Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Peter Tom Jones
Op zoek naar een menselijke maat
zondag 10 oktober 2004, door Peter Tom Jones
INLEIDING
Tegen de achtergrond van de westerse consumptiemaatschappij tekent zich een somber beeld af van de toestand van de planeet aarde. De reikwijdte van de ecosociale crisis waaraan de mensheid thans het hoofd moet bieden, is inmiddels gekend en wordt niet langer fundamenteel betwist, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, zoals Bjorn Lomborg, auteur van het inmiddels wetenschappelijk begraven The Skeptical Environmentalist (2001). Sinds de Club van Rome in 1972 het ophefmakende rapport Grenzen aan de Groei wereldkundig maakte, regent het officiële documenten van allerlei nationale en supranationale instanties waarin gewezen wordt op de precaire toestand van dit aardse tranendal. Vooral de Global Environment Outlook-rapporten van het milieuprogramma van de VN (UNEP) spreken klare taal. Ernstige onevenwichten in de verdeling van goederen en diensten bedreigen de integriteit van onze planeet, aldus de UNEP. De gapende kloof tussen extreme rijkdom en armoede brengt de stabiliteit van de samenleving en het milieu in het gedrang, ondanks een aantal reële verbeteringen wat enkele specifieke en/of lokale milieuproblemen betreft. De UNEP vestigt er de aandacht op dat, als de huidige trends in economische groei, bevolkingstoename en consumptieniveaus van water, grondstoffen en niet-hernieuwbare energie bestendigd blijven, de gezondheid van mens en milieu verder in het gedrang komt. De waslijst van de meest pregnante symptomen is ondertussen rijkelijk gedocumenteerd: destabilisatie van de klimaatsystemen, stijging van het oceaanniveau, teloorgang van de biodiversiteit, tekort aan drinkbaar water, vervuiling en uitputting van de grondwatertafels (aquifers), voortgaande demografische groei, oncontroleerbare uitbreiding van de megasteden etc. Bovendien kan men deze problemen niet als onafhankelijk van elkaar beschouwen: via complexe, positieve terugkoppelingslussen (feedbackloops) kan het ene probleem het andere versterken waardoor oncontroleerbare kettingreacties in gang kunnen worden gebracht. Het klimaatprobleem is exemplarisch: vanwege potentiële interacties en positieve terugkoppelingen in het klimaatsysteem, kan het antropogeen versterkte broeikaseffect, eenmaal het goed op gang gebracht is, uit zichzelf verder ontwikkelen, ongeacht de mens doorgaat met de verbranding van fossiele energiebronnen. In zijn IPCC Third Assessment Report: The Scientific Basis (2001) erkent het VN-klimaatpanel dat deze snelle, ‘niet-lineaire’ klimaatwijzigingen helaas tot de mogelijkheden behoren (‘rapid climate change’ en ‘surprises’ in het wetenschappelijk jargon). Niet-lineariteit impliceert het bestaan van grenswaarden (thresholds) in het klimaatsysteem: kleine wijzigingen kunnen grote veranderingen uitlokken van zodra deze grenswaarden overschreden zijn. In dit worst-case scenario zou men in een situatie kunnen terechtkomen - run-away global warming - waarin men enkel nog bang kan afwachten wat er zal gebeuren (Gundermann, 2002).
Sociaal-ecologische onrechtvaardigheid
Via concepten zoals ‘milieugebruiksruimte’ en ‘ecologische voetafdruk’ (zie kader) kan men aantonen dat een wereldwijde veralgemening van de westerse consumptieniveaus (grond, water, fossiele brandstoffen, vlees etc.) het draagvlak van de aarde ruimschoots zou overschrijden. De mondiale ecologische voetafdruk is vandaag ongeveer twintig procent groter dan de regeneratieve capaciteit van de aarde. Het ecologisch deficit bestaat sinds midden jaren zeventig en behelst een drastische daling van de Living Planet Index, een indicator voor de gezondheid van de natuurlijke ecosystemen. Onze huidige aanspraken op eindige grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen impliceren een diefstal van de toekomstige generaties; het tegemoetkomen aan de huidige behoeften gaat ten koste van het voldoen aan de basisbehoeften van morgen. Enkele voorbeelden spreken boekdelen. Elke dag verbrandt de totale wereldbevolking een hoeveelheid fossiele brandstoffen waarvoor de aarde 10.000 dagen nodig heeft om die via de influx van zonne-energie gestaag op te bouwen. Een gelijkaardig verhaal geldt voor onze onduurzame waterconsumptie. Jaarlijks wordt wereldwijd ongeveer 160 miljard ton grondwater méér onttrokken dan het via (trage) natuurlijke doorsijpeling en filtratie van regen- of sneeuwwater kan vervangen worden. Voeg hierbij de vaak onomkeerbare vervuiling van het grondwater ten gevolge van het gebruik van synthetische meststoffen, pesticiden en herbiciden. We stelen niet alleen het water van de toekomstige generaties, maar we vervuilen het resterende deel ervan én tasten de integriteit aan van de ecosystemen die de natuurlijke watercycli in stand moeten houden.
KADER 1 - Ecologische voetafdruk De ecologische voetafdruk vergelijkt de consumptie van hernieuwbare natuurlijke grondstoffen met de biologische ‘productiecapaciteit’ van het desbetreffende ecosysteem. De ecologische voetafdruk van een land is de totale oppervlakte die vereist is om te voorzien in de totale consumptie van voedsel, energie en andere producten, en om de ruimte voor de infrastructuur van dat land vrij te maken. Aangezien mensen grondstoffen consumeren die afkomstig zijn van alle uithoeken van de planeet, kan men de ecologische voetafdruk berekenen als de som van de verschillende vereiste oppervlakten, waar ter wereld die zich ook mogen bevinden. De mondiale voetafdruk in 1999 bedroeg 13.7 miljard ‘globale hectaren’, dit is 2.3 ‘globale hectaren’ per persoon. Een globale hectare is één hectare van gemiddelde biologische ‘productiviteit’. Het beslag op de natuur kan dan vergeleken worden met de totale biologische capaciteit van de Aarde. Die totale capaciteit wordt momenteel geschat op 11.4 miljard hectaren, dat betekent dat slechts 25% van de mondiale aardoppervlakte biologisch ‘productief’ is.
Dit plaatje wordt vervolledigd wanneer men eveneens een blik werpt op de ongelijke verdeling van de beperkte ecologische koek. Enkele cijfers van de VN: de twintig procent rijksten der aarde zijn verantwoordelijk voor negentig procent van de totale consumptie; een baby geboren in het Noorden verbruikt dertig tot vijftig keer meer water dan een pasgeborene uit het zuidelijk halfrond. Een gemiddelde inwoner uit de VS laat een ecologische voetafdruk achter die ongeveer twee maal zo hoog ligt als die van een doorsnee West-Europeaan en ongeveer vijf keer zo groot is als het ‘eerlijke aarde-aandeel’. De Noord-Zuidkloof wordt hier treffend geïllustreerd: zo bedraagt het milieubeslag van een Westerling meer dan zes keer die van een inwoner uit een Zuiders land. Hoewel wij gewoon zijn te spreken over de uitstaande financiële schuld van het Zuiden aan het Noorden, wordt het dringend tijd te wijzen op de nog veel hogere sociaal-ecologische schuld van het Noorden ten aanzien van het Zuiden. Deze omvat de historische uitbuiting (slavenhandel, genocide van inheemse bevolking, grondstoffenroof) evenals de huidige exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van het Zuiden (grond, water, bossen, visgronden, genetische rijkdom) en de oneerlijke handelsrelaties tussen Noord en Zuid. Gelijklopend hiermee kan men ook spreken van de ecologische schuld ten aanzien van de toekomstige generaties.
Tussen Scylla en Charybdis
Indien men ervan uitgaat dat het totale milieubeslag op deze eindige aarde niet verder mag stijgen dan het hedendaagse niveau (het zogenaamde stand still-beginsel), dan heeft dit vergaande repercussies. In dat geval moet volgens de UNEP de westerse ecologische voetafdruk op termijn met een factor tien tot twintig afnemen (dus tot vijf à tien procent van het huidige niveau) om inwoners uit het Zuiden in staat te stellen een ‘aanvaardbaar welvaartspeil’ te bereiken. Zonder een drastische paradigmaverschuiving naar een meer duurzame wereldeconomie zal men steeds opnieuw met een onafwendbaar dilemma worden geconfronteerd. In academische kringen spreekt men van de Scylla-Charybdis-impasse. Daarmee refereert men aan de onmogelijkheid, zolang het huidige bestel in voege blijft, zowel het Scylla-monster (de sociaal-economische dualisering) als het Charybdis-gedrocht (de milieucrisis) te omzeilen: ‘Hoe groter het gedeelte van de wereldbevolking dat in welstand leeft, hoe meer het ecosysteem in gevaar is; hoe meer het ecosysteem gevrijwaard wordt, hoe meer dit gepaard gaat met mateloze ellende’ (Vermeersch, 1988). Dit Scylla-Charybdis-principe hangt als het zwaard van Damocles boven het hoofd van de mensheid en kan niet anders dan de noodzakelijke achtergrond vormen voor elke zinnige discussie over de queeste naar een meer rechtvaardige en duurzame wereld.
DE OORZAKEN VAN DE ECOLOGISCHE CRISIS
Bij de zoektocht naar de wortels van de milieuverkommering formuleert men in de westerse traditie twee voorname (ons inziens complementaire) verklaringspogingen. In de eerste optiek schuift men de zwarte piet toe naar het kapitalistische wereldsysteem. Nochtans staat het buiten kijf dat men het kapitalisme niet met alle ecologische zonden Israëls kan beladen. Zowel het ‘reëel bestaande communisme’ - volgens sommigen gewoon een vorm van ‘staatskapitalisme’ - als een aantal pre-industriële samenlevingsvormen hebben vaak eveneens lelijk huis gehouden wat de zorg voor het milieu betreft (Gare, 1996). In de tweede grote verklaringspoging gaat men daarom op zoek naar de diepere wortels van de milieucrisis. Aldus wijst men op de nefaste invloed van de dominante waardeovertuiging die is ingebed in onze westerse cultuur: het onvoorwaardelijke vooruitgangsgeloof en het wijdverbreide antropocentrisme. Volgens de aanhangers van deze tweede verklaringspoging moet men de ecologische problematiek veeleer begrijpen als een culturele crisis (Eckersley, 1992).
Kapitalisme en milieu
Om het aandeel van het kapitalisme in de milieuproblemen door te lichten, zijn we genoodzaakt haar grondlogica in ogenschouw te nemen. In schril contrast met een behoefte-economie, ontstaat er in een kapitalistische winsteconomie een doel-middelomkering. In een pre-kapitalistisch stelsel vindt er ‘eenvoudige warencirculatie’ plaats: dit is een productiewijze waarin de bevrediging van behoeften een doel op zich is. Geld figureert in dit systeem slechts als een universeel ruilmiddel. Marx beschreef dit aan de hand van de formule: W-G-W (waar-geld-waar). De economische kringloop is in dit geval gesloten. In een winsteconomie verandert deze logica op ingrijpende wijze. Van zodra geld kapitaal wordt, verandert het middel (geld) in een doel op zich (winst maken), terwijl het oorspronkelijke doel (bevrediging der behoeften) wordt herleid tot een middel. De vermeerdering van het geld wordt nu het finale doel van het economische proces: de economische kringloop opent zich, de cyclus wordt eindeloos. We kunnen dit weergeven met de formule G-W-G’, waarin G’ groter moet zijn dan G. Het proces heeft namelijk slechts zin als er winst wordt geboekt. In deze cyclus moet de kapitalistische machine voortdurend meerwaarde creëren. Volgens klassieke marxisten geschiedt die meerwaardevorming via de uitbuiting van de loonarbeid. De werknemer wordt namelijk niet volledig betaald voor de arbeidskracht die hij levert. Dat betekent niet dat het kapitalisme slechts bij gratie van de uitbuiting van arbeid kan blijven bestaan: een aangehouden kapitalistisch bestel vereist tegelijkertijd de continue (goedkope) toe-eigening van ertsen, mineralen, fossiele brandstoffen en andere natuurlijke hulpbronnen (Peeters, 1996).
Het kapitalisme moet groeien om te blijven leven. Tegen een ondernemer zeggen dat hij moet stoppen met productiegroei is even waanzinnig als aan een plant te vragen of hij wil ophouden met zijn fotosynthese. Deze Grow or die-logica maakt dat het kapitalisme steeds nieuwe producten en behoeften moet genereren teneinde te overleven. Vanuit het standpunt van de individuele ondernemer is de vraag welke producten zullen worden voortgebracht, vrij irrelevant. Uiteraard moeten de waren wel afgenomen worden, maar hiertoe kan men zelf schijnbehoeften aanwakkeren via allerlei psychologisch uitgekiende reclame- en marketingstrategieën. De reclamewereld slaagt er wonderwel in om het verschil tussen noden (needs) en verlangens (wants) danig te doen vervagen en de consumptie op te zwepen. Dit brengt met zich mee dat de innoverende luxeproducten van vandaag (GSM, intercontinentale vliegreizen) getransformeerd worden tot de onontbeerlijke basisproducten van morgen (De Geus, 2003). Een ander nefast bijverschijnsel van deze ‘kinetische utopie’, zoals Peter Sloterdijk deze doelloze beweging benoemt, vindt zijn oorsprong in de onmogelijkheid om de kloof tussen ‘wat men wil hebben’ en ‘wat men reeds heeft’ ooit te dichten. Het aanbod creëert zijn eigen vraag.
Hoe verklaart men dan het succes van het kapitalistische systeem? Volgens Otto Ullrich berust de aantrekkelijkheid grotendeels op de eraan toegeschreven productiviteit. Nochtans is die productiviteit zeer betrekkelijk: ‘Het (industriële kapitalisme) heeft de torenhoge productiviteit van een bankrover die zich met snelle gewelddadige inbraken ten koste van anderen een leven in welstand probeert te verwerven’ (Ullrich, 1992). Het industriële kapitalisme eigent zich immers de zogenaamde ‘vrije goederen’ van de aarde toe (lucht, water, bodem, fossiele brandstoffen etc.) en wentelt daarbij massaal kosten af op de natuur, het Zuiden en de toekomstige generaties. De ecologische onrechtvaardigheid komt hier opnieuw om de hoek kijken. In de hedendaagse wereldeconomie slaagt een relatief kleine groep mensen erin om een comfortabel leven te leiden. Zij ondervinden daarbij weinig hinder omdat de lusten en de lasten ongelijk worden verdeeld in ruimte en tijd. De privé-auto is hiervan wellicht één van de meest treffende voorbeelden.
Neoliberalisme, globalisering en milieu
Aangezien het kapitalisme een inherente expansiedrang vertoont, moet het voortdurend op zoek naar nieuwe afzetmarkten. Dit kan op twee wijzen gebeuren: hetzij via de verdieping van de marktlogica, hetzij via de geografische uitbreiding ervan. De eerste methode behelst de fameuze vermarkting van alle aspecten van het leven. Sectoren die voorheen nog afgeschermd waren van het winstprincipe zoals gezondheid, watervoorziening, onderwijs, vrije tijd of seksualiteit, worden gradueel blootgesteld aan het marktprincipe. Dit is één van de voornaamste redenen waarom de grote lobbyisten van de multinationale ondernemingen thans zo’n werk maken van de liberalisering van de (openbare) dienstensector. Nadat via de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de handel in industriële goederen reeds werd ‘vrijgemaakt’, zagen de transnationale bedrijven zich genoodzaakt nieuwe sectoren aan het jachtgebied van het kapitaal toe te voegen. Vandaar het immense belang van de huidige onderhandelingen over de verdragen omtrent de handel in diensten (GATS). Een tweede wijze van kapitalistische expansie gebeurt via de geografische verspreiding naar gebieden die nog niet waren opgenomen in de kapitalistische wereldmarkt. De val van de Muur vormde voor de westerse bedrijven een geschenk uit de hemel, aangezien plotseling nieuwe business opportunities aan de (oosterse) horizon verschenen. Op dat vlak spreekt de recente toetreding van het ‘communistische’ China tot de WTO boekdelen.
Wat is dan het verband tussen neoliberale globalisering en de wereldwijde milieucrisis? Het is evident dat de absolute doorbraak van de economische globalisering extra druk zet op het mondiale draagvlak van de aarde. De neoliberale theorie van de comparatieve voordelen - die stelt dat de arme landen zich moeten concentreren op de productie van enkele specifieke exportgoederen die buitenlandse valuta in het laatje brengen - botst hier frontaal op de ecologische grenzen. Conform met de neoliberale logica, worden schaarse landbouwgronden in het Zuiden omgeschakeld van op lokale behoeften gerichte basisproductie naar kapitaal- en technologie-intensieve productie van cash crops voor de wereldmarkt. In de praktijk leidt deze fixatie op exportgerichte groei tot oververzadigde wereldmarkten, dalende prijzen en slechtere ruiltermen voor de exportproducten van het Zuiden. De ontmanteling van de plaatselijke productie ten gunste van de import en export resulteert er volgens Vandana Shiva in dat de hulpbronnen van de arme landen overgaan naar de rijke landen, terwijl de gevolgen van milieuvervuiling zich van de rijke naar de arme landen verplaatsen (Shiva, 2000b). Het neoliberale model incorporeert eveneens een forse toename in internationale handelsstromen met evidente knock-on effecten op de ecologische evenwichten. Zo wijzen de UNEP-rapporten op het negatieve effect van de invasie van vreemde soorten en organismen die hand in hand gaan met de intercontinentale handelsstromen. Wellicht nog veel pregnanter is de pijlsnelle toename van het langeafstandsvervoer van grondstoffen, halffabrikaten en afgewerkte producten, waarvoor steeds meer infrastructuur (wegen, havens, pijpleidingen, dammen, luchthavens) vereist is. Meer internationale handel behelst meer transport per vrachtwagen of vliegtuig, met belangrijke implicaties voor de gezondheid van mens en milieu. Nu al sterven jaarlijks drie miljoen mensen als gevolg van luchtverontreiniging. Transport is volgens de VN verantwoordelijk voor één vierde van het mondiale energieverbruik. Tezelfdertijd zijn de door transport teweeggebrachte koolstofdioxide-emissies, met een jaarlijkse gemiddelde groei van 2.6 procent, de snelst toenemende component van de energetische voetafdruk. Zoals bekend heeft transport een aanzienlijk aandeel in de destabilisering van de klimaatsystemen, om maar te zwijgen van de desastreuze gevolgen van de om de haverklap optredende rampen veroorzaakt door piratentankers zoals de Erika of de Prestige. Vanuit ecologisch standpunt is een groot deel van de huidige wereldhandel bovendien volstrekt irrationeel. Waarom moeten basisproducten die men lokaal kan vervaardigen, ingevoerd worden uit de andere kant van de globe? Is het zinvol dat zelfs de geassembleerde delen van een eenvoudig karton voor Europese yoghurt een reis afleggen van wel 9000 kilometer (Sachs, 2001)? Onderzoekers in Duitsland hebben aangetoond dat de bijdrage aan het menselijk versterkte broeikaseffect van non-lokale voedselproductie zes tot twaalf keer zo hoog is als die van plaatselijke voedselproductie (Shiva, 2000b). Dát is de realiteit van het ‘economische realisme’.
De erfenis van Prometheus
Nochtans is het intellectueel oneerlijk om het kapitalisme of zijn neoliberale zoon als enige oorzaken voor het milieubederf aan te duiden. In een tweede, meer culturele verklaringsoptiek zoekt men de wortels van de ecologische crisis in de dominante waardeovertuiging van de moderniteit, met haar blinde vooruitgangsgeloof en haar mens/natuur-dualisme, resulterend in een zuiver instrumentalistische visie ten aanzien van de natuur. Hoe de mens zich tegenover de natuur opstelt, vormt vanuit dit oogpunt uitsluitend een kwestie van de nuttigheidsoverweging: wordt de mens er al dan niet door gediend?
Men kan zich daarbij de vraag stellen: hoe is deze tweespalt tussen mens en natuur tot stand kunnen komen? Om deze delicate vraag te beantwoorden, moeten we een filosofisch interludium inlassen. De moderne tijd hield de nobele belofte in de mensheid voor eens en voor altijd te bevrijden van vastgeroeste tradities, bijgeloof, materiële gebreken en geestelijke armoede. Vanaf de zestiende eeuw ving de periode aan waarin theologische verklaringen werden verdrongen door wetenschappelijke. Kennis werd voortaan aangewend om aan de behoeften van de (koopkrachtige) mens te voldoen en de controle van de natuur aan te scherpen. God werd gestaag onttroond, de Rede ontwaakte. Francis Bacons Novum Organum (1620) kan beschouwd worden als het onverbiddelijke manifest van het westerse antropocentrisme: de mens is Koning, de natuur heeft slechts waarde voor zover die bij machte is de menselijke behoeften te bevredigen. Voor het moderne wereldbeeld is de man de enige waarachtige Soeverein, terwijl vrouwen, kinderen, slaven en niet-menselijke wezens worden voorgesteld als lichamen en objecten ten dienste van de man. Net zoals Bacon beschouwde Descartes de natuur volgens zuiver mechanistische termen waarbij hij de wetenschap wenste te hanteren als een middel om de menselijke macht te verstevigen ten aanzien van de natuur die wordt gereduceerd tot kwantitatieve waarde. De mens werd uitgeroepen tot de heer en meester over de schepping. Descartes’ dualistische schema’s - mens/natuur, lichaam/geest - zouden hun stempel drukken op de evolutie van het westerse denken. Eind zeventiende eeuw rechtvaardigde Isaac Newton de stellingen van Descartes en Bacon via de ontdekking en de mathematische beschrijving van de universele wetten van de zwaartekracht en de beweging. Van Descartes tot Newton domineerde de metafoor van de machine/klok de moderne tijdsgeest. De zogenaamde objectieve, waardevrije wetenschap zag definitief het licht. In het verlengde van Newton stelde Laplace in de achttiende eeuw dat alle toekomstige gebeurtenissen perfect te voorspellen zijn. Het moderne wetenschappelijke paradigma dat aldus tot stand kwam, kan men als volgt typeren: een tendens naar determinisme (in de betekenis van absolute voorspelbaarheid), objectivisme, reductionisme, mechanistisch en abstract denken, dit alles overgoten met een antropocentrisch sausje.
PROGRESSIEVE KRITIEKEN OP DE MODERNITEIT
Hoewel de moderne wetenschap ongetwijfeld een aantal indrukwekkende resultaten op haar palmares heeft staan, kan men er niet omheen dat het vertrouwen in de wetenschap evolueerde naar een nieuwe vorm van geloof: het positivisme. In Intelligente emotie (2001) merkt Ludo Abicht terecht op dat dit positivisme al heel snel zijn vermogen tot zelfkritiek verliest en verschraalt tot de cultus van de vooruitgang. Technologie vervalt daarbij tot ‘technicisme’: de pretentie van de mens om eigenmachtig heel de werkelijkheid met de wetenschappelijk-technische beheersing naar zijn hand te zetten, om alzo alle voorkomende problemen op te lossen en materiële vooruitgang te garanderen. Ook de nieuwe moeilijkheden die de westerse mens met het technicisme oproept, wil hij vervolgens met dezelfde of nieuwe wetenschappelijk-technische mogelijkheden beheersen. Dit blinde vooruitgangsgeloof gaat hand in hand met een productivistisch industrieel economisch model, dat in de twintigste eeuw zowel in het kapitalistische Westen als in het communistische Oostblok welig tierde, met alle ecologische gevolgen van dien.
Het zijn de filosofen van de Frankfurter Schule die één van de eerste dialectische analyses maakten van de Verlichtingstradities. Vertrekkende vanuit de vaststelling dat de edele beloften van de moderniteit slechts partieel werden ingevuld, luidt de basisstelling van Theodor Adorno en Max Horkheimer in Dialektik der Aufklärung (1947) dat, tot op heden, elke stap voorwaarts in de ‘beschaving’ gepaard is gegaan met een onderdrukking van het vermogen van de mensen om een vrij en ongeschonden leven te leiden. Gaandeweg, toen de moderne instrumenten van bevrijding instrumenten van onderdrukking werden, verviel zij echter zelf tot een mythe; in de Verlichting zit een tendens om zichzelf op te heffen, nog voor de nobele ideeën uitgekristalliseerd zijn in de werkelijkheid. De zo geprezen vooruitgang vervlakt tot loutere voortgang, tot een doelloze beweging om de beweging. Adorno en Horkheimer laken de herleiding van de rede tot de instrumentele rede. De objectiverende houding ten aanzien van de natuur, zo innig vervlochten met die instrumentele rede, gaat hand in hand met de onderdrukking van de mens door de mens. Volgens deze filosofen bezit de natuur intrinsieke waarde in plaats van louter verbruikswaarde voor de mens. In One Dimensional Man (1964) houdt Herbert Marcuse een vurig pleidooi om tot een ‘nieuwe wetenschap’ te komen die bij machte is de moderne kloof tussen mens en natuur ongedaan te maken.
Naar een holistisch wetenschapsbeeld
Nieuwe evoluties in een aantal takken van de wetenschap (thermodynamica, ecologie, chaos- en complexiteitstheorie) schijnen Marcuse’s pleidooi voor een dergelijke evolutie naar een meer milieuvriendelijke en minder antropocentrische wetenschap te ondersteunen. Het valt buiten het bestek van deze bijdrage om deze perspectiefwijzigingen grondig uit de doeken te doen: daarvoor verwijzen we naar de uitstekende publicaties van de filosofen Steven Best, Douglas Kellner, Leo Apostel, Jenny Walry, en wetenschappers zoals Ilya Prigogine en Isabelle Stengers, waarvan we vroeger reeds een beschrijvend overzicht presenteerden (Jones, 2003b). De opkomst van ‘postmoderne’, of beter ‘reflexieve’, wetenschapsdisciplines schudt het kaartenhuis van het moderne wetenschappelijke paradigma op een aantal terreinen grondig door elkaar. Tabel I levert een overzicht van enkele sleutelbegrippen wat de accentverschuivingen naar een meer holistisch wetenschapsbeeld betreft.
Tabel I - Vergelijking accenten tussen het moderne en het postmoderne wetenschappelijke wereldbeeld (gedeeltelijk op basis van Best en Kellner, 1997) Moderne Wetenschap vs. Postmoderne wetenschap
Machine vs. Organisme (levende materie); Controle natuur vs. Respect voor natuur; Vervreemding van natuur vs. Reïntegratie in natuur; Determinisme vs. Onbepaaldheid, contingentie; Reversibele tijd vs. Irreversibele tijd; Orde vs. Orde en chaos; Reductionisme vs. Complexiteit, holisme; Zekerheid vs. Waarschijnlijkheid; Man/vrouw dualisme vs. Hybriditeit/multipliciteit; Lichaam/geest dualisme vs. Lichaam/geest eenheid; Groei-economieën vs. Steady-state economieën; Waardevrij vs. Waardeverantwoordelijkheid
Via de ecologie en de chaostheorie weten we ondertussen dat zelfs de meest eenvoudige, schijnbaar deterministische processen of ecosystemen een vaak buitengewoon complex en onvoorspelbaar gedrag vertonen. In een meer complexe realiteit is daarom niets nog zeker, hoogstens ‘waarschijnlijk’. Onze pogingen om de natuurlijke wereld te controleren en te manipuleren kunnen als een boomerang terugwerken, als gevolg van onbekende (of onnauwkeurig gekende) beginvoorwaarden en wederzijdse ecologische relaties en allerlei terugkoppelingslussen. De voorbeelden zijn legio: schijnbaar miraculeuze, antropogeen gecreëerde stoffen zoals PCB’s, DDT, CFK’s blijken later schadelijke neveneffecten teweeg te brengen die onmogelijk voorspeld hadden kunnen worden. Bedachtzaamheid is daarom de boodschap. Hieruit mag men niet concluderen dat wij een postmoderne vorm van technofobie aanhangen. Dit is geen pleidooi tegen de wetenschap of technologie, maar wel voor een kritische theorie van wetenschappelijke ontwikkelingen. De klassieke marxistische visie ziet technologie als iets neutraals dat, afhankelijk in welk type productiesysteem het ingebed is, zowel voor goede als slechte doeleinden kan aangewend worden. Die stelling is onvolledig; technologie is niet neutraal op zich. Sommige technologieën (cfr. kernfissie, genetische modificatie) zijn intrinsiek ‘foutonvriendelijk’ (zie kader) en resulteren in fundamentele machtsongelijkheden, zoals uitvoerig beschreven in Otto Ullrich’s Technik und Herrschaft (1977). Daarom ijveren tal van ecologisten voor de ontwikkeling van meer ‘foutvriendelijke’ technologieën die bovendien filosofisch verfijnder, wetenschappelijk beter geïnformeerd, ethisch gevoeliger, minder antropocentrisch en meer holistisch zijn. Een andere wetenschap is mogelijk en noodzakelijk. Het ‘reflexieve’ of ‘postmoderne’ wetenschappelijke paradigma legt de basis voor een nieuw ankerpunt van waaruit het menselijk denken en handelen zal moeten vertrekken.
KADER 2 - Fout(on)vriendelijkheid Met dit begrip verwijst men naar de reikwijdte van de gevolgen van een bepaald technologisch proces dat via menselijke of externe factoren misloopt. Hoe groter en hoe irreversibeler de gevolgen, hoe foutonvriendelijker de technologie. Een klassiek voorbeeld is de energieopwekking via kernfissie: de ramp in Tsjernobyl was een treffende illustratie van een foutonvriendelijke technologie. Het geknoei aan genen in de landbouwsector is een ander typisch voorbeeld van een foutonvriendelijke technologie, die gebruik maakt van lineaire, reductionistische en deterministische opvattingen. Recente ontwikkelingen in de biologie bewijzen overduidelijk dat deze lineaire visies schromelijk tekortschieten omdat zij de potentiële synergetische en secundaire interactie-effecten veronachtzamen. Best en Kellner beschrijvenhetopzetvan de huidigegenetische manipulatie als ’Engineering complexity with the mentality of simplicity’ (Best en Kellner, 2001). Foutvriendelijke of ‘zachte’ technologieën (bv. biologische landbouw, windenergie etc.) erkennen daarentegen de basisprincipes van de ecologie en zullen trachten in te spelen op ‘ecologische inpasbaarheid’ zodat schadelijke gevolgen tot een absoluut minimum beperkt worden.
HOUDINGEN TEN AANZIEN VAN DE ECOLOGISCHE CRISIS
Business as usual
In het gangbare denken over de strijd tegen de milieuproblemen leggen de beleidsdirigenten helaas steevast éénzijdig de nadruk op technologische oplossingen (‘ecologische modernisering’). Dat betekent dat het huidige paradigma van de winsteconomie, gekenmerkt door haar dwang tot eindeloze productiegroei, niet in vraag mag worden gesteld. Er is zelfs een nieuwe, steeds uitdeinende, niche in de markt ontstaan die zich bezighoudt met ‘groene’ technologieën. Milieubekommernis verschijnt als een drijvende kracht voor economische groei. Jef Peeters stelt het als volgt: ‘Economie en ecologie lijken compatibel, en er wordt een taal ontwikkeld die beide aan elkaar koppelt, tot en met het verstaan van duurzame ontwikkeling als ‘aangehouden groei’’ (Peeters, 1999). Op wereldvlak zijn het de grote multinationale en financiële groepen en enkele dominante westerse natiestaten, evenals imperiale instellingen zoals de WTO en de Wereldbank op kop, die deze Orwelliaanse peptalk blijven verspreiden. Via hun buitengewoon machtsoverwicht blokkeren zij elke reële beweging richting werkelijke duurzaamheid. De facto hebben zij het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ gecoöpteerd en zonder schroom herleid tot duurzame winstaccumulatie. Het is dan ook triest vast te stellen hoe de non-filosofie van de WTO het heeft gehaald van de gematigd groene perspectieven van de UNEP. Voor de volledigheid kunnen we er wel aan toevoegen dat de EU, mede als gevolg van de druk uitgeoefend door consumenten- en milieuverenigingen, schuchtere pogingen onderneemt om, althans op milieuvlak, een iets sterker tegengewicht te vormen tegen de WTO. Helaas worden de plechtige woorden bijna nooit omgezet in concrete daden en acties.
Neokeynesianisme
Vanuit de neokeynesiaanse vleugel van de andersglobaliseringsbeweging komt een al iets creatievere oplossing. Vertrekkende van dit perspectief moet de wereldmarkt sociaal en ecologisch bijgestuurd worden. Via een combinatie van mondiale, continentale en nationale instanties moet de ‘politiek’ het wilde kapitalisme ‘temmen’. De doelstelling is een universele welvaartsstaat. Helaas blijven in deze visie economische productiegroei, industrialisering en handel centraal staan. Het neokeynesianisme is fundamenteel een eurocentrische strategie die vertrekt van niet-veralgemeenbare westerse visies op ‘ontwikkeling’, ‘welvaart’, ‘behoeften’ en ‘het goede leven’. Ondertussen is het evenwel duidelijk geworden dat een verzorgingsstaat die zich spiegelt aan het naoorlogse westerse model en dat tracht uit te breiden op planetair vlak een doodgeboren kind is. Klassieke groeistrategieën om verdelingsproblemen tussen rijk en arm op te lossen zijn achterhaald wegens het beperkte ecologische draagvlak van de aarde. Er is nood aan eigentijdse ontwikkelingsparadigmata, waarbij het concept ‘ontwikkeling’ grondig herbekeken moet worden.
Ecoreformisme
Een meer ‘realistisch’ alternatief voor het doodlopende industrialisme komt vanuit ecoreformistische hoek. Dit perspectief is gericht op het radicaal terugbrengen van de input van natuurlijke grondstoffen per eenheid economische output. Via een efficiëntierevolutie moet de economie gedematerialiseerd worden. De blijde boodschap van deze zienswijze is dat een enorme reductie van het verbruik van energie en grondstoffen kan gerealiseerd worden, zonder dat wij onze ‘welvaart’ zouden moeten verminderen. Dit zogenaamde ‘natuurlijke kapitalisme’ werd gepopulariseerd door het boek Natural Capitalism (1999). Hierin wordt de overgang bepleit van een vervuilend industrialisme naar een postfossiele economie. Een belangrijk aspect van dit postmoderne kapitalisme bestaat erin een evolutie na te streven van een goedereneconomie naar een diensteneconomie. In deze groene economie koopt men rechtstreeks diensten (vervoer, gebruik wasmachine etc.) in plaats van de goederen zelf (auto, wasmachine, etc.). Toch blijft het ons inziens een volstrekte illusie om te geloven dat een ‘natuurlijk kapitalisme’ een duurzame én sociaal-rechtvaardige samenleving op wereldschaal tot stand kan brengen. Sommige groene filosofen gaan een stap verder en erkennen dat de efficiëntierevolutie op zich niet voldoende is. Zo stelt Wolfgang Sachs terecht dat efficiëntie zonder sufficiëntie (de strategie van het ‘genoeg’) haar doel voorbijschiet en al snel in contraproductiviteit vervalt (Sachs, 1998). Efficiëntiewinsten op microniveau worden tenietgedaan wanneer de materiële groei blijft doorgaan (Paredis, 2001): het rebound effect maakt dat volumegroei het effect van technische maatregelen tenietdoet. Via sufficiëntie moet een hogere levenskwaliteit gegarandeerd worden met minder materiële consumptie. In het verlengde van deze groene visies, wijst Marc Heughebaert erop dat er een ontkoppeling nodig en mogelijk is tussen economische groei en milieudruk. Via ‘slimme groei’ zou economische expansie kunnen worden gecombineerd met milieuwinst (Heughebaert, 2001).
Vanuit de milieu-economie propageert men in deze optiek een aantal nieuwe beleidsinstrumenten om de milieucrisis het hoofd te bieden. Over een vergroening van de fiscaliteit kunnen we kort zijn: deze onderschrijven we zonder meer. Nochtans stellen er zich een aantal problemen met andere milieu-economische instrumenten: aangezien het industriële kapitalisme zich een aantal natuurlijke hulpbronnen (water, lucht etc.) toe-eigent als ‘vrije goederen’, redeneren de proponenten van een ‘groen kapitalisme’ dat men aan die schaarse goederen een marktprijs moet toekennen. De stelling luidt dat men op die manier de ecologische schaduwkosten, die tot op heden werden afgewimpeld op de maatschappij, kan internaliseren in de prijs van het product. Door de natuur te beschouwen als kapitaal, zou men de markt ecologisch kunnen corrigeren. Verlichte ondernemers en beleidsbepalers schuiven de commodificatie van de natuur naar voren als het politieke antwoord op de ecologische verkommering, die wordt beschouwd als een obstakel voor toekomstige kapitaalsaccumulatie. Ook de nu in opgang zijnde verhandelbare vervuilingsrechten (zoals emissierechten voor broeikasgassen in het Kyoto-protocol) passen perfect in dit plaatje. Dit plaatst ons voor een paradoxale situatie: datgene wat menig ecologist aanschouwt als een belangrijke oorzaak van het milieuprobleem (het vrijemarktprincipe), wordt door ecologisch-verlichte ondernemers en groene hervormers voorgesteld als een eventuele oplossing voor de crisis. Men tracht de natuur alzo in het keurslijf van het economisme te persen. De complexiteit van natuurlijke ecosystemen, die in de realiteit vaak moeilijk voorspelbaar, ‘niet-lineair’ gedrag vertonen, wordt daarbij gereduceerd tot één dimensie: geld wordt de ultieme maateenheid. Men moet daarom onmiddellijk de vraag opwerpen wat dit in het reëel bestaande kapitalisme (waarin Macht en Controle alsnog met de scepter zwaaien) concreet zou betekenen: zal commodificatie van de natuur niet leiden tot sociale onrechtvaardigheid? Zou een logisch gevolg van dit alles er niet in bestaan dat openbare diensten zoals watervoorziening worden geprivatiseerd onder het motto van ‘efficiëntie’? Deze piste kan men bezwaarlijk omschrijven als de door de linkerzijde gewenste tendens naar een grotere gemeenschapscontrole op de levensnoodzakelijke economische sectoren.
Ontegensprekelijk verdienen groene denkers een pluim voor vernieuwende concepten zoals groene fiscaliteit, ecologische onthaasting en sufficiëntie. Laten we eerlijk zijn: de marxistische linkerzijde is aan een belangrijke inhaalbeweging toe op dit vlak. Maar hoe zit het dan met de problematische verhouding tussen kapitalisme en duurzaamheid, of tussen de vrije markt en de democratie? Het valt op hoe menig groen denker er als de kippen bij is om erop te wijzen dat ‘ook bij duurzame ontwikkeling, (markt)competiviteit belangrijk blijft’ (Heughebaert, 2001). Volgens de milieufilosoof Ullrich Melle zijn deze hervormende (eco)strategieën fundamenteel bedrieglijk:
Reformistische voorstellen wekken de indruk alsof de oplossingen eigenlijk voor de hand liggen, dat de sociale en ecologische problemen oplosbaar zijn zonder al te veel van de moderne verworvenheden te moeten prijsgeven. (...) Het reformisme stelt de fundamentele structuren en motieven van het kapitalisme niet in vraag: de loonarbeid, de geldabstractie en het winststreven. Laat zich daarop een menswaardige, vrije en ecologisch duurzame samenleving bouwen? (Melle, 2002)
De (eco)reformistische voorstellen houden ons inziens te weinig rekening met de nadelige effecten van de inherente groei- en expansiedwang van het kapitalisme, zeg maar de openheid van de eindeloze G-W-G’ cyclus, die ook in een ‘groen kapitalisme’ zou blijven bestaan. Het kapitalisme - al dan niet met groene strik er rond - is nog steeds een wereldsysteem dat armoede nodig heeft om rijkdom te produceren, dat voortdurend de productiviteit moet verhogen en nieuwe producten en behoeften moet genereren teneinde de kapitaalsaccumulatie geen stokken in de wielen te steken. Hoe zouden in een neokeynesiaanse of ecoreformistische wereldorde de winstvoeten kunnen worden gegarandeerd wanneer overal ter wereld zowel de kostprijs van arbeid en natuur gradueel zouden toenemen? Is dat niet één van de basislessen van Immanuel Wallersteins ‘wereldsysteemanalyse’ (Wallerstein, 2003)?
Radicaal ecologisme
‘Radicale ecologisten’ betwisten de stelling dat de ecologische crisis op te lossen is binnen het kader van de reëel bestaande politiek-economische instituties. Zij wijzen op de onmogelijkheid om duurzame oplossingen te vinden zolang de winstlogica centraal blijft staan in de maatschappij. Het is de milieucrisis zelf die de Realpolitik van het haalbare uitdaagt: is het haalbare voldoende om mens en natuur te redden?
In de radicale ecologie onderscheidt men vier - vaak overlappende - hoofdstromingen: sociale ecologie, ecofeminisme, diepe ecologie en spirituele ecologie. Het valt buiten het bestek van deze bijdrage om een exhaustief overzicht te bieden van deze tendensen: daarvoor verwijzen we naar het boek Voeten in de aarde (1996) waarin deze stromingen gewikt en gewogen worden. Wij beperken ons hier tot de sociale ecologie en het ecofeminisme, aangezien die het best te verzoenen zijn met meta-kapitalistische visies en praktijken. Dit neemt niet weg dat ook er in de spirituele en de diepe ecologie tal van elementen voorhanden zijn die kunnen bijdragen aan meta-kapitalistische perspectieven. Figuren zoals de spirituele activiste Starhawk, de Noorse filosoof Arne Naess en de Duitser Rudolf Bahro zijn daar het beste bewijs van. In deze stromingen treft men vaak ook een psychologisch luik aan - wellicht belangrijker dan ooit - in de beschrijving van de milieuproblematiek en de geformuleerde uitwegen.
De sociale ecologie bekijkt de milieucrisis hoofdzakelijk vanuit maatschappelijke factoren. Binnen deze stroming onderscheidt men vooreerst de anarchiserende social ecology met als peetvader Murray Bookchin. In tegenstelling tot Marx, die het kapitalisme als een noodzakelijke fase beschouwde in de genesis van het socialisme, incarneert het kapitalisme voor Bookchin het kwade. Een ander belangrijk onderscheid ten opzichte van Marx, is dat voor Bookchin de idee van de overheersing van de natuur pas in het kielzog van de ontwikkeling van sociale hierarchieën ontstond. Bookchins concept ‘sociale hiërarchie’ omvat het ‘klassenbegrip’ van Marx, maar is tegelijkertijd ruimer. Vanuit zijn visie op de centraliteit van hiërarchieën in alle kapitalistische en pre-kapitalistische maatschappijvormen, houdt hij een pleidooi voor de opheffing van elke vorm van hiërarchische onderschikking. Kleinschaligheid, aangepaste technologie en directe democratie (libertair municipalisme) worden daarbij naar voren geschoven als mogelijke antwoorden. Opmerkelijk is dat hij in ruime mate blijft vasthouden aan een stevige dosis Verlichtingsrationalisme en zich in niet mis te verstane bewoordingen afzet van neoprimitivistische en ecomystieke stromingen.
Naast het ‘anarchiserende’ social ecology bestaat er eveneens een groeiende beweging van ‘ecosocialisten’. Belangrijke denkers in deze traditie zijn Otto Ullrich, Barry Commoner en Ivan Illich. Daarnaast is er sprake van een groep ‘groene marxisten’ zoals Ted Benton, Joel Kovel en James O’Connor die verwoede pogingen ondernemen om de marxistische traditie te ontdoen van haar anti-ecologische kantjes. Het ecosocialistisch denken combineert de marxistische kritiek op het kapitalisme maar verwerpt het pro-industriële, productivistische karakter van het socialistische alternatief. Voor Ullrich impliceert dit in eerste instantie dat Marx’ kritiek van de politieke economie moet aangevuld worden met een kritiek van de productiekrachten. Ullrich’s conclusie luidt dat er geen ondergrens is voor de ontwikkeling van de productiekrachten, maar veeleer een bovengrens: de realisatie van een ecosocialistische maatschappij vraagt een breuk met de premissen van industriële ontwikkeling. Daarop voortbouwend ontwikkelde James O’Connor de stelling dat het kapitalisme, naast de klassieke tegenstelling tussen de productiekrachten en de -verhoudingen, een tweede centrale contradictie incorporeert. Daarmee refereert hij aan de tegenstelling tussen de productiekrachten (en -verhoudingen) én de natuurlijke productievoorwaarden. Interessant aan de analyse van Illich en Ullrich is dat zij een origineel pleidooi houden voor een drievoudige politieke dimensionering: links, ‘ecologisch zacht’ en autonome subsistentie. Met de term ‘ecologisch zacht’ verwijzen ze naar de noodzaak van foutvriendelijke technologieën zoals zonne-energie, natuurstoffenchemie, ecologische landbouw en fietscultuur. De derde dimensie beschrijft de tegenstellingen op het vlak van de levensvorm: tegenover de hedonistische homo economicus, die een warenintensieve levenswijze nastreeft, tracht de homo vernacularis zijn bekwaamheid tot subsistentie te herwinnen. Daar waar de homo economicus wil hebben, prefereert de homo vernacularis het zijn. Materiële genoegzaamheid, autonome zelfverzorging, en nabije overzichtelijke economieën staan daarbij centraal. De grote uitdaging bestaat erin aan te tonen dat een hogere kwaliteit van het leven mogelijk is met minder materiële welvaart, ook al hoeven we daarin niet naïef te zijn. We zijn ons terdege bewust van de benevelende invloed die uitgaat van de sirenenzang van het consumentisme.
Gelijkaardige opvattingen treft men eveneens aan bij tal van ecofeministen zoals de Indische Vandana Shiva en de Duitse Maria Mies. Zij beschouwen het patriarchaat als de gemeenschappelijke wortel van de vernietiging van de natuur en de onderdrukking van de vrouw, vooral dan in het Zuiden. Kenmerkend voor het patriarchale model is de constructie van dualismen (man/vrouw, natuur/cultuur) waarvan de polen hiërarchisch in plaats van complementair zijn. Shiva en Mies wijzen op het maatschappelijke overwicht van de reguliere economische productie ten opzichte van de reproductie en de zorgarbeid, in het zuidelijk halfrond veelal nog het exclusieve domein van vrouwen. Tegenover het neoliberale winst- en exportgerichte economische systeem, promoten Shiva en Mies, net zoals Ullrich, het subsistentieperspectief. Dit behelst een omschakeling van een geglobaliseerde wereldeconomie naar een gelokaliseerde alledaagse overlevingsproductie, die gericht is op bevrediging van de basisbehoeften door zelfvoorziening en regionale vermarkting. De samenleving opteert daarbij voor samenwerking in plaats van concurrentie, evenals voor kleinschaligheid en overzichtelijke structuren waarin meer participatie wordt nagestreefd op het vlak van politiek, technologie en kennis. Het subsistentiemodel moet vooral begrepen worden vanuit de context van arme boerengemeenschappen in het Zuiden die in een groei- en exportgerichte wereldeconomie vaak tot precariteit veroordeeld zijn.
NAAR METAKAPITALISTISCHE STEADY-STATE ECONOMIEËN
Een vaak aangevoerde kritiek op het ecofeminisme luidt dat deze stroming een té éénzijdig negatief bilan opmaakt van de moderniteit. Wij zijn alvast de mening toegedaan dat we het kind niet met het badwater mogen weggooien. Het Verlichtingsproject moet hersticht worden op een ecologische, minder antropocentrische basis. Daarom hebben we nood aan nieuwe ontwikkelingsparadigma’s, aan een ecologisch humanisme. Ontwikkeling en ontplooiing moeten we zien in samenhang met, en niet ten koste van de natuur: uiteindelijk zijn we zelf een onderdeel van de natuur. Deze nieuwe projecten moeten het beste trachten te combineren van de Verlichting (waarden zoals gelijkheid, gemeenschap, rechten, solidariteit, institutionele en macropolitieke strijd) met nieuwe inzichten die ons worden aangereikt door de postmoderne sociale theorie (de ethiek van het verschil, contingentie, pluraliteit en micropolitieke strijd) evenals holistische wetenschappen zoals de ecologie en de chaostheorie. De Braziliaanse bevrijdingstheoloog Leonardo Boff spreekt over een kosmopolitische identiteit die het beste tegengif biedt voor parochiale vormen van nationalisme, gefragmenteerde vormen van postmoderne identiteitspolitiek, arrogante vormen van humanisme, egoïsme en narcisme.
Het kapitalistische consumptie- en groeigerichte ontwikkelingsmodel is perspectiefloos. Dit model houdt de belofte in zich de schaarste definitief te overwinnen en een overvloedsmaatschappij te creëren, maar produceert, op de keper beschouwd, zelf schaarste door de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen en het vervuilingsprobleem. Wat de neoliberale apologeten ook mogen beweren, de aarde is eindig. De vermeende poging om een niet-veralgemeenbare levenswijze naar de hele wereld te exporteren, vormt ons inziens dan ook dé Achilleshiel van het neoliberale vertoog.
Een duurzame wereldeconomie moet vertrekken van de ecologische werkelijkheid. Veeleer dan schier eindeloze productiegroei na te streven, moeten we ijveren voor steady-state economieën die ingebed zijn in de lokale culturele en ecologische contexten. Met deze term verwijst men naar stationaire economieën die functioneren met een beperkte input aan natuurlijke grondstoffen, mineralen en energievormen. Vanuit technologisch oogpunt, moet een dergelijke economie aan enkele basisregels voldoen. De onttrekking van energie- en materiaalvormen uit de ecosfeer mag niet sneller geschieden dan de productiesnelheid van deze energie- en materiaalvormen. Als hieraan niet voldaan is, dreigen de toekomstige generaties minder mogelijkheden te hebben dan de huidige. Hoe eco-efficiënter de toegepaste technologie, hoe meer men met een beperkte hoeveelheid grondstoffen een maximum aan maatschappelijke noden kan tegemoet komen. De tweede hoofdwet van de thermodynamica (zie kader) legt echter wel een fysische limiet op aan deze efficiëntie. Indien de emissies (bv. broeikasgassen, niet-afbreekbare substanties, radioactieve stoffen) een nadelige impact hebben op de regeneratiecapaciteit van de ecosfeer, dan kan de productietechnologie de mogelijkheden van de toekomstige generaties in gevaar brengen (Dewulf & Van Langenhove, 2002).
KADER 3 - Tweede hoofdwet van de thermodynamica De tweede hoofdwet van de thermodynamica - de tak van de fysica die onder andere de studie van energieomzettingsprocessen behelst - stelt dat alle gesloten systemen naar maximale wanorde of entropie tenderen. Reële processen vinden slechts plaats als er entropie wordt geproduceerd. Gegeven bepaalde omgevingsvoorwaarden kan slechts een beperkt deel van de energie van een bepaald systeem in nuttige arbeid worden omgezet. De tweede hoofdwet van de thermodynamica legt een natuurlijke limiet op aan de maximaal bereikbare efficiëntie van een industrieel omzettingsproces. Deze wet introduceert de notie ‘irreversibele tijd’: alles laat zijn sporen na, er bestaat een arrow of time. Indien men het universum als een gesloten systeem kan beschouwen, dan incorporeert de tweede hoofdwet dat op termijn het heelal een thermische dood zal sterven. En toch is niet alles kommer en kwel wat het entropieverhaal betreft. De pessimistische gevolgtrekkingen zijn immers slechts geldig voor gesloten systemen. In open systemen (zoals de aarde) is er sprake van de dialectiek van de entropie. Orde kan uit chaos ontstaan; systemen kunnen zelf-organiserende eigenschappen aannemen. Levende organismen zijn overigens uitstekende voorbeelden van systemen die een prachtige vorm van orde aannemen (het tegengestelde van entropie: ‘negentropie’), hoewel hun overleving ten koste gaat van de verhoging van de wanorde in hun omgeving (vervuiling). Netto moet immers de totale entropie toenemen, conform de tweede hoofdwet.
In deze context houdt Walden Bello een pleidooi voor ‘economische deglobalisering’, waarmee hij in de voetsporen van Shiva’s ‘lokalisering’ treedt maar haar tegelijkertijd ook overstijgt. Bello’s deglobaliseringsmodel suggereert de heroriëntatie van de economieën van het Zuiden van een exportgerichte groei in functie van de wereldwijde supermarkt naar productie voor de lokale markten, waarbij gesloten materiële kringlopen de grootste garantie op duurzaamheid leveren. De kapitalistische winstsector moet hierbij langzaamaan teruggedrongen worden, zodat de lokale gemeenschappen hun autonomie kunnen herwinnen. Bij dit alles gaat er een bijzondere aandacht uit naar het ecologische evenwicht en een radicale herverdeling van het land. Hierbij wordt een stelsel van ‘economische subsidiariteit’ vooropgesteld: regio’s of gemeenschappen produceren die goederen die ze nodig achten bij voorkeur op hun eigen interne markt (vooral het geval voor voedingsmiddelen) op voorwaarde dat ze die kunnen produceren zonder al te exuberante kosten. In het andere geval is import op zijn plaats. De wereldeconomie moet zich daarbij ontwikkelen in een pluraliteit van ruimten (lokaal, nationaal, continentaal, mondiaal) die slechts gedeeltelijk met elkaar verbonden zijn. In plaats van te fungeren als een doel op zich, moet (internationale) handel opnieuw een middel zijn. Irrationele handelsstromen (cfr. bulkgrondstoffen, primaire landbouwproducten) moeten vermeden worden. Een modal shift dringt zich op: vanuit milieuoogpunt moet transport zo veel mogelijk geschieden via scheepvaart en binnenvaart, veeleer dan via internationaal vliegverkeer en langeafstandswegverkeer. Gelijkaardige pistes worden eveneens voorgesteld door een aantal Europese theoretici zoals de al eerder vernoemde Wolfgang Sachs (‘kosmopolitisch lokalisme’: Sachs, 1999).
Het spreekt voor zich dat (economische) deglobalisering niet blind kan blijven voor de internationale context. We moeten ijveren voor de versterking van de invloed van de civiele samenleving en van de democratie op alle niveaus (multi-level strategie). De bemachtiging van lokale gemeenschappen veronderstelt vandaag bepaalde vormen van mondiale regulering. Democratische regels voor het globale en het continentale niveau enerzijds, en het nationale of regionale niveau kunnen elkaar versterken. Dergelijke regels zouden net het spiegelbeeld moeten zijn van de huidige imperiale WTO-regelgeving. Alleen dan zou internationale handel ten goede kunnen komen van de bevolkingen in het Zuiden. Deglobalisering is zeker geen afgelijnd, hapklaar of monolithisch alternatief. Bij sommigen is het een openlijk meta-kapitalistisch perspectief, bij anderen dan weer wordt het gecombineerd met vormen van ecoreformisme en het gedogen van een beperkte vrijemarktsector. Belangrijk is evenwel dat dit concept ons opnieuw doet nadenken over hoe de wereldeconomie op een sociaal en ecologisch duurzame wijze kan georganiseerd worden. Het betreft een vorm van andersglobalisering van onderop waarbij de antwoorden en alternatieven doorheen de zoektocht en participatie van de gemeenschappen zelf tot stand moeten komen. Bestaat er een andere methode?
DANKWOORD
Bij deze wensen we onze dank te betuigen aan Jenny Walry, Herman Michiel, Adrien Verlee, Johny Lenaerts, Roger Jacobs, Jef Peeters, Jo De Leeuw, Gaby Maissin, Elke Heirbaut, Mathias Bienstman, Bart Martens, Gunther Lippens, Jan Dumolyn, Bambi Ceuppens en Bart Naessens voor hun opmerkingen, kritieken, aanmerkingen, voorstellen die werden geventileerd naar aanleiding van (delen van) deze tekst.
Geselecteerde bibliografie
BELLO, W., The Future in Balance: Essays on Globalization and Resistance, Oakland, 2001.
BENTON, T. (ed.), The Greening of Marxism, New York/Londen, 1996.
BEST, S., KELLNER, D., The Postmodern Adventure, Londen, 2001.
BOOKCHIN, M., The Ecology of Freedom, Montreal, 1991.
ECKERSLEY, R., Environmentalism and Political Theory: Towards and ecocentric approach, Londen, 1992.
HAWKEN, P., LOVINS, A., HUNTER, L., Natural Capitalism, New York/Londen, 1999.
ILLICH, I., Tools for Conviviality, Londen, 1973.
JANSSENS, F., MELLE, U. (ed.), Voeten in de Aarde, Antwerpen, 1996.
MIES, M., SHIVA, V., Ecofeminism, Londen, 1993.
ULLRICH, O., Technik und Herrschaft, Frankfurt, 1977.
