Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Overheden plegen ernstige "misdaden tegen de openbare trouw"
Fraude bij Boelwerf eindelijk veroordeeld
zondag 19 juni 2005, door Sam Staples
De Groote Raad der Nederlanden te Mechelen, le grand conseil des Pays-Bas à Malines, der grosse Rat der Niederlande zu Mecheln
A R R E S T
in Naam der Nederlandsche Volken, aux nom des peuples belgiques, im Namen der Niederländischen Völker
De leden van de Groote Raad te Mechelen, namens de Staten van Brabant en Limburg, van Doornik, Vlaanderen, Gelder, Henegouwen, Luxemburg, Mechelen en Namen, in ballingschap sedert de bezetting door Fransche troepen in het jaar 1794
Ten jare tweeduizend en vijf, op 16 juni
In de zaak tegen de beschuldigden
Friary scheepsgroep, en haar vertegenwoordigers J. Lubbe Bakker, T. Highlands, R. van Peteghem, R. Verschueren, E. Vandenbemden, D. Degroot, A. Voermans en M. Brookes
NV Boelwerf, haar aandeelhouders NV Esdam en NV Gimvindus, hun vertegenwoordigers Y. Brasseur, P. Verstuyft, R. Malevé, N. Saverys, H. van der Borght, G. de Brabandere, W. de Vos, M. Stordiau, J. van Damme, R. Verschueren, L. Cappoen, P. Plasschaert, P. de Moor, alsmede C. van Buggenhout, die curator is van de NV Boelwerf en vereffenaar van een reeks scheepsvennootschappen
Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid, en haar vertegenwoordigers D. van den Stockt, W. van Dooren, A. Clottens, J. Denayer, R. Jacobs, G. Vekeman, C. van Hautegem, K. Dierckx, W. Coumans en A. Rampen
Koninkrijk België, en de ministers van verkeer H. de Croo, J.-L. Dehaene, G. Coëme, M. Daerden en E. di Rupo
Vlaamsch Gewest, en de ministers L. van den Brande, N. de Batselier, E. van Rompuy en D. van Mechelen
Allen beschuldigd van misdaden en wanbedrijven tegen de openbare trouw, gepleegd in de landen van Vlaanderen en Brabant, met name in de steden Temse, Brussel en Antwerpen, ten tijde van het faillissement van de NV Boelwerf op 28 oktober 1992 en in de daaraan voorafgaande en de daarop volgende periode
Dit zijn onze overwegingen
Het past in deze zaak de wetten van het "Belgische" volk toe te passen, en wel in de huidige stand van die wetgeving, ook al kwam deze tot stand onder 175 jaar wederrechtelijke heerschappij van Duitsche prinsen, die zich rex belgarum noemen, roi des belges of koning der "Belgen", maar eigenlijk daarmeer de titel van van koning der Nederlanders usurperen.
Het "Belgische" strafwetboek behandelt in boek II, titel III, de misdaden en wanbedrijven tegen de openbare trouw, en bestraft met name in de artikelen 193 en volgende de valschheid in geschriften met opsluiting van tien tot vijftien jaar als de feiten gepleegd werden door openbare officieren of ambtenaren, en met opsluiting van vijf tot tien jaar als de feiten gepleegd werden door andere personen.
De magistraten van Dendermonde lieten deze feiten meer dan twaalf jaren zonder vervolging en het past bijgevolg dat de Groote Raad de zaak te evoqueert.
Door de vermelde nalatigheden van de gerechtelijke instanties van de "Belgische" staat is het zonder belang of artikel 2 van de Wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden al dan niet toegepast wordt, met name de vraag of de beschuldigden voor een assisenhof dan wel voor een correctionele rechtbank dienen te verschijnen.
De Groote Raad heeft -door de gekende omstandigheden- geen toegang tot de overtuigingsstukken in Dendermonde maar hij beschikt wel over de publieke elementen van twee commissies van het Vlaamsch Parlement, onder meer verklaringen van de heer de Gucht van 10 juni 1997 en 2 juni 1998, en getuigenissen van bewindvoerders, curatoren en andere betrokkenen in de zittingen van juni 1998 en juni 2002.
De publieke opinie in het land is op de hoogte van de feiten, onder meer door goede samenvattingen in de kranten.
Uit alle beschikbare overtuigingsstukken blijkt dat in de laatste jaren van de naamloze vennootschap Boelwerf, voorafgaand aan het faillissement in het jaar 1992, alle denkbare documenten vervalscht waren, dat wil zeggen dat zowel de boekhouding als de geldbewegingen, zowel de bestekken als de facturen met betrekking tot de gebouwde schepen, zowel de verkoop- als de aankoopfacturen, evenals de leningen en de openbare scheepskredieten, niet met de werkelijkheid overeenstemden.
Deze valschheid werd begaan met bedrieglijke inzichten, meer bepaald om hogere scheepskredieten te krijgen of toe te staan dan wettelijk mogelijk was. Daar waar de wettelijke voorziene kredieten 80 procent van de bouwwaarde bedroegen werd deze bouwwaarde valschelijk opgetrokken tot 125 procent, zodat de volledige bouwwaarde gefinancierd werd door de gemeenschap; 80 procent van 125 procent is namelijk precies 100 procent. Het belangrijkste gevolg van deze valsche overfinanciering is dat deze kredieten niet volledig terugbetaald konden worden. Het ging nochtans om gemeenschapsgelden.
De kredieten voor tientallen schepen, die intussen al lang door de reders verkocht zijn, staan nog altijd onbetaald open, met name de kredieten voor een kabellegger, een boorplatform, een zestal reefers of fruitschepen en nog drie chemicaliëntankers. Het is de Groote Raad niet duidelijk is wie op dit ogenblik in het bezit is van deze waardeloze portefeuille, nadat de Vlaamsche Regering deze in het jaar 2004 openbaar zou verkocht hebben. Daarbij dienen nog gevoegd te worden de zes schepen, waarvan de kredieten verloren gingen bij het faillissement van de NV ABC Containerline.
Deze valschheid is een ernstige misdaad, die van aard is het openbaar vertrouwen op een bijzonder ernstige manier te ondermijnen, en waarvoor het strafwetboek criminele straffen voorziet van minimaal vijf jaar opsluiting of minimaal zelfs tien jaar voor de openbare functionarissen.
Bijgevolg oordelen wij over de verschillende betrokkenen
1. de Friary-scheepsgroep en zijn verantwoordelijken
Uit het feitenmateriaal blijkt dat het in de beschouwde periode niet meer mogelijk was om schepen bij de Boelwerf te bestellen zonder aan de valschheden deel te nemen. Bovendien blijkt dat de Friary-groep uiteindelijk de enige is die de kredieten van het laatst gebouwde schip, met name de Navigator, volledig heeft terugbetaald. Hetzelfde kan gezegd worden van de kredieten op twee oudere boorschepen, Petrel en Pelican, die de groep in 1993 uit het faillissement van de NV Off Shore Europe heeft kunnen kopen. De Groote Raad besluit daarom dat de bedrieglijke inzichten in hunnen hoofde niet bewezen zijn en besluit daarom tot vrijspraak, zowel voor de vennootschap als voor haar bestuurders. De zaak van fiscale fraude die door dezelfde groep zou gepleegd zijn, en waarover ook in de parlementaire commissies gesproken is, wordt door de Groote Raad niet geëvoqueerd maar verder overgelaten aan de rechtbank van Dendermonde, al moet gezegd worden dat deze eventuele wanbedrijven kortelings schijnen te zullen verjaren.
2. de Boelwerf en de NMKN en hun verantwoordelijken
Uit het feitenmateriaal blijkt dat deze beschuldigden de valsche bestekken, facturen, acten van lening, kredietdossiers en dergelijke opmaakten, goedkeurden, gebruikten of de beslissingen daartoe namen. Het blijkt ook dat zij wisten of moeten geweten hebben dat het om grote bedragen en dus om ernstige vervalschingen ging. Anderzijds meent de Raad dat deze personen niet voor zichzelf handelden maar namens hun opdrachtgevers, de Belgische staat (Gimvindus) en de private aandeelhouders (Esdam). De Raad meent dat zij onder dwang handelden, minstens niet vrij waren in hun beslissingen. Hij besluit daarom tot vrijspraak, zowel voor de vennootschap als voor haar bestuurders.
De curator kan vanzelfsprekend niet aangewreven worden de valsche stukken opgemaakt te hebben. Hij heeft deze bij zijn aanstelling aangetroffen en meteen aangeklaagd bij de rechtbank van Dendermonde. Het feit dat hij deze klacht later ingetrokken heeft met het ogenschijnlijke oogmerk dat deze feiten niet langer vervolgd zouden worden, kan geen aanleiding meer geven tot vervolging voor de feiten zelf.
3. de Belgische Staat, het Vlaams gewest en hun respectieve ministers
Uit de samenlezing van alle gegevens kan afgeleid worden dat bij de Belgische Staat de uiteindelijke verantwoordelijkheid lag van deze valschheid. Vooraleer een veroordeling uit te spreken past het dat de Raad alle verzachtende en verzwarende omstandigheden afweegt. Als verzachtende omstandigheid kan zeker aanvaard worden het feit dat de valschheden op het eerste gezicht geen persoonlijk profijt tot doel hadden. Het voornaamste en mogelijk enige oogmerk lag in het behoud van de scheepsbouw en de tewerkstelling in het land van Temse. Dit doet echter geen afbreuk aan de regel dat een eerbaar oogmerk niet met onwettelijke, zeker niet met misdadige middelen, mag worden nagestreefd. Als verzwarende omstandigheid moet gelden dat het gaat om ministers die een openbare functie vervulden, en die aangesteld waren om de wetten van de volken uit te voeren en te doen naleven. Diezelfde wetten bepalen dat het staatshoofd onverantwoordelijk is. Het maakt in diens hoofde niet uit of zijn heerschappij al dan niet wettelijk is, in deze zijn het de ministers die de volle verantwoordelijkheid dragen. Aldus hebben zij door hun valschheden, als hoogste gezagsdragers, bijgedragen tot een bijzonder kwalijke ondermijning van de openbare trouw. Het feit dat zij regeerden onder een onwettelijke Duitsche prins kan een verzwarende omstandigheid zijn maar na 175 jaar mag de Groote Raad daar niet te erg aan tillen en kan op dit punt het voordeel van de twijfel gelden, als handelden de ministers onder een sluier van sinds lang gewekt vertrouwen.
Tenslotte past het dat de Raad de verantwoordelijkheden van de onderscheiden personen bepaalt. De wet op de aansprakelijkheid van rechtspersonen is pas na de feiten in voege gekomen en zelfs na deze inwerkingtreding zijn er uitzonderingen voor de openbare overheden. Bijgevolg verleent de Groote Raad de vrijspraak aan de rechtspersonen die het Koninkrijk België en het Vlaamsch Gewest zijn. Ten tijde van de feiten konden enkel natuurlijke personen strafrechtelijk veroordeeld worden.
3a. de heer Herman de Croo
De heer de Croo was verkeersminister in de jaren 1981-1988. De Raad heeft deze periode niet onderzocht en is van mening dat beschuldigde de Croo alleszins vrijuit zou gaan wegens verjaring van de meeste feiten.
3b. de heer Guy Coëme
Het voornaamste en bijna enige wapenfeit van de heer Coëme als minister van verkeer was de inhuldiging van het schip “Prins Filip” op 12 mei 1992. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen van betrokkenheid van de beschuldigde bij de valschheden. De Groote Raad spreekt hem bij gebrek aan bewijzen vrij.
3c. de heren Michel Daerden en Elio di Rupo
De heren Daerden en di Rupo zijn minister van verkeer geworden nadat de misdrijven feitelijk van aard veranderd zijn door de stopzetting van de werf, en ook nadat de Belgische Staat de verantwoordelijkheid over deze zaken op 1 januari 1989 grotendeels had overgedragen aan het Vlaamsch Gewest. De Groote Raad stelt vast dat zij in hun functie nog wel hebben toegestaan dat schepen beneden de (vervalschte) kostprijs of bouwwaarde verkocht werden, wetende dat daardoor onbetaalde scheepskredieten zouden blijven open staan. Deze beschuldigden moeten bijgevolg op de hoogte zijn gebracht van de eerdere misdaden maar het is niet bewezen dat zij eraan hebben deelgenomen. Zij hebben namens de Staat achteraf de onvermijdelijke verliezen goedgekeurd. Alhoewel zij de bevolking daarover niet duidelijk ingelicht hebben, eerder alles hebben willen verdoezelen, past niettemin past de vrijspraak voor feiten die vóór hun tijd gepleegd zijn.
3d. De heren Luc van den Brande, Norbert de Batselier, Herman van Rompuy en Dirk van Mechelen
Deze heren waren minister van het Vlaamsch Gewest. Na de bevoegdheidsoverdracht werd de Vlaamsche Regering de voornaamste verantwoordelijke voor de scheepsdossiers. Tussen 1992 en 1994 werkte een nieuwe vennootschap, de NV Boelwerf Vlaanderen, vijf schepen van de “oude” Boelwerf verder af. Valschheden die in die periode gepleegd zijn, met name met Europese subsidies, werden bij vonnis van 12 oktober 2004 van de rechtbank van Dendermonde veroordeeld. De Groote Raad stelt vast dat de magistraten in Dendermonde, weliswaar erg laattijdig, hun verantwoordelijkheid genomen hebben in verband met de tijdens het Vlaamsche bestuur gepleegde misdrijven. Het Vlaamsch Gewest moet ook op de hoogte geweest zijn van de valschheden bij de oude Boelwerf, maar het is niet bewezen dat zijn verantwoordelijken eraan hebben deelgenomen betreft. Zij hebben namens het Gewest de onvermijdelijke verliezen geïncasseerd. En alhoewel zij de bevolking daarover niet duidelijk ingelicht hebben, eerder alles hebben willen verdoezelen, past niettemin de vrijspraak voor feiten die vóór hun tijd gepleegd zijn.
3e. de heer Jean-Luc Dehaene
De valschheden hebben de hoogste vlucht genomen in de periode dat de heer Dehaene verantwoordelijk was, als verkeersminister tot 1992 en dan als eerste minister. Aangezien het strafwetboek niet toelaat de rechtspersoon die de Belgische Staat is, als dader en hoofdopdrachtgever van deze misdaden tegen de openbare trouw aan te wijzen, komt de Groote Raad tot het besluit dat de heer Dehaene in deze als dader moet aangewezen worden. Het gaat om meer dan louter politieke verantwoordelijkheid. Hij heeft de meeste leden van de raad van bestuur van de Boelwerf aangeduid en het kan niet aangenomen worden dat dezen hem niet persoonlijk op de hoogte gebracht hebben van de totaal onbetrouwbare toestand van de boeken en geschriften van de onderneming. De Groote Raad stelt vast dat de heer Dehaene wetens en willens opdracht gegeven heeft de vervalschingen te begaan of gedoogd heeft dat deze voortgezet werden.
Omdat de Groote Raad geen toegang heeft tot het dossier in Dendermonde, kan hij niet precies oordelen over de verjaringstermijn van de strafvorderingen. Deze termijn is in principe tien jaar vanaf de feiten (artikel 21 voorafgaande titel Wetboek van Strafvordering), terwijl elke daad van onderzoek of vervolging deze termijn stuit voor een nieuwe periode van tien jaar totdat deze maximaal verdubbeld is, dit is tot twintig jaar (artikel 22). Een groot deel van de rechtspraak en de rechtsleer rangschikken de valschheid in geschrifte overigens onder de voortgezette of de voortdurende misdrijven. Het maken van valsche stukken en het gebruik ervan vormen één enkel misdrijf dat voortduurt zolang de gevolgen ervan voortbestaan. De Groote Raad stelt vast dat de overdreven scheepskredieten nog altijd niet terugbetaald zijn door de vennootschappen die onder de curatele of onder de vereffening staan van de heer van Buggenhout. De zogenaamde openbare verkoop van de vorderingen-portefeuille door de Vlaamsche regering in 2004 kan misschien verstaan worden als een poging om het voortduren van het misdrijf te beëindigen. Wat er ook van zij, de Groote Raad stelt vast dat er duidelijke argumenten zijn om vast te stellen dat de strafvordering voor valsche stukken die in 1992 of eerder opgemaakt zijn, thans nog niet verjaard is.
De Groote Raad merkt terloops op dat het dezelfde heer Dehaene was die in dezelfde periode de reders van Antwerpen de mogelijkheid gegeven heeft hun schepen onder de vlag van Luxemburg te brengen, waardoor zij opnieuw onder de authentieke Nederlandsche vlag voeren. De Raad prijst dit als een patriottische daad.
De Groote Raad merkt ook op dat in het land verteld wordt dat de heer Dehaene, nadat hij eerste minister werd, uiteindelijk toch beslist heeft een einde de maken aan deze politieke corruptie, dat hij daarom een regeling op de financiering van politieke partijen heeft ingevoerd opdat deze voortaan niet meer met duistere financiële middelen zouden moeten werken, dat inderdaad de corruptie aan het einde van zijn bestuur fel zou verminderd zijn. De Raad aanvaardt dit als een verzachtende omstandigheid.
Echter, het ongestraft laten van de valschheden in een belangrijke onderneming onder staatscontrole zou van aard zijn om de al erg aangetaste openbare trouw nog verder te ondermijnen en de al erg getarte belastingbetalers nog meer te tarten, aangezien zij ook streng gestraft worden wanneer zij hun boeken vervalschen. Hier past dus een voorbeeldige bestraffing, zoals in de wetten voorzien is.
Het door de volken goedgekeurde Europeesch Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamente vrijheden, artikel 6, alsmede het internationaal verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten, artikel 14, bepalen dat de beschuldigden recht hebben op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn. De Raad erkent in deze dat hij de beschuldigde niet heeft kunnen horen en dat hij in de onmogelijkheid verkeerde de eventuele parlementaire onschendbaarheid van de beschuldigde te toetsen. Indien de rechtbanken onder de voorwaarden van een eerlijk en vlotte procesgang zouden gehandeld hebben, zoals voorgeschreven in de genoemde verdragen, zou de beschuldigde de minimale straf van tien jaar opsluiting reeds uitgezeten hebben en was hij op dit ogenblik weer een vrij man. De Groote Raad oordeelt dan ook dat in de gegeven omstandigheden, meer dan twaalf jaar na de feiten, geen feitelijke strafuitvoering meer mogelijk, noch wenselijk is. Hij beperkt zich tot een eenvoudige schuldigverklaring, zoals voorzien in het nieuwe artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en verklaart de heer Jean-Luc Dehaene schuldig aan misdaden tegen het openbaar vertrouwen.
Dit is ons oordeel over de burgerlijke vorderingen
Wat de burgerlijke vorderingen betreft, met name de schade van de belastingbetalers in de eerder genoemde landen waarvoor de Groote Raad opgericht is, met inbegrip van Waalsch-Luxemburg maar met uitzondering van Duitsch-Luxemburg, ook met uitzondering van Oostenrijksch-Gelder, dat nu onder Nederlandsch-Limburg valt, maar met latere toevoeging van de landen van Stablo-Malmédy, Bouillon, en Luik, dat wil zeggen voor alle Staten die thans een fiscale eenheid vormen, oordeelt de Raad als volgt. Het totale bedrag van de door de valschheden verloren gegane begrotingsgelden wordt geraamd op meerdere honderden miljoenen euro. Het grootste deel daarvan is evenwel in hetzelfde territorium teruggekeerd onder de vorm van tewerkstelling en andere economische voordelen. De rechtbank mag geen oordeel vellen over de zin of onzin van het gevoerde economisch beleid. De Groote Raad is bijgevolg niet bevoegd een mogelijke economische schade vast te stellen.
De Raad onderzocht evenmin de schade die gesteund is op de vaststelling dat het gevoerde beleid jarenlang de privé-aandeelhouders van de Boelwerf, de CMB-groep, de ABC-groep en de Friary-groep in staat gesteld heeft zich te verrijken op kosten van de gemeenschap. Indien deze schade bestaat, ging zij weliswaar gepaard met de gepleegde valschheden, maar was zij er niet noodzakelijk het gevolg van, terwijl de valschheid ook geen noodzakelijke voorwaarde was voor de economische, financiële en fiscale gunsten aan de sector. Artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, dat een oorzakelijke band vereist tussen de vastgestelde fout en de vastgestelde schade, laat daarom niet toe deze schade te verbinden aan de vastgestelde valsche geschriften. Indien deze schade bestaat is zij eerder het gevolg van het algemene beleid met betrekking tot de scheepsbouw en de scheepvaart en niet noodzakelijk van de valsche boeken van Boelwerf in het jaar 1992. Deze schade is dus geen noodzakelijk gevolg van de hier aangeklaagde feiten.
Echter, wanneer regeerders, die pretenderen namens de volken te regeren, de meest elementaire strafwetten, zoals deze over de valschheid in geschriften en de aantastingen van de openbare trouw streng bestraft, naast zich neerleggen, dient de Groote Raad een schade van morele aard vast te stellen, die eventueel kan bijdragen het zwaar gehavende openbaar vertrouwen te herstellen.
Omdat deze schade wel reëel is maar evenzeer onschatbaar, kent de Groote Raad een symbolisch bedrag toe aan de benadeelde volken. Hij veroordeelt de heer Jean-Luc Dehaene bij verstek tot de betaling van één euro aan elk van de 589 gemeenten in het land dat thans feitelijk het fiscaal gebied vormt, waarover hij geregeerd heeft, de gemeenten zijnde de meest directe en meest legitieme vertegenwoordigers zijn van de Nederlandsche volken.
De tekst van dit arrest zal openbaar gemaakt worden.
Gedaan te Mechelen op 16 juni 2005
