Het afkopen van CO2-uitstoot via zogenaamde offsetting krijgt alsmaar meer kritiek. Johan Malcorps maakte een kritische analyse van deze ’ecologische aflaten’.
Van 8 tot 22 februari zijn we met D4net vanuit Nederland voor de tweede keer in Libanon geweest. We wilden onze contacten van de eerste reis in september 2006 opnieuw spreken en ook nieuwe mensen ontmoeten.
Na de succesfilm An Inconvenient Truth veroorzaakt de docufilm Our Daily Bread voor opschudding. Waar Al Gore de klimaatwijzing bevattelijk probeert te presenteren, geeft de Oostenrijker Nikolaus Geyrhalter ons een kijk op de interne keuken van onze voedselproductie. Meer nog dan door hun gemeenschappelijk effect - maatschappelijke opschudding - zijn de films aan elkaar gelinkt door een gemeenschappelijk thema, met name de klimaatopwarming als gevolg van onze productie- en consumptiepatronen.
Voert men geen ernstig klimaatbeleid, dan overschrijdt men wellicht het point of no return: de situatie waarin de opwarming zichzelf versterkt. Dat is de stelling die Peter Tom Jones en Els Keytsman in een opiniestuk in De Morgen van 1/2/2007 verdedigen.
Dit artikel verscheen eerder in VMT, jaargang 40, nr. 4.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd op het webzine Uitpers (januari 2007). Zie ook www.uitpers.be.
Dit artikel (Nederlandstalige versie) van de belangrijke ’deglobalist’ Walden Bello verscheen eerder op globalinfo.nl.
Schets van de actuele situatie van de Palestijnse kwestie.
Dit opiniestuk verscheen eerder op de website van VODO (zie www.vodo.be)
Afscheidsrede Eric Goeman naar aanleiding van de crematieplechtigheid in Lochristi op 11 januari 2007 van Eric Gryjp.
dinsdag 7 april 2009, door Johny Lenaerts
De Duitse schrijver Alfred Döblin (1878-1957) werd wereldvermaard met zijn boek ‘Berlin Alexanderplatz’ (1929), door Rainer Werner Fassbinder verfilmd tot een 14-delige televisieserie. Gevlucht voor de nazi’s naar Parijs, schreef Döblin de roman ‘Pardon wird nicht gegeben’, die in 1935 in Amsterdam zou verschijnen. Naast een aantal autobiografische elementen heeft het boek als thema: het sedert het begin van de industrialisering gepleegde verraad van de Duitse burgerij aan de eens door haar gehuldigde vrijheidsidealen. Dit wordt duidelijk in de hoofdfiguur Karl. Pas in het aanschijn van de dood vindt hij de - in zijn leven onderdrukte - socialistische idee terug. Hierdoor zet hij, weliswaar te laat om nog praktisch werkzaam te kunnen zijn, precies die stap naar de kant van de arbeiders, die Döblin in 1931 de intellectuelen aangeraden had in zijn essay ‘Wissen und Verändern’. ‘Pardon wird nicht gegeben’ is een sleutelroman om Döblins politiek standpunt tegenover de overwinning van het nazisme te kunnen verstaan. Met het uitbarsten van de grootste economische crisis sinds de jaren dertig loont het de moeite de roman terug onder de aandacht te brengen. Getuige de volgende uittreksels uit het hoofdstuk ‘Harde tijden’.
Er braken harde tijden aan. (…) Van ver weg kwamen slechte berichten – ja, weids is de wereld, maar is ze werkelijk nog zo weids? – over faillissementen en bankbreuken, maar wie heeft daar per slot van rekening een boodschap aan, een paar blessures zo hier en daar kunnen geen kwaad. Van nu af aan doken er allerlei vreemde namen in de kranten op en die verdwenen niet meer, een ergerlijke vlek.
Je hoorde over aandelenkoersen en hun catastrofale dalingen, deze en gene had miljoenen verloren, er was ergens een geweldige zwendel aan het licht gekomen, waarbij ongelooflijke bedragen ter sprake kwamen, zodat de eenvoudige loon- en salarisontvanger de haren te berge rezen. Er werden stemmen gehoord die beweerden dat deze zaken met een verachtelijk speculantendom samenhingen, het hele beurswezen zou besmet zijn, en dan was het nog maar een kleine stap naar de simpele gevolgtrekking, waar de arme loon- en salarisontvanger altijd al zeker van was: de beurs zelf is een besmettelijke ziekte. Aanvankelijk konden ze zich er nog mee troosten dat de getroffen landen geografisch ver verwijderd lagen, de kleine man had het idee dat je de telefoonverbindingen eenvoudigweg kon verbreken, er een soort quarantainegordel omheen optrekken. Verder dacht men er niet meer aan. Want iedere blik vanuit het raam op de straat toonde dat alles als vroeger was, het werd voorjaar, het werd zomer, wie geld had, ging op reis, wie niet, bleef thuis, velen wisten helemaal niets van het verschrikkelijke, verre malheur, eigenlijk was dat ook het beste. Het was welbeschouwd het verstandigste om de krant op te zeggen, geen kranten meer te lezen, zich niet zenuwachtig te laten maken! (…)
Toen klonk er plotseling een weliswaar zachte, maar toch zeer doordringende jammerklacht, te vergelijken met kattegejank, uit industrie- en handelskringen op. Ze moesten geld terugbetalen. Op zich was dat niets bijzonders en zou het grote publiek, dat vreedzaam op zijn moordzaken en vliegtuigongelukken teerde, niet hebben opgewonden. Maar het waren zo ontzettend veel bedrijven en zulke grote, en die konden geen van alle betalen! Het waren zulke machtige firma’s, wier namen door hun waanzinnige groei in de laatste tien jaar beroemd waren geworden, hun aandelenkapitalen groeiden bijna maandelijks met een nul, je kon spreken van namen die met een luisterrijke glans omgeven waren. Zij konden schulden niet afbetalen die – ze op zich genomen hadden! (…) Toch waren er handelslieden en industriëlen die het over de ware handelsmoraal hadden en geld terugbetaalden, dat was een edelmoedige daad waar ze dan ook binnen de korste keren aan te gronde gingen. (…) De bouwactiviteit op het land en in de grote stad, dat plezierige uitbreiden, nam af. (…) Omdat de bouwactiviteit afnam, treurden met de metselaars ook de timmerlieden, die de balken bewerken en bijl en duimstok hanteren, treurden de glaszetters, de slotenmakers, de loodgieters, de schilders, de stoffeerders, de kachelsmeden en met hen hun vrouwen en kinderen, de familieleden die ze onderhielden, hun moeders, grootouders. En ook zij gingen bezuinigen en lieten de bakker, de slager, kleer- en schoenmaker minder verdienen. Daarentegen hielden ze zich vaker in kroegen op, waren thuis humeurig, mishandelden vrouw en kinderen. Ook kregen de steenbakkerijen op het land en in de voorsteden minder stenen te bakken en konden arbeiders naar huis sturen. Dit was het druppelende begin van de crisis. Het ging met horten en stoten verder. Toch was het mogelijk dat er op het land en in de grote stad nog altijd miljoenen mensen leefden die niets doorhadden en hoofdschuddend zeiden dat we niet moesten overdrijven, er zijn toch altijd goede en slechte tijden, en dit was nu toevallig een slechte tijd, daar was toch niets bijzonders aan, het zou wel weer voorbijgaan, het was best uit te houden, door hen in ieder geval wel. Wie naar hen luisterde, moest hun gelijk geven. (…)
Het grote publiek begon na te denken. Het loopt nooit goed af als het grote publiek denkt. Het grijpt ook alleen in het uiterste geval naar dit machtsmiddel. Men dacht na over de tegenspoed die met rasse schreden naderde. (…)
Er werden instuituten gebouwd (dat bouwen was uitstekend), die zich op het onderzoek naar de wetenschappelijke verbanden moesten richten, een soort maatschappelijke weerkunde en het bleek, dat de nieuwe wetenschap niet voor de oude astrologie en meteorologie onderdeed. In het bezit van grote bibliotheken en een gedurige stroom nieuwe informatie, waaronder zich ook waar gebeurd nieuws bevond, begonnen de professoren aan de instituten met hun talloze medewerkers grafieken te ontwerpen, net als doktoren boeken te schrijven en onstuimig artikelen te publiceren. Hun vlijt liet niets te wensen over, ze toonden aan hoe noodzakelijk ze waren. Zij waren een conjunctuur in de crisis. Zij bewezen en verklaarden heel duidelijk dat het aan de techniek lag, iets wat men eigenlijk al vermoedde, maar nu had men het zwart op wit met rode, groene en blauwe lijnen. Een ding, een onding, een monster dat techniek heette en dat men zo snel mogelijk in bedwang moest zien te krijgen om het het land uit te kunnen werken, had kwaadwillig de industrie te sterk ontwikkeld. Dit geniepig substantief had met behulp van nietsvermoedende ingenieurs de machine vervolmaakt, de productiewijze gemoderniseerd, en tot overmaat van ramp had alles goed, ja schitterend gefunctioneerd, de oogsten waren voortreffelijk uitgevallen, de mijnen hadden verbazingwekkende opbrengsten opgeleverd, wat deze mijnen voor enorme hoeveelheden in hun buik hadden, had niemand voor mogelijk gehouden. En omdat alles nu in groten getale voorradig was, zat er voor graan, koffie, koper, zink, niets anders op dan goedkoper te worden, en omdat ze goedkoper waren geworden, waren ze in prijs gedaald en loonden ze vervolgens de moeite weer niet, want dan leverden ze geen winst meer op, en zo verborg het goede en nuttige geld, verwend als het was, zich in de kelder en mokte, en wat die duizend tienduizend honderdduizend arbeiders die men in dienst had gehad betreft, die werden nu volledig overbodig, en dat is nu precies de oorzaak van de werkeloosheid, daar is niets verbazingwekkends aan, dat is zo klaar als een klontje. Dan is het vanzelfsprekend dat men de bedrijven moet inkrimpen om tot een ordelijke gang van zaken te komen. Merkwaardig, zeiden de arbeiders en personeelsleden na enige tijd, om te moeten verkroppen dat het tot de ordelijke gang van zaken behoort dat wij op straat staan. Hun leiders en leermeesters overal ter wereld, die nog in de bedrijven en kantoren zaten, verklaarden: helaas is het nu eenmaal zo. Ja, er greep verspreid over de hele aardbol een hoogst merkwaardig, onoverzichtelijk gebeuren plaats, de crisis. De hele wereld was ten tijde van de economische bloei van een vrolijke, wilde drukte vervuld, men was als een zegevierende legertroep in een dreunende hal samengekomen, men dronk en feestte, en steeds weer sleepte men goud, buit en slaven naar binnen.
Nu daalde er beklemming, stilte over de wereld neer. Angstig en verbeten nam iedereen die nog kracht had zijn positie in. Men begon zich tegen elkaar te wapenen. In het bouwwerk dat de economische groei had geschapen, ritselde en knisperde het. Er waren wormen aan het werk.
