We kunnen de dertiende verjaardag van de opstand van de Zapatisten in Chiapas hier niet onopgemerkt laten voorbijgaan. Muriëlle Coppin, die ook meereisde met de Ander Campagne van "Delegado Zero", alias subcomandante Marcos, was erbij en stuurde MO* haar verslag van het gebeuren. We nemen de tekst hier over.
Volgens de Waarheidscommissie van de Verenigde Naties verdwenen er in de periode van de vuile oorlog in Guatemala naar schatting vijftigduizend personen. Recent onderzoek doet vermoeden dat het werkelijke aantal slachtoffers wel eens twee- of driemaal zo hoog zou kunnen zijn. Mario Coolen vertelt waarom de naam van zijn verdwenen vriend Macabeo Aguilar niet in de officiële statistieken werd opgenomen. Dit essay verscheen in Streven, december 2006.
Opiniestuk verschenen in De Morgen van 29/11/2006.
In dit artikel willen we naar aanleiding van ons bezoek aan Libanon van 11 tot 27 september 2006 enkele conclusies trekken over de aanval van Israël op Libanon en de nasleep ervan. Dit artikel gaat voortal over de verzetsbeweging en politieke partij Hezbollah.
Eerst een enkele opmerking vooraf.
We willen een weg vinden tussen de stelling ‘de vijand van onze vijand is onze vriend’, met andere woorden alle steun aan Hezbollah, en de stelling dat Hezbollah een terroristische (...)
Dit artikel werd overgenomen van onze Nederlandse collega’s van www.globalinfo.nl.
Dit essay verscheen in de kunstkrant De Witte Raaf, (123), september 2006. Zie ook http://www.dewitteraaf.be/web/flash/default.asp.
Met films, inburgeringstests en allerlei ceremonieën wil men de integratie van migranten afdwingen. Of dat werkt, mag betwijfeld worden.
Het is inmiddels 5 jaar geleden dat op 11 september al Qaeda toesloeg in de VS. Als gevolg daarvan nam de Bush-regering met name gesteund door de neo-conservatieven haar kans waar om haar agenda door te drukken. Een agenda die bestond uit een hervorming van het Midden-Oosten. Deze hervorming bestond onder andere uit een ‘regime change’ van landen als Afghanistan, Irak en Iran en de volledige steun aan Israël in haar conflict met de Palestijnen. Wat is er na 5 jaar van terecht gekomen?
Om (...)
Opiniestuk verschenen in De Morgen van 28/6/2006.
Een opiniestuk van Eric Corijn naar aanleiding van de ongebalanceerde berichtgeving over de Zinnekeparade van afgelopen zaterdag (13/5/2006) en het VB-congres de dag daarop.
De spektakelmaatschappij opnieuw uitgegeven
zondag 3 februari 2008, door Johny Lenaerts
Dergelijke ontboezemingen ontlokken bij de situationisten het laconieke commentaar: ‘Raymond Borde heeft het, naar eigen zeggen, opgegeven om te verwerven wat hij op 16-jarige leeftijd wilde. Daarom wenst hij dat de film het hem toont. En door het formuleren van deze eis staat hij bekend als een vrije geest, als een vooruitstrevend cineast, als een specialist van het erotisme in de film. Het is die jeugdige verzaking die van hem een specialist gemaakt heeft.’
Het spektakel, zo vervolgen de situationisten, heeft niet tot taak een beeld te geven dat volkomen tegengesteld is aan het reële bestaan, dat afgeremd en uitgebuit wordt. Het spektakel dekt juist deze belemmering en uitbuiting toe, en houdt hen in stand. Om te besluiten: ‘Wanneer de dieperliggende censuur in de maatschappij en in de hoofden van de toeschouwers ineenstuikt, dan zal niemand nog interesse vertonen voor een erotiek die beperkt blijft tot de cinema’ (I.S. nr 10, 1966).
Of, om het met andere woorden uit te drukken: ‘Sla in die ruit! Neem mee die buit!’
Dit is in een notendop de kernidee van Guy Debord’s briljante boek De spektakelmaatschappij, waarvan zopas een nieuwe Nederlandstalige editie verscheen.
Guy Debord was één van de gangmakers achter de Situationistische Internationale. Dit was een samenwerkingsverband van maatschappijcritici, aanvankelijk ook van kunstenaars, dat de radicale omvorming van het dagelijkse leven beoogde. Zij bestond van 1957 tot 1972, en bracht een Franstalig blad uit. Anders dan haar naam laat vermoeden is de Situationistische Internationale nooit een grote groepering geweest. Zij telde nooit meer dan 25 à 30 leden tezelfdertijd, en wilde heel bewust klein blijven. Als haar gevraagd werd hoeveel leden zij telde, dan antwoordde zij: ‘Wij beschikken over wat meer mensen dan de oorspronkelijke kern van de guerilla in de Sierra Maestra, maar we hebben minder wapens. Wij zijn iets minder in aantal dan de afgevaardigden die in 1864 in Londen aanwezig waren om de Internationale Arbeiders-Associatie op te richten, maar we hebben wel een coherenter programma.’
De situationisten wisten steeds ernst en parodie aan elkaar te koppelen. Zij baseerden zich niet enkel op de radicale stromingen uit de arbeidersbeweging (anarchisme, radencommunisme), maar ook op het radicalisme van de moderne kunst. Op de vraag ‘Zijn jullie marxisten?’, antwoordden zij: ‘Net zoals Marx er een was, die zei: “Ik ben geen marxist”.’ Waarom situationistisch? ‘Aangezien de mens het product is van situaties die hij meemaakt, is het nu van belang menselijke situaties te scheppen. Aangezien het individu bepaald wordt door zijn situatie, wil het in staat zijn situaties te scheppen die met zijn verlangen stroken. In dit perspectief moeten poëzie (communicatie als resultaat van een situationele taal), beheersing van de natuur en volledige maatschappelijke emancipatie in elkaar opgaan en zichzelf verwerkelijken’ (I.S. nr 9, 1964).
De situationisten wilden ‘situaties construeren’ waarin momenten van het leven creatief beleefd en gespeeld konden worden. Het uiteindelijke doel was een leven dat één on-onderbroken aaneenschakeling van dergelijke momenten zou zijn.
De Situationistische Internationale was ontstaan vanuit een radicale kritiek op de stadsvernieuwing zoals die nà de Tweede Wereldoorlog doorgevoerd werd. Zij zette zich vooral af tegen de architectuur van Le Corbusier, die op de steun van de overheid kon rekenen. Hem werd verweten de traditionele steden tot ruïnes om te vormen en woonkazernes - ‘machines à habiter’ - in de plaats te stellen, naar het model van de gevangenis. In de reusachtige nieuwbouwwijken die in de voorsteden van de industriecentra opgetrokken werden, zagen de situationisten hoe zijn programma vaste vorm aannam: ‘het leven wordt definitief opgedeeld in afgesloten eilandjes, in bewaakte maatschappijen; het einde van de kansen op opstand en ontmoetingen; de automatische gedweeheid’. ‘De scheiding is de alfa en de omega van het spektakel,’ zo zou Debord in De spektakelmaatschappij schrijven. En tegenwoordig kan men vaststellen hoe de oude, vanzelfsprekende communicatiekanalen van buurt, familie, vrienden en verenigingen zijn verschraald, of zelfs zijn verdwenen. Wat in de plaats komt, zoals bijvoorbeeld de communicatiemogelijkheden die het internet biedt, is een flauwe afspiegeling van die vroegere vormen van verbondenheid.
De moderne stad, waarin elk gemeenschapsleven onmogelijk gemaakt werd, is ontdaan van het ludieke en van elke poëzie. Het is tot een spektakel verworden: het centrum is één groot uitstalraam, de woonwijken liggen er verkommerd bij. De huidige, vernieuwde stad verschijnt als een schouwspel dat de onmogelijkheid tot participatie moet compenseren. De moderne stedenbouw maakt ontmoetingen onmogelijk. Vandaar dat de situationisten pleitten voor de integrale constructie van de leefomgeving, zij wilden ‘een andere stad voor een ander leven’.
De situationisten zijn er getuige van hoe een op produceren afgestemde economie afgelost wordt door een consumptiemaatschappij. Leek voor sommigen de toename van de vrije tijd naar het rijk der vrijheid te wijzen, dan menen de situationisten een ‘kolonisering van het dagelijkse leven’ te ontwaren: de uitbuiting van de dagelijkse creativiteit wordt ingekapseld in de uitbuiting van de arbeidskracht.
De situationisten schrikken er niet voor terug te spreken van een ‘nieuwe armoede’: in de arbeid is elke handeling van zin ontdaan, in de vrije tijd worden de individuen gereduceerd tot passieve consumptieslaven. Deze maatschappij atomiseert de mensen tot geïsoleerde consumenten, die niet meer in staat zijn tot creativiteit, zelfs niet meer tot de meest elementaire communicatie. De mensen leiden een passief bestaan, opgesloten binnen het kader van het gezin. Hun leven wordt verlaagd tot de zuivere banaliteit van de herhaling, gecombineerd met de verplichte absoptie van een spektakel dat eveneens herhaling is. De maatschappij van de consumptie en van de vrije tijd wordt beleefd als een maatschappij van de lege tijd, als consumptie van leegte.
In het begin van de jaren zestig zien de situationisten iets veranderen bij de jongeren. De kranten schrijven verontwaardigd over de blousons noirs, de vetkuiven of nozems, die het bewijs leveren dat niet iedereen kan geïntegreerd worden in het model van het gestandaardiseerde leven van de consumptiemaatschappij. De situationisten stellen vast dat de maatschappij er niet langer in slaagt de jongeren te omkaderen, en daarom nemen zij de ‘onvoorwaardelijke steun’ op zich van deze jongerenbendes, van al hun gewelddadige en gratuite acties in de meest ontzielde wijken van de grootstedelijke nieuwbouwcomplexen.
De Situationistische Internationale wil de concepten ‘nieuwe armoede’ en ‘proletariaat’ opnieuw definiëren vertrekkende vanuit de toestand van toenemende vervreemding, van zijn verbreiding buiten de productiesfeer: doorheen de consumptie strekt de vervreemding zich uit over heel het menselijk bestaan. De situationisten stellen vast dat de grotere mogelijkheden om steeds meer goederen te kopen, dankzij de economische groei, geleid heeft naar een toenemende vervlakking van de sociale verschillen. De ‘levenskwaliteit’ wordt zodanig genivelleerd dat de toenemende koopkracht - de kracht om lege goederen te kopen - niet langer meer de bron van rijkdom vormt, maar wel van een relatieve (geestelijke) armoede.
De paradoxale toestand van steeds rijker te worden aan arme dingen wordt door de situationisten gedefinieerd als het moment van de veralgemeende vervreemding. Het begrip ‘proletariër’ vatten zij niet langer op in de klassieke betekenis (als iemand die onteigend werd van zijn productiemiddelen), maar wordt gedefinieerd als de toestand van elk individu dat niet (langer meer) beschikt over de controle van zijn eigen leven.
In 1962 schreven de situationisten: ‘Sommigen twijfelen aan een nieuwe start van de revolutie, en herhalen dat het proletariaat verdwijnt of dat de werkers tegenwoordig tevreden zijn, enz. Dit wil één van deze twee dingen zeggen: ofwel geven ze toe dat ze zelf tevreden zijn; en dan bestrijden wij hen zonder onderscheid. Ofwel plaatsen zij zichzelf in een categorie apart van de werkers (bijvoorbeeld de kunstenaars); wij zullen deze illusie bestrijden door aan te tonen dat het nieuwe proletariaat ertoe neigt om bijna iedereen te omvatten.’
Indien, sedert deze woorden geschreven werden, het industriële proletariaat ontegensprekelijk in aantal afgenomen is, dan is dit niet zo evident op wereldschaal waar de proletarisatie zich uitbreidt, zowel in de steden als op het platteland. En in de geïndustrialiseerde landen zèlf kan men vaststellen hoe eertijds respectabele beroepen - bedienden, verplegers, leerkrachten, enz. - eveneens een proletarisering ondergaan hebben. Het is dus helemaal niet terecht om van een ‘verburgerlijking’ te spreken. Ook op dit punt snijden de situationistische stellingen nog altijd hout.
De Situationitische Internationale was een curieuze groepering, Debord een merkwaardig figuur. In de loop van de zestiger jaren belichaamde hij een nieuw type militant, iemand die weigert mee te spelen in het spel van de politiek en die de politiek opentrok door er ook de cultuur in onder te brengen. Maar hij was ook een atypische intellectueel die zich buiten de universitaire circuits en buiten de mediawereld hield, en elk compromis met de bestaande maatschappij afwees. Debord stelde zich bewust marginaal op, want dat leek hem de voorwaarde om echt radicaal te kunnen zijn in een maatschappij die zovele vroegere contestanten gecorrumpeerd heeft. Zijn boek De spektakelmaatschappij wordt alom geprezen, maar weinigen kennen zijn inhoud. Meestal ziet men in Debord een theoreticus van de media en van het beeld, terwijl het spektakel waar hij het over heeft de verlenging van de waar betekent of de uitbreiding van de warenverhoudingen tot de voorstellingswereld. Het spektakel is volgens Debord de maatschappelijke verhouding door bemiddeling van beelden. De spektakelmaatschappij is bijgevolg de omgekeerde wereld van het leven. Voor de mensen bestaat er enkel maar een pseudo-gebruik van het leven, van een leven dat meer en meer aangetast wordt door de daling van de gebruikswaarde. Het kapitaal vereist overweldigende activiteiten, maar in werkelijkheid gebeuren de handelingen hypnotisch en hallucinatoir. Er bestaan geen ware ontmoetingen meer; de individuen zijn voor elkaar fictieve gesprekspartners geworden. De spectaculaire communicatie kan enkel maar een pseudo-communicatie zijn, een uitwisseling van dode betekenissen. De spektakelmaatschappij produceert en reproduceert onophoudelijk de scheiding en de splitsing. De vervreemding van de toeschouwer, zo zegt Debord, kan als volgt worden uitgedrukt: hoe meer hij aanschouwt, des te minder leeft hij. ‘Daarom voelt de toeschouwer zich nergens thuis, want het spektakel is overal.’
De Situationistische Internationale beoogt ‘de volledige dekolonisatie van het dagelijks leven; zij beoogt dus niet het zelfbeheer van de bestaande wereld door de massa’s, maar haar ononderbroken omvorming.’ In deze beweging van dekolonisatie zal denkelijk de toeschouwer zich bewust worden van zijn hoedanigheid als toeschouwer, om handelend op te treden. Hij zal de zaak boven het beeld verkiezen, het origineel boven de copie, de werkelijkheid boven de voorstelling, het wezen boven de schijn. Aan de andere kant van de spiegel is het vermogen tot ontmoeting optimaal gegarandeerd. Het is deze utopie die de kritiek van het spektakel drijft.
De originaliteit van Debord schuilt niet in de vaststelling van de spectacularisering van de wereld, het fenomeen dat het gehele leven zich aandient als een opeenhoping van spektakels. Wat De spektakelmaatschappij onderscheidt van het cultuurpessimisme zoals dat besloten ligt in Adorno’s begrip ‘cultuurindustrie’, is het geloof in de revolutionering van de wereld. (Het begrip ‘geïntegreerd spektakel’ staat niet in De spektakelmaatschappij.) Laten Adorno & co geen enkele ruimte voor hoop op emancipatie en vooruitgang, dan gokt Debord op het proletarische project van de klassenloze maatschappij. Debord hield er rekening mee dat het kritische begrip spektakel op een dag zou gevulgariseerd worden tot een holle sociologische formule. ‘Voor de daadwerkelijke vernietiging van de spektakelmaatschappij zijn mensen nodig die een praktische kracht in beweging brengen,’ zo schreef hij. ‘De kritische theorie van het spektakel wordt pas waar door zich te verenigen met de praktische stroming van de negatie in de maatschappij...’ En is zich dàt momenteel niet aan het voltrekken in de zgn. andersglobaliseringsbeweging?
Guy Debord, De spektakelmaatschappij, Uitgeverij de Dolle Hond, Amsterdam, 2008. (dollehon@dds.nl)
Dit artikel verscheen eerder in ‘De Nar’, nr 171, maart 2002.
