Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Johny Lenaerts
zaterdag 14 oktober 2000, door Johny Lenaerts
Naast berichten over de media-gekte (Monica Lewinsky - you remember?) en media-manipulatie (Chili, Koerdistan...), probeert het ook een discussie aan te zwengelen over de rol van televisie in de huidige samenleving. Regelmatig worden er dossiers gepubliceerd, recentelijk een heus boek van 192 blz: Contre la téle (‘Tegen de televisie’). Hierin worden 15 verhalen van even zovele auteurs gepubliceerd die, dikwijls op een erg humoristische manier, de vloer aanvegen met de kleine kijkkast die tot in elke woning is weten binnen te dringen.
In het voorwoord benadrukken de samenstellers dat zij in televisie niet de bron van alle kwaad willen zoeken. Anderzijds zijn zij ervan overtuigd dat een radicale kritiek van het kapitalisme ‘niet zonder een analyse van de wapenen van diens controle kan’. Want zij zijn het in dit opzicht eens met Jean Baudrillard: ‘Televisie betekent, door zijn aanwezigheid alleen al, de sociale controle in de huiskamer.’ In de 15 verhalen wordt duidelijk welke verregaande invloed televisie uitoefent, zowel in het leven van de meeste mensen als in de productie van kennis en de overdracht van informatie.
Uit het voorwoord tot de bundel vertaalden we volgend fragment, dat het verschijnsel televisie in een analytisch kader plaatst.
***
Werken, slapen en... televisie kijken! Na de professionele activiteit en de slaap, vormt het kijken naar de beeldbuis de derde belangrijkste bezigheid van de westerlingen. Dat ligt ver voorop bij de huiselijke activiteiten. Gemiddeld brengt men in Frankrijk drie uur per dag door voor de buis, in de V.S. is dat vier uur, in Italië drie uur dertig, enz. De 10 % die het meest TV kijkt, komt aan zeven uur per dag. Afgezien van deze excessen, kan men vaststellen dat deze activiteit - of zouden we niet veeleer moeten zeggen: passiviteit? - de vrije tijd aantast. Deze conditionering begint vanaf prille leeftijd. Een kind van 4 tot 7 jaar brengt meer tijd door voor de televisie dan op school. Voor kinderen van 8 tot 16 jaar - gedurende een periode die van fundamenteel belang is voor de vorming van de persoonlijkheid - vormt het de meest gebezigde vrijetijdsbesteding.
In de loop der jaren is de televisie tot in de meeste huisgezinnen weten door te dringen. In 1970 bezat in Frankrijk 32 % van de huisgezinnen geen TV-toestel; tegenwoordig is dat cijfer gezakt tot 5 %. 22 miljoen gezinnen beschikt over een TV, en meer dan 40 % heeft er twee of meerdere. Geen enkel huishoudapparaat is er zo snel en op zo’n massale schaal in geslaagd om in de huiskamer door te dringen. Overigens kan de aanwezigheid van een TV-toestel niemand meer verrassen; het is daarentegen het ontbreken ervan dat verbazing oproept, en soms zelfs onrust. Het overgrote merendeel van de bevolking stelt zich zelfs niet meer de vraag waarom men in feite een TV-toestel in huis heeft. Het is slechts een zeer kleine minderheid die zich de vraag stelt of het misschien niet beter is er geen te hebben. En deze vraag blijkt soms erg lastig te zijn, vooral als men kinderen heeft: ‘Riskeren we onze kroost niet te marginaliseren als we ons geen TV aanschaffen?’ Deze paradoxale schrik is begrijpelijk. ‘Televisie,’ verklaart psychiater Jean-Louis Camoscio, ‘is een volwaardig wezen geworden, een element dat tot het gezin hoort. Vele mensen hebben een TV in hun kamer staan. ‘s Morgens zet men hem aan voor het licht.’
Deze verovering van de geesten vertaalt zich ook in een bijzondere fysische aanwezigheid. In de meeste huisgezinnen neemt de TV een biezonder statuut in. Hij troont in de belangrijkste kamer, op de beste plek. De inrichting van de living gebeurt in functie van het TV-toestel en niet om een gezellige kring te vormen. Deze kamer, die vroeger de ontmoetingsplaats was en gestructureerd om het contact tussen de individuen mogelijk te maken, werd omgevormd tot projectiezaal. Deze vorm vindt men overal terug waar de televisie is weten door te dringen. Zoals filosoof Jean-Jacques Wunenburger opmerkte: ‘Als belangrijkste kracht van de mondialisering van de zeden roept de televisie een geheel van haast rituele eenvormige attitudes op, wat ook de omgeving of de visuele landschappen mogen zijn: rangschikking van de meubels, het publiek van toeschouwers dat zich richt naar de lichtbron, een dagindeling die bepaald wordt door een spektakel dat over ‘t algemeen op vaste uren geprogrammeerd is, enz.’
Velen draaien de knop van hun toestel om zoals men een waterkraan opendraait, uit gewoonte. Hij is zo goed in het dagelijks leven geïntegreerd dat het feit om hem aan te zetten in de meeste gezinnen niet lijkt voort te vloeien uit een echte beslissing die na een overwogen keuze genomen wordt. Overigens verminderen zelfs de momenten die zich lenen tot discussie: in een enquête verklaarde 62,8 % van de kinderen dat de TV tijdens de maaltijd opstaat. De televisie blijft soms permanent opstaan, men kijkt ernaar zonder echte goesting, uit automatisme.
De programmamakers hebben dit goed begrepen. Om een groeiende plaats in te nemen in het leven van de TV-kijker, stemmen zij hun programma’s af op het ritme van zijn leven. Lucien Sfez, in zijn Dictionnaire critique de la communication (1993), heeft dit fenomeen goed getypeerd: ‘Deze min of meer belangrijke aanwezigheid van het publiek in de woonplaats bepaalt voor de programmamakers de dagindeling. De ochtend en de namiddag van een weekdag zijn het de huisvrouwen, de bejaarden, de zieken, de werklozen. Het middaguur is in Frankrijk meestal de gelegenheid voor een maaltijd in familieverband, dan is het dit publiek dat geviseerd wordt. De avond wordt in drie hoofdbrokken opgedeeld: eerst de vooravond van 17u30 tot 19u30, een piekmoment met de thuiskomst van nieuwe doelgroepen, de kinderen die van school komen en de volwassenen die van hun werk thuiskomen; vervolgens de avond, de beruchte Prime time van 19u30 tot 22u30, de meest bekeken periode; tenslotte het derde deel van de avond met een minder familiaal en meer avontuurlijk publiek.’ Televisiekijken is dus niet zomaar een activiteit tussen vele anderen, waarvoor vrij gekozen wordt, waarop men zich voorbereidt, waaruit men lessen trekt, conclusies, enz. omdat men vertrekt vanuit het postulaat dat er gekeken wordt en dat enkel de aard van het programma de tijd structureert. En deze verdeling legt op zijn beurt zijn voorwaarden op. Voor Liliane Lurçat: ‘De aanwezigheid van de TV in het huisgezin betekent een vorm van geweld die met de situatie samengaat: het intieme ritme van het leven wordt gedicteerd door de machine.’
De plaats die het kleine scherm inneemt - centraliteit, alomtegenwoordigheid, dictaat - heeft dramatische gevolgen.
Televisie isoleert, omsluit, vervreemdt. Hij heeft verregaand bijgedragen aan de beweging van terugtrekking uit het maatschappelijk leven dat sedert het ontstaan van de consumptiemaatschappij tot ontwikkeling gekomen is. Men kan hem evenwel niet als de enige boosdoener van deze versplintering beschouwen. De overwinning van het liberalisme, en haar gevolgen voor de plaats en de rol van het individu in de maatschappij, verklaart eveneens deze terugtrekking op de privé sfeer. De effecten van dit proces hebben de sociale banden losser gemaakt, deze vinden niet meer plaats in het kader van de arbeid, en, met de ontwikkeling van de post-fordistische productie, verdwijnen zij volledig. De meeste individuen sluiten zich op in hun cocon, beschermd tegen de rest van de wereld. Socioloog Daniel Bougnoux stelt het zo: ‘Wij verwachten van de televisie dat hij ons in een staat van permanente relaxatie brengt dat, zonder dat we uit de zetel moeten komen en de verschrikkelijke wereld en de al even verschrikkelijke “anderen” moeten trotseren, ons moet toestaan om apart samen te leven, de wereld in huis te hebben. Deze verglazing van alles wat er kan voorvallen (de TV is op de eerste plaats een ruit) stelt ons in staat het genot van de zintuiglijke prikkeling te kennen, maar dan op een gefilterde en gedempte manier.’ Opgesloten in zijn kleine comfort, gevangen door de beeldbuis, weet de passiviteit zich te nestelen.
De band die de TV-kijker met zijn TV-toestel verbindt is van hypnotische aard. Door dit schemerige kastje te bekijken valt het intellect in slaap, verweekt het, en, in tegenstelling tot wat men gewoonlijk denkt, ontspant het helemaal niet. Hij werkt als een tranquilizer, waar men snel verslaafd aan raakt.
De TV-kijker verliest zijn capaciteit, zijn persoonlijke macht tot reflectie. Als men kijkt naar de definitie van de term vervreemding: ‘het individu verliest de vrije beschikking over zichzelf’ (Petit Robert), dan kan men terecht stellen dat de televisie vervreemdt. Door zijn werking wordt het individu systematisch van zijn denken verwijderd. De onophoudelijke vloed van beelden onderbreekt en verhindert de communicatie en de reflectie. De voortdurende loop van programma’s wekt een ogenblikkelijke instemming op, hetgeen de stilte oproept. Marie-José Mondzain verklaart dit proces als volgt: ‘Wanneer men niet meer de mogelijkheid heeft om het onderscheid te maken tussen hetgeen men ziet en hetgeen men is, dan blijft de enige uitweg de massale identificatie, d.w.z. de regressie en de onderwerping.’ Het reële wordt datgene wat men ziet. De cineast Jean-Henri Roger drukt met andere woorden en andere begrippen ditzelfde idee uit: ‘De televisie probeert de voorstelling te vervangen door een direct effect, en met het direct effect bestaat er geen beoordeling. (...) Door deze vervanging van het direct effect door het effect van het reële, organiseert de televisie een wereld waarin de kritische beoordeling afwezig is.’ De TV-kijker verliest zijn analysekracht, want “men levert geen kritiek op iets dat men beleeft”, men kan slechts kritiek leveren op voorstellingen van het reële.’ Welnu, indien er geen afstand bestaat tussen het reële en hetgeen men ziet, dan is er geen beoordeling mogelijk, dus geen behoefte meer aan politiek. De realiteit wordt de onze, dus waarom hem veranderen? Want, zoals M.-J. Mondzain verklaart, is het zeer zeker ‘deze weerstand aan het reële dat het denken stimuleert en dat de mensen ertoe aanzet om zich te verenigen’. De televisie veroorzaakt dus een depolitisering van de wereld. Het individu wordt gereduceerd tot de hoedanigheid van cliënt en van toeschouwer, net zoals Guy Debord dat voorvoelde toen hij schreef: ‘Degene die steeds kijkt om het vervolg te kennen, zal nooit ageren’ (Commentaires sur la société du spectacle, 1988). Het individu is overtuigd van zijn onmacht tegenover zijn tijd. De realiteit van de gevestigde orde lijkt bijgevolg vanzelfsprekend, onveranderbaar.
Wij worden geleefd. Al die uren die voor de beeldbuis doorgebracht worden, geven de TV-kijker de indruk dat hij in de realiteit staat. En hoe meer kanalen hij heeft, met name door de ontwikkeling van de kabel en satelliet-TV, des te meer heeft hij de indruk dat hij toegang heeft tot de wereld. Sommigen zien daar zelfs een grotere vrijheid in! De wereld wordt ontdekt via een tussengeplaatst scherm, via het prisma van de televisie. Men kan er zijn buren zien, hen sympathiek vinden, en bij zichzelf zeggen dat men haast zin zou krijgen om hen te ontmoeten. Maar er zijn nog zo vele andere dingen om te ontdekken, dus verkiest men maar te zappen... José Saborit gaat nog een stapje verder: ‘Onze blik is volgestopt met het onontkoombare gewicht van de televisie-ervaring, en de verificatie-mechanismes zijn omgekeerd.’ De werkelijke ervaringen - het leven, dus - zouden de ‘waarheden’ van de televisie ontkrachten of bevestigen.
Televisie fabriceert de realiteit. Jacques Ellul (Le Bluff technologique): ‘Er bestaat geen echte informatie op de televisie, er bestaat alleen maar televisie. Een gebeurtenis wordt slechts nieuws als de televisie er zich van meester maakt’, en ‘zodra de televisie niets meer over de kwestie toont, is er geen kwestie meer. Dàt is de betekenis van de stelling dat de televisie zelf de boodschap is (...) en wij zijn enkel consumenten van informatie.’ Tegenwoordig heeft televisie een zodanig belangrijke plaats in onze samenleving ingenomen dat het voor het merendeel van de bevolking (70 % heeft als enige informatiebron de televisie) het reële overeenkomt met wat er uitgezonden wordt. Enkel een minderheid heeft de mogelijkheid en de capaciteiten om de politieke, diplomatieke, economische... belangen te vatten, om kennis te vergaren en de wereld te ontdekken. Om te bestaan moet het evenement uitgezonden worden; dit heeft consequenties - zoals we later zullen zien - op de afwikkeling zelf van het evenement. Zichtbaar, en dus reëel, is enkel wat men ons wil tonen.
In tegenstelling tot wat men ons wil doen geloven, vloeien de beelden voort uit een reeks keuzes: van de journalist die besluit naar deze of die plek te trekken, van de cameraman die een welbepaalde scène filmt, van de monteur die een bepaald gedeelte selectioneert, enz. Deze keuzes worden genomen in functie van de opinies, de bedoelingen en de structuur waarin de journalist werkzaam is. En een beeld heeft slechts betekenis in een welbepaalde context.
Nochtans stelt men de beelden voor als objectief. Zij geven de TV-kijker de indruk dat hij deelneemt aan het evenement en dat hetgeen hij ziet de realiteit is. Hij heeft niet de mogelijkheid om afstand te nemen ten opzichte van de boodschappen die hem toegediend worden. Het TV-beeld laat geen plaats aan afstand en reflectie. Paul Virilio (Télévision et pouvoir, 1996) ziet daar een bedreiging in: ‘De televisie, zelfs als hij pretendeert direct te zijn of “onpartijdig”, is een “montage” van de opinie. Televisie doet aan beïnvloeding. Indien de televisie bij de aanvang een televisie van reportage was, een televisie van getuigenissen, dan kan men nu stellen dat hij een televisie van montage en van dressuur van reflexen geworden is. Ik neem simpelweg een voorbeeld: de versnelling van de montage, de rol van de montage in de televisie-uitzending, de versnelling van de informatie, het feit dat er onophoudelijk spots op je afgevuurd worden. Dat is een beïnvloeding. Dat is een dressuur van de publieke opinie.’ En het gevaar bestaat er niet zo zeer in dat er een subjectieve wereldvisie gegeven wordt, alswel dat hij zich voordoet als objectief, zelfs als heilig. Terwijl, zoals M.-J. Mondzain schrijft, ‘alles uitgezonden wordt op een manier alsof men deelheeft aan een realiteit, waarbij weggemoffeld wordt dat er apparaten zijn, een montage, een geheel van dwangmiddelen die maken dat men ter plekke zeer zeker niet hetzelfde gezien heeft.’ Dat wordt genoemd: ‘het balkon-effect’. D.w.z. een effect dat de idee geeft dat hetgeen men via het beeldscherm ziet ook de realiteit is, waar de TV-kijker de getuige van zou zijn. Hij neemt in geen enkel geval deel aan een evenement, maar aan één van zijn voorstellingen.
En met beelden wordt de begrijpelijkheid van het niet-zichtbare gedeelte uiterst moeilijk. Door zijn principe zelf wordt de realiteit door de televisie versluiert. De TV-kijker maakt zich des te gemakkelijker de dingen eigen die men hem toont, in de mate dat hij niet over middelen beschikt om een gedachte, en dus een ander discours, uit te werken. Zien is geen garantie om te begrijpen. De overvloed aan informatie, de vloed aan beelden vervalst de realiteit veel meer dan dat het toestaat de complexiteit ervan te begrijpen. M.-J. Mondzain vat dit idee prachtig samen: ‘De uitoefening van de vrijheid vloeit niet voort uit een accumulatie. Het is niet: hoe meer ik zie, des te meer begrijp ik, maar steeds: hoe meer ik denk, des te meer begrijp ik.’ Tegenwoordig kwijnt de reflectie weg, een bepaald model van informatie- en kennisoverdracht heeft zich doorgezet.
Een hegemonistisch model. Op enkele decennia tijd is de televisie het heersende medium geworden. Zoals we gezien hebben, is zijn gewicht en zijn aanwezigheid in het leven van de individuen onophoudelijk toegenomen. Hij heeft beetje bij beetje de ruimte ingenomen en de andere media teruggedrongen naar ondergeschikte posities.
Maar zijn kracht en zijn hegemonie overstijgen het kader van deze concurrentie. Het is zijn visie van de informatie - zelfs van de wereld - die zich doorgezet heeft. De andere media en ook andere terreinen hebben, soms om te kunnen overleven, de waarden en normen van het kleine scherm overgenomen: de fascinatie voor het beeld, voor het spektakel, snelheid, de jacht op scoops, de beknoptheid, oppervlakkigheid, conformisme, open deuren intrappen, een spel met emoties, enz. In zijn boekje Over televisie (Ned. vert.: Uitg. Boom, Amsterdam, 1998) beschrijft Pierre Bourdieu deze mechanismen. Hij toont aan hoe televisie ‘door zijn uitzendkracht aan het geheel van de geschreven pers en van de cultuur een absoluut verschrikkelijk probleem oplegt. (...) Door zijn omvang, zijn buitengewoon gewicht, produceert televisie effecten die, alhoewel niet zonder precedent, volkomen nieuw zijn’. Indien we de geschreven pers bekijken, dan merken we de impact die de televisie erop heeft. Dit vertaalt zich m.n. in de behoefte van de grote kranten om op antenne te komen om te kunnen bestaan (en door te wegen), in de creatie van TV-bijlages, in de ontwikkeling van zap-kranten met korte artikelen en aantrekkelijke foto’s, enz. De grote pers heeft zijn intellectuele rol opgegeven, om zich te positioneren op het terrein van de televisie. Hij privilegieert het spectaculaire, de emotie, de faits divers en de probleempjes van het dagelijks leven. Geen enkel thema kent prioriteit indien de televisie er zich niet van meester maakt; hij is het die het belang van een onderwerp bepaalt. Boudieu maakt zich daar ongerust over: ‘Maar het belangrijkste is dat er zich aan het journalistieke veld als geheel meer en meer een bepaalde visie op nieuwsgaring opdringt, gewijd aan sport en gemengd nieuws. Dat verschijnsel is een gevolg van het toegenomen symbolische gewicht van de televisie en van de omroepen of televisiestations die met het meeste cynisme en succes jagen op het sensationele, het spectaculaire, het buitengewone.’
De politieke klasse heeft snel het eigenbelang begrepen dat zij zou kunnen halen uit een goede exploitatie van de televisie. Het kleine scherm is het centrale element van het politieke leven geworden. Hij heeft hem zijn regels opgelegd, de politici zijn in het spel meegestapt, en zij die zich niet konden aanpassen werden door de media-tornado weggevaagd. Het politieke debat, waar een minderheid zich reeds van meester gemaakt had, staat voortaan dicht bij het nulpunt, wordt gevoerd met korte zinnetjes, ronkende verklaringen, geënsceneerde attitudes die moeten verleiden. Men moet overtuigend overkomen voor de camera, simpele ideeën hebben, eenvoudig om uit te leggen... De bekrompen politieke strategieën worden op de eerste plaats uitgewerkt in functie van de vereisten van de televisie. De politiek wordt gereduceerd tot een walgelijk spektakel.
Erger nog, de televisie doet er aanspraak op heel de debatruimte te bezetten. Hij behandelt alle onderwerpen met gewichtigheid. Hij zou zich meester willen maken van alle domeinen van de maatschappij. Boudieu onderlijnt: ‘Het belangrijkste fenomeen, en dat erg moeilijk te voorzien was, is de buitengewone uitbreiding van de greep van de televisie op het geheel van de wetenschappelijke en artistieke productie-activiteiten.’ Het voorbeeld van de sport toont deze greep in verscherpte mate aan. Door de wereld van de sport binnen te dringen, is de televisie erin geslaagd hem zijn regels op te leggen en zijn mentaliteit te doen wijzigen. Indien deze symbiose vanzelfsprekend lijkt, dan is deze groeiende invloed van de televisie even zeer merkbaar in andere gebieden die uit eigen aard autonoom zouden moeten zijn, zoals bijvoorbeeld in het gerecht.
Men vindt zijn hegemonie terug in de filmproductie. Voortaan moet elke realisator van fictiefilm, en meer nog die van documentaires, er rekening mee houden dat zijn werk op TV kan vertoond worden. Meestendeels gaat het hierbij om het overleven van een project. Deze inpalming brengt een schrikwekkende normalisatie van de audiovisuele productie met zich mee, en verankert nog een beetje meer de macht van de televisie en van zijn regels over het geheel van de maatschappij.
Elk opname-apparaat ageert op hetgeen het registreert. Enkel de televisie, door de norm te worden, is voortaan ‘de scheidsrechter in de toegang tot het maatschapelijk en politiek bestaan’ (Bourdieu). Hetgeen hem uiterst gevaarlijk maakt.
Om aan de dictatuur van de media weerstand te bieden, dienen we op de eerste plaats bewust te zijn van de aberraties die de televisie produceert, dienen we de absurditeit aan te klagen van de attitudes die hij oproept, in één woord: afkicken.
Cedric en Jean-Claude Bertheau Vertaling: Johny Lenaerts
* Le R.A.T., ‘Contre la télé, nouvelles et dessins’, 1999 (192 blz, 55 FF), Editions Reflex, 21ter, rue Voltaire, 75 011 Paris;
