Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Jenny Walry
woensdag 23 augustus 2006, door Jenny Walry
De vraag dringt zich dus op “hoe de dringende en ecologisch noodzakelijke duurzaamheid in een beleid kan worden vertaald dat niet autoritair, maar democratisch is”.
De discussies of de natuur intrinsieke of instrumentele waarde heeft of niet, of een zwak of sterk antropocentrisme de voorkeur wegdraagt, welke ethiek zou passen om ecologische duurzaamheid te realiseren blijven onverminderd nodig. Maar gezien de alarmfase inzake milieuschade zijn we verplicht na te denken over politieke oplossingen die binnen afzienbare tijd kunnen worden geforceerd. Zoeken naar praktische oplossingen moet vandaag voorrang krijgen op theoretische beschouwingen. Om ecologische duurzaamheid te bereiken moeten we dringend zoeken naar maatregelen die politiek hard kunnen worden gemaakt.
In vijf punten tracht ik mijn stelling naar voor te brengen. Eerst ga ik in op wat ecologische duurzaamheid inhoudt en waarom ik ze als essentiële ecologische waarde beschouw; daarna geef ik aan dat slechts met een bepaalde invulling van democratie ecologische duurzaamheid verplicht kan worden opgelegd; vervolgens bespreek ik de idee dat ecologische duurzaamheid een nieuwe waarde is die volgt uit de mensenrechten; het vierde punt behandelt de relatie tussen ecologische duurzaamheid en het voorzorgsprincipe; tenslotte verdedig ik de stelling dat het wettelijk opleggen van ecologische duurzaamheid geen afbreuk doet aan de cruciale waarde van pluralisme. Ik ben de mening toegedaan dat om het soort democratie dat noodzakelijk is om ecologische duurzaamheid te realiseren er ook een andere economische orde noodzakelijk is. Hier beperk ik me tot de bespreking van de relatie tussen ecologische duurzaamheid en democratie.
Ecologische duurzaamheid als belangrijkste ecologische waarde. Ik gebruik de term “ecologische duurzaamheid” en niet “duurzame ontwikkeling” omdat “ontwikkeling” meestal geassocieerd wordt met “economische ontwikkeling”, die dan vaak verwijst naar “economische groei” (meestal uitgedrukt in Bruto Binnenlands Product) . Zelfs al bedoelt men met ontwikkeling niet alleen economische ontwikkeling, dan nog kent die term zeer uiteenlopende betekenissen, van watervoorziening, het optrekken van flatgebouwen, alfabetisering, oprichten van een winkelcentrum tot het opdrijven van reclame. Anders gezegd: voor de enen betekent ontwikkeling de kwantitatieve economische groei voor de anderen de kwalitatieve verbetering van het sociaal-economisch leven van zij die momenteel onderaan de sociaal-economische ladder staan. Om dus op een niet vage manier over duurzame ontwikkeling te kunnen spreken, zou men eerst moeten aangeven wat ontwikkeling inhoudt, om dan de duurzaamheid van dit soort ontwikkeling te bepleiten. Hier gaat het over “ontwikkeling” in de betekenis dat een bestaande maatschappelijke evolutie kan worden volgehouden. “Ontwikkeling” veronderstelt altijd dynamiek; daarom geef ik er geen vaste bepaling van, maar vermeld ik er enkel de belangrijkste dimensies van. Daly & Townsend, 1993 verwoorden het zo: “Het ecosysteem Aarde ontwikkelt zich, maar groeit niet. Het deelsysteem, de economie, moet uiteindelijk ook stoppen met groeien, hoewel het zich kan blijven ontwikkelen. De term duurzame ontwikkeling snijdt daarom hout, maar enkel als men er ‘ontwikkeling zonder groei’ mee beschouwt, i.e. de kwalitatieve verbetering van een fysische economische basis dewelke in een stationaire toestand wordt onderhouden via een doorstroom van materie en energie die de regeneratie- en afvalopnamecapaciteit van de ecosystemen respecteert. Vandaag wordt de term duurzame ontwikkeling gebruikt als een synoniem voor het ‘oxymoronische’ duurzame groei... een cultuur die voor haar economische stabiliteit afhankelijk is van exponentiële groei.” Een eerste aspect van ecologische duurzaamheid wijst er op dat de hoeveelheid gebruikte grondstoffen de hernieuwbaarheid of de vervangbaarheid ervan niet mag overschrijden. Iedere samenleving moet produceren. Daarvoor zijn mensen en productiemiddelen nodig. Productiemiddelen bestaan uit instrumenten van productie zoals gereedschap, machines, gebouwen, infrastructuur en uit grondstoffen (fossiele brandstoffen, water, energiebronnen, land, ertsen enz.). Voor de productie van machines enz. zijn ook grondstoffen noodzakelijk. Grondstoffen zijn de input van de economie, waar in de meeste gevallen, gezien hun eindigheid of lange regeneratietijd, omzichtig moet worden mee omgesprongen.
De meeste productieprocessen veroorzaken afvalstoffen en/of uitstoot van schadelijke gassen die de natuur dan op één of andere manier moet verwerken of absorberen. De belangrijkste natuurlijke “sinks” zijn vegetatiegebieden en oceanen. Een tweede aspect van ecologische duurzaamheid wordt dan: de capaciteit om afval en emissies op te nemen, mag de opnamemogelijkheden van de natuur niet overschrijden. Zo zouden de emissies van broeikasgassen de aarde niet mogen opwarmen. Verdere opwarming zou een kritisch punt kunnen overschrijden waar voorbij bijvoorbeeld de werking van de golfstroom abrupt wordt uitgeschakeld, met alle gevolgen van dien (zie P.T.Jones,2004b). Het vermijden van het gat in de ozonlaag, waar de uitstoot van onder meer drijfgassen mede de oorzaak van is, maakt ook deel uit van ecologische duurzaamheid, omdat de ozonlaag het leven op aarde beschermt tegen overdosissen van schadelijke UV straling. Niettegenstaande er groepen bestaan (vooral verdedigers van economische groei) die menen dat we door aangepaste technologie de milieufuncties kunnen vervangen (dit is de “zachte” duurzaamheid) zijn de meeste ecologische specialisten, en gelukkig ook steeds meer mensen ervan overtuigd dat een “harde” ecologische duurzaamheid noodzakelijk is. Het staat namelijk buiten kijf dat systemen om leven - zonder ontwrichtende schokken - in stand te kunnen houden (zoals bijvoorbeeld stabiel klimaat, bodemregulatie) onmogelijk alleen door technologische middelen kunnen vervangen worden (Daly). Conclusie is dat ecologische duurzaamheid de voorwaarde is voor de behoud van de stocks van wat de natuur ons kan bieden. Daarom spreekt men in deze context van “duurzame regeneratiecapaciteit”. Ecologische duurzaamheid is noodzakelijk willen we niet tot een totaal ontregelde en uitgeputte aarde komen die op termijn levensbedreigend is voor de gehele mensheid en voor grote delen van andere levende wezens.
Voorwaarden voor ecologische duurzaamheid kunnen niet eens en voor altijd worden vastgelegd. Ieder ontwerp voor ecologische duurzaamheid zal rekening moeten houden met de evoluties in natuurlijke en sociale systemen.
Hoe ecologische duurzaamheid kan gerealiseerd worden, daarover bestaan er veel verschillende meningen. Nieuwrechtse ecologische stromingen beweren dat een autoritaire aanpak noodzakelijk is. Ze wijzen vooral op de tekortkomingen van de democratie. Die zou te traag en te inefficiënt werken en een democratische meerderheid zou ecologische duurzaamheid kunnen tegenhouden. Saward (1993) noemt deze opvatting het spook van de ‘The Stalins of greenery’. Ophuls (1992) bijvoorbeeld gaat ervan uit dat gezien de urgentie om een oplossing te vinden voor de enorme ecologische risico’s, de uitweg alleen kan gevonden worden in een of andere vorm van autoritair regime. Als de meerderheid beslist dat ecologische duurzaamheid onnodig of zelfs verwerpelijk is, dan zou er een autoriteit nodig zijn die desnoods onder dwang de noodzakelijke maatregelen oplegt. En inderdaad, zolang we niet inzien dat ecologische duurzaamheid een noodzaak is voor de handhaving van een leefbare aarde en dus ook voor het instandhouding van de mensheid kan democratische besluitvorming daaromtrent in gebreke blijven. Zoals linkse ecologische strekkingen bepleiten ze een ecologisch steady-state maatschappij, zij het van een totaal andere aard: “De ecologische complexe steady-state maatschappij zal daarom niet een klasse van ecologische bewakers vereisen, maar een klasse van ecologische mandarijnen (bureaucraten). Enkel zij zullen over de kennis beschikken die nodig is om de maatschappij goed te runnen. Wat de graad van materiële welvaart ook is, de steady-state maatschappij zal niet alleen meer autoritair en minder democratisch zijn dan de industriële maatschappijen van vandaag ... maar ze kan ook meer oligarchisch zijn, waarbij de volledige participatie in het politiek proces beperkt is tot diegenen die de ecologische en andere competenties bezitten die nodig zijn om tot voorzichtige besluiten te komen.” (Ophuls, 1992, p.214). Die opmerking snijdt hout, want we kunnen nooit zeker zijn dat een meerderheid inderdaad de bescherming van de aarde als prioritair zal stellen aan de eisen van economische groei en consumptie. Ik deel de mening van Saward (1993) dat er een sterke potentiële tegenstelling bestaat tussen de voorwaarden voor een groen beleid en democratie. Toch zijn ecologische duurzaamheid en democratie met elkaar te verzoenen. Welk soort democratie dat zou moeten zijn, daar zijn de meningen sterk over verdeeld. Ik geef in de volgende punten mijn standpunt.
Om de ecologische problemen doelmatig aan te pakken, zijn formele kenmerken van democratie onvoldoende. Indien een xenofobe politieke partij een meerderheid van de bevolking voor haar programma wint en regeringsverantwoordelijkheid zou krijgen dan heeft het die op een democratische manier bekomen. Waarom zeggen we dan dat zo’n partij geen democratische partij is? Indien een meerderheid zou beslissen alle homo’s in een getto samen te brengen, waarom vinden we dit een democratie onwaardig? Omdat in een enge formele betekenis gebruikt, namelijk enkel als een set van regels om via meerderheidsstemming tot beslissingen te komen, democratie kan leiden tot de “dictatuur van de massa”. Daarom verdedigt democratie ook sommige waarden (wat men dan de inhoud van democratie noemt), zoals gelijkheid, vrijheid, pluralisme, en daaruit afgeleid de bescherming van minderheden, vrije meningsuiting, transparantie en deelname in de besluitvorming, recht of informatie en zo meer. De inhoudelijke aspecten van democratie worden gewaarborgd door de rechten van de mens, wetend dat de invulling van zowel de mensenrechten als van de democratie niet voor overal en altijd vaststaan, maar onderhevig zijn aan veranderingen en aanpassingen die rekening houden met de sociale evoluties. Mocht binnen een bepaalde maatschappij iedereen een identieke betekenis aan de democratische waarden geven zou dat feitelijk betekenen dat ieder politiek pluralisme verdwenen is. Vergeten we niet dat in onze dynamische maatschappij pluralisme met haar inherente meningsverschillen levensnoodzakelijk is, wil de democratie kunnen blijven bestaan (Walry, 2001) en niet afglijden naar een dictatuur met één aanvaarde ideologie. Meningsverschillen zijn voorwaarden voor het voortbestaan van democratie. Meningsverschillen mogen niet vermeden worden maar moeten integendeel in open debatten worden bediscussieerd. Dit brengt ons tot het inzicht dat democratie nooit een stabiel afgewerkt project kan zijn, maar dat ze een proces is dat in de tijd en in de ruimte veranderingen ondergaat en steeds tot meningsverschillen zal leiden. Het “georganiseerd meningsverschil” zoals Holemans (2004) democratie noemt, waarborgt het democratische gehalte van een maatschappij. Vasthouden aan de basiswaarden van de democratie waarborgt de kwaliteit ervan. Als ecologische duurzaamheid als basiswaarde aanvaard zou zijn, dan zal men er zich moeten aan houden, zoals aan de andere democratische basiswaarden.
Nu stelt zich de vraag “Kunnen ecologische waarden gededuceerd worden uit de mensenrechten?” En indien wel, in hoeverre zijn ze reeds opgenomen in concrete politieke afspraken?
Ecologische waarden zijn nieuwe waarden die kunnen worden opgenomen in de democratische waarden
In iedere maatschappij en zeker in de dynamische maatschappij van vandaag, ontstaan altijd nieuwe waarden of krijgen bestaande waarden enigszins andere invullingen. Een vrij recent voorbeeld is de aanvaarding van de gelijkwaardigheid van man en vrouw als democratische waarde (hoewel nog niet overal erkend). Is ecologische duurzaamheid een waarde die tot de interne waarden van de democratie behoort of is ze alleen een begerenswaardig doel voor groepen die daar belang aan hechten? Saward (1996) verdedigt de stelling dat democraten voorstanders van milieubeleid (environmentalists) moeten zijn. Vele tegenwerpingen zijn op die stelling gemaakt. Of ze klopt of niet hangt af van de waarde-inhoud die men aan democratie geeft. Ecologische duurzaamheid als waarde intern aan democratie is zeker (nog) niet algemeen geaccepteerd en er staat nog veel werk op de plank vooraleer de meerderheid het belang ervan inziet ze als basiswaarde te aanvaarden.
Het is duidelijk dat niet alle waarden en doelen wezenlijk (“intern”) zijn aan de democratie. Schoonheid, goedheid, vriendschap zijn zeker nastrevenswaardig, maar niet fundamenteel voor het goed functioneren van een democratie. Andere waarden zijn dat wel, zoals gelijkheid en vrijheid. We weten dat gelijkheid en vrijheid zeer wisselende invullingen krijgen, afhankelijk van de waardesystemen waarin ze van toepassing zijn. De discussie daarover zal nooit ophouden, maar toch is er algemeen akkoord dat gelijkheid en vrijheid democratische waarden (Walry, 2002) zijn. Kan ecologische duurzaamheid ook worden opgenomen als essentiële en afdwingbare waarde voor democratie? Zoals ik al zei worden vandaag de democratische waarden gefundeerd vanuit de Rechten van de Mens. Vraag is dan: staat ecologische duurzaamheid vermeld in de mensenrechten? Niet rechtstreeks, maar in artikel 25 van de mensenrechtenverklaring staat het volgende “Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, ....” Het “Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten” (een verdrag met specifieke rechten en beperkingen aan de Verklaring van de Rechten van de Mens, en door de Algemene Vergadering in 1966 aangenomen) zegt het duidelijker “De Staten die partij zijn bij dit verdrag erkennen het recht van een ieder op een zo goed mogelijke lichamelijke en geestelijke gezondheid (...) De door de Staten die partij zijn bij dit Verdrag te nemen maatregelen ter volledige verwezenlijking van dit recht omvatten onder meer die welke nodig zijn om te komen tot: Verbetering van alle aspecten betreffende de hygiëne van het gewone milieu van de mens en van het arbeidsmilieu.” Het is duidelijk dat in 1948 in verband met gezondheid nog niet werd gedacht aan de gezondheidsrisico’s die we nu kennen door de globale maar vaak ongelijk verspreide nadelige gevolgen van onze levenswijze. Nu is deze opvatting algemeen erkend. Men weet dat de globale opwarming tijdens de komende decennia vooral (arme) inwoners van het zuidelijk halfrond dreigt te treffen, ook al dragen zij geen enkele (historische) verantwoordelijkheid voor het klimaatprobleem. Los van het feit dat de klimaateffecten sowieso erger zullen zijn in dat deel van de wereld, kunnen mensen en samenlevingen die over weinig koopkracht beschikken zich minder goed beschermen tegen de gevolgen van overstromingen, stormen, besmettelijke ziekten, droogte enz. In vele gevallen is er ook een tijdseffect. Zo zijn vandaag een deel van de slachtoffers van de kernramp in Tsjernobyl (26 april 1986) nog zelfs niet geboren. Men kan dus met recht en rede beweren dat de gezondheid in gevaar is en dat de “hygiëne van het gewone milieu” door menselijke activiteit verslecht is. Blijkt dus dat als men aanneemt dat iedereen recht heeft op externe voorwaarden die de gezondheid niet in gevaar brengen, ecologische duurzaamheid daartoe behoort. Ecologische duurzaamheid kan, zo meen ik, door het interdependentieargument afgeleid worden uit het “recht op gezondheid en welzijn” en “verbetering van de hygiëne van het gewone milieu”.
We kunnen ons nu afvragen of wat we met betrekking tot ecologische duurzaamheid kunnen deduceren uit de abstracte mensenrechten, ook in meer concrete afspraken is vertaald. Anders gezegd: Zijn er reeds stappen gezet om ecologische duurzaamheid concreet op te nemen als democratisch recht?
Dit is zeker zo. Ik neem de Aarhus en de Rio Conventies als voorbeelden. De Aarhus Conventie van 1998 is uitgewerkt onder de bescherming van de Verenigde Naties (en ook door België geratificeerd);ze is een uitvoerige bewerking van het tiende principe van de Rio Declaratie van 1992. Er wordt in verwezen naar de mensenrechten en ze is, zoals Koffi Annan zegt, een ambitieuze inspanning om milieudemocratie te verwezenlijken. De Aarhus Conventie wijst er op dat milieubescherming tot de mensenrechten kan gerekend worden: “Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf....” Aarhus verwijst ook naar het belang van democratie: “...de uitvoering van dit Verdrag zal bijdragen tot het versterken van de democratie in de regio van de Economische Commissie voor Europa (ECE) van de Verenigde Naties.” Verder wordt echter niet expliciet meer verwezen naar democratie, maar wel worden drie waarden sterk onderstreept die ook wezenlijk zijn binnen iedere democratie, namelijk transparantie en participatie in de besluitvorming, toegang tot informatie en dit voor alle maatschappelijke groepen. Zo wordt het volgende vastgelegd: “Tevens erkennend dat eenieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties... overwegend dat, om dit recht te kunnen doen gelden... burgers toegang (zullen hebben) tot informatie, recht op inspraak in besluitvorming... Aldus beogend de verantwoording en transparantie van de besluitvorming te bevorderen en de publieke steun voor besluiten over het milieu te versterken.” Publieke deelname in de besluitvorming - een democratische vereiste - werd in de Conventie van Rio vastgelegd. Daarin wordt expliciet verwezen naar negen groepen van de civiele maatschappij: vrouwen, jeugdigen, inheemse volkeren, niet gouvernementele organisaties, lokale autoriteiten, arbeiders en vakbonden, handel en industrie, wetenschappelijke en technische gemeenschappen, boeren. In de Aarhus Conventie staat het als volgt: “...het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet-gouvernementele organisaties en de privé-sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu.”
Conventies die over het milieu gaan, spreken over rechten en plichten en zijn door verschillende landen geratificeerd. Dit is een belangrijke stap in de totstandkoming van wetten in dat verband. Maar zolang conventies niet omgezet zijn in afdwingbare wetten brengen ze in de praktijk nog niet veel aarde aan de dijk. Dit betekent niet dat er nog geen wettelijke restricties opgelegd zouden zijn die het milieu beschermen: schadelijke industriële uitstoot, het kappen van bomen en zo meer zijn aan wettelijke regels gebonden. Maar fundamentele correcties in verband met overconsumptie, de schadelijke gevolgen van het wereldwijd vervoer (onze kippen leggen duizenden kilometer af vooraleer ze op ons bord komen!) worden niet als eisen opgenomen. We kunnen zeggen dat kwesties die voor het huidig economisch systeem essentieel zijn, niet worden aangepakt. Een afname van de (ecologisch schadelijke) economische groei is nochtans noodzakelijk om ecologische duurzaamheid te verwezenlijken. Dit scenario zou een drastische vermindering van consumptie veronderstellen (wat onrechtstreeks tot werkloosheid zou leiden) en is in onze competitieve maatschappij (nog) niet aanvaard. En zelfs wetten zijn nog niet voldoende! Denken we maar aan het aantal ecologische wetten die in België gestemd zijn en die nog steeds geen uitvoeringsbesluiten hebben!
Als we aanvaarden dat ecologische duurzaamheid één van de noodzakelijke voorwaarden is voor de gezondheid en het welzijn van alle mensen (de huidige én de volgende generaties), meen ik dat ze zoals gelijkheid, vrijheid, pluralisme, vrije meningsuiting opgenomen kan worden in de “waarde-inhoud” van democratie. Regelgevingen in verband met ecologische duurzaamheid zijn daarom even noodzakelijk als regelgevingen in verband met bescherming van minderheden, recht op politieke gelijkheid en zo meer. Ze zullen dan ook wettelijk moeten worden vastgelegd (altijd voorlopig en veranderbaar). Toch moeten die regelgevingen voor kritiek en contestatie vatbaar blijven in naam van de vrije meningsuiting (als aspect van de liberale democratie). Dit is een moeilijke paradox. Maar nogmaals: hetzelfde geldt voor waarden als gelijkheid, vrijheid, bescherming van minderheden en alle andere democratische waarden.
Ecologische duurzaamheid en het voorzorgsprincipe.
Eén van de voorwaarden voor ecologische duurzaamheid is de toepassing van het voorzorgsprincipe. Dit principe gaat ervan uit dat waar er risico bestaat voor ernstige of onomkeerbare schade, gebrek aan volledige wetenschappelijke kennis niet mag gebruikt worden als reden om geen van maatregelen te nemen om milieu- of andere degradatie te voorkomen. Met andere woorden: het voorzorgsprincipe zegt dat waar er reden is om een werkelijkheid of een proces als schadelijk voor het milieu te beschouwen, preventieve actie of regulatie moet ondernomen worden, zelfs als er geen wetenschappelijke zekerheid bestaat over deze werkelijkheid of dat proces. Het voorzorgsprincipe is een middel om risico’s in te perken. Het is geen democratisch basisprincipe maar een waardevolle leidraad wanneer men beslissingen moet nemen tegen een achtergrond van gekwalificeerde onzekerheid. Een vorm van het voorzorgsprincipe staat in de Rio Declaratie ‘Waar gevaar bestaat voor ernstige of onomkeerbare schade zal gebrek aan volledige wetenschappelijke zekerheid niet gebruikt worden als reden om rendabele maatregels bedoeld om milieudegradatie te voorkomen, uit te stellen.’ Het voorzorgsprincipe zal een hogere graad van regulering van productie en consumptie inhouden, dan nu het geval is. Dat die maatregelen op politieke, maar vooral op tegenstand vanuit de economie zullen stoten, hoeft geen betoog. De idee dat er een duurzame schaal voor de economie moet vastgelegd worden zodat de begrenzingen van de eindige milieugebruiksruimte kunnen gerespecteerd worden, is niet aanwezig in een vrijemarkteconomie. Ecologische economisten vertrekken nochtans van dit principe: eerst de duurzame (maximale) schaal vastleggen, dan voor een rechtvaardige verdeling zorgen en pas in laatste instantie één of andere vorm van markt laten spelen. (Daly & Farley, 2004).
Ecologische duurzaamheid en pluralisme.
Zijn wetten en regels om ecologische duurzaamheid te kunnen realiseren verenigbaar met pluralisme als democratische waarde? Anders gezegd: hoe pluralisme en strenge ecologische regels samen realiseren?
Pluralisme behoort tot de basiswaarden van de moderne democratie. Dit betekent dat de uiteenlopende levenswijzen en opinies die in onze dynamische samenlevingen voorkomen niet enkel als een empirisch feit maar ook als een te verdedigen waarde worden gezien. Waar pluralisme wordt erkend zijn disputen niet weg te denken. Als we politieke discussies aangaan, of het nu gaat over de actieve welvaartsstaat, over neoliberalisme, over ecologische duurzaamheid of over gelijk welk onderwerp, steeds ontstaan meningsverschillen door uiteenlopende ideologieën, maar ook dikwijls door verwarring van begrippen. Dit is een constante in discussies tussen mensen en groepen . Zo vergaat het ook in de debatten over de relatie tussen democratie en ecologische duurzaamheid.
Om een pluralistisch beleid te garanderen, zullen de ecologische richtlijnen volgen uit ideeën en plannen die tot stand komen in een wisselwerking van basis naar top en omgekeerd, en in samenspraak met de verschillende groepen binnen de civiele maatschappij. We zullen zien dat deze vereiste werd ingeschreven in de Rio Conventie. Een maatschappij die pluralisme waardeert, vergt een grote verdraagzaamheid van haar leden. Pluralisme als waarde veronderstelt tolerantie. Maar tolerantie kent grenzen (Walry, 2001). Inderdaad zullen er altijd burgers zijn die ecologische duurzaamheid onnodig vinden of zelfs afkeuren, zoals er altijd burgers zullen zijn die de bescherming van minderheden afwijzen (kijken we maar naar de opkomst van de neonazi’s die huizen van de gekleurde minderheid in brand steken). Democratisch pluralisme moet worden beperkt als er zich essentiële problemen aanbieden (die bijvoorbeeld de toekomst van de mensheid zouden kunnen in gevaar brengen). Als democratische waarden bedreigd zijn - bijvoorbeeld door de uitvoering van extreemrechtse maatregelen - dan zal de democratische staat daar paal en perk aan stellen. Vrijheid van handelen kent grenzen en de democratische staat moet grenzen opleggen om de fundamentele waarden te garanderen en zo zichzelf te beschermen.
Besluit.
Het belang van pluralisme en dus van meningsverschillen verdedigen, lijkt simpel, maar we staan hier toch voor een ernstig dilemma. Hoe lang mogen meningsverschillen over de actieve aanpak van de milieuproblemen nog duren als we het niet kunnen uitsluiten dat ontwrichtende fenomenen met grote snelheid op ons afkomen? Denken we bijvoorbeeld aan de mogelijkheid dat abrupte klimaatwijzigingen zich zouden voltrekken met als mogelijke gevolgen de potentiële uitschakeling van de golfstroom, het bezwijken van de West-Antarctische ijskap, enz. Toegegeven, een cascade van zo’n abrupte, meestal onomkeerbare klimaatwijzigingen lijkt onwaarschijnlijk tijdens de komende decennia, maar valt alleszins niet uit te sluiten vanaf de tweeëntwintigste eeuw. Wat te doen wanneer men geconfronteerd wordt met de mogelijkheid dat zulke fenomenen zouden plaatsvinden? Ik heb geen antwoord: zouden enkel autoritaire regimes snel genoeg kunnen optreden? Het is een gruwelijk idee. Willen we democratisch blijven dan zal ecologische duurzaamheid als wezenlijke waarde moeten worden erkend en zullen ook de noodzakelijk maatregelen (snel genoeg) moeten worden opgelegd. Maar de tijd dringt! Toch lijkt het me mogelijk: de bescherming van minderheden wordt toch ook redelijk efficiënt doorgedrukt, hoewel er vrij veel weerstand tegen bestaat en we helemaal niet zeker zijn dat in een louter formele democratie (beslissingen met meerderheid) de bescherming van minderheden het zou halen.
Alle politieke partijen (met uitzondering van extreemrechts) erkennen in principe de democratische waarden, zij het dat ze er gedeeltelijk andere invullingen aan geven: Liberalen verdedigen hoofdzakelijk een politieke gelijkheid en een (neo)liberale vrijheid in de economische sfeer. Socialisten staan een grotere economische gelijkheid voor die de vrijheid op economisch gebied inperkt. Toch slaagt men erin tot compromissen te komen waar uiteraard niet iedereen tevreden mee is. Met meningsverschillen waarover geen compromis kan worden bereikt, zal iedere democratie rekening houden. De rol van de staat bestaat er dan in te bemiddelen tussen de groepen met onverzoenbare politieke, religieuze en morele overtuigingen en voor zover men geen onderlinge overeenkomst kan bereiken tussen de botsende partijen, op te treden tegen praktijken of situaties die basiswaarden van de democratie schenden. Dat staatsoptreden soms nodig is, blijkt uit vele voorbeelden: wie bijvoorbeeld ongelijkwaardigheid van mannen en vrouwen of het samenvallen van geloof en staat in de praktijk wil brengen, mag zich aan strafmaatregels van de staat verwachten. Meer dan nu het geval is, zouden sancties tegen de verantwoordelijken voor de milieuschade en aantoonbare overconsumptie (cf. emissiepatronen van broeikasgassen die ver bovenuit het ‘duurzame emissieniveau liggen) kunnen uitgevaardigd worden.
Wat moet er gebeuren vooraleer ecologische duurzaamheid wettelijk is opgenomen in het waardepakket van democratie? Die vraag lijkt me pertinent omdat de mogelijke ecologische ellende op korte termijn extreme vormen kan aannemen en de wetten niet voor morgen lijken. Vermits een autoritaire oplossing zeker ten stelligste te vermijden is, moeten we mikken op twee onderling verbonden evoluties. Enerzijds zal er een algemene mentaliteitsverandering noodzakelijk zijn zodat op een democratische wijze kan gekozen worden voor een streng milieubeleid. Dit vergt drastische hervormingen in de economische sfeer én in het persoonlijk leven. De eerste correctie, bijvoorbeeld een afname van de economische groei, zal moeten ondersteund worden door een internationale, samenwerkende en democratisch gecontroleerde overheid; de tweede maakt kinderbeperking in de overbevolkte streken van de wereld nodig en ook véél minder consumptie, vooral in de geïndustrialiseerde landen maar ook van de rijke elite in de armere landen. Anderzijds is het de dringende taak van de politieke verantwoordelijken de essentiële ecologische waarden wettelijk afdwingbaar te maken. Er bestaan natuurlijk al internationale milieuakkoorden en uitvoeringsbesluiten op Europees, nationaal en regionaal vlak, maar die zijn nog onvoldoende. Met betrekking tot de goedkeuring van uitvoeringsbesluiten is zeker nog veel werk aan de winkel. Een zeer moeilijke politieke opgave zijn de noodzakelijke wijzigingen forceren in de economische politiek van de WHO (Wereldhandelsorganisatie), de Wereldbank en het IMF (Internationaal Monetair Fonds).
Indien deze omschakelingen niet tijdig plaatsvinden en er zich gevaarlijke situaties voordoen, zal het nodig zijn om binnen een democratie dwingende maatregels (tijdelijk) op te leggen. Dit gebeurt trouwens reeds. Wat bijvoorbeeld het sorteren van afval en de snelheidsbeperkingen betreft, hebben we geen keuze. Houden we er ons niet aan, dan worden we gestraft. Deze maatregelen hebben wel een zekere mentaliteitsverandering tot gevolg. Het fietsgebruik is een ander voorbeeld van de wisselwerking tussen mentaliteitsaanpassing en regelgeving: mensen willen meer gaan fietsen; daardoor wordt de overheid verplicht meer fietspaden te voorzien en meer fietspaden bevorderen het fietsgebruik. Bij grote rampen of gevaarlijke risico’s kunnen volmachten tijdelijk aangewezen zijn.
Maar als we werkelijk voor de keuze zouden staan, ofwel allen democratisch “ten onder te gaan” omdat de levensomstandigheden globaal totaal verstoord zijn, ofwel door een verlicht autoritair regime (tijdelijk) verplicht worden tot andere manieren van leven, van produceren en van verbruiken, dan verkies ik toch dat laatste. De geschiedenis toont dat dictaturen op korte of lange termijn overwonnen worden; de teloorgang van de aarde kan echter onherroepelijk zijn. De ecologische catastrofen die ons kunnen te wachten staan, kunnen zoveel schade en misère veroorzaken dat er oplossingen moeten komen binnen niet al te lange termijn. Aan ons de keuze op welke manier dit kan gebeuren.
Viva la Democrazia!
Bibliografie.
Conventie van Aarhus www.unece.org/env
Conventie van Rio www.un.org/esa/sustdev/
DALY, Herman & FARLEY, Joshua (2004): Ecological Economics: Principles and Applications, Island Press.
DALY, Herman: Sustainable development: Definitions, Principles, Policies. www.puaf.umd.edu/faculty/papers/daly.
DALY, Herman, TOWNSEND, Kenneth (1993): Valuing the Earth: Economics, Ecology, Ethics. MIT Press.
DOBSON, Andrew (1990): Green Political Thought. Routledge.
HOLEMANS, Dirk (2004): Manifest voor het georganiseerd meningsverschil. De Morgen, 17.04.04.
JONES, Peter Tom, JACOBS, Roger (2004a): De vlinder van Lorenz. Globalisering, ecologie en chaos. Vlaams Marxistisch Tijdschrift 38/2.
JONES, Peter Tom (2004b): Russische Roulette”. http:/vl.attac.be/article151.html.
JONES, Peter Tom & JACOBS, Roger (2005): Duurzame ontwikkeling is een contradictio in terminis. Streven.
JONES, Peter Tom & JACOBS, Roger (2006): Terra Incognita. Academia Press.
OPHULS, William (1992): Ecology and the Politics of Scarcity revisited. W.H. Freeman and Company.
SAWARD, Michael (1993): Green democracy? Ed. Dobson, Edward & Lucardie, Paul “The Politics of Nature”. Routledge.
SAWARD, Michael (1996): Must democrats be environmentalists? Ed. Doherty, Brian and De Geus, Marius “Democracy and green political thought”. Routledge.
WALRY, Jenny (2001) “Grenzen aan de verdraagzaamheid omwille van de democratie” Oikos 18.
WALRY, Jenny (2002) “Globale democratie in een globale wereld” in red. Jan Dumolyn & Peter Tom Jones !Esperanza! Praktische theorie voor sociale bewegingen. Academia Press.
Verschenen in “Ethiek & Maatschappij” jaargang 8, nr. 4, december 2005. Met hier en daar en kleine verandering.
