Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Johny Lenaerts/ Negri & Hardt
donderdag 23 september 2004, door Johny Lenaerts
Het is een oorlogvoeren met beperkte doelstellingen tussen tegenstanders die niet in staat zijn elkaar te vernietigen, die geen materiële reden hebben om te vechten en die niet verdeeld zijn door enig werkelijk ideologisch verschil. Het gedrang om afzetgebieden, een van de belangrijkste redenen voor vroegere oorlogen, is er tot een einde gekomen, terwijl de jacht naar grondstoffen niet langer een zaak is van leven of dood. In elk geval is ieder van de drie superstaten zo uitgestrekt, dat hij bijna alle grondstoffen, die hij nodig heeft, binnen zijn eigen grenzen kan verkrijgen. De maatschappij die Orwell zich voor de nabije toekomst zag aftekenen (hij schreef zijn roman vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog), was een oligarchisch collectivisme: een collectief systeem dat geregeerd wordt door een kleine groep die tot de bevoorrechte klassen behoort, waarbuiten aan niemand enig direct of indirect aandeel in het bestuur van het land is vergund. Terwijl in het verleden de heersende groepen van alle landen elkaar echt bestreden, wordt in ‘1984’ de oorlog door iedere heersende groep gevoerd tegen de eigen onderdanen en het doel van de oorlog is niet om gebiedsveroveringen te maken of te voorkomen, maar om de structuur der samenleving in stand te houden. Het woord ‘oorlog’ zelf is derhalve misleidend geworden. Het zou waarschijnlijk juist zijn om te zeggen dat de oorlog, door constant te worden, heeft opgehouden te bestaan. George Orwell voorzag dat de drie superstaten, in plaats van elkaar te bestrijden, zouden overeenkomen om voortdurend in vrede te leven, elk onschendbaar binnen zijn eigen grenzen. Een vrede die waarlijk blijvend was zou hetzelfde betekenen als een permanente oorlog. Dit is de diepere betekenis van de leuze: ‘Oorlog is vrede’.
George Orwell was nog veel te optimistisch! Hij dacht dat de wereld tussen drie supermachten zou verdeeld worden. Met de mondialisering van de kapitalistische productie en handel, waar we momenteel getuige van zijn, stappen we het Imperium binnen: het kapitalisme is een wereldrijk geworden. Was in de Oudheid het Romeinse Imperium nog beperkt tot het Middenlandse Zeegebied, en oefende het Britse Rijk enkel haar macht uit over haar kolonies, dan kunnen we nu stellen dat de wereld één rijk geworden is, waar het Kapitaal regeert. De macht van de natie-staten is uitgehold, de meest afgelegen gebieden en volkeren zijn in de kapitaalsstroom opgenomen. Deze nieuwe wereldorde brengt niet enkel nieuwe vormen van controle met zich mee, maar veroorzaakt ook nieuwe vormen van strijd en subversie, waaruit - misschien - eens een tegen-Imperium kan ontstaan.
Dit is in een notedop de kern van het betoog van Toni Negri en Michael Hardt in een boek dat van uitzonderlijk belang is: ‘Empire’, Exils Ed., Paris, 2000 (er bestaat een Engelse uitgave bij Harvard University Press).
We vertaalden twee fragmenten, die wij u hier willen voorleggen.
Het imperium.
Het Imperium neemt zienderogen vaste vorm aan. In de loop van de afgelopen decennia, met de afschaffing van de koloniale regimes, en nog sneller nà de uiteindelijke ineenstorting van de Sovjetrussische barrières tegen de westerse wereldhandel, maken we een onstuitbare en onomkeerbare mondialisering mee van de economische en culturele ruil. Naast de wereldmarkt en de mondiale productiecircuits is er een mondiale orde ontstaan, een nieuwe machtslogica en een nieuwe machtsstructuur - kortom, een nieuwe vorm van soevereiniteit. Het Imperium is het politieke subject dat daadwerkelijk de wereldmarkt regelt, het is de soevereine macht dat de wereld regeert.
Volgens velen betekent de mondialisering van de kapitalistische productie en handel dat de economische relaties minder afhankelijk geworden zijn van de politieke controle, dus dat de politieke soevereiniteit afgenomen is. Sommigen begroeten dit nieuwe tijdperk als de bevrijding van de kapitalistische economie van de restricties en de vervormingen die de politieke machten haar opgelegd hadden; anderen daarentegen betreuren dit omdat zij de institutionele wegen afsluiten waarlangs de werknemers en de burgers de koude logica van het kapitalistische winststreven konden beïnvloeden of contesteren. Het is juist dat met het voortschrijden van de mondialisering de soevereiniteit van de natie-staten, terwijl zij verregaand behouden bleef, langzaamaan uitgehold werd. De elementaire factoren van productie en handel - geld, technologie, personeel en waren - steken de grenzen over met een toenemend gemak; daaruit volgt dat de natie-staat steeds minder macht heeft om deze bewegingen te reguleren en om zijn autoriteit over de economie op te leggen. Zelfs de overheersende natie-staten kunnen niet langer meer beschouwd worden als hoogste en soevereine autoriteiten, zij het buiten hun grenzen, zij het er binnen. In elk geval betekent de uitholling van de soevereiniteit van de natie-staten niet dat de soevereiniteit als dusdanig afgenomen is. In de loop van de huidige transformaties regelen de politieke controles, de staatsfuncties en de regelmechanismes nog steeds het domein van de productie en van de economische en sociale ruil. Het is onze fundamentele hypothese dat de soevereiniteit een nieuwe vorm aangenomen heeft, die samengesteld is uit een reeks nationale en supranationale organismes die met elkaar in een eensluidende regeringslogica verenigd zijn. Het is deze nieuwe wereldwijde vorm van soevereiniteit die wij Imperium noemen.
De teruglopende soevereiniteit van de natie-staten en hun groeiende onmacht om de economische en culturele ruil te reguleren vormen in feite de eerste symptomen van de opkomst van het Imperium. De soevereiniteit van de natie-staat vormde de hoeksteen van de imperialismes die de Europese grootmachten in de loop van de moderne tijden uitgebouwd hebben. Onder ‘Imperium’ verstaan wij nochtans iets compleet anders dan het ‘imperialisme’. De grenzen zoals die vastgelegd werden door het moderne systeem van de natie-staten zijn van fundamenteel belang geweest voor het kolonialisme van Europa en voor zijn economische expansie: de landsgrenzen van de natie beperkten het centrum van de macht van waaruit men de macht over de externe territoria uitoefende, dankzij een systeem van kanalen en van obstakels die de stroom van de productie en van de circulatie zowel mogelijk maakten als afremden. Het imperialisme was werkelijk een uitbreiding van de soevereiniteit van de Europese natie-staten tot buiten hun eigen grenzen. Uiteindelijk konden bijna alle gebieden van de wereld verdeeld en verkaveld worden, en de wereldkaart kan gecodeerd worden in Europese kleuren: rood voor de Britse gebieden, blauw voor de Franse, groen voor de Portugese, enzovoorts. Daar waar de moderne soevereiniteit wortel schoot vestigde zij een Leviathan die zijn maatschappelijke domeinen overheerste en hiërarchische territoriale grenzen oplegde, zowel om met politiemethodes de zuiverheid van zijn eigen identiteit te controleren als om alles wat anders was uit te sluiten.
De overgang naar het Imperium vloeit voort uit de deemstering van de moderne soevereiniteit. In tegenstelling tot het imperialisme vestigt het Imperium geen territoriaal machtscentrum en baseert het zich niet op vastgelegde grenzen of barrières. Het is een gedecentraliseerd en gedeterritorialiseerd regeringsapparaat, dat geleidelijk de ruimte van de hele wereld integreert binnen haar open grenzen, die voortdurend verlegd worden. Het Imperium beheert hybride identiteiten, flexibele hiërarchieën en meervoudige handelsrelaties door haar commandonetwerken aan te passen. De verschillende nationale kleuren van de imperialistische wereldkaart worden met elkaar versmolten tot de wereldwijde regenboog van het Imperium.
De omvorming van de moderne imperialistische geografie van de wereldbol en de realisering van de wereldmarkt zijn tekenend voor een overgang in de kapitalistische productiewijze. Belangrijker nog: de ruimtelijke opdeling in drie ‘werelden’ (de eerste, de tweede en de ‘derde wereld’) loopt zodanig in elkaar over dat we onophoudelijk de eerste wereld terugvinden in de derde, de derde wereld in de eerste, en de tweede bijna nergens meer. Het kapitaal lijkt te maken te hebben met een regelmatige wereld - d.w.z. met een wereld die bepaald wordt door gecompliceerde en nieuwe vormen van differentiatie en van homogenisering, van deterritorialisering en van reterritorialisering. De afbakening van de parcours en van de grenzen van deze nieuwe wereldwijde stromen is gepaard gegaan met een transformatie van de heersende productieprocessen zèlf; daaruit vloeide voort dat de rol van de industriële fabrieksarbeid beperkt werd en dat men prioriteit verleend heeft aan de arbeid op het vlak van de communicatie, van de coöperatie en van de verbindingen. In de postmodernisering van de wereldeconomie neigt de creatie van rijkdom meer en meer naar wat wij de biopolitieke productie noemen, d.w.z. de productie van het maatschappelijke leven zèlf, waarin de economie, de politiek en de cultuur meer en meer met elkaar samenvallen en meer en meer in elkaar opgaan.
Talrijk zijn zij die de hoogste macht van deze mondialisering en van de nieuwe wereldorde in de Verenigde Staten situeren. Hun aanhangers bewieroken hen als de leader van de wereld en als de enige grootmacht; hun tegenstanders klagen hen aan als een imperialistische onderdrukker. Beide opvattingen zijn gebaseerd op het idee dat de V.S. eenvoudigweg de jas van de wereldmacht, die de Europese naties hebben laten vallen, terug aangetrokken hebben. Indien de 19de eeuw een Engelse eeuw was, dan was de twintigste eeuw die van Noord-Amerika, d.w.z. dat indien de moderniteit Europees was, de postmoderniteit Amerikaans is. De zwaarste aanklacht die de critici kunnen formuleren is dat de V.S. in feite de praktijk van de oude Europese imperialismes herhalen; hun aanhangers bejubelen daarentegen de V.S. als de meest efficiënte en meest welvarende wereldleider, die herstelt wat de Europeanen verknoeit hebben. Onze werkhypothese - volgens dewelke er een nieuwe imperiale vorm van soevereiniteit ontstaan is - spreekt deze twee opvattingen tegen. De Verenigde Staten vormen niet het centrum van een imperialistisch project; en in feite kan geen enkele natie-staat dit momenteel doen. Het imperialisme is ten einde. Geen enkele natie zal nog een wereldmacht vormen zoals de naties van het moderne Europa dat geweest zijn. (...)
Het Imperium waar wij mee geconfronteerd worden beschikt over een enorme macht tot onderdrukking en destructie - maar dit feit mag in geen enkel opzicht ons doen terugverlangen naar de oude vormen van overheersing. De overgang naar het Imperium en diens globalisering bieden in feite nieuwe mogelijkheden voor de bevrijdingskrachten. De mondialisering is natuurlijk niets unieks, en de verschillende ontwikkelingen die wij vaststellen zijn niet eenvormig noch eenduidig. Onze politieke opdracht, zo menen wij, bestaat er niet louter in om weerstand te bieden aan deze ontwikkelingen, maar om hen te reorganiseren en hen te reoriënteren naar nieuwe doeleinden. De creatieve krachten van de massa (la multitude) die het Imperium ondersteunt zijn evenzeer in staat om op autonome wijze een tegen-Imperium uit te bouwen, d.w.z. een alternatieve politieke organisatie voor de wereldhandel en de wereldstromen. De strijd die de contestatie en de ondermijning van het Imperium beoogt, net zoals die welke een waarachtige alternatieve oplossing willen uitwerken, zal zich ook afspelen op het imperiale terrein zèlf - en inderdaad beginnen er reeds nieuwe strijdvormen van deze aard op te duiken. Doorheen deze strijdvormen, net zoals doorheen andere vormen van strijd, staat de massa (la multitude) voor de taak om nieuwe democratische vormen en een nieuwe constituerende macht uit te vinden, die ons op een goeie dag doorheen het Imperium zullen leiden, en nog veel verder.
(Toni Negri en Michael Hardt, ‘Empire’, Exils Ed., Paris, 2000, p. 16-20)
*** Strijdbewegingen.
In de loop van de afgelopen halve eeuw, en vooral in de twee decennia die de ‘gebeurtenissen van ‘68’ scheiden van de val van de muur van Berlijn, is de herstructurering en de mondiale expansie van de kapitalistische productie gepaard gegaan met een transformatie van de sociale strijd. We kunnen zien hoe krachtige gebeurtenissen zich op het wereldtoneel voordoen, en we vinden daarin een spoor terug van de weigering van de uitbuiting van de massa (la multitude), en een nieuwe soort van solidariteit en van proletarisch militantisme.
Laten wij bijvoorbeeld een blik werpen op de radicaalste en krachtigste confrontaties die er in de eindigende twintigste eeuw plaatsgevonden hebben: de gebeurtenissen op het Tienanmenplein in 1989, de Palestijnse Intifada tegen de Israëlische bezetting, de rellen in Los Angeles in 1992, de opstand van Chiapas die in 1994 begonnen is, de stakingen die Frankrijk in december 1995 lamgelegd hebben en die welke Zuid-Korea troffen in 1996. Elk van deze strijdbewegingen had zijn eigen kenmerken en was gebaseerd op directe regionale belangen, zodanig dat we hen op geen enkele manier met elkaar kunnen verbinden zoals schakels in een keten van opstand. Geen enkel van deze gebeurtenissen heeft een strijdcyclus op gang gebracht, omdat de verlangens en de noden die zij uitdrukten niet ‘vertaald’ konden worden en niet omgezet konden worden van de ene context naar de andere. M.a.w., de - potentiële - revolutionairen die in andere delen van de wereld ageren en de gebeurtenissen van Peking, Naploes, Los Angeles, Parijs of Seoul vernemen, hebben daar niet onmiddellijk hun eigen strijd in herkent. Indien deze confrontaties niet in een andere context kunnen overgeplaatst worden, dan ontbreekt het hen ook aan lokale communicatie, zodanig dat zij, dààr waar zij tot uitbarsting komen, dikwijls slechts van zeer korte duur zijn. Dààrin schuilt ongetwijfeld één van de meest fundamentele en meest prangende paradoxen van deze tijd: in deze tijd van zo zeer geprezen communicatie is de strijd oncommuniceerbaar.
Deze paradox van de oncommuniceerbaarheid maakt het begrip en de expressie van de nieuwe macht die uit deze nieuwe strijdbewegingen voortvloeit, uiterst moeilijk. Wij zouden in staat moeten zijn om toe te geven dat deze strijdbewegingen in intensiteit gewonnen hebben wat zij aan verbreiding, aan duur en aan communiceerbaarheid verloren hebben. Wij zouden in staat moeten zijn om in te zien dat, alhoewel al deze strijdbewegingen geconcentreerd waren op hun eigen lokale en directe toestand, zij daarom niet minder problemen van supranationaal belang gesteld hebben, problemen die eigen zijn aan de nieuwe configuratie van de imperiale kapitalistische regulatie. In Los Angeles bijvoorbeeld werden de rellen gevoed door lokale racistische tegenstellingen en door schema’s van economische en sociale uitsluiting die, in meer dan één opzicht, eigen zijn aan deze (post-)urbane zone; maar de gebeurtenissen werden bijna onmiddellijk uitgebreid op een algemener vlak doordat zij een weigering van het postfordistische regime van sociale controle uitdrukten. De fordistische regimes van compromis en van sociale bemiddeling hebben het beheer van raciaal en sociaal uiteenlopende metropolitane zones en bevolkingen onstabiel gemaakt. Dat hebben de rellen van Los Angeles aangetoond (en in een bepaald opzicht geldt dit ook voor de Intifada). De plunderingen van winkels en het in brand steken van privé-eigendom waren niet louter metaforen; het drukte de mobiliteit en de kwetsbaarheid uit van de sociale postfordistische bemiddeling in de huidige wereldsituatie. Ook in Chiapas was de opstand in het begin geconcentreerd op lokale eisen: problemen van uitsluiting en van een gebrek aan specifieke vertegenwoordiging in de Mexicaanse maatschappij en in de Mexicaanse staat, hetgeen lange tijd - in min of meerdere mate - het lot was van de raciale hiërarchieën in gans Latijns-Amerika. De zapatistische opstand was nochtans niet vanaf het begin een strijd tegen het maatschappelijk regime dat opgelegd werd door de ALENA (Noord-Amerikaans Vrijhandelsverdrag) en, meer in ‘t algemeen, tegen de systematische uitsluiting en onderwerping in de regionale uitbouw van de wereldmarkt. Uiteindelijk gingen de massale stakingen van Peking, net zoals die van Seoul en van Parijs, over specifieke, lokale en nationale problemen (zoals over loon, pensioen en werkloosheid), maar de strijd werd heel snel opgevat als een duidelijke contestatie van de nieuwe economische en sociale oriëntatie van de wereld. De stakingen in Frankrijk beoogden op de eerste plaats een nieuwe opvatting van het politieke domein, een nieuwe constructie van de publieke ruimte, tegen de neoliberale privatiseringsmechanismen die min of meer overal de projecten van kapitalistische mondialisering begeleiden. Het is misschien juist omdat al deze strijdbewegingen oncommuniceerbaar zijn, dus uitgesloten van een horizontale verplaatsing onder de vorm van een cyclus, dat zij verplicht zijn vertikaal op te springen en onmiddellijk het wereldniveau te bereiken.
Wij zouden in staat moeten zijn om te begrijpen dat er geen nieuwe cyclus van internationalistische strijd ontstaat, maar veeleer een nieuwe vorm van sociale bewegingen. M.a.w., wij zouden in staat moeten zijn om het fundamenteel nieuwe van al deze strijdbewegingen in te zien, ondanks hun verregaande verschillen. Ten eerste. Alhoewel zij diep geworteld is in de lokale traditie, slaat elke strijd onmiddellijk over naar het mondiale niveau en viseert zij de constitutie van het Imperium in zijn algemeenheid. Ten tweede. Al deze strijdbewegingen heffen het onderscheid tussen economische conflicten en politieke conflicten op. Zij zijn zowel van economische, van politieke als van culturele aard - bijgevolg zijn het biopolitieke strijdbewegingen, bewegingen over de vorm van het leven. Het zijn ook constituerende strijdbewegingen, die nieuwe publieke ruimtes en nieuwe vormen van communauteit creëren.
Wij zouden in staat moeten zijn dit alles in te zien, maar dat is niet zo gemakkelijk. Zelfs als we het nieuwe van deze situaties erkennen, zijn wij in feite verplicht om toe te geven dat wij gegeneerd zijn door de indruk dat deze strijdbewegingen altijd al oud, achterhaald en anachronistisch zijn. De beweging van het Tienanmenplein sprak een taal die reeds lang uit de mode leek: gitaren, halsdoekjes, tenten en slogans leken een verlate echo van het Berkeley van de jaren zestig. Op dezelfde manier leken de rellen van Los Angeles een herhaling van de aardverschuiving van de raciale conflicten die de V.S. in dezelfde jaren kende. Wat de stakingen van Parijs en Seoul betreft, zij lijken ons terug te voeren naar het tijdperk van de fabrieksarbeider, alsof het de laatste opstoot van de zieltogende werkende klasse betrof. Al deze conflicten - die werkelijk nieuwe elementen op de dagorde stelden - leken vanaf het begin reeds oud en achterhaald, precies omdat zij niet konden communiceren, omdat hun taal niet kon worden vertaald. Deze conflicten communiceerden niet, ondanks hun hypermediatisatie (televisie, internet, enz.). Nogmaals: wij worden geconfronteerd met de paradox van de oncommuniceerbaarheid.
Wij kunnen zeker en vast bepaalde reële obstakels identificeren die de communicatie van de strijd blokkeren. Eén van deze obstakels is het gebrek aan herkenning van een gemeenschappelijke vijand tegen wie de strijd zou gericht zijn. Peking, Los Angeles, Naploes, Chiapas, Parijs, Seoul: al deze situaties lijken van erg bijzondere aard te zijn, maar in feite viseren zij allen rechtstreeks de wereldorde van het Imperium en zoeken zij naar een alternatief. Het is dus een essentiële politieke taak om de aard van de gemeenschappelijke vijand duidelijk te stellen. Een tweede obstakel - dat in feite voortvloeit uit het eerste - is dat er geen gemeenschappelijke vertolker van de conflicten bestaat die de specifieke taal van elk zou kunnen ‘vertalen’ in een kosmopolitisch esperanto. De conflicten in andere delen van de wereld en zelfs onze eigen conflicten lijken geschreven te zijn in een onverstaanbare vreemde taal. Ook dat roept een belangrijke politieke taak op: een nieuwe gemeenschappelijke taal te creëren dat de communicatie moet mogelijk maken, zoals de codes van het anti-imperialisme en het proletarisch internationalisme dat waren voor de strijd van de voorbije periode. Misschien vereist dit een nieuwe vorm van communicatie die zou functioneren niet op basis van gelijkenissen maar op basis van verschillen: een soort communicatie van bijzonderheden.
De mol en de slang.
Een gemeenschappelijke vijand identificeren en een gemeenschappelijke taal voor de conflicten uitvinden, zijn ongetwijfeld belangrijke politieke taken - en in dit boek benadrukken wij die dan ook zo veel mogelijk - maar onze intuïtie zegt ons dat deze analyselijn uiteindelijk niet erin zal slagen om het reële potentieel van de nieuwe conflicten te vatten. M.a.w., onze intuïtie suggereert ons dat het model van horizontale articulatie van de strijd in een cyclus niet langer meer van toepassing is om de weg te onderscheiden waarin de hedendaagse conflicten een mondiale betekenis en een mondiaal belang verkrijgen. Een dergelijk model maakt ons in feite blind voor hun werkelijk nieuwe potentieel.
Marx heeft de continuïteit van de proletarische strijdcyclus van het 19de eeuwse Europa uitgedrukt met het beeld van een mol en onderaardse gangen. De mol kwam volgens Marx naar buiten in tijden van openlijke klassenstrijd en trok zich daarna onder de grond terug, niet om er passief te overwinteren, maar om zijn tunnels te graven, met verloop van tijd voort te schrijden en zich te wenden in de richting van de geschiedenis, en om naar buiten te komen telkens als de situatie daar goed voor was (1830, 1848, 1871): ‘Goed gewerkt, oude mol!’ Wat ons betreft, wij vermoeden dat de oude mol van Marx dood is. In de huidige overgang naar het Imperium lijkt het er volgens ons inderdaad op dat de gestructureerde tunnels van de mol vervangen werden door de ontelbare golvingen van de slang. De dieptes van de moderne wereld en diens ondergrondse tunnels zijn met de postmoderniteit aan de oppervlakte gekomen. De hedendaagse strijdbewegingen golven geluidloos doorheen de imperiale landschappen van het aardoppervlak. De oncommuniceerbaarheid van de strijd, het gebrek aan goed gestructureerde ondergrondse tunnels betekent misschien in werkelijkheid veeleer een kracht dan een zwakte: een kracht omdat alle bewegingen direct uit zichzelf subversief zijn en dat zij geen enkele hulp of geen externe uitbreiding verwachten om doeltreffend te kunnen zijn. Hoe meer het kapitaal zijn mondiale productienetwerken uitbreidt, des te krachtiger is - misschien ? - elk apart punt van de revolte. Door enkel maar hun eigen kracht te concentreren, door hun energie samen te ballen tot een gespannen en compacte boog, raken deze ‘slangachtige’ strijdbewegingen misschien rechtstreeks de hoogste niveau’s van de imperiale orde. Het Imperium lijkt op een oppervlakkige wereld, wier virtuele centrum onmiddellijk bereikbaar is vanaf elk punt van het aardoppervlak. Indien deze punten iets als een nieuwe strijdcyclus zouden vormen, dan zou het om een cyclus gaan die gedefinieerd wordt niet door de communicatieve uitbreiding van de conflicten, maar veeleer door hun bijzondere oorsprong, door de intensiteit die hun één voor één kenmerkt. Kortom, deze nieuwe fase wordt gedefinieerd door het feit dat diens conflicten niet horizontaal met elkaar verbonden worden, maar dat elkeen vertikaal en rechtstreeks naar het virtuele centrum van het Imperium opspringt.
Vanuit het gezichtspunt van de revolutionaire traditie zou men kunnen opwerpen dat de tactische successen van revolutionaire acties in de 19de en 20ste eeuw allen gekenmerkt werden door de bekwaamheid de zwakste schakel van de imperialistische keten te kunnen verbreken: dat is het abc van de revolutionaire dialectiek, en het kan er bijgevolg op lijken dat de huidige situatie niet veel goeds voorspelt. Het is ongetwijfeld juist dat de ‘slangachtige’ strijdbewegingen die we momenteel meemaken geen duidelijke revolutionaire tactiek vertonen, zelfs lijkt het erop dat zij vanuit tactisch oogpunt volkomen onbegrijpbaar zijn. Gezien we geconfronteerd worden met een reeks erg subversieve sociale bewegingen die de hoogste niveau’s van de imperiale organisatie treffen, is het misschien niet langer nodig om het oude onderscheid tussen strategie en tactiek aan te houden. In de constitutie van het Imperium bestaat er niet langer meer een ‘buitenkant’ van de macht, dus er bestaan niet langer meer zwakke schakels - indien we daaronder een extern element verstaan waarin de uitdrukking van de mondiale macht kwetsbaar is. Om van belang te zijn moet elk conflict het hart van het Imperium treffen, de plaats van haar kracht. Dit feit betekent evenwel niet dat enige geografische regio voorrrang zou hebben, alsof enkel sociale bewegingen in Washington, Genève of Tokyo het hart van het Imperium zouden kunnen raken. De constructie van het Imperium en de mondialisering van de economische en culturele relaties impliceren daarentegen dat haar virtuele centrum op om-het-even-welk punt kan aangevallen worden. De tactische overwegingen van de oude revolutionaire school zijn daardoor ipso facto volkomen inefficiënt geworden: de enige beschikbare strategie voor de nieuwe strijdbewegingen is dus die van een constituerende tegen-macht die in de schoot zelf van het Imperium ontstaat.
(Toni Negri en Michael Hardt, ‘Empire’, Exils Ed., Paris, 2000, p. 83-90.)
