Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Jan-Pieter Everaerts
Boekbespreking + ideeën-’clash’
zondag 4 juni 2006, door Jan-Pieter Everaerts
Als één van de 17 mede-auteurs van ’Esperanza’ - met David Dessers verzorgde ik het luik over ’media en kapitalisme’ - had ik de initiatiefnemers Jan Dumolyn en Peter Tom Jones een recensie beloofd. Dat die nu pas klaar is, komt door de moeilijkheid om zo’n veelzijdig boek te behandelen. Ludo Abicht merkte in ’Streven’ terecht op dat "om dit boek enigszins fair te kunnen bespreken, men bijna een nieuw boek moet schrijven dat ingaat op de vele argumenten die hier worden bijeengebracht."
Dat dit stukje finaal toch geschreven werd, komt mede doordat de ’gewone’ media het nochtans enthousiasme uitstralende, mooi vormgegeven Esperanza-boek haast eenstemmig doodzwegen. Dat het dan nog eens heel lang geduurd heeft voor dit artikel gepubliceerd werd, komt door mijn vroegere twijfels aan mijn opmerkingen bij de hoofdstukken over feminisme en holebi’s. Opmerkingen waar ik twee jaar na het schrijven van deze bespreking toch nog altijd achter sta, zodat ze nu ook wel kunnen gepubliceerd worden én erover kan gediscussieerd worden.
"To open a Crack in History", betitelden Jones en Dumolyn hun ’proloog’ waarin ze onder andere het veel gebruikte begrip ’postmoderniteit’ bevattelijk toelichten. De auteurs zetten op één pagina ook goed samengevat de "veelvoudige gebreken van de neoliberale globalisering" op een rij: van de sociaal-economische ongelijkheid tot en met het ’vredesdeficit’. Ze pleiten voor een "bevrijding van het verschil", voor eenheid in verscheidenheid (eindelijk eens wat anders dan de kapitalistische én communistische gelijkschakelarij), voor ’postkapitalistische praktijken’ en ’radicale democratie’ (in alle aspecten van het leven).
Met andere auteurs merken Dumolyn en Jones op dat "leefbare alternatieven voor het neoliberalisme slechts mogelijk worden wanneer de verschillende bestaande alternatieven en zienswijzen (socialisme, anarchisme, marxisme, feminisme, multiculturalisme enz.) zich verenigen. Zij moeten een ketting van equivalentie vormen." Een ketting of een legpuzzel die al vragende tot stand gebracht worden. "Al vragende komen we vooruit" stellen ook de Mexicaanse Zapatisten.
In "Dialectiek, een bewegende en tegenstrijdige werkelijkheid", het eerste van de 16 hoofdstukken in ’Esperanza!’, stelt Jan Dumolyn zowat de meest fundamentele vragen die een mens zich kan stellen: "Bestaat de werkelijkheid echt en kunnen we die kennen ? Is er één juist inzicht in de samenleving of kunnen verschillende visies elkaar aanvullen ?"
Tegenover de tot conservatieve berusting leidende postmodernisten - die alles relativeren en de ’grote verhalen’ dood verklaren - plaatst Dumolyn het ’kritisch realisme’. Dat stelt genuanceerd dat we de werkelijkheid nooit volledig kunnen kennen, maar wel gedeeltelijk. Dus kunnen we er ook iets aan veranderen, verbeteren.
Vervolgens gaat Dumolyn dieper in op de ’dialectiek’ (de logica en het ’proces’ van de voortdurend veranderende tegenstellingen in de wereld). Hij zoomt in op marxistische begrippen zoals ’bovenbouw’ en ’productieverhoudingen’. Interessant is hier bv. de opmerking van Marx en Engels dat de formele democratie voor het kapitaal een ideale staatsvorm is. "Ten eerste geeft dat systeem de ondernemen de klasse de mogelijkheid hun onderlinge geschillen op te lossen. Ten tweede geeft het de werkende klasse een schijn van medezeggenschap in het beleid."
De bijdrage van Roger Jacobs over het onderwijs en zijn rol in een kapitalistische maatschappij is er één die al wie in het onderwijs staat, regelmatig mag herlezen. Jacobs beschrijft hoe het huidige onderwijs zijn oorsprong vond in de tijd van ’de Verlichting én een paradoxaal karakter heeft: het wil mensen emanciperen ("hun persoonlijke autonomie en maatschappelijke positie versterken") door hen te disciplineren ... Dat is althans de theorie. In de feiten heeft het kapitalisme het onderwijs ondergeschikt gemaakt aan zijn economische doelen.
Jacobs haalt alternatieve pedagogen aan en stelt dat een ander onderwijs mogelijk is; één waarin de jonge mens centraal staat, waar hij/zij leert samenwerken in plaats van te concurreren. Een onderwijs ook waarin leerkracht en leerling met elkaar in dialoog treden. Hoe zeldzaam die ’dialogische grondhouding’ is, bleek me onlangs toen ik van een collega docent hoorde dat hij studenten er op gewezen had dat ze in mijn cursus ’Nieuwe media en samenleving’ echt kunnen discussiëren, dat ik tegenspraak op prijs stel. De collega wou er de studenten van overtuigen dat ze geen schrik moesten hebben van pittige discussies, iets wat ze blijkbaar niet gewoon zijn in ons onderwijs.
Hoofdstuk drie brengt de al vermelde kritische kijk van David Dessers en mezelf op de media in het kapitalisme. Het besteedt aandacht aan media-activisme en alternatieve media.
Hoofdstuk vier is van de hand van priester Remy Verwimp. "Als geld god wordt, over religie en kapitalisme" luidt de titel. Verwimp zet een heleboel problemen met en uitdagingen van godsdienst op een rij (bv. christelijk rechts, de emancipatiebeweging van moslims in Europa ...). Hij licht "de nieuwe religiositeit" toe, pleit o.a. voor een "ecologie van de geest" en voor een bondgenootschap van christenen en marxisten tegen het kapitaal.
Religie zoals Verwimp die ziet is zeker geen opium voor/van/... het volk maar het tegendeel daarvan. Verwimp toont zich in zijn artikel een democraat in hart en nieren want voor hem kan "oecumene" (een begrip waarvan de meeste mensen wel zullen denken dat het alleen maar doelt op de ’interreligieuze dialoog’) "in de toekomst alleen maar betekenen: een nieuw verbond wereldwijd van alle godsdiensten, filosofische stromingen, levensbeschouwingen, socialistische, feministische en ecologische bewegingen, vakbonden etc. tegen de afgod van de Vrije Markt."
De bijdrage van de ’Feministische Anarchistische Madammen’ (FAM) opent met een historisch overzicht van het westers feminisme, waarna de vrouwenstrijd wereldwijd bekeken wordt. Onthutsend hier is bv. het stukje waarin de rol van ’vadertje staat’ toegelicht wordt.
Een citaat: "In vele landen parasiteert de staat op de uitbuiting van de vrouwen; in het slechtste geval speelt de staat hierin een actieve rol. Zo is het BNP van Thailand en de Filippijnen rechtstreeks afhankelijk van de prostitutie. Twee miljoen Thaise prostituees, waarvan ongeveer 800.000 jonger dan 15 jaar, zijn verantwoordelijk voor de toevoer van vreemde valuta en vormen de motor achter het bloeiende toerisme. De staat, de banken, het buitenlandse kapitaal en de hotelindustrie hebben rechtstreeks belang bij het instandhouden en uitbreiden van de prostitutie. Huismeiden zijn dan weer het belangrijkste ’exportproduct’ van de Filippijnen."
Het spreekt voor zich dat het samenwerken van westerse en zuiderse feministen niet altijd makkelijk verloopt en dat het feminisme oog moet hebben voor de strijd tegen de herkolonisering.
De ’Feministische Anarchistische Madammen’ doen ook uit de doeken waarom de andersglobaliseringsbeweging niet om vrouwenthema’s heen kan. Armoede is immers nog altijd "vrouwelijk", vrouwen verkeren nog al te vaak "in de wurggreep van geweld", vrouwen zijn vaak degenen die voor gewapende conflicten de hoogste prijs betalen ...
De ’FAM’-vrouwen betreuren dat vrouwenthema’s binnen de andersglobalistische beweging te weinig aan bod komen en dat vrouwen in de beweging te weinig invloedrijke posities bekleden. Een terechte kritiek, alhoewel ook moet vastgesteld worden dat het andersglobalisme toch al flink wat vrouwelijke boegbeelden voortbracht (van Naomi Klein tot Vandana Shiva).
Terecht is ook de kritiek van de FAM dat het feminisme te weinig mannen heeft weten aan te spreken, maar misschien moet het feminisme hier de hand in eigen boezem steken. Schiet het zijn doel niet vaak voorbij doordat het te radikaal is, doordat het bv. te vaak de biologische verschillen tussen mannen en vrouwen negeert ?
Die verschillen worden weliswaar te vaak misbruikt om de vrijheid van vrouwen in te perken. Maar moet men de verschillen dan maar negeren zoals de vrouwen van FAM dat doen wanneer ze stellen: "Over de biologische dimensie van het geslacht van mensen zullen we het hier niet hebben. Over de vraag of we te maken hebben met twee, drie of meerdere geslachten, bestaat trouwens ook dis cussie."
Vervolgens introduceren de FAM-feministes het moeilijk te omschrijven begrip ’gender’, een begrip waarvan ik me hier nu niet aan een omschrijving waag (even verder volgt er wel één) en dat door zijn abstract karakter niet bijdraagt om de feministische strijd populair te maken.
Gelukkig vermelden de FAM-vrouwen dat er binnen het feminisme ook ’verschildenkers’ zijn die het vrouwelijke willen herwaarderen en de ’gelijkheidsideeën’ bekritiseren omdat die het mannelijke kritiekloos als norm nemen. Wellicht kan een feminisme dat compleksloos met gelijkenissen én verschil, met het mannelijke én vrouwelijke omgaat, veel meer mensen (vrouwen én mannen) aanspreken.
Het hoofdstuk ’Seksuele identiteiten en relaties’ van Gunther Lippens volgt enigszins dezelfde opbouw als dat van de feministes. Ook hier krijg je een kort historisch overzicht - boeiend omdat het vermoedelijk voor de meeste niet-holebi’s om een onbekende geschiedenis gaat - waarna diverse termen (zoals ’queer’, het belang van diversiteit, van affiniteit ...) aan bod komen.
Gunther Lippens verheugt zich over de stappen die onder de regeringen Verhofstadt I en II gezet werden (’homohuwelijk’ o.a.) maar wijst er op dat nog lang niet alles "koek en ei is voor de holebi in België."
Lippens bekijkt de zaken ook internationaal, onder andere aan de hand van de anti-homo-politiek van het Zimbabwe van Robert Mugabe, een politiek die volgens Lippens veel te vaak door ’links’ getolereerd werd.
Even verder brengt hij zijn bepaling van ’gender’. Samengevat stelt hij dat we met het woord ’sekse’ wijzen op de biologische verschillen tussen man en vrouw daar waar ’gender’ naar de sociaal- geconstrueerde verschillen verwijst. "Vrouwelijkheid en mannelijkheid en alle eigenschappen die er mee samenhangen zijn niet aangeboren, maar worden gemaakt en bepaald door mensen." "Het onderscheid sekse/gender wordt dus gebruikt om aan te tonen dat de twee niet noodzakelijk samen gaan: vrouwen zijn biologisch bepaald om kinderen te baren, maar niet om ervoor te zorgen."
Lippens ziet hiermee wel het zoogdier in de mens over het hoofd. In ’normale’ omstandigheden is het de vrouw die nadat ze het kind negen maanden in zich gedragen en gevoed heeft, het kind ook na de geboorte blijft voeden. Ze doet dat overigens op een manier die in sommige opzichten verbluffend is. Als het kind bepaalde stoffen mist, zal de moederborst via het babyspeeksel dat via de tepels binnenkomt, dat gemis ontdekken en ervoor zorgen dat de baby die stoffen bij een volgende zoogbeurt te drinken krijgt. Een staaltje van medische spitstechnologie, zomaar van ’moeder natuur’ cadeau gekregen.
Overigens krijgen de meeste vrouwen de mogelijkheid om kinderen te baren zelf niet cadeau. Denk aan al de lichamelijke problemen die veel vrouwen er van ondervinden; te beginnen met de maandelijkse ongesteldheid waar een deel van de vrouwen elke maand dagenlang van ’onder de voet’ is. Vandaar deze vraag: verdienen vrouwen het niet om ’terug’ meer gewaardeerd te worden voor heel hun ’voortplantings’-’werk’ dat toch veel belangrijker is dan het ’werk’ dat ze vaak ten dienste van winstgedreven bedrijven verrichten ? Uiteraard wordt met deze vraag niet gesuggereerd dat vrouwen weer moeten opgesloten worden in die ene moederrol (dat is wat extreme conservatieven willen). Integendeel: het moederschap moet zowel op zichzelf gewaardeerd worden als kunnen samen gaan met een creatieve maatschappelijke rol voor de moeder. Temeer omdat gelukkige en creatieve moeders ook gelukkigere, creatievere kinderen hebben en dus een waarborg zijn voor een betere toekomst.
Als Gunther Lippens - om bij hem terug te keren - stelt dat de verschillen tussen man en vrouw nog vaak te absoluut worden gezien heeft hij gelijk. Maar je moet de verschillen ook niet minimaliseren. En het is altijd de twee: er is natuur én er is cultuur en in de wisselwerking tussen die twee is het verdomd moelijk om uit te maken wat nu natuur of cultuur is.
Vreemd is in dit verband hoe met name ook ’de Groenen’ in hun terechte streven om meer rechten voor vrouwen én holebi’s te bekomen, als het ware de natuur willen buitensluiten en de man/vrouw- discussies tot alleen maar het culturele willen herleiden. Dat leidt dan tot uitspraken in de stijl van: "Als vrouw wordt je niet geboren, je wordt vrouw gemaakt". Dat leidt er toe dat men voor holebi’s de verschillen wel zo belangrijk vindt dat er (terecht) tal van maatregelen voor hen genomen worden, maar dat men anderzijds hetero’s hun identiteit als man en vrouw, bijna ontzegt. Geen ongevaarlijke bedoening als men weet dat een deel van de stemmen van extreem-rechts afkomstig is van ’oude’ mannen en vrouwen die zich in de ’nieuwe’ mannen/vrouwen-wereld moeilijk kunnen oriënteren en die één van hun meest fundamentele zekerheden ("ik ben man", "ik ben vrouw") verloren achten ... Dat extreem-rechts dit uitbuit, weet Lippens - die oproept tot genuanceerd denken - ook wel. Lees maar eens zijn stukje over "het repressieve karakter" van "de Witte Mars’ waar het Roze ActieFront zijn spandoek "Dutroux is hetero" niet durfde te ontvouwen.
Aan het eind van zijn bijdrage wijst Lippens er op hoe het de andersglobalisten vaak nog ontbreekt aan aandacht voor de holebi’s. Met name communistisch links heeft op dit vlak een weinig fraaie traditie: zie bv. de moeilijkheden van holebi’s op Cuba of die in Stalins Sovjet-Unie waar anno 1936 homoseksualiteit zowaar tot een "politieke misdaad tegen de Sovjetstaat en het proletariaat" verklaard werd. Overigens werd het in Rusland na de val van de communisten niet bepaald beter voor de holebi’s. Zie maar hoe mei 2006 een betoging van holebi’s onder het toeziend oog van de Moskouse politie door extreem-rechts werd uiteengeslagen.
Het ecologische hoofdstuk in ’Esperanza’ is van de hand van Peter Tom Jones. Jones zet de reikwijdte van de ecologische krisis uiteen en zoekt naar oorzaken en oplossingen. Maar al in zijn inleiding schept hij een probleem dat bij mij alvast de lezing van Esperanza voor een tijdje deed stilvallen.
Wat moet je immers met een zin zoals deze ? "Tenslotte houden we een pleidooi voor meta- kapitalistische steady-state economieën waarin men streeft naar een subsidiaire (gelaagde) wereldeconomie." Wablieft ?
Nu ben ik tijdens mijn studies aan de KUL wel aan nogal wat theoretische hoogdravendheid gewoon geraakt, maar als "wij anders- en antiglobalisten" een onbegrijpbaar taaltje blijven hanteren, zullen we nog lang in de marge ploeteren. Als we willen beweren voor de werkende mensen te spreken, moeten we op zijn minst begrijpbaar praten. Het is zo al moeilijk genoeg om in de media én bij de vaak in apathie verkerende ’gewone’ mensen, gehoor te vinden voor alternatieve ’boodschappen’. Moeten we die boodschappen dan ook nog in academische prikkeldraad verpakken ?
Denk nu niet dat ik Peter Tom Jones hier ten onrechte ’pak’ op één zinnetje. Ook verderop gaat het onprettig door met termen zoals ’objectivisme’, ’reductionisme’, ’subsistentiemodel’, ’antropocentrische basis’, ’libertair municipalisme’, ’pregnante symptomen’, ’het antropogeen vesterkte broeikaseffect’ en natuurlijk de ’steady state economieën’ ...
Nog eentje: "Het moderne wetenschappelijke paradigma kan men als volgt typeren: een tendens naar determinisme (in de betekenis van absolute voorspelbaarheid), objectivisme, reductionisme, mechanistisch en abstract denken, dit alles overgoten met een antropocentrisch sausje." Smakelijk ...
Het doet me denken aan die uitspraak waarmee kameraad Mao het voor één keertje bij het juiste eind had: dat als je iets echt begrepen hebt, je het begrijpelijk onder woorden kan brengen. En de ecologische krisis - waarover Peter Tom Jones echt heel veel weet en waar hij ook andere - (ook in DIOGENE(S) opgenomen) - begrijpbare teksten over schreef - wel die ecologische krisis moet absoluut toegelicht worden met begrijpbare termen. Liefst ook met originele Nederlandstalige begrippen, zoals bv. de ’ecologische voetafdruk’ waar Peter Tom ook over schrijft.
Om Peter Tom Jones bijdrage ook positief te benaderen, hier nog enkele interessante inzichten uit zijn tekst.
Zo merkt hij bv. op hoe we met de huidige roofbouw op de planeet, "niet alleen het water stelen van de toekomstige generaties. We vervuilen ook nog het resterende deel ervan én tasten de integriteit aan van de ecosystemen die de natuurlijke watercycli in stand moeten houden."
Verderop zoekt hij naar de oorzaken van de ecologische crisis, deels te vinden in het kapitalistisch systeem, deels in het overheersende ’vooruitgangsgeloof’ en het wijdverbreide ’antropocentrisme’. De manier waarop Jones vervolgens (op p. 232) de nefaste rol van het kapitalisme voor het milieu uit de doeken doet, verdient te worden ingekaderd.
Samengevat: Het kapitalisme realiseerde een gigantische doel-middelen-omkering. Voor een ’normale’ economie staat de bevrediging van de menselijke behoeften centraal. In het kapitalisme wordt het middel dat daarbij wordt ingezet - het geld - echter het doel: zoveel mogelijk winst maken. En dat is een eindeloos na te streven doel dat gegarandeerd leidt tot uitbuiting (van mensen die werken voor een ’loon’: een onvolledige uitbetaling van hetgeen men presteert) en uitputting (van de natuurlijke hulpbronnen).
Anders dan vaak gedacht, is het kapitalisme geen superproductief systeem. Het kapitalisme heeft de productiviteit van een struikrover - Jones spreekt van een ’bankrover’, maar wat is er verkeerd aan banken te onteigenen ? - een struikrover dus, die zich met overvallen op andere mensen én op de natuur een luxeleven bijeen steelt.
Als Jones aan zijn alternatieven toekomt, pleit hij voor een ’holistische’ aanpak. Weer zo’n modieuze term die makkelijk door ’totaalaanpak’ kan vervangen worden, want daar draait het om. Jones staat daarmee aan de kant van het ’radicaal ecologisme’, van de anarchiserende ’social ecology’, van de ecosocialisten, ecofeministen ..... Tot slot komt hij aanzetten met zijn ’steady state economieën’ waar Jones (die o.a. doctor in de materiaalkunde is) ook nog ’de tweede wet van de thermodynamica’ bijsleurt. Leuk voor universiteitsproffen maar wat heeft de lezer van een boek dat als ondertitel draagt ’praktische theorie voor sociale bewegingen’ daar nu aan ? Hopelijk slaagt Jones er in de toekomst in om zijn met nogal wat Engels doorspekt, technisch-academisch ’discours’, om te zetten in een begrijpbare taal waar ’gewone’ stervelingen ook wat aan hebben.
Over taalgebruik gaat ook het hoofdstuk van Francine Mestrum. Haar bijdrage opent met de vast stelling dat links en rechts over de mondialisering vaak een "taalgebruik" hanteren dat "op veel punten gelijklopend is." Maar dit wijst geenszins op eenstemmigheid. Mestrum wil aantonen hoe het rechtse verhaal over armoede en handel met empirische gegevens kan worden ontkracht. Daarnast pleit ze voor "meer helderheid in het democratische debat dat binnen de linkerzijde én met de rechterzijde moet worden gevoerd." Een debat dat gaat over de grote thema’s van de antiglobalisten: wereldhandel, ’vrije markt’, ’sociale zekerheid’ ... Mestrum zet deze en andere ’klassieke’ thema’s op een rijtje en duidt aan waar rechts en links grondig van elkaar verschillen.
Met het artikel van Francine Mestrum zitten we over de helft van het boek (276 p. van de 534). Tijd voor een intermezzo.
Het intermezzo "Het kunstwerk in het tijdperk van zijn neoliberale recupereerbaarheid" is van de hand van de rebelse kunstenaar Didi de Pari$. Het is het pittigste stukje van heel het boek, heel doorleefd en lekker concreet - het begint met het relaas van een rel die De Pari$ in het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten uitlokte. De Pari$ beschrijft hoe kunst meer dan ooit ten dienste van het geld beoefend wordt, hoe het Vlaams Blok het belang van cultuur voor het volk "voor de volle 100 % onderkent", hoe er vanuit de arbeiderswereld vaak een tegencultuur groeide tegen de elitecultuur - denk aan de punkers - maar ook hoe de ’vrije markt’ - "een sterk staaltje van Newspeak", de ’concentratie’ van macht was nooit zo groot in de culturele sector - de rebellie altijd weer tot een winstgevend zaakje pro beert te recupereren en te censureren.
"Vandaag bevordert kunst consumptie" besluit De Pari$ nadat hij ’gerenommeerde’ kunstenaars zoals Jan Fabre en Panamarenko te kakken gezet heeft als behorend tot "de galerij van de grote gatlikkers van de elite". Maar De Pari$ bespeurt ook overal haarden van verzet tegen het neoliberale eenheidsdenken. Denk aan de Reclaim the Streets-activisten, de Adbusters enzoverder. Hier en daar steken zelfs academici hun nek uit maar als binnenlandse voorbeelden daarvan geeft De Pari$ enkel Jaap Kruithof en Jaap is toch al enkele jaartjes met pensioen. Waar blijft zijn opvolging ?
Onder de titel "Globale democratie in een globale wereld" brengt Jenny Walry één van de - naar mijn smaak althans - minder geslaagde bijdragen tot ’Esperanza’. Misschien vel ik dit harde oordeel wel omdat ik al zoveel stevige werkstukken over ’democratie’ las. Misschien omdat ik bij Walry de opmerking mis dat we in het Westen niet bepaald in democratieën leven, maar in schijn- of op zijn best semi-democratieën. Misschien omdat Walry’s vage beschouwingen te zwak overkomen nadat de kruitdamp van het zware geschut van Didi De Pari$ nog niet geheel is opgetrokken.
Misschien ben ik ook zo kritisch voor haar omdat ze ’gelijkheid’ (nog voor vrijheid) als de eerste ’waarde’ geeft van een serie ’waarden’ die samen de ’basiswaarden van democratie’ zouden vormen. Wel daar heb ik dus mijn buik van vol, van heel dat gelijkheidsdenken dat je overigens aantreft in zowat alle totalitaire - fascistische, kapitalistische, communistische ... - systemen. Elders in ’Esperanza’ staat ergens te lezen dat een gelijke aanpak voor ongelijke mensen (ik denk dat het in het onderwijs- hoofdstuk staat) nog altijd geen gelijkheid geeft.
Maar waarom - in Lucifersnaam - zouden we ’gelijk’ moeten zijn ?
Aanschouw gewoon hoe verschillend de natuur ons al ter wereld brengt. Zie hoe mensen zich kleden - vergelijk bv. hoe maoïstisch China iedereen in mao-pakjes dwong en wat daar nu nog van overblijft. Het moet nu toch stilaan duidelijk zijn dat ’gelijkheid’ op zich geen ’waarde’ kan zijn. We moeten opkomen voor vrijheid én verscheidenheid (’diversiteit’) die vervolgens aan solidariteit moet gekoppeld worden. Dan staan we een stap verder dan met al die gelijkschakelarij die er in onze overbevolkte West-Europese landjes al te vaak toe leidt dat we als het ware als varkens ’gemanaged’ worden (iets waar veel ’communisten’ overigens ook graag aan meedoen).
Verder onderzoekt Walry ook nog hoe je een wereldregering kan vormen en hoe je de mensheid kan betrekken bij wereldwijde problemen.
Een echte oogopener - voor wellicht veel mensen - is de bijdrage van Bambi Ceuppens. Zij beschrijft hoe de mondialisering gepaard gaat met trends tot ’lokalisering’: als mensen zich verloren voelen in grote anonieme structuren (cf. de EU) proberen ze plaatselijk meer greep op hun lot te krijgen. Sommige groepen mensen eigenen zichzelf daarbij meer rechten toe dan anderen, dan ’vreemdelingen’. Zo komen bv. de Indianen uit het Amazone-woud op voor hun levenswijze en als het enigszins kan verjagen ze de houthakkers uit hun gebieden. En wij, wij vinden dat sympathiek. Maar als Dyab Abou Jahjah opkomt voor de eigenheid van de Arabieren in Europa, dan keren de meeste Vlamingen hem de rug toe. Waar zit de logica ? Wie mag wel een beschermde minderheid zijn, wie niet ?
De tekst van Ceuppens laat zich niet makkelijk samenvatten, omdat hij gebaseerd is op diverse concrete studies. Maar hij spreekt aan. Eén van de prestaties van Ceuppens is dat ze onze ’romantische’, Westerse kijk op ’natuurvolkeren’ onderuit haalt. Niet altijd aangenaam om lezen - hoevelen van ons lopen er bv. niet rond met een romantische kijk op de Indianen ? - maar wel leerrijk.
Ceuppens vraagt dat ’inheemse volkeren’ niet langer zouden opgesloten worden (door het toerisme o.a.) in het fictieve beeld van hun ’natuurlijke biotoop’, maar dat ze als volwaardige mensen kunnen deelnemen aan de snel evoluerende wereld. "Het aantal Vlamingen dat Bokrijk beschouwt als zijn ’natuurlijke biotoop’ lijkt me in elk geval verwaarloosbaar" merkt Ceuppens op.
Vraag is wel of Ceuppens niet te ver gaat in haar afwijzing van het toekennen van een "officiële status aan minderheden" in de samenleving. Vraag is of het na te streven ideaal niet is dat mensen én tot kleine groepjes (allemaal ’minderheden’) kunnen behoren waarin ze voldoende ’nestwarmte’ vinden, én deel uitmaken van de ene mensheid waar we allen op voet van gelijkwaardigheid én verscheidenheid - ook hier weer 1 & 2: gelijkwaardig (niet gelijk) én anders - deel van uitmaken.
Eén van de meest doorleefde bijdragen in ’Esperanza’ komt van Hilmi Kaçar. Hij begint met er op te wijzen hoe het kapitalisme doelbewust misbruik maakt van het racisme. Racisme zorgt ervoor dat het kapitalisme wereldwijd kan beschikken over een onderlaag van goedkope arbeidskrachten én over een zondebok om de economische en andere crissen op af te schuiven. "De uitdaging" die zich voor de andersglobalisten stelt, is volgens Kaçar: "de legitieme kortetermijnbelangen van migranten in het Westen te verzoenen met de langetermijnopbouw van een levenskrachtige andersglobaliseringsbeweging".
Wat de tekst van Kaçar zo lezenswaardig maakt is dat hij een dosis empathie - hier in de vorm van zich inleven in de problemen van ’mensen in de marge’ - bevat, die in te veel ander teksten in ’Esperanza’ (grotendeels) ontbreekt. Zo schrijft Kaçar bv. over de "armen, de uitgesloten en vernederde onderdrukten" die zich afhankelijk van hun afkomst, manifesteren als "Grijze Wolver of rasechte Vlaming" om zo een houvast te krijgen, iets waaraan ze zich kunnen optrekken, "een schuilplaats tegen de dagelijkse minachting, het onrecht, de vernedering en de discriminatie die zij ondervinden". "De nadruk op culturele eigenheid is op één en hetzelfde moment de uitdrukking van een reëel lijden en een protest daartegen. De cultuur is de zucht van de verdrukte mens, het hart van een harteloze wereld en de ziel van zielloze leefomstandigheden."
Ook elders gebruikt Kaçar een aansprekende beeldrijke taal. Zo citeert hij Flaubert die schreef "dat de materialisten en idealisten in gelijke mate de kennis van de materie en idee in de weg staan omdat ze het één van het ander scheiden. ’Idealisten maken van de mens een engel, de materialisten een varken’ zei hij."
Kaçar stelt de vraag "hoe het komt dat de meerderheid van de bevolking accepteert dat zij op allerlei manieren wordt onderdrukt" en even verder heeft hij het over de veldslag die de totstandkoming van ’cultuur’ is, "een ideologisch slagveld van de tegenstrijdige belangengroepen."
Hilmi Kaçar ontleedt ook het ’gepreek’ rond de ’integratie’ van ’allochtonen’. Hij herinnert de Vlaming er aan hoe die zelf nog niet zo lang geleden als een ’kutmarrokaantje’ gezien werd in Franstalig België.
"Hoewel het uit het collectieve geheugen van Vlaanderen gebannen lijkt, zag men tussen 1845 en 1960 meer dan een miljoen Vlamingen ’om den brode’ of als ’economische vluchteling’ vertrekken naar Frankrijk, Canada, de V.S. maar vooral het nabije Wallonië." "Het hongerlijdende Vlaanderen van de 19de eeuw was het Afrika van vandaag" noteert Kaçar en de gevolgen waren er naar. "Bedelarij en criminaliteit namen toe met de honger en miserie, bakkerijen werden geplunderd, groepen bedelaars vochten aan de stadspoorten met de rijkswacht ... " De berooide Vlamingen die in Wallonië werk zochten werden daar met meer dan een scheef oog bekeken. De overeenkomsten tussen de negatieve Waalse kijk op het Vlaamse ’uitschot’ van toen (’vraatzuchtige ruziemakers’, ’sluipmoordenaars’ ... ) , en de negatieve Vlaamse kijk op het ’allochtone janhagel’ van nu, zijn verrassend groot.
Hoe uit de huidige patstelling raken ? Kaçar vraagt het zich af en merkt dat de belangstelling voor de invoering van het socialisme niet bijster groot is. Hij besluit met te stellen dat "er enkel belangstelling is voor concreet verzet dat gelijkheid en vrijheid kan opvoeren, uitbuiting van arbeid kan vernietigen en de weg kan vrijmaken naar de individuele ontplooiïing en verbeelding van de mens."
Anders dan de bijdrage van Kaçar gaat die van Veronique Lambert weer de erg theoretische toer op. Zij onderzoekt de invloed van de globalisering op de traditionele natiestaat en de nationale identiteit. Ze beschrijft de wisselwerking tussen de globalisering en alles wat met de natiestaat te maken heeft. Ze stelt vragen over de toekomstige evolutie van collectieve identiteiten (nationale, internationale, postnationale ... ).
De manier waarop ze de vorming van nationale identiteiten beschrijft sprak me in haar bijdrage nog het meest aan. Spijtig genoeg schrijft ze hier in de verleden tijd (nu leven we immers in het tijdperk van de ’posttraditionele natiestaat’). Spijtig omdat de natievorming zoals zij die in het verleden beschrijft, feitelijk op dit moment in "Vlaanderen" nog volop aan de gang is !
De bijdrage van Jan Dumolyn, André Mommen en Peter Tom Jones over ’het proletariaat’ opent met een korte geschiedenis van de westerse klassenmaatschappij. Daarna bekijken de auteurs onder de titel "de arbeidersklasse vandaag" een aantal theorieën over de rol van de arbeiders in een zich wijzigend kapitalistisch systeem (van industrieel kapitalisme tot dienstenkapitalisme).
De drie auteurs besteden vervolgens aandacht aan het ’autonome marxisme’ en proberen het klassenbegrip werkbaar te maken voor een eigentijdse ’postmoderne’ klassenstrijd. Dumolyn, Mommen en Jones stellen dat "het kapitalisme de dagelijkse beroving is van de creativiteit en de subjectiviteit van de mensen doordat hun handelen onderworpen wordt aan doelstellingen die niet de hunne zijn. (... ) Klassenstrijd is de strijd tegen deze usurpatie." Juist omdat het kapitaal zich tot alle domeinen van het leven uitstrekt (inbegrepen de verkoop van bv. Albanese kinderen voor hun organen), "rebelleert het leven eveneens in zijn totaliteit" merken de auteurs op. "Bijgevolg dient de antikapitalistische strijd veel breder opgevat te worden dan louter vanuit de tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal."
Opmerkelijk is dat waar Mommens, Dumolyn en Jones de strijd van de mens voor het recht om zichzelf te zijn ("zelf-valorisatie") in een antikapitalistisch perspectief beschrijven, De Morgen het in zijn ’Ego- katern’ van 19 mei 2004 (onder de titel "Wilt u nog rijk zijn ?") ook over die "zelfontplooiing" had maar zonder de minste link naar een ’antikapitalistische strijd’. Integendeel: het streven naar zelfontplooiing werd in De Morgen voorgesteld als een nieuwe vorm van rijkdom-verwerving: "de nieuwe vorm van rijkdom is menselijk kapitaal: sociale, culturele en persoonlijke ervaringen opdoen."
De Morgen verwees ook nergens naar de theorie over de ’multitude’, ontwikkeld door Negri en Hardt. Met de ’multitude’ bedoelen zij al die mensen die op één of andere wijze door de neoliberale systeem uitgebuit worden en zich er als een niet te vatten veelhoofdig fenomeen tegen verzetten. Het succes van dat verzet, van die opengetrokken klassenstrijd, hangt - zo besluiten Dumolyn, Mommen en Jones - "af van de manier waarop de verschillende deelstrijden elkaar vinden en versterken."
In "Geweldloosheid in de praktijk" ontkracht Hans Lammerant het vooroordeel dat pacifisten, utopische dromers zijn. Samenlevingen zitten vol conflicten maar die moeten niet noodzakelijk leiden tot geweld en oorlog. Met conflicten kan je ook geweldloos omgaan en dat is wat het pacifisme betracht.
Lammerant zet zich sterk af tegen de ’pensée unique’ volgens dewelke de EU een eigen ’interventie macht’ nodig zou hebben. Hij vergelijkt wat het Westen investeert in ontwikkelingshulp en wat het aan bewapening uitgeeft. En als je de militaire uitgaven op wereldschaal bekijkt, blijkt dat de V.S. samen met de NAVO en enkele andere bondgenoten zoals Australië en Japan, maar liefst 70 % van de militaire uitgaven voor hun rekening nemen. "Tegen welke vijand heeft men zulk een arsenaal nodig ?"
Met de bijdrage "Poëzie, praktijk en politiek van directe actie" gaat ’Esperanza’ de actietoer op. David Heller leidt het thema van de ’directe actie’ in en neemt daarbij de actiebeweging tegen kernwapens en kernenergie als leidraad. Heller geeft een resem voorbeelden van directe-actie- groepen. Hij toont hoe directe actie, net als alle vormen van politieke actie, deel uitmaken van complexe machtsnetwerken. Heller maakt daarbij een onderscheid tussen ’macht hebben over iemand’, ’macht die in relatie staat tot’, ’macht die van binnenuit komt’ en ’macht die gedeeld wordt met anderen’. Hij beschrijft onder andere hoe ’tijdelijke autonome zones’ werken en hoe ’affiniteitsgroepen’ tot stand komen en werken (via o.a. consensusbesluitvorming).
Heller besluit met te stellen: "Ik ben ervan overtuigd dat directe acties, georganiseerd volgens niet- hiërarchische principes, een belangrijke rol zullen spelen in de revolterende verandering die onze samenleving nodig heeft. Deze actievorm combineert immers verzet, solidariteit en persoonlijke versterking."
Anarchist Johny Lenaerts krijgt het laatste woord in Esperanza. In zijn bijdrage ’Over Tegenmacht, pleidooi voor een constructief anarchisme’ vraagt Lenaerts dat links zich zou bevrijden van de ’jacobijnse tendensen’ en de anarchistische kritiek op het autoritaire socialisme eindelijk ernstig nemen. "Wil men een socialistisch geïnspireerde politiek terug op de dagorde plaatsen, dan moet dit breken met de tragische dwalingen van het stalinisme en moet het in zijn libertaire vorm herkend worden.".
Lenaerts vraagt openlijk te breken met het leninistisch revolutiemodel dat er eentje was van samenzweerders die tegenover de kapitalistische elite hun eigen al evenzeer in het duister opererende club stelden. Een conclusie die Lenaerts zelf niet neerschrijft maar die wel uit zijn materiaal volgt, is dat de Sovjet-Unie al in de jaren 1918-1920 opgedoekt werd, toen de sovjets (de ’raden’ in o.a. de fabrieken) door de naar almacht strevende communistische partij van hun macht beroofd werden. Net als het fascisme maakten de Russische en Chinese ’communisten’ overigens ook al snel vrije vakbonden onmogelijk. De dictatuur van het proletariaat werd de dictatuur van de partij en - superduidelijk onder Stalin en Mao - de dictatuur van een zich in rode ’new speak’ hullende dictator.
Nadat Lenaerts komaf heeft gemaakt met het stalinisme weerlegt hij een kardinaal punt van het marxisme: dat het socialisme door de staat moet worden verwezenlijkt. Lenaerts toont hoe de anarchistische voorman Bakoenin niets met meer ijver bestreden heeft dan de marxistische idee dat de weg naar het socialisme en de vrijheid ooit door ’de staat’ zou kunnen worden verwezenlijkt.
Maar zal het anarchisme dat alle hoop stelt op de strijd voor het socialisme van onderuit, zijn doelstellingen ooit kunnen waarmaken ? Volgens Lenaerts bestaan er drie grote anarchistische ’actie modellen’: het insurrectionele model (dat een revolutionair breukpunt nastreeft), het syndicalistisch model (dat zijn hoop stelt op de werkende massa’s) en het model van de alternatieve autonome projecten. De drie modellen kunnen elkaar aanvullen maar Lenaerts ziet duidelijk het meeste heil in het derde model dat hij verder toelicht aan de hand van historische voorbeelden van het scheppen van ’vrije ruimten’ waar ’de staat’ wordt uitgebannen of tenminste terug gedrongen.
Volgens Lenaerts moet de huidige antiglobaliseringsbeweging - naar het voorbeeld van de Zapatisten - niet streven naar het uitbouwen van politieke partijen en het veroveren van staatsmacht maar naar het uithollen van de machtsmechanismen en het veroveren op de staatsmacht van steeds grotere ruimtes van autonomie.
In plaats van een door een sterke staat geleid socialisme of communisme plaatst Lenaerts een veelheid van buurtcomités en actiegroepen. Zij moeten de motor vormen van de andersglobalistische beweging die volgens Lenaerts "een niet-eindigende strijd voert voor steeds meer autonomie".
Maar ... Leidt "steeds meer" autonomie uiteindelijk niet tot de atomisering van de samenleving ? Hoe ga je voor ’grensoverschrijdende problemen’ al de buurtcomités en actiegroepen internationaal laten samenwerken ? Wat is de democratische legitimiteit van actiegroepen en buurtcomités ? En zo zijn er nog wel meer kritische vragen te bedenken bij de visie van Lenaerts.
Doorheen heel ’Esperanza’ tref je korte (1 pagina) teksten aan waarin het leven en de bijdrage geschetst wordt van in totaal 16 wereldverbeteraars. De lijst begint niet met vadertje Marx (hij komt op ’2’) maar met Mikhail Bakoenin, samen met Pierre-Joseph Proudhon grondlegger van het moderne anarchisme. Komen verder aan bod: Rosa Luxemburg, Antonio Gramsci, Herbert Marcuse, Murray Bookchin, Michel Foucault, Noam Chomsky, Pierre Bourdieu, Immanuel Wallerstein, Antonio Negri, Edward Said, Gayatri Chakravorty Spivak, Walden Bello, Vandana Shiva en Judith Butler.
Het is een heel ’actuele’ keuze - 9 van de 16 zijn nog in leven - en uiteraard ook een willekeurige selectie. Waarom bv. wel de radikale Amerikaanse feministe Judith Butler en waarom niet één van de vrouwelijke boegbeelden van de andersglobalistische beweging (Naomi Klein bv.) ? Waarom slechts 4 vrouwen op een totaal van 16 wereldverbeteraars ?
Waarom ook niet een paar ’gewone’ mensen in de lijst opnemen, mensen die niet vooral door te denken en schrijven maar door te handelen dagdagelijks de wereld verbeteren ? Komen dan in aanmerking en ik hou het nu even bij vrouwen in mijn omgeving: mijn zus die drie dochters alleen op voedt, een paar vriendinnen die bezig zijn met hun eerste films te maken en dat in combinatie alweer met de zorg voor hun kinderen, mijn Marokkaans-Brusselse buurvrouwen die elke dag als verpleegsters in de weer zijn ...
Wereldverbeteraar zijn: dat is niet iets abstracts, iets onbereikbaars voor de ’gewone’ mens. "Ieder van ons" kan het zijn en is het vaak ook. Dat soort wereldverbeteraars hebben we meer dan ooit nodig. Om bv. de milieuproblemen te lijf te gaan is niet enkel Greenpeace nodig, maar massa’s mensen die dag in dag uit hun verantwoordelijkheid nemen. Anders blijven de mooie ecologische theorietjes morsdode letters.
In hun inleiding op Esperanza schetsten Dumolyn en Jones het doel dat ze met dit soort boeken willen bereiken. Enerzijds willen ze de verscheidenheid aan ideëen en aktievormen binnen diverse sociale bewegingen weerspiegelen. Anderzijds willen ze de netwerken van de andersglobalisten en andere sociale bewegingen intern en onderling aanwakkeren. Om deze doelen te steunen hebben Jones en Dumolyn ook de website http://www.yabasta.be opgericht.
De doelstelling is mooi, de inzet van Dumolyn en Jones is te bewonderen. Maar een vraag die bij het lezen van ’Esperanza’ te vaak opduikt is deze: wat voor zin heeft al hun inspanning als zij als academici er niet in slagen om begrijpelijke taal te spreken ?
Tussen de uitersten van een ’openbare omroep’ die zijn ’klanten’ als kinderen is gaan behandelen én het academisch ivorentoren-gekritiseer - dat door de machthebbers getolereerd wordt omdat het hen een aardig alibi verschaft: kijk eens hoe vrij ons systeem is - moet een ’gulden middenweg’ te vinden zijn.
Natuurlijk geven artikels die bol staan van de ’ismen’, vaktermen en anderstalige woorden, de auteurs aanzien in het academisch milieu, maar de pot op met dat academisch milieu (behalve als je het nodig hebt voor je ’broodwinning’ ... ). Het zijn echt niet de academici of ’wij de intellectuelen’ die op hun eentje de wereld van de ondergang gaan redden. Geloof je dat wel, dan ben je weer als een leninist bezig.
Neen, het zijn veeleer de brede sociale bewegingen die van belang zijn (zoals in Esperanza vaak genoeg gesteld wordt). En die sociale bewegingen hebben nood aan frisse inzichten, aan heldere denkers, al was het maar om te verhinderen dat simplistische populisten van extreem-rechts zowel als van gecorrumpeerd links (SPA en co) de boel belazeren. En wees maar zeker: De Winter & Stevaert wauwelen geen academisch Latijn (of Engels).
Volgende keer dus beter ? Volgt op ’Esperanza’ ’Hoop’ ?
* Waar blijft de rebelse levensvreugde ?
Hopelijk slagen de auteurs van een volgend boek er ook in om aan te geven waarom een leven in verzet, een leven als een vrijheidsstrijd, aan te bevelen is boven een leven in berusting, onsumptie en comfort.
In het vijfde gedrukte nummer van DIOGENE(S) had ik het daar over in het "helden-dossier" waarin aan het eind de "principiële hoop" van Ernst Bloch aan bod kwam, evenals het Kynisme van Diogenes en de levensvreugde van Albert Camus.
In zijn boek ’L’Homme révolté’ schreef Camus: (ik citeer uit de Engelse vertaling, "The rebel"): "Now is born that strange love which helps one live and die, and which we shall never again renounce to a later time." Beter had ook Diogenes het niet gezegd kunnen krijgen.
Jan-Pieter Everaerts
PS: "Verzet als scheppende kracht"
Op zoek naar wat meer fundering voor "de rebelse levensvreugde" las ik nog een andere uitgave van Academia Press uit 2003: het boek "Verzet als scheppende kracht", geschreven door de Frans-Belgische Flaurence Aubenas (journaliste bij Libération, zij zat zoals bekend een tijdje gegijzeld in Irak) en de Argentijnse filosoof Miguel Benasayag. In deze voetnoot kan ik niet nog eens heel dat boek snel recenseren. Wel vermelden dat de diepe persoonlijke motivatie voor een leven in verzet, ook hier ontbreekt. Beide auteurs geven wel een indrukwekkend overzicht van hoe mensen wereldwijd op zoek zijn naar nieuwe samenlevingsvormen die niet zozeer ’de macht’ willen overnemen, maar op zich een tegenmacht vormen. Ze hebben het bijvoorbeeld over de sociale centra in Italië en de beweging van landloze boeren in Brazilië. Met zijn allen ondermijnen dergelijke collectieve initiatieven het beurskapitalistisch project dat de wereld in één grote markt voor multinationals wil veranderen. Al met al dus een aan te bevelen boek.
Meer info: www.academiapress.be
