. Dan kan iedereen met iedereen in gesprek blijven. Europa moet de rest van de wereld, en met name China, ervan overtuigen niet te gaan herbewapenen door dat zelf ook niet te doen. Europa kan de rest van de wereld ervan overtuigen dat de pax Americana een veilige vrede is, die kan uitgroeien tot een pax Kantiana .