Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Johny Lenaerts
De terugkeer van de sociale kwestie
donderdag 23 september 2004, door Johny Lenaerts
Na de grote woelingen van de jaren 60 en 70 waren de jaren 80, die van het liberale contra-offensief, gekenmerkt door een negatie van de ’sociale kwestie’. De klok stond naar de triomferende economie (van de markt) en de veroverende (institutionele) democratie.
Sedert enkele jaren is het decor veranderd.
De grote stakingsbeweging die Frankrijk in november-december 1995 gekend heeft, luidde een kentering in. Op enkele dagen tijd kwamen honderdduizenden op straat om de intrekking van het asociale plan-Juppé te eisen (zie verZ nr 4: ’Staking tegen het Europa van Maastricht’). De stakingsgolf speelde zich vooral af in de overheidsdiensten: de spoorwegen, de Parijse metro, de post en de telefoonmaatschappij, de electriciteitsdienst en het onderwijs. De meest opvallende strijdbewegingen in de drie jaren die daarop volgden gingen uit van andere sectoren van de maatschappij: de sans-papiers, de beweging voor burgerlijke ongehoorzaamheid ten voordele van de vreemdelingen, de vrouwen die geslaagd waren in een ’assisen voor de rechten van de vrouw’, de netwerken van strijd tegen het Front National, de werklozen die in december 97 en januari 98 een nationale protestbeweging wisten op gang te brengen, enz.
Deze heropleving van sociale bewegingen heeft aanleiding gegeven tot talrijke analyses en publicaties, waarbij ons oog gevallen is op Le retour de la question sociale, waarin Christophe Aguiton, één van de stichters van SUD-PTT en één van de belangrijkste animatoren van de beweging Agir contre le chômage (AC!), en filosoof Daniel Bensaïd een aantal artikels van de afgelopen jaren gebundeld hebben, alsook op Ca suffit!, waarin Marie Agnès Combesque het relaas brengt van de geschiedenis van de Franse werklozenbeweging. De drie auteurs hebben met elkaar gemeen dat ze lid zijn van de LCR (Ligue Communiste Révolutionnaire), de Franse sectie van de trotskistische Vierde Internationale.
Het meest opvallende kenmerk van de strijdbewegingen van het afgelopen decennium, zo lezen we bij de drie auteurs, is dat zij aanleiding gegeven hebben tot de heropleving van een autonoom syndicalisme in de vorm van - een twintigtal - kleine, militante organisaties, en het ontstaan aan de periferie van de syndicale beweging van een veelheid van verenigingen van werklozen, van strijd tegen de uitsluitingen, van verdediging van de rechten van de vrouw, van asielzoekers.
Deze militante vakbonden en strijdgroeperingen stellen vragen naar de rol van het syndicalisme. Christophe Aguiton: ’Het syndicalisme, in elk geval in de vorm die zij sedert de jaren 50 aangenomen heeft, is op het einde van de jaren 70 in crisis geraakt. Haar functie van bemiddelend corps, van band tussen de bedrijfsdirecties en de loontrekkenden, werd verzwakt, terwijl terzelfdertijd de nieuwe organisatievormen van de arbeid en de doorvoering van een meer directe communicatie tussen de hoofdkwartieren en hun bediendes doorgevoerd werd (zie in dit opzicht de verspreiding van de bedrijfspers en de uiteenlopende, min of meer gelukte pogingen van kwaliteitskringen tot expressiegroepen over de reorganisaties in series en de bekorting van de hiërarchische ketens...). Het syndicalisme is niet in staat geweest de massa-werkloosheid te beletten, de stijging van de precariteit, de tendens tot individuatie van de lonen... Zij heeft zich teruggetrokken op traditionele basisssen, de grote bedrijven, of, en dat is vooral waar voor Frankrijk, op de overheidssector. En hierbinnen is het syndicalisme verzwakt en wordt het dikwijls gecontesteerd door loontrekkenden die willen dat hun stem gehoord wordt en dat er rekening mee gehouden wordt, zonder tussenkomst van dikwijls verouderde en bureaucratische apparaten.’
Crisis van het vertegenwoordigingssysteem
De opgang van de autonome vakbonden en sociale organisaties zou beschouwd kunnen worden als één van de betekenisvolle symptomen van een algemene crisis van het syndicale en politieke vertegenwoordigingssysteem dat sedert de Tweede Wereldoorlog tot stand is gekomen in het kader van de keynesiaanse politiek van de ’welvaartsstaat’. We zullen hier Daniel Bensaïd uitvoerig aan het woord laten, want dit lijkt ons een kwestie van cruciaal belang.
’Het syndicale en politieke vertegenwoordigingssysteem dat kenmerkend is voor de democratieën van West-Europa is gebaseerd op een sociale structuur en een specifieke arbeidsorganisatie (geconcentreerde grote industrie, massa-productie en massa-consumptie, sociale bescherming), die zich afgetekend hebben sedert de crisis van de jaren 30, om na de wereldoorlog vorm te krijgen.
’Het veronderstelt het bestaan van een interprofessioneel (geconfedereeerd) syndicalisme, representatief en verantwoordingsvol, in staat om een rol te spelen van partner in het conflictuele compromis tussen kapitaal en arbeid. Dit syndicalisme is voor een deel gevormd door de sociale strijd en mobilisaties, maar ook, voor een ander deel, door de procedures zelf van sociale onderhandeling (collectieve verdragen, beheer van de sociale zekerheid, bedrijfscomités, mobiele loonschaal in Italië, medebeheer in Duitsland, syndicale rechten in het bedrijf in Frankrijk n.a.v. Mei 68...). Dit maatschappelijk compromis, dat mogelijk werd door een lange golf van economische expansie, wordt dus vertaald door grote kaderverdragen die de verkoop van de arbeidskracht regelen, zowel op schaal van de nationale arbeidsmarkt als per bedrijfstak of per grote productie-eenheid. Het verdelen van de "vruchten van de expansie", waarover voortdurend onderhandeld wordt, van de vertagingen en inhaalbewegingen, verzekert de werking van de grote vakcentrales.
’Aan de bekwaamheid van de vakbonden om op de arbeidsmarkt druk uit te oefenen, beantwoordt de capaciteit om druk uit te oefenen van de grote reformistische arbeiderspartijen (sociaal-democratisch of stalinistisch) op de politieke markt. De arbeidsverdeling tussen vakbonden en massapartijen vertaalt zich in een functionele complementariteit tussen het parlementaire spel en de sociale onderhandeling.
’Dit systeem werd niet ontworpen door een machiavellistische bourgeoisie. Het is het resultaat van de krachtsverhouding die uit de Tweede Wereldoorlog voortkwam, en van de grote schrik van de bourgeoisieën die verregaand gediscrediteerd waren omwille van hun houding tegenover het nazisme. Maar het beantwoordt uiteindelijk aan de noden van de heropbouw, en van een relatieve sociale vrede, die meer en meer gefinancierd wordt door de neokoloniale superwinsten. Het binnentreden, in de loop van de jaren 70, in een lange neerwaartse golf, heeft de functionele coherentie van dit bouwwerk ondermijnd. De imperialistische bourgeoisieën hebben geantwoord met een verbeten jacht op de relatieve meerwaarde en op de productiviteitswinst, hetgeen een herstructurering van het industriële weefsel en van de arbeidsorganisatie met zich meebracht. De "crisis", waarvan men onophoudelijk het einde aankondigt en diens voortgaang constateert, is in feite, in de stricte betekenis, geen "economische" crisis, maar een meer globale crisis van de procedures van keynesiaanse regulering, die in botsing gekomen zijn met de internationalisatie van de productie, van het kapitaal, van de diensten, van de arbeidsverdeling.
’Vanaf nu zijn uit de crisis de elementen van een nieuwe loonsverhouding opgedoken: nieuwe technologieën, nieuwe arbeidsorganisaties, nieuwe interne structuren van de loonarbeid (verhoogde segmentering, precarisering, individualisatie, duale maatschappij...). Maar het gaat nog om niet veralgemeende en niet gesystematiseerde elementen, net zoals de elementen van het fordisme langzaamaan opgedoken zijn in de loop van de crisis van de jaren 30 om slechts hun volle wasdom te bereiken nà de oorlog, op basis van een verschuiving van de politieke krachten op wereldschaal. In de V.S. en in Japan hebben de bourgeoisieën het offensief zo ver doorgedreven tot op de ontmanteling van de oude sociale rechten (arbeidswetgeving, vormen van loonindexering, enz) en van de oude syndicale beweging. In Europa zijn zij meer en meer agressief opgetreden, maar op een aarzelende manier en met uiteenlopende standpunten in essentiële kwesties (tot waar de sociale zekerheid ontmantelen? hoe de syndicale beweging verzwakken zonder elke gesprekspartner van de loontrekkenden te verliezen en een explosieve leegte in het vertegenwoordigingssysteem te creëren?), om redenen van politieke strategie.
’Niettemin zijn er dieperliggende tendensen aan het werk:
inkrimping en fragmentering van de basis van de oude sociale consensus (relatief);
het zoeken naar patronale en syndicale antwoorden op de nieuwe situatie;
verschrompeling van de parlementaire en "politieke markt", wier verlies aan effectiviteit zich vertaalt in een discrediet van de politieke partijen, een toenemend aantal blanco stemmen en onthoudingen, een compensatoire inflatie van de communicatie en van de politieke marketing.’ (p 69-71)
Het opduiken van de nieuwe, autonome vakbonden en allerlei sociale strijdorganisaties vindt plaats tegen de achtergrond van deze crisis en verschuivingen. Enerzijds geven zij uitdrukking aan een combativiteit, aan een wezenlijk democratische aspiratie. Anderzijds illustreren zij de neergang van de grote solidariteitsbanden, de afbrokkeling van de traditionele vakbonden, de fragmentering van de arbeidersklasse.
Afscheid van het proletariaat?
Het proletariaat is nooit een homogene klasse geweest, zo stelt Bensaïd. Sedert 1974 daalt, voor het eerst in 150 jaar, het aantal industrie-arbeiders. Bedrijfstakken zoals de staalnijverheid of de textiel hebben resp. één derde en één vierde van hun effectieven verloren. Van 1975 tot 1989 is één arbeider op vijf verdwenen. Deze macrosociologische evolutie is gepaard gegaan met een wijziging van de structuur zelf van het bedrijf, naar wat Alain Bihr de diffuse fabriek noemt (deconcentratie, delocalisatie, decentralisatie van het beheer, uitbesteding en zwartwerk), de vloeiende fabriek (geïnformatiseerd beheer en geïnformatiseerde controle van de arbeid) en de flexibele fabriek (flexibilisering van de arbeidstijd en van de lonen, inspanningen om de arbeidersklasse te ’demassifiëren’ en te verdunnen). (Alain Bihr, Du Grand Soir à l’Alternative, Ed. ouvrières, 1991.)
Parallel hieraan is de syndicalisatiegraad op een spectaculaire wijze gedaald. Deze daling betekent volgens Bensaïd evenwel niet het verdwijnen van het proletariaat, maar een diepgaande interne verschuiving. ’Indien de neergang van het industriële proletariaat de afgelopen 20 jaren in de ontwikkelde kapitalistische landen een onbetwistbaar feit is, dan is dit veel minder evident op internationale schaal, waar de massale proletarisatie oprukt in de steden en op het platteland, zodanig dat Michel Anglietta spreekt van "de veralgemening van de loonarbeid op wereldschaal", als een wezenlijk kenmerk van de huidige fase van de kapitalistische ontwikkeling.’ En Bensaïd vervolgt: ’Binnen de geïndustraliseerde landen gaat de neergang van het industriële proletariaat gepaard met de uitbreiding van de loonarbeid (meer dan 80 % van de actieve bevolking), waarvan het grootste deel gevormd wordt door de geproletariseerde bediendes uit de dienstensector, met arbeidsomstandigheden, een inkomen en een uitbuiting die dikwijls genormeerd zijn naar die van de arbeiders. Zoals Michel Cahen schrijft i.v.m. het opduiken van een nieuw proletariaat in de sociale actie, is de benaming arbeidersklasse ’conceptueel volkomen ongepast om aan te duiden wat ze voorstelt; het arbeidersproletariaat is geen sociale klasse, het is één van de sociale milieus naast andere sociale proletarische milieus zoals de bediendes, de verplegers, de leraars, enz"’ (p 27-28)
Tegenover het Front National, dat de breuk uitbuiters/uitgebuitenen probeert te verschuiven naar de breuk Fransen/vreemdelingen, meent Bensaïd dat het van cruciaal belang is de relevantie van het sociale front te verdedigen en opnieuw het belang van het klassebegrip te benadrukken. De kracht van de ’breuk nationaal/raciaal’ is in feite rechtevenredig aan de neergang van de sociale breuk, van het klassebegrip, zo stelt hij. Hetgeen een aantal prangende vragen opwerpt: ’De nieuwe vormen van arbeidsorganisatie, de geprivatiseerde consumptiewijzes, de sociale atomisering tegenover de grote stromen van rijkdom en informatie...: staan zij nog de vorming van een collectief bewustzijn toe? Kan de scheiding van het sociale en het politieke een oplossing vinden in een wereld die in beweging is en waarin de politiek zijn greep op het algemeen belang verliest, waarin de politieke ruimte overgeleverd is aan de privatisering, waarin de oude waardes van souvereiniteit voorbijgestreefd zijn zonder dat er een nieuw coherent regelsysteem opduikt? Kan het relatieve verlies aan centraliteit van het conflict arbeid/kapitaal, dat enkel geconcentreerd was op de invloedssfeer van de grote bedrijven (bv. Renault-Bilancourt), slechts een "punctuele en onregelmatig voorkomende conflictualiteit" voortbrengen, dat niet in staat is de beweging rond grote gemeenschappelijke projecten te verenigen of een collectief geheugen te construeren, waar ervaring opgeslagen wordt?’
De vragen staan open, en zijn in meer dan één opzicht onrustbarend. ’Het is veel te vroeg om erop te antwoorden,’ zo geeft Bensaïd rondborstig toe. ’En de evolutie zelf van hun formulering hangt juist af van de aangegane strijd, van hun voorlopige afloop, van de lessen die er kunnen uit getrokken worden.’ (p 32)
Heropleving van het strijdsyndicalisme
Op enkele jaren tijd is het syndicale landschap in Frankrijk grondig gewijzigd. Nieuwe, militante vakbonden hebben voet aan de grond gekregen, waarvan de vakbond SUD (Solidarité, Unité, Démocratie) wellicht het beste voorbeeld vormt. Zij komt voort uit een afscheuring van de CFDT in 1988. Zeer vlug werd deze onafhankelijke en anti-bureaucratische vakbond, die getrokken wordt door radicaallinkse militanten, met bijna 3O % bij de professionele verkiezingen de tweede kracht bij de PTT (post en telecommunicatie). Bij het onderwijzend personeel is de FSU (Fédération syndicale unitaire) in de meerderheid. De ’Groupe des 10’ groepeert onafhankelijke vakbonden die uit de CFDT voortkomen (o.a. SUD) en uit de splitsing van 1947 van de CGT, en die voornamelijk ingeplant zijn in de overheidsdiensten (SNUI, SU, SNJ, enz), en een strijdsyndicalisme voorstaan. Bij de vakbond CFDT is bijna 3O % van de militanten gegroepeerd in de oppositionele stroming ’Tous Ensemble’, die aan de vakbondscentrale verwijt dat diens ideeën over zelfbeheer niets meer te maken hebben met de standpunten zoals die in de zeventiger jaren verdedigd werden.
Aan de periferie van de syndicale wereld hebben verenigingen van werklozen, van strijd tegen de uitsluitingen, van verdediging van de rechten van de vrouw het veld van de sociale beweging verruimd. Het wordt ook wel de beweging van de ’sans’ genoemd: sans-emploi, sans-revenu, sans-papiers, sans-droits. Hun verenigingen: Droits devant!, Droit au logement (DAL), le Comité des sans-logis (CDSL). De werklozen zijn gegroepeerd in de MNCP (Mouvement national des chômeurs et des précaires), de APEIS (Association pour l’emploi, l’information, la solidarité) en Agir contre le chômage (AC!).
Het bestaan van al deze verenigingen stelt vragen naar de werking van de traditionele vakbonden. Marie Agnès Combesque: ’Van een verdediging van onderdrukten, zowel van geschoolde als ongeschoolde arbeiders en precairen, zijn de vakbonden overgestapt naar de exclusieve verdediging van die loontrekkenden die van een stabiel werk genieten. De syndicale strijd heeft niet langer meer betrekking op de arme loontrekkenden, het Lumpenproletariaat van deze eindigende eeuw. De organisaties zijn gebureaucratiseerd, hebben zich moeiteloos aangepast aan het liberalisme dat sedert 30 jaar overheerst, dragen zelfs bij aan diens aanvaarding door voor een sociaal pseudo-compromis te pleiten dat uitloopt op de ontwikkeling van een armoede-werkloosheid. (...) Noch de CFDT noch FO lijken het belang van de werklozenbeweging en de golf van sympathie die het onder de publieke opinie ontmoet, begrepen te hebben. Zij zijn ervan overtuigd dat het er slechts gaat om acties van gauchisten, dus om een verouderde beweging van "agit-prop"; vandaar dat zij in ’t begin reageerden met onverschilligheid, vervolgens met onbegrip. De twee centrales hebben hetzelfde refrein gezongen, zij verwierpen met eenzelfde bezieling de legitimiteit van de beweging en diens woordvoerders. (...) AC!, de APEIS, de MNCP zijn in hun ogen een potentieel gevaar, want deze organisaties werpen zich uitdrukkelijk op als vertegenwoordigers van de uitgeslotenen van de werkgelegenheid en stellen openlijk vragen bij de houding van de twee centrales op het front van de werkloosheid. Deze konden de aanslag op hun monopoliepositie slecht verteren, te meer daar de regering, die meegesleept werd door het conflict, uiteindelijk aanvaard had de werklozenverenigingen te ontvangen op 8 januari (1998).’ (p 157-158)
Enkel binnen de communistische vakbond CGT blijkt er van enig begrip sprake te zijn. Maar niet zonder tegenstand. Zo probeert Richard Dethyre, een van de voormannen van de APEIS, de wereld van de werklozen te doen ingang vinden binnen de Communistische Partij. ’Ik word met sympathie bekeken want de APEIS groepeert heel wat mensen en is daarom nuttig, maar de reflectie volgt niet. De partij werkt nog vanuit de idee dat het bedrijf nog steeds de plaats is waar arbeiders en patroons elkaar bekampen en dat dààr en nergens anders zich de klassenstrijd afspeelt. Alles wat niet in dit schema past, staat buiten beeld.’
Twee analyses lopen er bij de CGT naast elkaar. ’Zij die niet voelen voor de oprichting van werklozencomités zijn van oordeel dat de sleutel van de werkloosheid in het bedrijf ligt. Zij die er voorstander van zijn, ontwikkelen het idee dat het bedrijf niet de enige plaats van actie kan zijn en dat de werkloosheid deel uitmaakt van het interventieveld van de vakbonden. De werklozen kunnen het economische leven van het land beïnvloeden; indien zij in feite niet in staat zijn een bedrijf plat te leggen of te staken, dan kunnen zij wegen, treinen of de toegang tot fabrieken blokkeren,’ dixit François Desanti van de leiding van het comité CGT-chômeurs. Welke activiteiten dienen dus prioritair voor deze categorie van gesyndiceerden ontwikkeld te worden? Moet de eerste aandacht uitgaan naar de acties die gericht zijn op het bedrijf of op acties daarbuiten?
De werklozen zijn niet happig op de traditionele vakbonden. In het beste geval geniet de CGT in hun ogen van een gunstig a priori met haar werklozencomités, maar het wantrouwen blijft groot. De CFDT en FO, van hun kant, worden als halve vijanden behandeld. Marie Agnès Combesque kan dit begrijpen: ’Men raakt tevens de essentie zelf van de huidige crisis van het syndicalisme in Frankrijk: geleidelijke institutionalisering en verlies van onafhankelijkheid t.o.v. de politieke en economische machten; onmacht om het verzet te organiseren, tenzij "met de rug tegen de muur", in een tijd waarin de technologische vernieuwingen een herstructurering van de productie en van de ruil met zich meebrengt, waarin de plaats van de arbeid in het leven van de burger vermindert, en waarin de mondialisering van het kapitaal de economische organisatie dooreenschudt. Overrompeld sedert een twintigtal jaren, al dan niet vrijwillig, kunnen noch weten de traditionele vakbonden te antwoorden op de moeilijkheden die door al die versnelde omvormingen teweeggebracht worden, terwijl terzelfdertijd een nieuwe vraag bij een deel van de civiele maatschappij opduikt. Een vraag die gericht is op het recht op uitdrukking, op meer en meer preciezere directe eisen en op verlangens naar een maatschappijverandering. De werklozenbeweging bevindt zich op het snijpunt van al deze aspiraties.’ (p 160)
De werklozenstrijd van december 97 - januari 98 had op de steun kunnen rekenen van de nieuwe militante vakbonden. Zodat men volgens Marie Agnès Combesque zelfs kan spreken van een syndicale herschikking: ’Met de mobilisatie van de werklozen en de praktische standpunten van de nieuwe vakbonden die hen ondersteund hebben, tekent zich steeds duidelijker een lijn van syndicale herschikking af, waarvan de basis in november-december 1995 gelegd werd, en die de vinger op de wonde legt van de functionele crisis van voornamelijk de CFDT en FO. Niet in staat om afdankingen te beletten, om in eigen voordeel te onderhandelen over collectieve conventies en lonen, om weerstand te bieden aan het patronaat die een hele batterij middelen ontworpen heeft om diens rol te dwarsbomen: kwaliteitskringen, actieve strategieën van interne communicatie, participatief management, etc, hebben zij aan slagkracht verloren. De aansluiting van de linkse regeringspartijen bij het liberalisme, dat zij niet bekampt hebben, heeft het reformistisch project dat zij ondersteunde onderuit gehaald. Tenslotte hebben de ineenstorting van het Sovjetblok en de val van de muur van Berlijn definitief bewezen dat zij geen alternatief project bezaten en dat ook voor hen het kapitalisme een niet te overschrijden horizon vormde. Niet in staat om tegenwoordig de functies van een tegenmacht op te nemen, maken zij in werkelijkheid plaats voor die vakbonden die wel aan een nieuw maatschappijproject werken, waarbij rekening gehouden wordt met de veranderingen die de maatschappij ondergaan heeft en de noodzaak van nieuwe vormen van mobilisatie. De radicaliteit is aan de orde van de dag.’ (p 167)
Johny Lenaerts
