Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Manu Claeys
Vooruitgang in achterwaartse pas?
woensdag 5 september 2007
In het najaar van 1989 weigerden drie Marokkaanse meisjes in het Franse Creil hun hoofddoek in de klas af te leggen. Hun uitsluiting kreeg grote weerklank in de pers. Korte tijd nadien verboden ook in Brussel enkele gemeentescholen het dragen van de hoofddoek. Meisjes die het verbod negeerden werden buitengezet. De rechtbank annuleerde dit verbod op basis van de Belgische onderwijswet van 1959, maar de hoofddoekenkwestie bleef onderwerp van discussie. Toen ook in Vlaanderen moslimmeisjes en directies in conflict kwamen over het dragen van hoofddoeken, werd vanuit de netten en de overheid beslist de scholen alle vrijheid te laten om hierover een eigen beleid uit te stippelen.
Steeds meer inrichtende machten ervaren intussen de hoofddoek als een signaal van islamréveil en een middel tot onderdrukking van meisjes en vrouwen. Steeds vaker wordt daarom een verbod op het dragen ervan in het schoolreglement opgenomen. Directies en ouderraden zeggen zo de keuzevrijheid te willen vergroten in een omgeving waar druk wordt uitgeoefend. Maar is leerlingen emanciperen door hen minder zelfbeschikkingsrecht te geven wel een goed idee? Gelijkaardige paradoxen spelen wanneer overheden in hun diensten hoofddoeken verbieden om het pluralisme binnen de staat te garanderen.
Negatief imago
Sjaals, doeken en kapjes zijn al lang in het Vlaamse straatbeeld aanwezig. Nooit werd het dragen van een hoofddoek een punt van publieke discussie, ook niet in de revolutionaire jaren zestig toen filmsterren ze nog droegen als elegant accessoire, en wel bh’s maar geen hoofddoeken werden verbrand.
Sinds het einde van de jaren tachtig wordt het dragen van een hoofddoek in de publieke sfeer wél in toenemende mate als problematisch ervaren. In de discussie worden vele soorten wrijvingen zichtbaar tussen een inmiddels sterk geseculariseerd Vlaanderen en een religieuze buitenwereld die ook nog eens verengd werd tot een specifiek geloof. Want met de hoofddoek wordt intussen bedoeld: de hoofddoek gedragen door moslimvrouwen. Bij katholieke gelovigen raakte het hoofd bedekken in onbruik. Kloosterzusters vormen nog slechts een kleine groep. Joodse vrouwen vervingen de hoofddoek door een pruik.
De recente aversie voor de moslimhoofddoek hangt samen met onze eigen naoorlogse ontvoogdingsgeschiedenis en met het beeld van een evolutie binnen de islamwereld die daar haaks op staat. De hoofddoek wordt geassocieerd met het onderdrukken van de vrouw. De argumentatie luidt: we hebben zo fel gevochten tegen seksisme en voor vrouwenrechten, waarom dan de klok terugdraaien? Maar dat is niet alles. Bij de hoofddoek wordt ook in toenemende mate religieuze strijdbaarheid vermoed. De redenering wordt dan: willen we assertieve vormen van geloofsbelijdenis via de achterdeur terug binnenhalen?
Onbegrip voor het dragen van een hoofddoek was er natuurlijk ook al vóór de jaren tachtig. Maar de discussies erover bleven beperkt. Bij de eerste-generatie moslimvrouwen meende men dat het om de import van een uitdovende traditie ging. In katholieke scholen stoorde men zich niet aan moslimmeisjes met hoofddoekjes - er waren nog positieve connotaties met de zusters van weleer (kuisheid, gehoorzaamheid).
Die terughoudendheid verdween met de groei van extreemrechts, de opkomst van radicale islamregimes en de golf van terreuraanslagen door moslimfundamentalisten. In de ogen van steeds meer Vlamingen/Europeanen ging het dragen van een hoofddoek samenvallen met onwil of onmacht om erbij te horen. Zeg maar: non-integratie, gedwongen of vrijwillig. Zo belandde het bannen van de hoofddoek uit de publieke sfeer na jaren van stilzwijgende tolerantie toch op de politieke agenda. Een groeiend aantal progressieven ondersteunt deze evolutie. In de moslimhoofddoek zien zij een bedreiging voor hun verhaal over emancipatie en multiculturalisme.
Eenzelfde bedreiging gaat blijkbaar niet uit van orthodoxe joodse vrouwen die voor het huwelijk het hoofd kaal scheren en een pruik dragen. Ook daarvan kan gezegd worden dat ze er niet altijd zelf voor kiezen en dat het seksistisch is. Toch leidt dit niet tot een emancipatiediscussie binnen niet-joodse kringen of tot progressieve initiatieven die ertoe bijdragen dat deze vrouwen vrijplaatsen krijgen waar ze de pruik niet langer ‘moeten’ dragen. Ironisch genoeg zorgen wellicht het zelfgekozen isolement van de orthodoxe joden en het discrete karakter van deze uiting van onderworpenheid voor het uitblijven van kritiek. Net omdat zij geen werk zoeken bij overheden, de kinderen naar eigen scholen sturen, nauwelijks buiten de gemeenschap huwen, weinig contact hebben met niet-joden, ... volgt ook geen appèl van buitenaf om zich op dit vlak in te passen. Het gaat slechts om een kleine groep van medeburgers (ook wereldwijd), hoor je soms nog, en een pruik is minder opvallend dan een hoofddoek. Bovendien kent het jodendom geen bekeringsijver. Dat scheelt ook al.
Nieuwe vormen van dwang
Treft het verbod op hoofddoeken in scholen doel? Bereikt men ermee wat men zegt te willen bereiken, namelijk meer individuele keuzevrijheid en minder geloofsdwang?
Hoe meer we het hebben over dé moslimvrouw als slachtoffer en over de hoofddoek als symbool daarvan, hoe meer alvast het debat wordt gepolariseerd en hoe minder keuze we nog laten aan de vrouw zelf. Zij ziet zich gewrongen tussen twee extremen in een discussie waarin zijzelf vaak weinig in de pap te brokkelen heeft. Haar mogelijkheden om de traditie respectvol maar kritisch te benaderen - om bijvoorbeeld gehoorzaamheid aan de man om te buigen naar wederzijdse plicht tot overleg - worden kleiner.
“Moslimvrouwen komen dan voor een dilemma te staan”, legde bijzonder hoogleraar diversiteit aan de Vrije Universiteit Amsterdam Halleh Ghorashi uit in De Standaard (19 maart 2007): “Moeten ze kiezen voor de groep waar ze vandaan komen, of moeten ze kiezen voor de emancipatie door hun eigen achtergrond te verloochenen? Het dilemma is te groot, te extreem en te zwart-wit gekleurd. Daarom kiezen de meeste vrouwen voor de eigen groep.” Na afloop van een debat in een school in Borgerhout schetste psychologe en voorzitster van het Steunpunt voor Allochtone Meisjes en Vrouwen Sultan Balli eenzelfde beeld (30 mei 2007). Ze stelde vast hoe de grote diversiteit binnen de moslimgemeenschap (die buitenstaanders doorgaans niet zien) door een hoofddoekenverbod op de achtergrond raakte, ten voordele van het samenkomen rond dat ene: het verbod. Dit leidt tot verharding, radicalisering, polarisering - wat de beoogde integratie en emancipatie niet ten goede komt.
Stereotyperende veralgemeningen leiden tot het sluiten van de rangen en tot méér druk op individuen om kant te kiezen. Verbieden creëert soms nieuwe vormen van dwang. Een opgelegd hoofddoekenverbod ontneemt de vrouw de kans om de doek spontaan af te leggen. Volgens Ghorashi is daarom een andere benadering meer aangewezen: “Mensen moeten het gevoel hebben dat ze in hun waarde worden gelaten voordat ze ongewenste culturele patronen willen of kunnen doorbreken, anders zullen ze geneigd zijn hun cultuur te verdedigen. Daarom is het belangrijk om ruimte te maken zodat diverse groepen vanuit hun eigen culturele achtergrond hun emancipatie kunnen vormgeven. De lessen uit de postkoloniale kritiek op de tweede feministische golf is dat de emancipatie weliswaar het doel is, maar dat de wegen ernaartoe divers kunnen zijn.” Haar conclusie: “Het is tijd om te luisteren naar de migrantenvrouwen zelf, de diversiteit van hun keuzes en hun wegen naar emancipatie te respecteren.”
Niet toevallig spreken heel wat vrouwenrechtenorganisaties zich uit tegen verplichting én verbod. Hun protest heeft niets te maken met soft multiculturalisme of het niet willen erkennen van problemen, wel met het opkomen voor het individuele beslissingsrecht over hoe je je kleedt - ook als vrouw. Onder het motto ‘baas over eigen hoofd’ bepleiten ze een genuanceerd feminisme: het afleggen van de hoofddoek hoeft niet te worden opgelegd. Met lede ogen zien ze hoe het debat over de rol van de vrouw binnen de islam (en daarbuiten) vooral over de hoofden van de vrouwen heen gevoerd wordt. Vrouwen worden als willoze wezens beschouwd. Hun gedrag wordt van bovenaf ingeperkt door paternalistisch te verbieden of patriarchaal te verplichten. Daarom verzetten deze organisaties zich tegen de jacht op de hoofddoek, of ze nu zelf voor of tegen die hoofddoek zijn.
Ze twijfelen er niet aan dat ook in de moslimwereld de hegemonie van de man en de segregatie tussen de geslachten bevorderd worden door een kledijcodering van de vrouw. Maar het was niet anders in de joods-christelijke wereld, en toch werd de seksuele revolutie en de ontvoogding van de vrouw er niet bewerkstelligd door een (oppervlakkig) verbod op bepaalde klederdracht.
Seksuele normering
Natuurlijk draaien tradities van hoofdbedekking in oorsprong veelal om controle van het vrouwenlichaam. Voor traditioneel-gelovige moslimvrouwen van de eerste generatie beschermt de hoofddoek, naar eigen zeggen, in de publieke ruimte hun kuisheid. Ze hebben het nooit anders geweten en staan er verder niet bij stil. De gewoonte kan als ouderwets en onmodieus bestempeld worden, maar is het ook discriminerend?
Ook voor veel vrouwen van de tweede en de derde generatie biedt de hoofddoek als teken van deugdelijkheid een vorm van vrijheid. Maar vaak op een andere manier dan bij hun moeders. Uit een onderzoek in opdracht van de krant Gazet van Antwerpen (najaar 2005) blijkt dat de helft van de Vlaamse moslimmeisjes tussen 15 en 25 jaar nooit of zelden een hoofddoek draagt, een kwart doet het altijd. Van dat kwart zegt driekwart dat uit eigen beweging te doen, zeven procent doet het niet uit vrije wil, twaalf procent doet geen uitspraak.
Voor zelfbewuste moslimadolescenten (jeansbroek, make-up, spannende truitjes, modieuze laarzen, logeren bij vriendinnen om toch naar de fuif te kunnen ...) is het Vlaanderen van 2006 complexer en gelaagder dan het preconciliaire Vlaanderen of het geboorteland van hun ouders. Voor velen van hen is het dragen van een hoofddoek niet zozeer een uiting van toegenomen vroomheid of verminderde emancipatie, wel van protest. Hun strijdbaarheid hierover neemt nog toe in een gepolitiseerde context waarin ze de afwijzing van de hoofddoek ervaren als het belachelijk maken van hun cultuur. Voor deze groep is de hoofddoek geen symbool van onderdrukking, maar integendeel een middel om hun identiteit als lid van een minderheid te benadrukken. In een maatschappij waarin diversiteit - zeker in de media, maar ook in het onderwijs of in overheidscommunicatie - als positief aangeprezen wordt, is een verbod op het dragen van de hoofddoek niets minder dan een negatie van hun eigenheid. Het her en der verbieden van hoofddoeken hangt inmiddels al anderhalf decennium in de lucht: als tiener zou je voor minder naar de hoofddoek grijpen.
Het hoofddoekendebat begon pas in de jaren negentig, toen bleek dat nogal wat jonge moslimvrouwen bleven kiezen voor het dragen van een hoofddoek. Dat was het signaal om in te grijpen: het dominante culturele patroon in het Westen bepaalt immers dat jonge vrouwen net pronken met hun lichaam. Het is binnen die context dat antropologe Bambi Ceuppens het debat over de hoofddoek situeert in “een algemeen verbreide tendens om vrouwen te seksualiseren onder de mom hen te emanciperen”. Ze ziet geen grote kloof tussen mannen die eisen dat hun vrouwen de haren bedekken en mannelijke voorvechters van vrouwenrechten die hen het recht ontkennen dat te doen. “Beide kampen menen dat vrouwen in het publiek een culturele norm moeten uitdragen, of die nu zegt dat vrouwen hun seksualiteit moeten verbergen of dat ze die nu net moeten etaleren” (Samenleving en politiek, maart 2005).
Ook op die manier werd de hoofddoek het symbool van een ‘botsing tussen beschavingen’.
Contraproductief
Het hoofddoekenverbod bemoeilijkt niet alleen de dialoog tussen culturen, maar ook het debat binnen moslimgemeenschappen. Het snoert de mond van hen die de islam aansluiting willen doen vinden met de eenentwintigste eeuw. De nadruk op de hoofddoek als symbool van een achterlopende cultuur plaatst immers niet alleen belangrijke strijdpunten als recht op onderwijs of werk buiten beeld, maar getuigt ook van een statische visie op de islam. Deze visie wordt sinds de jaren tachtig nog gevoed door de opkomst van radicale moslimregimes en -bewegingen die om politieke redenen hun versie van een letterlijke invulling van de islam gingen propageren.
De islam kent in tegenstelling tot de katholieke kerk geen hiërarchische top. Bovendien beroept de islam zich op nog andere bronnen dan de Koran om gedragsregels vast te leggen: de hadith, of het uitgebreide corpus van tradities. Voor een eigentijdse interpretatie van de islam is daarom behoorlijk wat marge. Schrijft de islam het dragen van hoofddoeken voor, of is dat intussen veeleer een cultureel statement? Daarover heerst onduidelijkheid. Wordt met de hijab het gordijn bedoeld dat de vrouwen van de profeet privacy moest gunnen in het overbevolkte Medina? Of een sluier voor alle moslimvrouwen? Het is al eeuwenlang onderwerp van discussie onder islamexegeten. Tegenstrijdige voorschriften in de Koran maken een eenduidige normering nog minder evident.
Het ontstaan van zo’n kritische, creatieve en relativerende geloofsattitude is niet evident in westerse moslimgemeenschappen die onder druk staan van integristische stromingen. Een van buitenaf opgelegd verbod op moslimgebruiken zoals het dragen van een hoofddoek - we hebben het niet over praktijken als uithuwelijking of besnijdenis - ondergraaft nog meer de mogelijkheid om een draagvlak te creëren voor hedendaagse, aan nieuwe omgevingen aangepaste interpretaties van de islam. Patriarchen binnen de gemeenschap en paternalisten erbuiten versterken elkaar hierin.
Een hoofddoekenverbod in scholen kan uiteindelijk ook het recht op vrije studiekeuze in het gedrang brengen, waardoor sommige jongeren net de kans ontnomen wordt op emancipatie. Antwerpse middelbare scholieren met hoofddoek kunnen nu nog slechts in twee vrije scholen en in een beperkt aantal studierichtingen van het stedelijk onderwijs terecht. Hoe meer scholen de hoofddoek verbieden, hoe moeilijker het wordt voor een meisje met hoofddoek om economische zelfstandigheid te verwerven en later eigen keuzes te kunnen maken; bijvoorbeeld de keuze om geen hoofddoek te dragen, te trouwen met wie ze wil en voor zichzelf te bepalen wat de essentie is van haar geloof. In plaats van deze meisjes beperkingen op te leggen, zouden ze net alle kansen moeten krijgen om te studeren waar en wat ze willen. Bij eventuele hoofddoekdwang door ouders of familieleden is scholing de beste garantie om later aan de geboden van een relatief kleine gemeenschap te kunnen ontsnappen.
Autonomie van de scholen is een goede zaak. Maar wanneer autonome beslissingen de individuele emancipatie en het integratieproces belemmeren - en dus een collectief probleem worden - mag de overheid niet de andere kant opkijken. Het is de taak van de overheid om erover te waken dat elk kind de toegang behoudt tot de studierichting van zijn keuze. Overheden mogen die taak niet te licht opvatten en moeten daarom actief oplossingen zoeken samen met de schoolgemeenschappen en de allochtone gemeenschap.
Ook Engeland kende vijftien jaar geleden een plotse verheviging van het conflict. Toen in 1990 twee zussen naar huis werden gestuurd omdat ze een hoofddoek droegen, werd na een crisisvergadering het huisreglement aangepast. Voortaan waren hoofddoekjes in de kleur van het schooluniform toegestaan, zolang ze geen risico inhielden voor de gezondheid. British common sense.
Internationaal scoort Vlaanderen schitterend op het vlak van onderwijs, behalve op één aspect: de schoolprestaties van allochtone kinderen. Een hoofddoekenverbod is in het licht hiervan tegelijk irrelevant en contraproductief.
Neutraliteit?
De Belgische onderwijswet van 1959 plaatste neutraliteit en respect voor godsdienstvrijheid nog op gelijke hoogte. Met de komst van een nieuwe godsdienst - de islam - raakte de koppeling tussen beide in de verdrukking. Op grond van kledingvoorschriften ging de invulling van neutraliteit alvast in Vlaamse scholen steeds vaker gepaard met een inperking van de godsdienstvrijheid.
Eenzelfde evolutie merken we in overheidsdiensten, waar - opnieuw met de islam als belangrijkste mikpunt - vestimentaire referentie naar het geloof meer en meer onder vuur komt te liggen. Recentelijk ging in Vlaanderen het Antwerpse stadsbestuur daarin het verst. Op 27 november 2006 besliste het nieuw verkozen bestuur dat stadspersoneel dat rechtstreeks in contact komt met de burger zoals loketpersoneel, bibliothecarissen, sociale werkers, ... voortaan geen “uiterlijke symbolen van levensbeschouwelijke, religieuze, politieke of andere overtuigingen” meer mag dragen. De argumentatie was tweeledig: de maatregel kwam er om elke schijn van partijdigheid te vermijden en om het draagvlak voor een divers personeelsbeleid te vergroten.
Met dat laatste wordt alvast geen culturele diversiteit bedoeld, want uitingen daarvan worden nu net verboden op de werkplek. Rest alleen nog een fysiek divers personeelsbeleid: diversiteit in huidskleur, haartype, oogvorm, sekse, etc. De vaststelling is onthutsend, want dit soort diversiteit mogelijk maken kun je in een land als België anno 2006 bezwaarlijk nog langer een doelstelling noemen. Het is het verworven minimum minimorum, de lat waaronder een democratische samenleving niet duiken kan zonder van karakter te veranderen. Het vergroten van het draagvlak voor dit soort van diversiteit kan dus niet de echte reden geweest zijn voor het invoeren van een kledingrichtlijn in Antwerpse loketfuncties.
Wellicht daarom wordt bij het verdedigen van de maatregel meestal toch gewezen op het eerste argument, namelijk de neutraliteit bij de dienstverlening garanderen. Het vrijwaren van de neutrale lekenstaat - scheiding van kerk en staat - blijkt hier echter niet meer dan het pseudo-objectiverende principe om vooral een hoofddoekenverbod te legitimeren. Daags na het invoeren van de richtlijn berichtten de meeste krantenkoppen al over “het Antwerpse hoofddoekverbod”, niet over het keppelverbod of het kruisjesverbod. De hoofdredacteur van het weekblad Knack schreef over een “algemene regel die duidelijk werd ingevoerd om één bepaalde groep te treffen” (1 juni 2007). In de praktijk klopt dat laatste: de eerste negen getroffenen van de nieuwe dresscode waren allen moslima’s. Tot dusver zijn alleen hoofddoekdraagsters overgeplaatst naar de backoffice.
Behalve het Antwerpse stadsbestuur verdedigt intussen niemand nog de stelling dat het om iets anders gaat dan om een hoofddoekenverbod. In zijn boek Het beste moet nog komen (2006) had burgemeester Patrick Janssens zelf gewezen op “het oprukken” van de hoofddoek in de publieke ruimte. In interviews gaf hij aan daarover duidelijkheid te willen creëren in stadsdiensten (Knack, 20 december 2006). De hoofddoek moest weg, want “er zijn nu eenmaal burgers die zich storen aan een hoofddoek” (De Morgen, 14 mei 2007).
Om zout in de wonde te wrijven zette Filip Dewinter, de politieke leider van extreem rechts, begin juni 2007 nog eens de puntjes op de i in een open brief aan de burgemeester. Hij riep op niet te wijken voor het toenemende protest tegen het hoofddoekenverbod. In de vertrouwde metaforiek had hij het over een halt toeroepen aan de islamisering van hele Antwerpse stadsdelen (“Antwerpistan”) en over moslimverkozenen die als paard van Troje de stadhuismuren waren binnengesmokkeld. “Indien het verbod opgegeven wordt, staat de poort wagenwijd open voor andere en nieuwe toegevingen aan de opdringerige islam” (1 juni 2007).
De verbodskaart voor de hoofddoek wordt door beide politici gesitueerd in een context van duidelijkheid creëren: tot hier en niet verder. Angst voor het hellend vlak (oprukken, poort wagenwijd open) blijkt de drijfveer. Het principe van neutraliteit functioneert daarbij als maatschappelijk aanvaardbare vertaling van de extreemrechtse leuze ‘aanpassen of opkrassen’. In een televisiedebat bevestigde ook de toenmalige Vlaamse minister-president Yves Leterme waar het op stond: hij keurde het hoofddoekenverbod goed met de argumentatie dat “die mensen zich maar moeten aanpassen conform zoals wij dat willen” (20 mei 2007).
Maar wie is in het streven naar neutraliteit dan ‘wij’? Daags na de uitspraak van Leterme schreef een van zijn ministers op zijn blog: “Uitspraken zoals deze van Yves Leterme bevestigen het beeld dat onze samenleving een monoculturele samenleving is, een samenleving met slechts één cultuur. Wie dit beeld vandaag promoot, neemt een waanidee voor werkelijkheid” (Bert Anciaux). In een vlammend betoog tegen het hoofddoekenverbod zei Tom Lanoye: “Alleen díe dominante cultuur noemt zich neutraal die zelfs niet inziet dat zij zich dominant gedraagt. Omdat zij zich simpelweg als enig mogelijke ziet. Dat is, in een notendop, het almaar toenemende monoculturele drama” (26 april 2007).
Het is inderdaad de dominante groep binnen een samenleving die bepaalt wat neutraal is en wat niet, die aangeeft wat vanzelf spreekt (de traditie) en wat stoort (de afwijking): de jaarlijkse kerststal op de grote markt is oké, een moslimhoofddoek aan de balie niet. Dit botst met het wezen van de democratie, die minderheden net ruimte wil geven binnen het meerderheidsdenken. Om conflicten hierover te overstijgen, ontstonden de filosofieën van het actief pluralisme en de inclusieve neutraliteit.
Beide principes vormden tot nog toe het kader voor de sociale praktijk in België, ook in scholen en overheidsgebouwen. Pluralisme en neutraliteit in de uitvoerende macht steunen niet op een codering of selectie van toegestane identiteitsbelevingen. Integendeel: net de grootst mogelijke diversiteit aan levensbeschouwelijke identiteiten garandeert er de vitaliteit van het pluralisme. De neutraliteit in onderwijs, administratie en gesubsidieerde vzw’s wordt gewaarborgd op het niveau van het gedrag van de bediende bij de dienstverlening, niet op het niveau van haar uiterlijk. Huisreglementen over dat laatste zijn eerder functioneel van aard, niet principieel. Ze focussen op elementen als veiligheid, hygiëne en herkenbaarheid. Voor het bewaken van de openbare zeden is er een juridisch kader.
Dergelijk pluralisme vereist een pragmatische aanpak, met ruimte voor overleg bij werkgevers, werknemers en klanten. Het biedt niet de duidelijkheid van het radicale secularisme zoals dat in Frankrijk beleden wordt, waar de individuele identiteit ondergeschikt blijft aan de identiteit van de staat. Maar het vormt wel een duidelijker afspiegeling van de realiteit, gunt mensen nuttige voorkennis over anderen en houdt de flexibiliteit van een samenleving op peil. Of zoals Soumaya Ghannoushi, onderzoekster aan de Universiteit van Londen, schreef: “Als maatstaf voor het dynamisme van de publieke ruimte geldt ook het vermogen om diverse leefwijzen en manieren van expressie in één geheel te verenigen” (The Guardian, 31 oktober 2006).
Politieke gok
De dubbele helix van vermeende onderdrukking (emancipatie) en religieuze strijdbaarheid (scheiding van kerk en staat) verklaart waarom progressieven vandaag samen met conservatieven de hoofddoek viseren. Turkije vormt daarbij een dankbaar referentiekader: islamland, maar tegelijk de hoofddoek verbiedend in openbare functies. De redenering wordt dan: als zo’n land het al verbiedt, waarom wij dan niet? En moeten we de emancipatorische krachten daar niet steunen door ook hier eenzelfde grens te trekken? Met het antwoord dat bijvoorbeeld Vlaanderen geen Turkije is wordt geen genoegen genomen. Noch met de opwerping dat je de emancipatieprocessen in het Vlaanderen van nu niet kan vergelijken met de hardhandig opgelegde modernisering onder Turkse staatsvlag waar Ataturk tachtig jaar geleden werk van maakte. Paradoxaal genoeg ijvert in Turkije nu net een van de weinige moslim-democratische partijen ter wereld voor het recht op het dragen van een hoofddoek. Even paradoxaal is de vaststelling dat het Turkse leger garant moet staan voor weerwerk daartegen, geruggensteund door progressieven.
Ook in Antwerpen kwam het hoofddoekenverbod er onder een bestuur met een progressieve meerderheid. Om aan inhoudelijke tegenspraak en verwijten van assimilatiedrang te ontsnappen, kadert dit stadsbestuur de maatregel in progressieve newspeak: het verbod moet het draagvlak voor meer diversiteit vergroten. Administratieve neutraliteit wordt semantisch hertaald in ‘een meer klantgerichte aanpak’. Zij die protest aantekenen wordt conservatisme aangewreven: ze koesteren ideologische taboes, zijn muggenzifters of reageren emotioneel (‘hysterisch’ wanneer het moslima’s betreft). Volgens een socialistische minister is de kritiek ‘irrationeel’, terwijl toch de voorbije maanden over weinig thema’s zo veel doortimmerde opiniestukken, essays, interviews en reportages verschenen als over het hoofddoekenverbod.
Er is een bredere context voor dit alles: het opschuiven van het discours van rechten (op gang sinds jaren zestig) naar plichten (toegenomen nadruk hierop sinds jaren negentig), en meer bepaald van rechten voor minderheden naar plichten ten aanzien van de meerderheid. Dat is de prijs die sommige progressieven willen betalen voor het terug aan boord hijsen van de kiezers die sinds het einde van de jaren tachtig overstapten naar rechts - ook extreemrechts.
Het is geen toeval dat net in Antwerpen het eerste hoofddoekenverbod van kracht werd. In de officiële stadspublicatie Een jaar van A - Antwerpen 2005 waren op vijfenzeventig bladzijden vol foto’s van Antwerpenaren nauwelijks allochtonen te bekennen, en al helemaal geen hoofddoeken. Of toch: op bladzijde 57 liep een vrouw met een hoofddoek om ... in de vijfjaarlijkse Wilrijkse Geitestoet. Als folklore kon het nog.
Finaal werd ook in de hoofddoekendiscussie hét argument bovengehaald dat intussen bijna een kwarteeuw het publieke debat ter linkerzijde in Antwerpen verlamt: wie openlijk ageert tegen beslissingen van het stadsbestuur, polariseert, ‘speelt in de kaart van extreemrechts’, beschadigt de stad. Vooral binnen het Antwerpse socialisme is dit discours een manier geworden om kritiek vanuit politieke partijen, vakbonden, middenveldorganisaties en actiecomités verdacht te maken. Het discours verlamt het debat, omdat het een strategische evaluatie geeft, geen inhoudelijke. Kritiek wordt herleid tot cynisme en profileringsdrang die een ‘langetermijnvisie’ en het zoeken van compromissen bemoeilijken.
Vaak nemen journalisten dit persoonsgerichte discours over. Dieptepunt daarbij was de denigrerende toon in een krantenartikel over het districtsraadslid Najat Assissi, die uit protest tegen het hoofddoekenverbod uit de socialistische partij stapte. Meteen werd zij gereduceerd tot ”de nieuwbakken politica, die werkzaam is bij de Federatie van Marokkaanse Verenigingen” (De Standaard, 31 mei 2007).
Nochtans strookte haar standpunt honderd procent met de partijlijn. Op de website van de SP.A lezen we: “We houden ons niet bezig met schijnproblemen, zoals de hoofddoek. Het is cynisch de allochtone gemeenschap aan te pakken op zo’n schijnprobleem. (...) We moeten opletten geen symbolendiscussie te starten waarbij je gematigden kwetst terwijl je eigenlijk de extremisten wil aanpakken.” In De Standaard van 28 april 2007 bepleitte Steve Stevaert, de vorige voorzitter van de partij, nog een actief pluralisme. Socialistische kopstukken wezen op een andersoortig hellend vlak dan dat waarvoor de tegenstanders van de hoofddoek beducht zijn: wat hield werkgevers buiten de administratie nu nog tegen om ook een verbod in te voeren, want had een stadsbestuur niet het voorbeeld gegeven? Een stadsbestuur van SP.A-signatuur, nota bene.
In deze kwestie blijkt niet Najat Assissi maar wel burgemeester Patrick Janssens in de verkeerde partij te zitten. Dat vond ook N-VA-voorzitter Bart de Wever, toen hij op zijn blog het volgende noteerde over het boek van de burgemeester: “Daarin pleit hij onder meer voor het inmiddels beruchte hoofddoekenverbod voor stadspersoneel dat in contact treedt met het publiek. Op basis van die passage, en nog vele andere, was mijn conclusie dat Janssens eigenlijk de verkeerde lijst trok” (1 juni 2007). Diezelfde dag schreef Walter Pauli in De Morgen: “Er was in Antwerpen geen hoofddoekenprobleem, tot hij er een van maakte.”
Na de verkiezingen van 10 juni 2007 is de SP.A aan herbronning toe. Ongetwijfeld zal daarbij ook aandacht worden besteed aan het demasqué van progressieve argumenten die eigenlijk een rechts-conservatief beleid legitimeren. Hopelijk vergeet men in dat verband niet om ook het hoofddoekenverbod onder de loep te nemen.
BIO
Manu Claeys is publicist en woont in het Antwerpse district Borgerhout. Over het hoofddoekendebat schreef hij eerder ‘Strategie op ’t Schoon Verdiep’ en, samen met Anne Provoost, ‘De dresscode van de lekenstaat’ en ‘Uitingen van onderworpenheid’ - zie www.manuclaeys.be.
