Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Johny Lenaerts
De jaren zeventig ‘revisited’
zaterdag 25 september 2004, door Johny Lenaerts
Dat schrijven de buurtcomités in een open brief waarin ze het Stadsbestuur oproepen van hun buurt geen ‘spookwijk’ te maken. Het roept herinneringen op aan... inderdaad, de jaren zeventig, toen Brussel ‘gerenoveerd’ werd en het volksleven uit het centrum van de stad gebannen, om plaats te maken voor kantoorruimte en grote verkeersaders. Op een gegeven ogenblik kende Brussel een honderdtal buurtcomités, en de eerste Brusselse wijk waar de reactie van de buurtbewoners de plannen van de overheid wist te counteren, was dat van de Marollen. De Marolliens hadden inderdaad bekomen dat hun wijk gerenoveerd werd volgens hun eigen verlangens.
De jaren zestig en zeventig waren dan ook gekenmerkt door een groeiend bewustzijn van het belang van de directe leefomgeving. Zowat overal ontstonden er wat men later stedelijke sociale bewegingen genoemd heeft. Tegenover de grootschalige functionalistische ontwikkelingsplannen van de autoriteiten stelden zij een kleinschalige visie op de inrichting van de stad: daarin staan de bewoners centraal en niet de economische belangen.
Een socioloog die als één der eersten het belang van de stad onderkende, en ‘het recht op de stad’ formuleerde, was Henri Lefebvre (1901-1991). Méér dan tien jaar had hij zich beziggehouden met agrarische kwesties. Dan zag hij, het was in het prille begin van de jaren zestig, hoe in het dorpje in de Pyreneeën waar hij sedert zijn kindertijd zijn verlof doorbracht, een nieuwe stad uit de grond gestampt werd. Men dacht er olie of aardgas te kunnen vinden. Henri Lefebvre zag met lede ogen hoe de bulldozers het bos neerhaalden, hoe de eerste steen van de nieuwe stad gelegd werd. En hij begon de urbane kwesties te bestuderen vanuit de praktijk. Zijn interesse voor de stad was gewekt, en zou hem niet meer loslaten.
De straat
De stad is het meest karakteristieke fenomeen van de moderne tijd, zo stelt Henri Lefebvre. ‘De straat is spektakel, bijna uitsluitend spektakel, niet helemaal, want men is er, men wandelt er, men houdt halt, men participeert. Zij die zich haastig door de straat voortbewegen zien het spektakel niet, maar ze maken er nochtans deel van uit.’
De straat is niet enkel een doorgangsweg of een verkeersader, zo stelt Henri Lefebvre. ‘De straat? Het is een plaats (topie) voor ontmoeting, zonder hetwelk er geen andere ontmoetingen in daartoe geëigende plaatsen (cafés, theaters, diverse zalen) mogelijk zijn. Deze bevoorrechte plaatsen maken de straat levendig en ze leven van haar drukte, anders zouden ze niet bestaan. In de straat, dat spontane theater, word ikzelf schouwspel en toeschouwer, soms acteur. Hier voltrekt zich de beweging, de vermenging, zonder hetwelk er geen urbaan leven zou bestaan, maar scheiding, vaste en gestolde segregatie. Toen men de straat afgeschaft heeft (sedert Le Corbusier, in de nieuwbouwwijken), heeft men de gevolgen kunnen vaststellen: het uitdoven van elk leven, de reductie van de “stad” tot slaapstad, het abnormaal functioneel maken van het leven. De stad bevat functies die door Le Corbusier miskend werden: de informatieve functie, de symbolische functie, de ludieke functie. Men speelt er, men leert er. De straat betekent wanorde. Ongetwijfeld. Alle elementen van het urbane leven, die elders bevroren worden in een vaste en overtollige orde, maken zich vrij en vloeien in de straten en doorheen de straten naar de centra; zij komen en gaan, losgerukt van hun vaste woningen. Deze wanorde leeft. Zij informeert. Zij verrast. Deze wanorde construeert overigens een hogere orde. (...) Is de urbane ruimte van de straat niet de plaats waar men het woord neemt, de plaats waar woorden en tekens, alsook voorwerpen, uitgewisseld worden? Is het niet de geprivelegieerde plaats waar het woord geschreven wordt? Waar zij “wild” kan worden en waar zij aan de voorschriften en aan de instellingen weet te ontsnappen en op de muren geschreven wordt?’
Maar Henri Lefebvre is realistisch genoeg om hier grote vraagtekens bij te plaatsen: ‘De straat? Een uitstalraam, een défilé tussen de boetieks. De waar, dat schouwspel geworden is (provocerend, verleidend), transformeert de mensen tot spektakel voor elkaar. Dáár, meer dan ergens anders, overheerst de ruil en de ruilwaarde over het gebruik, totdat dit tot een residu gereduceerd wordt. (...) Indien de stad ooit de betekenis van een plaats van ontmoeting gehad heeft, dan heeft zij dat nu verloren, en zij heeft dat maar kunnen verliezen doordat zij noodzakelijkerwijze teruggebracht werd tot een loutere passage, waarbij zij gesplitst werd in een doorgangsweg voor (opgejaagde) voetgangers en een doorgangsweg voor (bevoorrechte) auto’s. De straat werd veranderd in een georganiseerd netwerk voor/door de consumptie. De snelheid van het voetgangersverkeer, dat alsnog getolereerd wordt, wordt er bepaald en gemeten naar de mogelijkheid de uitstalramen te bewonderen en de tentoongestelde waren te kunnen kopen. De tijd wordt “waren-tijd” (tijd voor koop en verkoop, gekochte en verkochte tijd). De straat regelt de tijd buiten de arbeidstijd; zij onderwerpt hem aan hetzelfde systeem: dat van het rendement en de winst. zij is niets méér dan de verplichte overgang tussen de dwangarbeid, de geprogrammeerde vrije tijd en de woning als plaats voor consumptie.’
Henri Lefebvre spreekt dan ook van een kolonisering van de urbane ruimte, die zich in de straat voltrekt door middel van het beeld, van de reclame, van het schouwspel van de koopwaar.
Koning Auto
Vanaf het prille begin van de jaren zestig was Henri Lefebvre zich bewust van het belang dat de auto in het dagelijks leven ingenomen had. ‘Het is juist dat voor vele mensen hun wagen een deel van hun “wonen” betekent, en er zelfs een cruciaal fragment van vormt.’ Lefebvre wil ons op enkele merkwaardige feiten wijzen: ‘In het autoverkeer hopen de mensen en de voorwerpen zich op, vermengen zij zich zonder elkaar te ontmoeten. Dit is een verbazingwekkend geval van simultaneïteit zonder uitwisseling, elk element blijft in zijn doos, elk goed opgesloten in zijn schaal. Hetgeen ook bijdraagt aan de verslechtering van het stadsleven en de creatie van de “psychologie” of veeleer van de psychose van de autobestuurder. Anderzijds verhindert het reële maar zwakke en op voorhand becijferde gevaar maar weinig mensen om “risico’s te nemen”. De Auto, met zijn gewonden en doden en bloederige wegen, betekent een overblijfsel van het avontuur in het dagelijks leven, een beetje tastbaar genot, een beetje spel.’
Het is interessant, zo merkt Lefebvre op, te ontdekken welke plaats de auto inneemt.‘De auto staat symbool voor maatschappelijke status, voor prestige. In haar is alles droom en symbool: van comfort, van macht, van prestige, van snelheid. Boven het praktische gebruik verkiest men de consumptie van tekens. Het object wordt magisch. Het treedt binnen in de droom. De woorden die aan haar besteed worden zijn overladen met retoriek en baden in het imaginaire.’
De auto, zo voorspelde Henri Lefebvre, leidt naar een verzadigingspunt. ‘Zij tendeert naar deze limiet, dat het spookbeeld van de verkeersspecialisten is: de uiteindelijke bevriezing, de versteende stilstand van het onontwarbare.’ De auto werpt zich volgens Henri Lefebvre dan ook op als ‘algemeen symbool van de zelfdestructie’.
Urbane vervreemding
In het autoverkeer komen de mensen samen maar ze ontmoeten elkaar niet, zo stelt Henri Lefebvre. Net zó produceert de stad massa en eenzaamheid.
Lefebvre: ‘De grootstad, monsterachtig en met veel tentakels, is altijd politiek. Zij vormt een milieu waarin een autoritaire macht het best gedijt. In dit milieu heersen organisatie en desorganisatie. De grootstad vereert de ongelijkheid. Tussen de moeilijk verdraagbare orde en de steeds dreigende chaos, kiest de macht, welke macht ook - de staatsmacht -, altijd de orde. De grootstad heeft slechts één probleem: het aantal. Binnen haar kader komt noodzakelijkerwijze een massamaatschappij tot stand, hetgeen de dwang over deze massa’s impliceert, dus permanent geweld en repressie. Wat te denken over de tegenstelling “stad-platteland”? Zij is onoverkomelijk en de wisselwerking neemt catastrofale vormen aan. Het platteland staat in functie van de stad, en de stad vergiftigt de natuur; zij vernietigt haar door haar opnieuw op te wekken in het imaginaire, zolang deze illusie van activiteit voortduurt. De urbane orde bevat en verhult een fundamentele wanorde. De grootstad kent slechts gebreken, vervuiling, ziekte (mentale, morele, sociale ziektes). De urbane vervreemding omhult en bestendigt alle vormen van vervreemding. In haar, door haar, wordt de segregatie veralgemeend: per klasse, per buurt, per beroep, per leeftijd, per etnie, per geslacht. Massa en eenzaamheid. De ruimte wordt er schaars, erg duur, luxe en privilege worden in stand gehouden door een praktijk (het “centrum”) en door strategieën. De stad wordt ongetwijfeld ook rijker. Zij trekt allerlei soorten rijkdom aan, zij monopoliseert de cultuur, net zoals zij de macht concentreert. Zij gaat gebukt onder haar rijkdom. Hoe meer zij de middelen tot leven samenbundelt, des te minder leefbaar zij wordt. Het geluk van de stad? Het intense leven van de grootstad? De vele vormen van plezier, van vrije tijd? Mystificatie en mythe.’
De fetisj natuur
‘De industrialisatie en de urbanisatie vernietigen de natuur. Het water, de aarde, de lucht, het licht: al deze “elementen” worden in hun bestaan bedreigd.’ Henri Lefebvre spreekt een hard oordeel uit. ‘Theoretisch gezien verwijdert de natuur zich, maar de tekens van de natuur en van het natuurlijke vermenigvuldigen zich, zij vervangen en overschaduwen de reële “natuur”. Men produceert op massaschaal en men verkoopt deze tekens. Een boom, een bloem, een tak, een geur, een woord, worden tekens van het afwezige: van de denkbeeldige en fictieve aanwezigheid. Terzelfder tijd wordt de ideologische naturalisatie een ware obsessie. In heel de reclame, van voedingsproducten tot kledij, van woningen tot vakanties, wordt er onophoudelijk verwezen naar de natuur. Om een (denkbeeldige) betekenis en inhoud te verkrijgen, klampen alle “zwevende betekenisdragers” van de retoriek zich aan de natuur vast. Dat wat geen betekenis meer heeft, zoekt een nieuwe betekenis via de fetisj “natuur”. De natuur, die onvindbaar geworden is, die weggevlucht is, die verwoest werd, blijft als residu van de urbanisatie en de industrialisatie voortbestaan, men vindt haar overal terug, in de vrouwelijkheid en in het kleinste voorwerp. Wat te denken over de “groenruimtes”, die het laatste woord vormen van de goede wil en de slechte voorstellingen van de stad? Wat zouden we er anders over kunnen denken dan dat zij een zwak surrogaat voor de natuur vormen, een waardeloos simulacra van de vrije ruimte, van de ruimte van de ontmoetingen en de spelen, van de parken, de tuinen en de pleinen?’
De stad is productief
In de jaren dertig dachten velen dat het kapitalisme uitgeblust was en in elkaar zou stuiken. Maar we hebben veeleer de groei van de productiekrachten meegemaakt, voor een deel ten koste van de natuur en via de verwoestingen van de oorlog. Henri Lefebvre: ‘Het kapitalisme heeft zich uitgebreid door dié sectoren te onderwerpen die reeds vóór haar bestonden: de landbouw, de bodem en de ondergrond, bebouwde terreinen en oorspronkelijk historische urbane eenheden. Het heeft zich ook uitgebreid door nieuwe - commerciële, industriële - sectoren te creëren: de vrijetijdsindustrie, de cultuur en de zogenaamde “moderne” kunst, de urbanisatie. Tussen deze domeinen bestaan er zowel overeenkomsten als verschilpunten, het vormt een eenheid die niet van contradicties gevrijwaard is. Dus: het kapitalisme heeft zich in stand kunnen houden door zich uit te breiden tot de ganse ruimte (door haar plaats van ontstaan, van groei en van kracht te overstijgen: de productie-eenheden, de bedrijven, de nationale bedrijven en de multinationals).’
Henri Lefebvre is dan ook van mening dat het bedrijf niet langer de centrale plaats is waar de rijkdom, de meerwaarde, de sociale productieverhoudingen, de productiewijze als totaliteit, gevormd wordt. Tussen de productie-eenheden, tussen de bedrijven bevindt zich het weefsel dat over het algemeen van urbane aard is en dat deel uitmaakt van de productie: verschillende diensten, zoals het vervoer, bedrijven-in-onderaanneming, enz. De stad wordt dus zowel besluitvormingscentrum als bron van winst. Niet enkel door middel van speculatie in en bouw van onroerend goed. In het stedelijke weefsel, en doorheen diens chaos, bestaat er een productieve consumptie van de ruimte, van de communicatiekanalen, van de gebouwen. Er komt een reusachtige arbeidskracht tot ontplooiing, die even productief is als de arbeidskracht die ingezet wordt voor het onderhoud en de bouw van machines. In het urbane weefsel rond de centra wordt een grote meerwaarde gerealiseerd. De stad is productief, zegt Henri Lefebvre. Het kritieke punt
Dat de stad - en algemener: de ruimte - productief gemaakt wordt, kan men goed aflezen aan de samenwerking van de staat met de auto-industrie om de bestaande ruimte anders in te richten, de historische stad daarbij inbegrepen.
Henri Lefebvre: ‘Alhoewel niet in elk land even uitgesproken, kan men overal een beetje hetzelfde vaststellen: autosnelwegen, parkings, maar ook fabrieken, garages, hotels en motels, benzinestations, enz. In de grote moderne landen staat ongeveer twintig procent van de productie en van de actieve bevolking in dienst van de autosector. Alles wordt opgeofferd aan deze groeivorm: het historische verleden, de consumptie, het vermaak, de “cultuur”. De historische stad wordt aangepast aan de vereisten van de groei die “aangedreven” wordt door de auto. De lobbies van de autosector, van de bouw, verbinden zich met de technostructuur van de staat. Gezamenlijk slagen ze erin de knelpunten te doorbreken: verkeer, luchtvervuiling, teruggang van het openbaar vervoer, enz. Hoe dan ook, zowat overal bereikt men het “kritieke punt” (de kritieke toestand) waarin de overheersing van de auto ter discussie gesteld wordt en waarin deze discussie een politiek karakter krijgt.’
Het recht op de stad
In moeilijke omstandigheden, in de schoot van de maatschappij maar ook dikwijls tegen de maatschappij in, hebben een reeks van eisen zich een weg weten te banen naar het politieke terrein: het recht op arbeid, het recht op onderwijs, het recht op een gezond leven, het recht op een degelijke woning, het recht op vrije tijd. Henri Lefebvre wil daar het recht op de stad aan toevoegen: niet het recht op de oude stad maar het recht op het urbane leven, het recht op kwaliteitsvolle ontmoetingsruimten, het recht op het levensritme en op het gebruik van de tijd die het volle en volledige gebruik van deze momenten en van deze ruimten moet mogelijk maken, enz. De realisering van het urbane leven vereist dat het gebruik (van de ontmoetingsplaatsen, van de tijd voor gemeenschap) zich vrijmaakt van de ruilwaarde, van de commercie en het winstdenken. Het heeft dus inderdaad ook met economie en met tegenmacht te maken.
Stedelijke sociale bewegingen
In de jaren zestig en zeventig was Henri Lefebvre er getuige van hoe, zowat overal ter wereld, stedelijke sociale bewegingen tot stand kwamen die zich niet zo zeer op de arbeidsomstandigheden of op de werkvloer richtten, maar betrekking hadden op de gehele ruimte, en dàt via verschillende kanalen: de ‘sociale voorzieningen’, het vervoer, de huurprijs, de organisatie van het dagelijkse leven.
We maakten al melding van het protest tegen de stadsrenovatie in Brussel. In Amsterdam kende men de Nieuwmarktbeweging die zich verzette tegen de gemeenteplannen om een groot aantal woningen te slopen voor de aanleg van een vierbaansweg en van een ondergrondse metrolijn. In verschillende Italiaanse steden - Milaan, Turijn, Rome, Napels - vonden er huurstakingen of autoreducties van de huurprijs plaats, werden er lege lokalen bezet en verzette men zich tegen uitdrijvingen. Op initiatief van het theatercollectief La Commune, dat onder leiding stond van Dario Fo, werden er in 1974 in Milaan een aantal gemeentegebouwen gekraakt en als theaterruimte annex kindercrèche ingericht; vijfduizend arbeiders, huisvrouwen en studenten waren bij de activiteiten betrokken. In Montréal, in Canada, vonden er ook grote protestacties plaats tegen de overheidsplannen voor stadsrenovatie. In de getto’s van de grote Amerikaanse steden eisten Zwarten en Portoricanen moderne woningen, speelterreinen voor de kinderen, huurverlaging, minder willekeur van de politie, geen rassendiscriminatie. In Latijns-Amerika nam de stadsstrijd dikwijls gewelddadige vormen aan. In Japan was er grootschalig boerenprotest tegen de aanleg van een vliegveld in Narita. Minder spectaculair, maar daarom niet minder belangrijk, waren een aantal acties die zowat overal in de ontwikkelde landen, op lokale schaal, plaatsvonden: symbolische bezettingen van pleintjes (‘geen parking, groenzone!’), straatbezettingen voor een autovrije binnenstad, het kraken van leegstaande woningen, enz.
Het valt op dat bij de meeste acties een breed deel van de bevolking betrokken was: arbeiders, maar vooral vrouwen, ook ‘witte boordenwerkers’, naast werklozen, oude mensen, maar ook mensen uit de middenklassen, soms zelfs ‘notabelen’. Allen waren ze bekommerd om de ‘kwaliteit van het leven’ - een nieuwe term in die tijd - en om de directe leefomgeving - een nieuwe sensibiliteit. Henri Lefebvre: ‘Deze strijdbewegingen kan men “klassenstrijd” noemen, als men de betekenis van deze term niet al te eng opvat. Zij zijn veel gevarieerder dan de “industriële” of “culturele” strijd, en kunnen moeilijk teruggebracht worden onder één noemer, tot één model, tot een serie eisen, zoals dat het geval is voor de strijd in het kader van het bedrijf, van het werk, van de productieverhoudingen. Zij viseren de productiewijze. Zij brengen geen “klassenbewustzijn” voort, maar een bewustzijn van de gehele maatschappij, van de werking van de maatschappij. Zij verbreden de actiemogelijkheden.’
De mythe ‘participatie’
Henri Lefebvre beklemtoont ondubbelzinnig de interventie van de directe belanghebbenden, en hij noemt het doelbewust niet ‘participatie’, want, zo zegt hij, er bestaat ook een mythe van de participatie. ‘Ik leg erg de nadruk op het idee van een denkbeeldige participatie: tweehonderd mensen in een zaal bijeenbrengen en hen toespreken, hen een bord voorleggen met de urbanisatieplannen die reeds uitgewerkt werden - dat is zelfs geen consultatie, dat is publiciteit, dat is pseudo-participatie. Welnu, dat heeft zich voorgedaan, ik kan u zeggen waar en wanneer. De participatie moet een actieve en onophoudelijke interventie van de belanghebbenden zijn, d.w.z. in werkelijkheid gaat het om basiscomités, om buurtcomités, die een permanent bestaan hebben, ik zeg niet institutioneel. Dat zou overigens deel kunnen uitmaken van een nieuw recht dat we opeisen, een recht op interventie in urbane kwesties. De interventiecapaciteit van de belanghebbenden moet permanent zijn, daar zonder wordt de participatie een mythe.’
Op een andere plaats spreekt Henri Lefebvre over ‘het zwijgen van de belanghebbenden’. Het zwijgen van de belanghebbenden betekent niet onverschilligheid. Het valt te verklaren uit de onmacht van de belanghebbenden om de oorzaken van hun misnoegdheid te kunnen benoemen, en vanuit de obstakels die een doeltreffende actie in de weg staan. Terwijl een institutionele participatie dikwijls de status quo bevestigt. Het begrip ‘delen in de macht’ blijkt een mystificerende val te zijn wanneer beide partners niet dezelfde politieke, economische en sociale positie delen, en indien de hiërarchische structuur behouden blijft. Indien men aan de bevolking het recht verleent te participeren aan de inrichting van de stad, en indien dit recht geen realiteit wordt, dan zal dit nog méér woede en verbittering oproepen. En, gekoppeld aan de opeenvolging van nederlagen, nog méér ressentiment - zo kunnen we er momenteel aan toevoegen.
Misschien bevat de ervaring van de stadsstrijd uit de zeventiger jaren een aantal lessen voor de actuele discussies over de ambitieuze vernieuwingsplannen van vele Vlaamse steden.
Zie ook:
‘De stad ter discussie, een interview met Henri Lefebvre’, in: Oikos, nr 28, winter 2004; Rémi Hess, ‘Panoramisch overzicht van leven en werk van Henri Lefebvre’, in: Vlaams Marxistisch Tijdschrift, nr 35/3, september 2001. Er bestaat een digitaal tijdschrift over de studie van het werk van Henri Lefebvre, ‘La Somme et le Reste’: www.Espaces-Marx.eu.org/SomReste
