Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Jef Peeters
Overwegingen bij Otto Ullrichs pleidooi voor een subsistentie-economisch alternatief
dinsdag 15 maart 2005, door Jef Peeters
"In de zoektocht naar nieuwe voorwaarden voor een "goed leven" zou ik, steunend op Ivan Illich, drie dimensies van een politieke plaatsbepaling willen schetsen . Als eerste politieke dimensie kan men de "links-rechts"-as noemen. Het is het vertrouwde schema van de oude parlementaire zitjes-geografie. "Links" staat bij wijze van voorbeeld voor sociale gerechtigheid, door de staat gegarandeerde sociale voorzieningen, bescherming van de zwakkeren, solidariteit; "rechts" o.a. voor veiligstelling van privileges, wet en orde, sterke staat, prestatie moet beloond worden. Deze eerste politieke dimensie benoemt dus thema’s van machtsverhoudingen, hiërarchie, bezitsverhoudingen, verdeling van hulpbronnen en levenskansen. Zij benoemt het eerste belangrijke conflictthema van de industriële maatschappij: de "sociale vraag".
Toen de burgerinitiatieven, de tegenstanders van atoomenergie en de groenen op het toneel verschenen en het tweede grote conflictthema van de industriële maatschappij formuleerden, nl. de "ekologische vraag", ontstonden er oriënteringsproblemen voor het gewone links-rechts-denken. Het is echter mogelijk om dit nieuwe thema op een tweede as te ordenen, onafhankelijk van de eerste dimensie. Het groene debat begon met de kritiek op milieubedreigende technologieën en met het zoeken naar beter door de natuur te verdragen, zachte technieken. Men kan dus de ene pool van de nieuwe politieke dimensie als "zacht", en de andere als "hard" kenmerken. Met "hard" wordt bij wijze van voorbeeld geassocieerd: grote krachtinstallaties, synthetische chemie, verchemiseerde monocultuur-landbouw, automobilisme; met "zacht" de daaraan beantwoordende technisch-organisatorische alternatieven: passieve aanwending van zonneënergie, natuurstoffenchemie, ekologische landbouw, fietscultuur.
Met de twee assen "links-rechts" en "hard-zacht" kan men een vlak coφrdinatensysteem construeren. In een op die manier gedefinieerd "politiek landschap" kunnen ook posities en opties beschreven worden die tot nu toe ongewoon waren. Ik kan hier de combinatie "rechts" en "zacht" vermelden die bij het begin van de groene beweging zeker een rol gespeeld heeft. Bij de Westduitse Grόenen zette zich toen overwegend de combinatie "links" en "zacht" door. (...)
Beslissend voor een nieuwe oriëntatie in de richting van een door de aarde te verdragen en menswaardige levenswijze is de nu te beschrijven derde dimensie. Om haar polen te kenmerken zijn er nog geen gangbare en onmiddellijk verstaanbare begrippen. Daarom moeten er verscheidene beschrijvingen aangehaald worden. De derde dimensie beschrijft de diametrale verschillen op het vlak van de levensvorm, in de aard en wijze van behoeftenbevrediging. De ene pool kan gekarakteriseerd worden door "warenintensieve levenswijze", opsplitsing van het leven in loonarbeid en warenconsumptie, homo economicus. Het is de pool van de industriële arbeids- en levenswijze. De andere pool kenmerkt de alternatieven: materiële genoegzaamheid, autonome zelfverzorging, subsistentie-activiteit, homo vernacularis." Ullrich pleit er vervolgens voor om deze pool te benoemen met de door Illich gebruikte term "vernaculair" . "Vernaculus betekende in het Latijn alles wat "in huis" tot stand kwam, in tegenstelling met wat via ruil van de markt kwam."
"Aan de hand van deze derde dimensie kunnen er in een driedimensionele ruimte acht politieke grondposities of oriëntaties weergegeven worden. Door deze manier van voorstellen kan men onderstrepen dat met het bijkomen van nieuwe politieke dimensies, oudere niet onbelangrijk worden."
Het is pas in het maken van de drie keuzen samen dat volgens Ullrich een antwoord gegeven wordt op de maatschappelijke problemen van vandaag, en dat de contouren van een alternatief voor het industrieel kapitalisme zich uittekenen. Daarbij is de derde keuze in zekere zin beslissend. Voor Ullrich is het herwinnen van de bekwaamheid tot subsistentie, tot zorg voor het eigen levensonderhoud in overzichtelijke structuren van een economie van de nabije ruimte, essentieel voor het formuleren van een welvaartsbegrip dat wereldwijd veralgemeenbaar is. Hiermee sluit hij aan op een belangrijke positie in het groene denken die o.a. ingenomen wordt door radicale ekologisten als Rudolf Bahro, alsook door een aantal auteurs voornamelijk met een Derde Wereldperspectief .
De keuze voor een subsistentie-perspectief is een antwoord op de problematiek van de schaarste die in het gangbare denken over milieu en samenleving tot een impasse leidt. Deze impasse werd door Etienne Vermeersch verwoord als het "Scylla-Charybdis"-principe. "Zolang het huidige wereldbestel in voege blijft, kan men niet anders dan tussen twee klippen laveren. Hoe groter het gedeelte van de wereldbevolking is dat in welstand leeft, hoe meer het ecosysteem in gevaar is; hoe meer het ecosysteem wordt gevrijwaard, hoe meer dit gepaard gaat met mateloze ellende." Dat betekent m.a.w. dat men er niet uitgeraakt indien men binnen het huidige maatschappelijk systeem tegelijkertijd de rechtvaardigheidsvraag en de milieuvraag wil oplossen. Vermeersch is mijns inziens echter niet in staat een echt alternatief te formuleren en blijft dus in de impasse zitten.
Het is nu juist omdat Ullrichs derde keuze een totaal-alternatief op het vlak van de produktiewijze impliceert dat deze keuze beslissend is. Een centraal punt in Ullrichs uiteenzetting hieromtrent is dat de problemen van de industrieel-kapitalistische samenleving samenhangen met een cultureel verankerde opvatting van wat een "goed leven" is. De absolute schaarste die de industriële produktiewijze dreigt voort te brengen is immers nauw verbonden met ons modern begrip van "welstand". De verwachting van een warenintensieve levenswijze impliceert de schaarste. Ik wil nu reeds opmerken dat naar mijn mening juist hier het breekpunt ligt tussen radicale groenen en traditionele socialisten, wat ik verder zal trachten te argumenteren. Ik zal echter eerst pogen om in een aantal commentaren Ullrichs positie scherper te stellen. Hieraan zullen ook elementen die in andere teksten van Ullrich uitgewerkt zijn van pas komen .
1. Industrialisme
Ullrich gebruikt "industrialisme" als centraal begrip om onze samenleving te kenmerken. Bedoelt hij daar het "kapitalisme" mee? Ja en neen. Ja in die zin dat het industrieel kapitalisme in dit begrip begrepen is. Neen omdat het begrip bij Ullrich een ruimere lading heeft dan wat men gewoonlijk onder ’kapitalisme’ verstaat, en daarom fundamenteler is.
Een eerste reden is de nadruk op het feit dat in het reëel bestaande socialisme de produktie van het maatschappelijk meerprodukt essentieel op dezelfde manier gebeurt als in de kapitalistische landen. Met "industrialisme" beoogt Ullrich dus een kritiek te formuleren die verder gaat dan de bezitsverhouding t.a.v. de produktiemiddelen. Het is belangrijk om in te zien dat de eigendomsstructuur van de produktiemiddelen, en de structuur van de produktcirculatie als twee afzonderlijke en continu varieerbare variabelen kunnen beschouwd worden. Enerzijds kan je van particulier tot openbaar eigendom gaan, anderzijds heb je laissez-faire-markteconomie tegenover centrale planeconomie. Het zien van verscheidene combinaties geeft een meer adequate beschrijving van de bestaande maatschappijen dan een opdeling in kapitalistische en niet-kapitalistische enkel op basis van hun eigendomsstructuur. Dat laatste geeft niet veel informatie over de processen die feitelijk plaatsvinden.(TH181) Het is volgens Ullrich belangrijk om in te zien dat er in geen van de moderne industriële maatschappijen maatstaven ontwikkeld werden om de onbegrensdheid van de kapitaalsaccumulatie als een feitelijk proces van "produceren om te produceren" te beteugelen.
Deze argumentatie draait op het eerste gezicht om een goed begrip van wat "kapitaal" is, en lijkt dus onvoldoende om tot het gebruik van een andere term te besluiten. Ullrich heeft echter twee meer fundamentele redenen om de term "industrie" naar voor te schuiven. Een eerste heeft te maken met zijn aandacht voor de materiële kant van de maatschappelijke processen. Een analyse van de logica van het kapitaal met bijhorende kritiek van de produktieverhoudingen volstaat niet. De tot ontwikkeling gebrachte produktiekrachten zijn maatschappelijk niet neutraal. Maatschappelijke machtsverhoudingen zijn geοmplementeerd in de industriële produktiestructuren alsook in de industriële produkten zelf . Een kritiek van de produktiekrachten is voor Ullrich een noodzakelijke aanvulling van Marx’ "kritiek van de politieke economie" . De noodzakelijkheid hiervan wijst op een dieperliggende reden die volgt uit de centrale stellingnamen in Technik und Herrschaft. Ullrich toont daarin aan dat de ontwikkelingsdynamiek en de machtsverhoudingen van de moderne industriële maatschappijen niet enkel door de logica van het kapitaal bepaald worden. De moderne wetenschap en de verwetenschappelijkte techniek hebben hierin hun eigen onafhankelijke bijdrage . Het is pas vanuit het samen-werken van kapitaal en moderne wetenschap en techniek dat het fenomeen "industrie" kan begrepen worden. Het is de "structurele affiniteit" van de logica’s van wetenschap, wetenschappelijke techniek en kapitaal die bepalend is voor het aanschijn van de moderne produktiewijze . Ullrichs begrip van deze produktiewijze is dus omvattender dan wat met de term "kapitalisme" kan aangeduid worden, en in die zin is "industrialisme" voor Ullrich een fundamentelere notie. Het fenomeen van de doelloze accumulatie blijft hierbij wel centraal staan, maar deze wordt evenzeer aangedreven door de tendens tot grenzeloze ontwikkeling van de moderne techniek op zich. Het is nu juist via het inschakelen van de moderne technologie in de produktie dat de "ongelijke ruil" die eigen is aan het kapitalisme, en die de kapitalistische accumulatie mogelijk maakt, de proporties heeft kunnen aannemen die ze in het industrieel kapitalisme heeft. Het technologisch proces van vervanging van menselijke energie door het gebruik van fossiele brandstoffen leidt tot de zogenaamde "hoge arbeidsproduktiviteit" van de moderne industrie en tot de daaruit volgende concurrentievoordelen. Zoals Ullrich aantoont bestaat het bedrog hierin dat deze inzet van energie steunt op plundering van niet zelf voortgebrachte bronnen . Het technologisch optimisme steunt op de illusie dat het proces van substitutie van menselijke energie eindeloos kan doorgaan, en houdt dus een fundamentele ontkenning in van de materiële grenzen aan elk economisch ontwikkelingsproces. In die zin brengt het industrialisme zelf de schaarste voort die het pretendeert op te heffen.
2. Macht en schaarste
Leidt de logica van het industrialisme aldus naar een absolute schaarste, dan moet daarbij voor ogen gehouden worden dat het voor Ullrich om een machtslogica gaat. De machtsprocessen in de moderne samenleving worden in belangrijke mate ook ondersteund door "schaarste" als een cultureel motief.
Deze toedracht van de moderne schaarste komt bij Ullrich tot uiting in de manier waarop hij in Technik und Herrschaft een gepaste definitie van macht tracht te formuleren voor een kritische analyse van het industrieel systeem. In zijn machtsbegrip moet de vaststelling gereflecteerd worden dat in onze industriële samenleving de levenskansen en ontplooiingsmogelijkheden van de mensen ongelijk verdeeld zijn. Niet iedereen deelt in gelijke mate in de collectief voortgebrachte voor- en nadelen. Sommige groepen slagen erin hun belangen door te zetten en kunnen een vrij comfortabel leven leiden. Zij ondervinden daarbij weinig hinder van de ongemakken en nadelen die inherent zijn aan de industriële produktiewijze. De nadelen worden afgeschoven op de zwakkere groepen in de samenleving, op de volkeren van het Zuiden, op de komende generaties en op de natuur.
Voor Ullrich is het aanwezig zijn van dergelijke asymmetrie het meest wezenlijke kenmerk van een machtsverhouding. Ullrich spreekt van macht - in de zin van "Herrschaft", heerschappij - indien de sociale verhoudingen verhinderen dat de bij de maatschappelijke reproduktie gezamenlijk voortgebrachte "lusten en lasten" rechtvaardig verdeeld worden. Ullrich geeft volgende algemene omschrijving: "Heren-macht is formeel gezien en in het eenvoudigste geval een asymmetrische sociale dwangverhouding tussen H(eer) en K(necht). Ze is asymmetrisch omdat de "winst" in deze sociale verhouding ongelijkmatig verdeeld is: K zet zijn arbeidskracht meer in voor het belang en het voordeel van H, dan H voor K; de relatie H-K is vooral onderworpen aan de wil van H. De verhouding is een dwangverhouding omdat de asymmetrie ook tegen de wil van K in gehandhaafd wordt. Verder is macht een verhouding tussen H en K, en geen eigenschap van H. H heeft geen macht, maar H heeft macht over K. Bij macht hoort tevens dat K op bepaalde gronden "meespeelt". En wat betreft het laatste begrip in bovenstaande definitie: macht is een sociale verhouding omdat de definitie betrekking heeft op een relatie tussen mensen."(TH153)
Het is belangrijk om aan te stippen dat Ullrich niet alleen doelt op een onrechtvaardige verdeling van materiële goederen, maar van levenskansen in het algemeen. In het bijzonder hecht hij veel belang aan menselijke autonomie, en aan bevrediging die mensen kunnen vinden in hun activiteiten, vooral ook in hun arbeid. Het centraal stellen van asymmetrie in zijn machtsdefinitie geeft Ullrich een kritisch instrument, een criterium met een meer algemene draagwijdte dan "ongelijke ruil", in handen om de industriële samenleving te ontleden. Asymmetrie is een criterium om machtsprocessen op het spoor te komen, en om deze vanuit de onderkant van de samenleving te kunnen bekijken. Door middel van kosten-baten analysen kan de contraproduktiviteit, voor Ullrich in eerste instantie de "sociale schade", van het industrieel systeem aangetoond worden. Indien dit systeem asymmetrie voortbrengt, onderhoudt en legitimeert, dan kunnen we terecht van het "rijk van de schaarste" spreken . In de vooronderstellingen die de moderne maatschappelijke ordening legitimeren speelt "schaarste" een expliciete rol. Dit komt zelfs tot uiting in hedendaagse sociologische werken die de maatschappelijke vervlechtingen trachten te verklaren. Zo laat Ullrich bijv. zien hoe het "suspecte" van macht kan verhelderd worden aan de hand van de "spelmodellen" van Norbert Elias . Deze beschrijft eerst een "voorspel" als een model voor een ongenormeerde vervlechting. Het gaat om het oorspronkelijk "natuurbepaalde" gevecht van mensen tegen elkaar om schaarse bronnen, de "ultima ratio van alle maatschappelijke betrekkingen" .
Ullrich merkt daarbij op dat "dit spel zich zozeer heeft vastgehecht in onze instituties en in onze hersenen als "natuurlijke" aard van het spel in de sociale relaties, dat spelen met een principieel andere struktuur niet licht voorstelbaar zijn, zelfs niet in oefeningen van sociologische voorstellingskracht." En dat terwijl in werkelijkheid, mede door de technische ontwikkelingen, de mogelijkheid aanwezig is om de zogenaamde "schaarste" op te heffen, en meer levensmiddelen voort te brengen dan we zinvol kunnen verbruiken. "Het oude spel wordt echter verder gespeeld. Hulpbronnen worden vernietigd, produktiekrachten verspilt aan oorlogstuig, het tekort, de basis van het oude spel, kunstmatig voortgebracht. (...) De logica van dit spel heeft de mensen vindingrijk gemaakt in het verzinnen van spelen met noodzakelijk schaarse bronnen."(TH155-156) Zo geeft de culturele ontwikkeling een verdere toename van behoeften te zien die niet voor iedereen op gelijke wijze kunnen worden vervuld. Ullrich stelt zich de vraag of het mogelijk is nieuwe spelen in te oefenen, op basis van solidariteit en vriendschap, waarbij de tegenspeler geen vijand is, waardoor het gevecht aan belang verliest. Daarbij dient voor ogen gehouden te worden dat de zelfgekozen afhankelijkheid in een solidaire gemeenschap niet te vergelijken is met door geweld ingestelde afhankelijkheidsverhoudingen. Bovenal is het van centrale betekenis of de reproduktie van de onmiddellijke levensbasis tegen of met mensen gebeurt, en dit dient onderscheiden te worden van andere vormen van menselijke interdependentie.
"Heren-macht in het domein van de produktie tracht nu de niet noodzakelijke logica van het "oude spel" voor de verzekering van de levensbasis in stand te houden."(TH157) Indien Ullrich de klemtoon wil leggen op het verdachte moment van macht dan "moet volgende achtergrond daar steeds bijgedacht worden: de noodzakelijke kritiek op een objectief niet noodzakelijke asymmetrie in levenskansen aan de basis van de reproduktie; of de kritiek op de zogenaamde vanzelfsprekendheid van de logica van het "oude spel" voor alle gebieden van het menselijk samenleven."(TH157) Een kritiek van de machtslogica van het industrialisme moet dus gepaard gaan met een kritiek van de culturele "mythen" die haar ondersteunen.
3. Levensvorm
Waar Ullrich zijn derde oriëntatie-as beschrijft spreekt hij over diametrale verschillen op het vlak van de "levensvorm". Uit zijn uiteenzetting blijkt dat hij hiermee in zekere zin een andere term voor "produktiewijze" hanteert , de term die hij in vroegere teksten meestal wel gebruikt . Ik vermoed dat Ullrich op die manier o.a. een eenzijdig materialistische interpretatie van dit begrip, zoals gebruikelijk in een gangbaar marxisme, wil voorkomen. Het gaat hem om het geheel van maatschappelijk-culturele praktijken die vorm geven aan de levenswijze van een historisch gesitueerde samenleving. Naast de organisatie van de levensreproduktie, met bijhorende arbeids- en consumptiepatronen, moeten ook de daarmee samenhangende motivatiestructuren en culturele verwachtingspatronen door het begrip in beschouwing genomen worden, om een verschijnsel als de "moderne schaarste" in zijn volle breedte te kunnen verstaan. Er moet bijvoorbeeld verklaard kunnen worden waarom de geluksbelofte van de arbeidsmaatschappij niet vervuld wordt. "Met de configuratie "instrumentele loonarbeid en warenconsumptie" wordt immers gepoogd tendentieel alle behoeften door het kopen van waren te bevredigen. Dat kan niet lukken omdat er naast de materiële niet minder belangrijke immateriële behoeften zijn zoals zelfwaardering, erkenning, genegenheid en liefde. De industriemens tracht, naar de normen van het systeem, ook deze behoeften door het inschakelen van materiële middelen te stillen. Dat geeft weinig resultaat en leidt tot een voortdurend hogere inzet van middelen. (...) Daar komt bovenop dat over het algemeen de produktie van steeds meer nieuwe materiële behoeften groter is dan de mogelijkheid tot hun vervulling, zodat er een permanent gefrustreerd wezen ontstaat dat voor het produktivisme zeer funktioneel is." Of, hoe culturele verwachtingspatronen kunnen leiden tot schaarste op psychisch niveau.
Ullrich geeft nog een tweede verklaring voor het uitblijven van geluk. Deze "wijst op de grondvoorwaarden voor een menselijk samenleven in een maatschappij. Men is er zich zelden van bewust dat het industrialisme niet slechts op vreemde materiële hulpbronnen steunt, maar ook op niet zelf voortgebrachte sociale pijlers. Voor het aandrijven van zijn machinerie gebruikte het kapitalistische industrialisme niet slechts de voorhistorische fossiele energieën, maar ook de voorindustriële "sociale hulpbronnen" zoals traditionele gemeenschapsvormen, familiebanden, netwerken van bloedverwantschap, bekwaamheid tot vriendschap, opofferingszin, "vanzelfsprekende", niet verloonde bezigheden vooral van vrouwen in het huishouden en van vele sociale instellingen (nonnen), alsook solidariteit tussen buren en lotgenoten. Slechts op zichzelf genomen, slechts aangewezen op de door haar zelf voortgebrachte sociale verhoudingspatronen, zou de industriële samenleving net zo weinig "levensvatbaar" zijn als een bedrijf dat louter volgens voorschriften zou draaien.
Nu verbruikt, erodeert, vernietigt het industrialisme - van generatie op generatie meer - ook de vreemde "sociale hulpbronnen". De nog steeds toenemende monetarisering van alle levensdomeinen, de op de spits gedreven individualisering en privatisering, de sluipende vervanging van menselijke betrekkingen door economisch efficiëntere mens-machine-interfaces doen de samenleving verkillen en haar "sociale kit" verbrokkelen. De industriële, op winst gerichte samenleving valt hoe langer hoe meer uiteen in monaden die individueel nut maximaliseren, in gevoelsarme, relatie-onbekwame sociale analfabeten, niet in staat tot medeleven. De volledig ontplooide loonarbeider is een sociaal en psychisch verminkt wezen. Een "samenleving" of echte "gemeenschap" kan met hem niet opgebouwd worden, slechts nog een machineachtige constructie van monetaire ruilbetrekkingen met een mechanisch-bureaucratische bovenbouw."
De nadruk die Ullrich legt op de globaal-culturele aspecten van de industriële produktiewijze is belangrijk in het kader van een mogelijke politieke keuze. Een maatschappelijke structuur is niet plots te veranderen via een verandering bij decreet van haar determinerende principes. Zij is immers het produkt van een veelheid aan maatschappelijke praktijken die via socialiseringsprocessen verankerd zijn in de hoofden van mensen.(TH166) Een strategie van bewuste politieke verandering is dan ook maar mogelijk indien er iets kan ondernomen worden op het vlak van motivatiestructuren en verwachtingspatronen. Daarom staat bij Ullrich de vraag naar wat een "goed leven" is steeds centraal in al zijn maatschappijkritiek. Ook de mogelijkheid om uit de impasse te geraken waarin men verzeilt indien men vanuit de industriële produktiewijze tracht om tegelijkertijd het milieuvraagstuk op te lossen en een wereldwijde spreiding van welvaart te verzekeren, bestaat namelijk maar indien er een economisch alternatief kan aangewezen worden dat een "goed leven" kan verzekeren zonder opnieuw in de impasse te vervallen. Ullrich tracht aan te tonen dat het subsistentie-perspectief deze belofte in zich draagt. De sleutel hierbij is wat hij "materiële genoegzaamheid" noemt, gekoppeld aan autonome arbeid. Het moet duidelijk zijn dat Ullrich hier wel degelijk een andere maatschappelijke "levensvorm" op het oog heeft, en niet louter zoiets als wat men gewoonlijk onder persoonlijke "levensstijl" verstaat. Elementen van persoonlijke keuzen worden door Ullrich immers geplaatst binnen een kader dat beoogt de organisatie van de maatschappelijke reproduktie te veranderen in de richting van een rechtvaardig en ekologisch haalbaar maatschappelijk alternatief. Het handelen van personen en groepen gaat evenwel vooraf aan nieuwe maatschappelijke structuren. "Geleefde alternatieven" zijn binnen Ullrichs visie dan ook belangrijk in het tot stand brengen van een sociaal-culturele context die politieke aktie op ruimere schaal mogelijk maakt.
Op twee punten wil ik nu verder ingaan. Eerst en vooral zou het duidelijk moeten zijn dat het industrieel systeem niet in staat is de aangehaalde contradictie op te lossen. Welke goede redenen zouden er anders zijn om ons welvaartsmodel te verlaten? Bovendien moet duidelijk gemaakt worden dat de alternatieve levensvorm die Ullrich schetst wel degelijk beantwoordt aan wezenlijke menselijke verzuchtingen, wil zij het etiket "goed leven" waardig zijn.
4. Grenzen aan de milieugebruiksruimte
Sedert het Brundtland-rapport wordt het milieuvraagstuk vertaald naar een vraagstuk van "duurzame ontwikkeling", "een proces van verandering waarin de ontginning van hulpbronnen, het richten van investeringen, de oriëntatie van de technologische ontwikkeling en institutionele veranderingen met elkaar in harmonie zijn en waarin zowel de huidige als de toekomstige mogelijkheden om aan menselijke noden tegemoet te komen, worden verhoogd" . Door economen wordt de discussie over dit soort "ontwikkeling" gemakkelijk verschoven naar een argumentatie over de hoeveelheid economische groei die we nodig hebben om tot duurzaamheid te komen. Het leidende motto is "ekologische modernisering", een uitgebreid investeringsprogramma om onze milieu-onvriendelijke produktiemethoden en produkten te vervangen door milieuvriendelijke om op die manier onze welvaart ook voor de toekomst veilig te stellen. Hoeveel groei is er nodig om dit te kunnen financieren? Dat lijkt mij niet de goede invalshoek te zijn om het gestelde probleem in zijn fundamenten te bestuderen omdat de vraag op die manier gesteld abstract blijft ten opzichte van de materialiteit van het probleem. Overigens zijn er studies die aantonen dat in het samengaan van economische groei en toename van welvaart er zich bij ons reeds een trendbreuk voordoet rond 1970. De consumptiemogelijkheden stijgen wel, maar arbeidsuitstoot, afbouw van collectieve voorzieningen en dalende milieukwaliteit stellen de economische manier van kijken ernstig in vraag . Ik wil daarom eerder de focus richten op het aspect "duurzaamheid". Wat zijn de basiseisen indien we op een duurzame manier aan de noden van de mensen willen tegemoet komen? Zijn er beperkingen in de wijze waarop we hier een antwoord kunnen geven? We bekijken dat achtereenvolgens vanuit de invalshoek van de intergenerationele solidariteit, en vanuit de eis voor een rechtvaardige verdeling van de hulpbronnen op wereldvlak.
a. Intergenerationele solidariteit
Deze eerste invalshoek vertrekt vanuit de eis dat aan de komende generaties minstens dezelfde levenskansen geboden wordt als aan de huidige. Het gangbare economische denken tracht dit in te vullen als het behoud van een constante kapitaalstock die de ene generatie aan de andere zou moeten overdragen. Er lijkt geen directe reden te zijn om nu het absolute niveau van de produktie te beperken. Zo stelt bijv. Philippe Van Parijs: "Het lijkt inderdaad redelijk te stellen dat het totale produktiepotentieel niet mag verslechteren, zonder dat deze eis geldt voor het potentieel dat op de natuurlijke hulpbronnenvoorraad steunt. Deze laatste verminderen is enkel verantwoord op voorwaarde dat dit samengaat met een technische vooruitgang en/of met een accumulatie van kapitaal die toelaten dat de produktiviteit van de arbeid op zijn minst constant blijft."
Mijn grote vraag daarbij is of hier, en in het economische denken in het algemeen, er wel enig begrip aanwezig is van wat "fysische grenzen" eigenlijk zijn. Iemand die daar wel de aandacht op trekt is Aviel Verbruggen, en hij stelt de voorgaande redenering ernstig in vraag. Zij verwoordt nl. "een gevaarlijke visie omdat ze teveel uitgaat van de onderlinge substitueerbaarheid van natuurlijk en gefabriceerd kapitaal, zodat we evolueren naar een verdere vernietiging van het natuurlijk kapitaal. Het is precies deze vernietiging die de keuzeruimte van toekomstige generaties ten zeerste inperkt, zodat naar andere werkregels moet worden gezocht die precies de vlugge omzetting van natuurlijk in gefabriceerd kapitaal tegengaan." Een ekologische belastinghervorming zoals Ullrich voorstelt heeft in de eerste plaats deze economische herstructurering op het oog. Het gaat om het zetten van een echte rem op de groei van gefabriceerd kapitaal, en niet louter om een invulling van het principe van "de vervuiler betaalt". Deze rem impliceert een noodzakelijke reductie van de omzet van industriële waren, en dus van het verbruik ervan.
Naast dit principiële punt is er nog een onmiddellijk dwingende reden om het verbruik van industriële goederen te verminderen. Ook indien we erin slagen om op vrij korte termijn over te schakelen op schone produktietechnieken en op milieuvriendelijke produkten, dan blijven we nog met de erfenis van het verleden zitten, nl. een enorme belasting van het natuurlijk kapitaal door demilieuvervuiling. Denk bijv. aan de afvalproblematiek. Het opruimen van de rommel uit het verleden zal de samenleving enorme kosten opleggen, en een groot deel van het beschikbare kapitaal moet hiervoor gereserveerd worden. Illustratief is hier de problematiek van de bodemsanering in Vlaanderen. Een voorbereidende studie voor het Afvalstoffenplan ’91-’95 maakt een eerste schatting van 9000 belangrijke "black points" die gesaneerd moeten worden, met een geraamde kostprijs van minstens 470 miljard frank. De discussie die n.a.v. het nieuwe decreet op de bodemsanering gevoerd werd laat zien dat het bedrijfsleven slechts een selectieve sanering ziet zitten, en dat ook voor de overheid de vraag naar de nodige financiële middelen levensgroot is . Een ander voorbeeld is het kernafval. De intrinsieke gevaarlijkheid van dit afval en het blijvend karakter ervan heeft voor gevolg dat omzeggens voor altijd belangrijke kapitalen moeten gereserveerd worden om de veiligheid van de bevolking te verzekeren. Conclusie: in functie van een leefbare toekomst voor de volgende generaties lijkt een afbouw van de industriële warenproduktie, minstens tot op zekere hoogte, noodzakelijk.
b. Rechtvaardige verdeling van de milieugebruiksruimte
Laten we de vraag naar "duurzaamheid" nu nogmaals vanuit een andere invalshoek bekijken om haar duidelijk te kunnen verbinden met het probleem van de rechtvaardige verdeling van de natuurlijke hulpbronnen op wereldvlak. "Milieugebruiksruimte" is een term die steeds meer ingang vindt om de fysische basis aan te duiden die de materiële ruimte afperkt waarbinnen duurzame ontwikkeling gesitueerd moet worden. Het gaat om "het geheel van natuurlijke hulpbronnen dat met de bestaande technologie voor consumptie beschikbaar is, zonder dat het regeneratievermogen van natuur en milieu wordt aangetast", of concreter uitgedrukt "de totale hoeveelheid energie, metalen, mineralen, hout, landbouwgewassen, grond en allerlei milieufuncties die op een duurzame manier kan ge- of verbruikt worden. Naast dit draagvlak van de biosfeer voor de levering van essentiële hulpbronnen, maakt ook de opvangcapaciteit voor allerlei vormen van verontreiniging deel uit van de milieugebruiksruimte." In een wetenschappelijk rapport van de Raad voor Milieu- en Natuuronderzoek van Nederland wordt vanuit een prognose van de verwachte milieubelasting anno 2040 - gesteld dat onze wijze van produceren en consumeren niet zou veranderen - aangegeven hoe groot de tegen dat jaar gewenste reducties in het beslag op de milieugebruiksruimte zijn. Deze reducties worden vervolgens gekoppeld aan een mondiale verdeling van het beslag op de milieugebruiksruimte. De cijfers spreken voor zich, en ik wil er ter illustratie dan ook enkele vernoemen. Reductie van het verbruik van aardolie: 85%, aardgas: 70% , koper: 80%, biomassa: 60%. Reductie van milieuverontreiniging: CO2-emissie: 8O%, depositie van metalen als cadmium, koper, lood, zink: 90-95%. Reductie van bodemverlies door erosie: 85%. Voor het merendeel van de kwantificeerbare indicatoren geeft het rapport gewenste reducties in een grootte-orde van 60 tot 95% op mondiaal niveau.
Deze cijfers kunnen nu betrokken worden op de huidige ongelijke verdeling over de wereldbevolking van het beslag op de milieugebruiksruimte. Een gelijkmatige verdeling van dit beslag anno 2040 geeft voor de geοndustrialiseerde landen van het Noorden dan volgende reducties te zien t.o.v. de hierboven genoemde prognose wat betreft de milieubelasting in dat jaar: verbruik van aardolie: van 8O% naar 2% van het wereldverbruik; aardgas: van 80% naar 5%; koper: van 90% naar 3%; biomassa: van 25% naar 6%; CO2-emissie: van 75% naar 3%; depositie van verzurende stoffen: van 100% naar 2%. Rekent men dit om naar reductiepercentages, dan ziet men dat om anno 2040 wereldwijd tot een duurzame economie te komen in de industrielanden van het Noorden voor de meeste milieu-indicatoren reducties tussen 95 en 100% nodig zijn ten opzichte van het verwachte niveau bij ongewijzigd economisch beleid.
Geloven dat het industrieel systeem vanuit zijn eigen logica, nl. via een soort vlucht vooruit die men "ekologische modernisering" noemt, een antwoord heeft op deze uitdaging lijkt mij een grote dwaasheid. Daarmee verbonden is het geloof dat we steeds minder moeten werken en toch steeds meer kunnen krijgen de illusie die de mens in de industriële samenleving gevangen houdt. Er moet hier ook gewezen worden op de valkuil van de ekotechnokratie die verbonden is met het begrip milieugebruiksruimte. Deze is nl. het perfecte voertuig voor het "wetenschappelijk" managen van de planeet en haar bewoners, en dus voor een van bovenuit opgelegd gedragspatroon. Een echt "politiek" antwoord op deze problematiek houdt in dat we de speelruimte die we vandaag nog hebben, gebruiken om zelf naar alternatieven te zoeken. Om volgende eeuw nog een "wenselijk" leven te kunnen leiden lijkt het wijs om vandaag de mogelijkheden te onderzoeken van een levensvorm die niet gebaseerd is op een uitgebreide materiële reproduktie .
5. Materiële genoegzaamheid en autonomie
Daarmee belanden we opnieuw bij Ullrichs alternatief. Essentieel is hier dat de begrenzing van de economische produktie als voorwaarde voor "goed leven" naar voor komt. De noodzakelijke begrenzing van de economie kan verhelderd worden aan de hand van H. Daly’s middelen-doelen spectrum . De economie is zoals hierboven reeds uitvoerig is aangetoond begrensd in haar uiteindelijke middelen, nl. door de beschikbare milieugebruiksruimte. Ook het inzetten van nieuwe energiezuiniger en milieuvriendelijker technologie kan deze fundamentele grens niet opheffen, omdat deze ontwikkeling steeds van die uiteindelijke middelen afhankelijk blijft. Ullrichs pleidooi voor materiële genoegzaamheid is een antwoord op deze realiteit. Maar het is meer. Het is namelijk ook een reflectie van het inzicht dat een dynamiek van onbegrensde economische ontwikkeling niet alleen onmogelijk, maar ook niet wenselijk is. Economie dient ook begrensd te worden vanuit de uiteindelijke menselijke doelen. Zij mag levensmiddelen, comfort, gezondheid e.d. voortbrengen in de mate dat deze een zinvol leven mogelijk maken. In die zin is materiële genoegzaamheid ook een antwoord op een ethische eis, nl. die van de verdelende rechtvaardigheid, maar wordt zij tevens voorgesteld als noodzakelijke voorwaarde voor een genietend leven. Daarbij kan opgemerkt worden dat een verlaging van de warenconsumptie niet noodzakelijk een evenredig afzien van gebruikswaarde inhoudt. Niet "ascese" is de vlag waaronder Ullrich wil varen - is dat immers niet de spreekwoordelijke buikriem van het kapitaal? - maar verhoging van de "levenskwaliteit".
De aandacht die Ullrich trekt op het verslavingskarakter van onze manier van consumeren brengt ons bij een punt dat steeds centraal gestaan heeft in Ullrichs visie over een "goed leven", nl. menselijke autonomie. De heteronomie die in het consumptiegedrag tot uiting komt is voor Ullrich de keerzijde van een totale afhankelijkheid van het industrieel systeem wat betreft de reproduktie van onze levensvoorwaarden . Het herwinnen van onze autonomie op dit vlak is voor hem een strikt noodzakelijke voorwaarde om uit de maatschappelijke crisis te geraken. Dat mensen toegang hebben tot hun onmiddellijke bestaansvoorwaarden behoort tot de basisvoorwaarden van een "goed leven", nl. als levenskwaliteit op zich omdat het de bestaansonzekerheid wegneemt, maar tevens als voorwaarde voor zinvolle arbeid, en als basis voor materile genoegzaamheid als zinvol perspectief. Het is deze samenhang die de kern uitmaakt van Ullrichs pleidooi voor een subsistentie-economie. Deze houdt daarbij de mogelijkheid in tot herstel van het sociale weefsel als verankeringsplaats voor een "goed leven" .
Dit betekent voor Ullrich niet dat heel de produktie subsistentie-economisch moet verlopen. "Om te beginnen moeten de milieuvernietigende loonarbeidsplaatsen in de winsteconomie afgebouwd worden, en moet voor de reductie van de huidige hoge werkloosheid een subsistentie-economie opgebouwd worden. (...) Wanneer de ban van de winsteconomische dominantie gebroken is kunnen er verschillende economische vormen naast elkaar bestaan. Naast een veel kleiner geworden winsteconomie en de grote sector van de subsistentie-activiteit en de "huiseconomie", zou er een grotere tussensector van coφperatieve, communale activiteit kunnen ontstaan. In deze eveneens opnieuw te scheppen non-profit of "gemeenschaps-economische" sector wordt voor de gemeenschap belangrijke arbeid niet met geld verloond, maar via tijd verrekend. Ook vormen van loonarbeid buiten de winsteconomie zijn denkbaar, bijv. de belastingsvrije verloning van onderlinge burenhulp, alsook een soort legalisering van het zwartwerk."
In dit kader is het belangrijk op te merken dat Ullrichs begrip van "autonomie" wezenlijk verschilt van een gangbare modernistische invulling. Het gaat hem niet om het moderne individu dat zich pas vrij weet wanneer het niet meer hoeft te werken. Autonomie betekent voor Ullrich in de eerste plaats dat mensen binnen het verband van de gemeenschap waartoe zij behoren hun bestaansvoorwaarden niet hoeven te ondergaan, maar dat zij er via een participatief georganiseerd arbeidsproces greep op hebben. Bovendien is er volgens Ullrich een onmiskenbare samenhang tussen de kwaliteit van arbeidstijd en van vrije tijd, en het perspectief van een omvattende bevrediging in de arbeid heeft hij dan ook steeds benadrukt. Hij verwerpt daarom de conceptie van de twee rijken, Marx’ "rijk der noodzaak en rijk der vrijheid", of de opsplitsing tussen vervreemde noodzakelijke arbeid en vrije tijd . Het alternatief van "produktieve slavernij en onproduktieve vrijheid" lijkt hem onduldbaar, en dus ook voorstellen van een duale economie ΰ la Andrι Gorz, waarbij de noodzakelijke produkten in de heteronome sfeer zouden ontstaan, en de autonome sfeer slechts goed is voor het overbodige . "Om de mens en aarde vernietigende produktivistische ban, de duivelskring van produktivisme en consumisme te doorbreken, moet juist de produktie van de noodzakelijke goederen in de autonome, lichaamsreflexieve sfeer verankerd worden." Blijven rekenen op de stijgende arbeidsproduktiviteit van het industrieel systeem om de levenskwaliteit te verhogen door te ontsnappen aan de arbeid is voor Ullrich duidelijk een vluchtweg in de impasse. Een zinvol leven , een leven naar menselijke "maat" kan slechts tot stand komen vanuit de erkenning van de fundamentele grenzen die onze levensconditie bepalen. Wij kunnen onze hoop niet stellen op een nieuwe "doorbraak" van het industrieel systeem, ook al heet die "ekologisch", maar slechts op "een ommekeer, een opnieuw leren van door de moderniteit in onbruik geraakte menselijke vermogens, zoals eerbied, schroom, medelijden en grensbewustzijn" .
6. Rood en groen
Ik zou Ullrich willen typeren als een "groen" denker bij uitstek omdat hij een maatschappelijke weg tracht te tonen die uit de impasse van de schaarste leidt die m.i. de kern van de ekologische crisis uitmaakt. Deze weg impliceert een uittocht uit de industriële produktiewijze, wat tevens vraagt om een breuk met de ermee samenhangende culturele verwachtingspatronen van de moderne tijd. De socialistische beweging was in haar hoofdstroom een belangrijke drager van dit verwachtingspatroon. De ontwikkeling van de produktiekrachten werd immers als voorwaarde beschouwd voor het tot stand brengen van een socialistische samenleving. Die premisse was voor Ullrich van in zijn vroegste werk voorwerp van onderzoek en kritiek. Bevordert de ontwikkeling van de produktiekrachten de mogelijkheidsvoorwaarden voor het socialisme, verstaan als "machtsvrije associatie van solidaire individuen"? Het antwoord is neen. Ullrichs analyse in een notedop: de technisch-organisatorische complexiteit van de industriële produktietechnologie installeert een radicale heteronomie die het ideale steunpunt vormt voor een doelloze economische accumulatiebeweging die voortdurend schaarste produceert. Conclusie: er is "geen ondergrens voor de ontwikkeling van de produktiekrachten die het socialisme onmogelijk maakt, maar wel een bovengrens". Dat is een belangrijke formulering van de breuk die Ullrich maakt met de premissen van de industriële ontwikkeling. Dezelfde perspectiefverandering vindt men treffend verwoord door Rudolf Bahro in Die Alternatieve. "De politiek van de groei blijkt vooral een stabiliserende factor voor de heerschappijverhoudingen te zijn. De communistische associatie kan, als een maatschappelijk lichaam dat zijn problemen meester wordt zonder daarvoor zijn eigen individuen te hoeven wurgen, slechts een ordening met een kwantitatief eenvoudige, of hoogstens zeer langzame, doordachte uitgebreide reproduktie van mensen, werktuigen en materiële goederen zijn. (...) Blijft de heerschappij van de oude economie bestaan, met haar permanente ’revolutie van verwachtingen’, dan zal de maatschappij altijd te arm zijn voor het communisme." Het is door deze perspectiefverandering, deze breuk met de logica van het industrieel systeem, dat er mijns inziens ook een fundamentele tegenstelling ontstaat tussen een radicaal groen perspectief en de traditionele socialistische beweging. Hoewel veel maatschappelijk geëngageerde mensen dit graag zouden willen is rood en groen niet op eenvoudige manier te verzoenen. Ik zou dit willen toelichten door Ullrichs politieke keuze voor een andere produktiewijze of levensvorm te plaatsen tegenover het klassieke perspectief van de klassenstrijd. Na wat we hierboven gezegd hebben over Ullrichs visie op autonomie kunnen we de tegenstelling die Ullrich schetst tussen de kapitalistisch-industriële en de subsistentie-economische levensvorm kenmerken als een tegenstelling tussen heteronome en autonome reproduktie. Indien we in beschouwing nemen dat de klassenstructuur van een samenleving een uittekening is van de maatschappelijke verhoudingen binnen een historisch gesitueerde produktiewijze, dan kunnen we klassenstrijd allereerst zien als een strijd die intern blijft aan die produktiewijze. Voor de kapitalistisch-industriële produktiewijze gaat het om een strijd die binnen het perspectief van een heteronome reproduktie gesitueerd blijft. Een eerste vorm, de verdelingsstrijd, de strijd om het aandeel in de geproduceerde koek zwengelt de dynamiek van het systeem juist aan, waardoor de heteronomie steeds groter wordt. En ook een strijd om de overname van de macht over het produktiesysteem breekt niet met de heteronomie die in het systeem ingebakken zit.
Het is de strijd om de levensvorm die de breuk tracht te maken met de heteronome reproduktie, en die zich dus op een hoger niveau situeert t.o.v. klassenstrijd in de hierboven aangehaalde vormen. De strijd voor een autonome reproduktie impliceert daarbij een radikalisering van de traditionele verdelingsstrijd. Deze wordt immers opnieuw ingevuld als een reëel proces van directe wedertoeigening van de bestaansvoorwaarden zelf.
De strijd om de levensvorm is een globaal maatschappelijk-culturele strijd, en kan niet meer begrepen worden als een belangenstrijd tussen maatschappelijke groepen. De ekologische crisis plaatst juist op de voorgrond dat de totale samenleving gevangen zit in de problemen van de heteronome reproduktie. De strijd om de levensvorm representeert daarom een algemeen belang. Daarbij vraagt de breuk die met de industriële levensvorm gemaakt moet worden, om een breuk met onze ingebakken culturele verwachtingspatronen en motivatiestructuren. Deze breuklijn manifesteert zich niet als een scheidingslijn tussen klassen, maar als een breuk binnen de maatschappelijke groepen en binnen de individuen zelf. Rudolf Bahro spreekt van een "dissident bewustzijn" dat verspreid ligt over alle lagen van de bevolking. Een politieke beweging die de verandering van de levensvorm op het oog heeft dient dan vooral dit dissident bewustzijn te verzamelen en te kanaliseren. Daarbij dient zij er zich voor te hoeden de traditionele belangenstrijd aan te wakkeren omdat deze eerder de heersende levensvorm bevestigt en de ommekeer vertraagt.
Hiermee heb ik natuurlijk nog geen beoordeling gegeven van de concrete akties van maatschappelijke groepen. Wel heb ik getracht hiervoor een kader te schetsen door de fundamentele maatschappelijke keuze die uit Ullrichs uiteenzetting naar voor komt wat scherper te stellen. Met Ullrich moeten we echter vaststellen dat deze keuze nog geen duidelijke politieke vertaling heeft gekregen. "Zelfs bij de Grόnen komt de vernaculaire oriëntatie slechts zwak tot uitdrukking. Indien groene politici daarenboven in de huidige "realpolitiek" ingebonden worden - dus in het aandrijfmechanisme van de verschaffing van loonarbeidsplaatsen - dan groeien de kansen voor een politiek ter ondersteuning van autonome zelfarbeid niet. Wellicht ontstaat er toch nog een nieuwe partij die het derde grote thema van de neergaande industriële maatschappij, het herwinnen van de subsistentie-activiteit, de "levensvraag", duidelijker in haar vaandel schrijft. De hoop moet echter vooral gesteld worden op een verandering "van onderuit", op geleefde voorbeelden in nieuwe gemeenschapsvormen. Indien het niet lukt de basis voor een vernaculaire oriëntatie te verbreden, dan zal de politiek zich dwangmatig nog verder naar "rechts" bewegen in de richting van een samenleving met nog minder gerechtigheid en solidariteit." 28 maart 1995
(gepubliceerd: Kritiek 27, Gent, 1995, pp.130-160.)
NOTEN
. Otto ULLRICH 1993. Een vertaling hiervan verscheen eerder in het Vlaams Marxistisch Tijdschrift. Citaten zonder verdere aanwijzingen komen uit dit artikel.
. Ivan ILLICH 1985, p. 121 e.v.
. "We hebben een eenvoudig, helder woord nodig, om activiteiten van mensen te benoemen voor zover deze niet gemotiveerd zijn door gedachten aan ruilhandelingen; een woord dat autonome, niet op de markt betrokken handelingen benoemt waardoor mensen hun alledaagse behoeften bevredigen. Het gaat om die handelingen die zich vanuit hun eigen aard aan de bureaucratische controle onttrekken, en die behoeften bevredigen waaraan zij in de voltrekking van deze bevrediging een specifieke gestalte verlenen. ’Vernaculair’ lijkt een goed oud woord te zijn dat hiervoor kan dienen, en dat bij veel tijdgenoten ingang hoort te vinden." Ivan ILLICH 1985, p. 39.
. Zie bijv. Maria MIES & Vandana SHIVA 1993.
. Etienne VERMEERSCH 1988, p. 41.
. Verwijzingen naar Technik und Herrschaft worden in de tekst aangeduidt met TH.
. Zie bijv. Otto ULLRICH 1985.
. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van dit punt, zie: Jef PEETERS 1992.
. Cf. Jef PEETERS 1994.
. Ullrich is er zich van bewust dat het niet volstaat om de structurele affiniteit tussen de logica van de wetenschappelijke techniek en de logica van het kapitaal aan te tonen. Op een dieperliggend niveau van analyse kan aangetoond worden dat deze "familiegelijkenis" zelf geworteld is in een "grondrationaliteit" die vorm geeft aan het "cultureel paradigma" van de moderniteit. Er dient o.a. verklaard te worden waarom een aantal maatschappelijke deelterreinen, zoals economie en wetenschap, zich uit de cultuur konden losmaken, waardoor hun eigen dynamiek zich kon verzelfstandigen. Cfr. Otto ULLRICH 1984.
. Cf. Otto ULLRICH, 1992.
. O.i. kan Ullrichs analyse van het industrialisme zonder probleem met dit van Achterhuis afkomstige begrip gekenmerkt worden. Cf. H. ACHTERHUIS 1988.
. N. ELIAS 1970/1971, pp. 79-113.
. o.c. p. 86.
. "De wijze waarop de mensen hun levensmiddelen produceren, hangt in de eerste plaats van de gesteldheid van de aan te treffen en te reproduceren levensmiddelen zelf af. Deze produktiewijze moet niet alleen beschouwd worden als de reproduktie van het fysische bestaan van de individuen. Zij is veeleer reeds een bepaalde manier waarop die individuen handelen, een bepaalde manier om hun leven te uiten, een bepaalde levenswijze. Zoals de individuen hun leven uiten zo zijn zij. Wat zij zijn, valt dus samen met hun produktie, zowel met wat zij produceren als met hoe zij produceren. Wat de individuen dus zijn, hangt van de materiλle voorwaarden van hun produktie af." K. Marx, De Duitse Ideologie, vert. in: L. Van Bladel, Kerngedachten van Karl Marx, Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1978, p. 231.
. Cf. Jef PEETERS 1994.
. World Commission on Environment and Development, 1987/1989, pp. 63-64.
. Cf. Wouter VAN DIEREN, Jessica VAN SWIGCHEM 1994.
. Philippe VAN PARIJS 1994, p. 183.
. Aviel VERBRUGGEN 1994, p. 202. Voor een algemene discussie van de problematiek van de fysische grenzen, zie: A. VERBRUGGEN 1991.
. Opgemaakt en gepubliceerd door OVAM (Openbare Vlaamse Afvalstoffen Maatschappij).
. Cf. Advies van de MINA-Raad inzake het ontwerp van decreet op de bodemsanering (Brussel, 3 februari 1993).
. De MINA-Raad definieert het begrip aldus in een nota waarin ze het begrip "duurzame ontwikkeling" tracht te operationaliseren (zitting van 18 januari 1994). Daarbij steunt hij op werk dat reeds eerder in Nederland op dit vlak werd verricht. Cf. R. WETERINGS en J. OPSCHOOR 1992.
. Cf. vorige noot.
. Opmerkelijk is dat ook André Gorz recent een pleidooi heeft gehouden voor "zelfbeperking als een sociaal project". Cf. A. GORZ 1993.
. Cf. Aviel VERBRUGGEN 1991, p. 54.
. Ullrichs visie is zeer verwant met Bahro’s uiteenzetting over "emancipatoire" versus "compensatoire" belangen. Cf. Rudolf BAHRO 1977/1978, p. 258.
. Belangrijk in dit kader is o.a. de verkleining van de economische ruimte. Hieraan moet tevens een andere technologiepolitiek gekoppeld worden die zich opnieuw richt op de ekologische mogelijkheden van de eigen regio voor het voorzien in basisbehoeften. Zie bijv. Arnim von GLEICH et al. 1992.
. Bijv. bij Jόrgen Habermas . Cf. M. KORTHALS, H. KUNNEMAN 1983.
. Cf. André GORZ 1982, p. 101 e.v. Deze autonomie-opvatting typeert ook een groot deel van het huidige debat over basisinkomen, wat m.i. vanuit ekologisch oogpunt tot inconsistenties leidt. Cf. bijv. Philippe VAN PARIJS 1994, Harry DIERCKX 1994.
. Otto ULLRICH 1985, p. 22.
. Otto ULLRICH 1985, p. 23.
. Otto ULLRICH 1979/1984, p. 111.
. Rudolf BAHRO 1977/1978, p. 252.
LITERATUUR
BAHRO, Rudolf, Die Alternative, Zur Kritik des real existierenden Sozialismus, Keulen, 1977; Ned. vert. Het alternatief, Amsterdam: Van Gennep, 1978.
DIERCKX,Harry, Bevrijd van nood en vrees. Het basisinkomen als voorwaarde voor een ecologisch socialisme, in: Raf Willems (red.), Milieujaarboek 1993, Brussel: VUB Press, 1994, pp. 218-221.
ELIAS, Norbert, Wat is sociologie?, Utrecht: Spectrum, 1971.
GLEICH, Arnim von, Rainer LUCAS, Ruggero SCHLEICHER, Otto
ULLRICH, Blickwende in der Technologiepolitik. Naturumgang, Bedόrfnisse und rδumliche Entwicklungsperspektiven der Region Bergisches Land, Opladen, 1992.
GORZ, Andrι, Adieux au prolιtariat, Au delΰ du socialisme, Paris: Galilιe, 1980; Ned. vert.: Afscheid van het proletariaat, Amsterdam: Van Gennep, 1982.
GORZ, Andrι, Political Ecology: Expertocracy versus Self-limitation, New Left Review, Nr. 202, 1992, pp. 55-67.
ILLICH, Ivan, Schaduwarbeid, Weesp: Het Wereldvenster, 1985.
KORTHALS, Michiel, Harry KUNNEMAN, De theorie van het communicatieve handelen. Een vraaggesprek met Jόrgen Habermas, Kennis en Methode, VII, 1983, pp. 295-312.
MIES, Maria, Vandana SHIVA, Ecofeminism, London: Zed Books, 1993.
MINA-Raad, Oriëntatienota Duurzame Ontwikkeling in Vlaanderen: Aanzet tot realisatie, Brussel, zitting 18 januari 1994.
PEETERS, Jef, De technologiekritiek van een groen socialist, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 26ste jrg nr. 3, 1992, pp. 49-77.
PEETERS, Jef, Otto Ullrich: techniek als verankering van macht, in: R. Weiler & D. Holemans (red.), Gegrepen door techniek, Kapellen: Pelckmans, 1994, pp. 149-180.
ULLRICH, Otto, Technik und Herrschaft. Vom Hand-werk zur verdinglichten Blockstruktur industrieller Produktion, Frankfurt: Suhrkamp, 1977.
ULLRICH, Otto, Weltniveau, In der Sackgasse des Industriesystems, Berlin: Rotbuch-Verlag, 1979; Ned. vert.: Wedstrijd zonder winnaars, In het slop van het industriële systeem, met nawoord van A. Nigten (vert.), Wageningen: Uitgeverij De Uitbuyt, 1984.
ULLRICH, Otto, Theoriengeschichte und Naturwissenschaften, άber gemeinsame Paradigmen, in: U. Bermbach (Hg.), Politische Theoriengeschichte, Politisches Vierteljahresschrift Sonderheft 15, Opladen: Westdeutscher Verlag, 1984, pp. 80-97.
ULLRICH, Otto, Grόne Technikkritik und Sozialismus, in: K.-E. Lohmann (Hg.), Sozialismus passι?, Das Argument-Sonderband, Berlin, 1985, pp. 9-23; Ned. vert. in Kritiek 21, Gent, 1991, pp. 22-45.
ULLRICH, Otto, Technology, in: W. Sachs (ed.), The Development Dictionary. A Guide to Knowledge as Power, London: Zed Books, 1992, pp. 275-287; Ned. vert.: Ontwikkeling via technologie?, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 28ste jrg nr. 1, 1994, pp. 59-77, en Kering, 19de jrg nr. 3, 1994, pp. 11-20.
ULLRICH, Otto, Lebenserhaltende Tδtigkeiten jenseits der Lohnarbeit, in: Werner Fricke (Hrsg.), Jahrbuch Arbeit und Technik 1993, Bonn: Verlag J.H.W. Dietz, 1993, pp. 84-98; Ned. vert. in Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 28ste jrg. nr. 3, 1994, pp. 87-104.
VAN DIEREN, Wouter, Jessica VAN SWIGCHEM, Economie bijt zichzelf in z’n staart, Milieuforum, 1994, nr. 2, pp. 12-14.
VAN PARIJS, Philippe, Radicale ecologie en ’deep ecology’ voorbij. Impasse en beloften van de politieke ecologie, in: J. Braeckman e.a. (red.), Rimpels in het water. Milieufilosofie tussen vraag en antwoord, Leuven: Acco, 1994, pp. 177-195.
VERBRUGGEN, Aviel, Het geluk voorbij. Een milieu-economisch essay, Brugge: Marc Van de Wiele, 1991.
VERBRUGGEN, Aviel, Tien remedies voor een duurzame economie, in: Raf Willems (red.), Milieujaarboek 1993, Brussel: VUB Press, 1994, pp. 197-205.
VERMEERSCH, Etienne, De ogen van de panda, Brugge: Marc Van de Wiele, 1988.
WETERINGS, R., J. OPSCHOOR, De milieugebruiksruimte als uitdaging voor technologie-ontwikkeling, Publikatie RMNO nr. 74, Rijswijk 1992. World Commission on Environment and Development, Our Common Future, Oxford, 1987; Ned. vert.: Onze aarde morgen, Tielt: Lannoo, 1989.
