Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Katrien Van Pouck
Interview met Peter Tom Jones
zondag 2 november 2008
Je schrijft dat de noodzakelijke duurzaamheidstransitie een totale omkering moet inhouden van ons dominante wereldbeeld en van de ondersteunende politieke, economische en technologische structuren. Hoe moet zo’n totale omkering eruit zien?
We spreken inderdaad van een duurzaamheidstransitie omdat we vaststellen dat de problemen waarover we het hebben ‘systemisch’ van aard zijn. Ze bevinden zich op alle niveaus en zijn innig met elkaar verbonden. Dit betekent dus ook dat je geen oplossingen zal vinden door het bestaande een klein beetje te veranderen, zoals het reguliere beleid dat vandaag doet. Daarvoor is de schaal én de urgentie van het probleem te groot. We hebben niet de tijd om dit op zo’n trage manier te organiseren.
Vandaar dus het concept van een duurzaamheidstransitie, wat betekent dat je naar een omwenteling moet gaan van onze hele manier van produceren en consumeren in een periode van één à twee generaties. Daarbij moet de hele samenleving eigenlijk een grote evolutie doormaken. We spreken dan van totale veranderingen op het vlak van de politiek-economische structuren, van ons dominante wereldbeeld, op het vlak van persoonlijke attitudes en uiteraard ook op het vlak van persoonlijk gedrag. Dat zijn vier dingen die tegelijkertijd zullen moeten veranderen. Je kan de wereld niet veranderen door alleen de individuele mens te veranderen, noch door enkel de structuren aan te pakken. Op vlak van milieu-impact betekent dit dat we hier in het Westen moeten gaan naar een daling van negentig procent in een periode van dertig à vijftig jaar. In de literatuur noemt men dat “factor 10”: tien keer minder impact veroorzaken dan we vandaag doen.
Hoe moet dat gebeuren?
Daarvoor zijn twee, elkaar ondersteunende pistes noodzakelijk. Er zijn ten eerste veranderingen nodig in onze manier van produceren. We moeten onze productie efficiënter maken. Maar dit is maar één deel van de oplossing. Als je het daarbij laat, stel je in de praktijk vaak vast dat de totale milieu-impact nog toeneemt. Zo is tijdens de laatste decennia de verbeterde efficiëntie van wagens volledig tenietgedaan doordat er met die wagens steeds meer gereden wordt en er ook alsmaar meer auto’s op onze wegen komen. Streven naar meer efficiëntie en betere technologie is dus zeer belangrijk en absoluut noodzakelijk, maar tegelijkertijd ook onvoldoende. Daarover zijn alle wetenschappers die bezig zijn met duurzame productie en consumptie het eens. Dat brengt ons bij de tweede piste: deze van de fundamentele gedragsverandering bij producenten maar vooral ook bij consumenten. Het concept dat daarbij wordt gebruikt is dat van de ‘sufficiëntie’: anders, beter en op een aantal vlakken ook minder consumeren. We zullen dus met andere wagens moeten rijden, voor andere vervoersmiddelen moeten kiezen en ons soms ook eens afvragen of we echt zoveel kilometers moeten afleggen.
Dit illustreert meteen het systeemkarakter van dit verhaal. Minder kilometers afleggen heeft ook te maken met waar je woont en werkt, hoe de ruimtelijke ordening en het openbaar vervoer georganiseerd zijn, enz. Dit hangt allemaal heel erg samen. Het is daarom belangrijk bij transitiemanagement om structureel-technologische veranderingen altijd te combineren met cultureel-gedragsmatige veranderingen. Die evoluties moeten in de eerste plaats gebeuren voor de vier belangrijkste consumptiedomeinen die samen instaan voor ongeveer tachtig procent van onze milieu-impact: voeding, wonen, mobiliteit en reizen. De combinatie van technologische en gedragsmatige veranderingen is nodig op elk van die domeinen, maar wel telkens in een andere verhouding. Op het vlak van voeding zullen we het bijvoorbeeld vooral moeten hebben van gedragsmatige veranderingen, van andere voedingsgewoonten: minder vlees, meer biologische en seizoensgebonden voeding. Technologische verbeteringen in de voedselproductie kunnen hierop een aanvulling zijn. Op het vlak van wonen zal de verandering er daarentegen voornamelijk moeten komen door technologische evoluties. De passiefhuistechnologie die vandaag al bestaat, kan de milieu-impact van een woning tot vijfenzeventig procent terugdringen. Maar ook hier blijft gedragsverandering belangrijk, vooral dan in de manier waarop we met energie omgaan in onze woningen.
Om die noodzakelijke totale omkering te realiseren, verwijs je naar de ‘4 E’s’. Wat houden die precies in?
Dit is een concept dat in Groot-Brittannië ontwikkeld is en dat die technologische en gedragsmatige veranderingen probeert te verzoenen met elkaar. De ‘4 E’s’ zijn ‘Enable’ (maak mogelijk), ‘Encourage’ (moedig aan), ‘Exemplify’ (geef het goede voorbeeld) en ‘Engage’ (betrek mensen). Dit model vertrekt van de complexiteit van het probleem zelf, van de verbondenheid tussen de verschillende aspecten ervan maar ook van de complexiteit van het gedrag van mensen. Ons gedrag wordt immers bepaald door heel wat factoren en zeker niet alleen door rationele keuzes. Routines en gewoontes hebben een heel belangrijke impact op ons gedrag, net zoals de situatie, de context waarin we ons bevinden. Daarnaast bepalen ook onze attitudes ten aanzien van de milieuproblematiek voor een deel ons gedrag. Die attitudes zijn op hun beurt het resultaat van emotionele factoren, van sociale groepsnormen, enz. Als je niet vertrekt van deze complexiteit van consumptie en gedrag, dan zullen de instrumenten die je inzet om gedrag te veranderen nooit functioneren.
De belangrijkste van die 4 E’s is ‘Enable’. Het hele verhaal begint bij het mogelijk maken van die verandering. We moeten ervoor zorgen dat er een duurzaam aanbod beschikbaar is en dat dit betaalbaar en toegankelijk is. Dit duurzame aanbod moet ook ‘convenient’ zijn: gemakkelijk en eenvoudig te gebruiken. Als er teveel barrières zijn, spelen mensen er niet op in. De technologische en gedragsmatige veranderingen komen in deze 4 E’s terug. Enable gaat eigenlijk vooral om het structureel mogelijk maken van duurzame keuzes. Op vlak van mobiliteit betekent dit bijvoorbeeld dat er heel efficiënte, duurzame wagens op de markt moeten zijn. De overheid moet via regelgeving ook aan ‘choice editing’ doen. De onduurzame keuzes moeten eigenlijk al uit het aanbod geweerd worden nog voordat de consument er iets van merkt. Als bijvoorbeeld op Europees niveau beslist zou worden om de norm voor CO2-uitstoot van wagens terug te brengen tot maximum120 gram/km, dan wordt het hele aanbod van wagens in één klap ongelooflijk veel duurzamer. Zoiets is vandaag technologisch perfect haalbaar. Door op termijn die normen verder te laten evolueren, verplicht je de producenten om gebruik te maken van de best beschikbare technologie en zal de impact van wagens op het milieu en de gezondheid drastisch verminderen. Even belangrijk op vlak van mobiliteit is een duurzaam aanbod van alternatieve vervoerswijzen. Denk maar aan een aantrekkelijk, stipt, aangenaam en vlot toegankelijk openbaar vervoer, een zeer uitgebreid en veilig fietspadennetwerk, gemakkelijk beschikbare systemen van autodelen, enz. De overheid heeft een belangrijke rol om die dingen mogelijk te maken. ‘ Encourage’ gaat over het aanmoedigen van duurzame keuzes met financiële instrumenten. Je grijpt hier in op de prijs. De markt faalt vandaag omdat milieukosten en gezondheidskosten niet geïnternaliseerd zijn in de prijzen van de producten en de diensten die wij consumeren. Daar moet dringend iets aan gedaan worden. We moeten die kosten tot op zeker niveau internaliseren. Voor onze mobiliteit betekent dat op termijn een systeem van een ‘slimme kilometerheffing’ waarbij je betaalt in functie van het aantal kilometer dat je aflegt, op welk moment, met welk type wagen, enz. Ook dit systeem is technisch perfect haalbaar, maar niet van vandaag op morgen. Op korte termijn kan je bijvoorbeeld wel al werken met verschillende accijnstarieven voor verschillende brandstoffen. Om steden leefbaar te houden, kunnen we zoals in Londen een tolsysteem invoeren in de binnenstad. Hetzelfde kan je doen voor tunnels, bruggen, zelfs voor wegen in het algemeen. Daarbij betaal je voor het gebruik van die wegen en dus ook voor de kosten die je veroorzaakt voor andere mensen. Je kan ook het fiscaal systeem voor bedrijfswagens vergroenen waardoor er (1) minder bedrijfswagens op de wegen komen én (2) (indien er geen alternatieve vervoersmodi voorhanden zijn) werkgevers flink aangepord worden om te kiezen voor de meest zuinige auto’s. Op het vlak van openbaar vervoer en fietsverkeer moet er een financieel aanmoedigingsbeleid gevoerd worden, zodat het aantrekkelijk wordt om daarvoor te kiezen.
‘Exemplify’ betekent dat alle relevante organisaties, zoals bedrijven, middenveldorganisaties maar vooral ook overheden, zelf het goede voorbeeld moeten geven. Een groot deel van ons gedrag wordt bepaald door sociale normen. De overheid heeft op dat vlak een enorme verantwoordelijkheid omdat ze voor een stuk mee die normen bepaalt. Verkeerde, inconsistente signalen uitzenden is nefast voor een groot deel van de bevolking dat daardoor cynisch wordt en zelf niet meer bereid is om iets te veranderen. Het wagenpark van de overheid zou dus eigenlijk het beste van het beste moeten zijn: elektrische en hybride wagens. Geen 4x4’s meer, ook niet bij de ministers en kabinetsmedewerkers. Hetzelfde geldt voor bedrijven. Heel belangrijk is ook de consistentie die de overheid uitzendt in televisieprogramma’s. Wat me bijvoorbeeld heel erg voor de borst heeft gestoten, is het feit dat de VRT de ene week “Iedereen Eco” uitzendt – een programma over de ecologische voetafdruk en hoe je die kan verlagen – en de week erna in “Vlaanderen Vakantieland” goedkope vliegreizen naar Nieuw Zeeland promoot. Hoe geloofwaardig is men dan nog? Dit creëert alleen maar cynisme en onverschilligheid.
De vierde E, ‘Engage’, gaat uit van de wetenschappelijke vaststelling dat menselijk gedrag nooit louter individueel bepaald wordt. Mensen zijn sociale wezens. Ze zijn ingebed in een complex netwerk van verhoudingen met andere mensen. Als je dus structureel iets wil veranderen, dan moet je werken aan dat sociale weefsel, aan sociale verhoudingen en normen. Daarom is het zo belangrijk mensen te betrekken en hen te engageren in die veranderingsprocessen. Klimaatwijken zijn hiervan in Vlaanderen een mooi voorbeeld. We moeten mensen dus niet individueel bombarderen met informatie maar hen laten participeren aan die veranderingsprocessen. Informatie alleen werkt niet. Je moet dit combineren met actiegerichtheid, met een handelingsperspectief en met betrokkenheid. Collectieve initiatieven hebben veel meer effect.
Belangrijk is ook om te werken met een segmentatiemodel. De samenleving is geen homogene groep maar kan onderverdeeld worden in verschillende publiekssegmenten. Als je de 4 E’s optimaal wil laten werken, moet je ze in verschillende combinaties inzetten bij verschillende segmenten. Enable is voor elke groep belangrijk. Bij sommigen zal daarnaast Encourage voldoende zijn om hun gedrag te veranderen. Bij andere segmenten is Exemplify enorm belangrijk, omdat ze hun gedrag sterk laten afhangen van wat anderen doen. Niet elke instantie kan natuurlijk zelf zorgen voor die 4 E’s. Een overheid kan dat wel, maar bijvoorbeeld een ngo, een bedrijf en ook een school kan maar een aantal zaken doen. Zij kunnen geen normen vastleggen, maar wel dingen aanmoedigen, zelf het goede voorbeeld geven, enz. Zeker een school heeft een belangrijke functie in het aanleren van nieuwe gedragspatronen. Dat moet vooral ook op een positieve manier worden aangepakt. We mogen ons niet beperken tot het verbieden van allerlei dingen. Alternatieven moeten aantrekkelijk zijn. We maken hier een onderscheid tussen het push-effect – mensen wegduwen uit het bestaande als het onduurzaam is – en het pull-effect – mensen aantrekken in het duurzame alternatief. Dat laatste is minstens even belangrijk.
Gedragsverandering is dus – naast technologische evoluties – cruciaal om zo’n duurzaamheidstransitie te realiseren. We zullen anders, beter en in sommige gevallen ook minder moeten consumeren. Uit de praktijk blijkt dat dit niet altijd zo goed lukt. Hoe komt dit?
Om dit uit te leggen, gebruik ik graag het schema van Ken Wilber die in dit verband vier types van barrières onderscheidt. Als we die transitie willen realiseren, moeten we verregaande veranderingen bereiken op het vlak van individuele attitude, individueel gedrag, collectieve structuren en collectieve ethiek of wereldbeeld. Die veranderingen moeten plaatsvinden op deze vier domeinen tegelijkertijd. Telkens spelen daarbij enorme barrières mee.
Op het vlak van collectieve structuren is ons economisch stelsel vandaag niet in overeenstemming met de ecologische realiteit. De markt faalt omdat die kosten externaliseert in plaats van internaliseert. De prijszetting is in onze huidige economie compleet verkeerd. Het feit dat duurzame keuzes vaak duurder zijn dan onduurzame, werpt structureel een grote dam op tegen veranderingen. Ook onze politieke structuren vormen een barrière. Ons electoraal systeem met om de twee à vier jaar nieuwe verkiezingen zorgt ervoor dat de korte termijn en de private belangen doorwegen op een systematische, integrale, lange termijn visie. We zullen dus de politiek en de democratie moeten heruitvinden om ook rekening te houden met een virtueel electoraat buiten onze landsgrenzen en in de toekomst. En dan is er natuurlijk nog ons hele maatschappelijke systeem, gebaseerd op eindeloze groei binnen een systeem dat materieel, thermodynamisch gezien gesloten en dus eindig is. Dit is biofysisch onmogelijk. Tegelijk is dit natuurlijk een heel fundamentele kwestie die niet van vandaag op morgen zal veranderen. Structurele barrières hebben ook te maken met een technologische ‘lock-in’ situatie. In het verleden hebben we op vlak van technologie vaak verkeerde keuzes gemaakt waardoor we nu vast zitten in een suboptimale situatie. Dat is zeer duidelijk op het vlak van mobiliteit, met het bestaan van de inwendige verbrandingsmotor. We hadden veel beter vanaf het begin voor elektrische motoren gekozen. Ook de keuzes die in het verleden gemaakt zijn voor onze ruimtelijke ordening in Vlaanderen maken het vandaag niet eenvoudig om een duurzame mobiliteit te organiseren.
Een tweede barrière is het collectieve wereldbeeld dat vandaag heerst. Onze courante normen, onze ethiek, onze wereldvisies zijn absoluut niet meer aangepast aan de huidige noden. De urgentie en het totaalkarakter van deze problematiek schreeuwt om een planetaire, lange termijn visie. Ons courante wereldbeeld denkt nog in termen van het hier en nu. Daarnaast zijn we ook heel sterk gewoon geraakt aan een instrumentalistische, antropocentrische visie op het leven waarbij we denken dat de mens in alles centraal staat en alles kan controleren en beheersen. Ondertussen weten we nochtans – dankzij de chaostheorie, de complexiteitstheorie, de ecologische wetenschap, de thermodynamische wetenschap – dat we eigenlijk maar een deel zijn van dat groter geheel, dat we daar fundamenteel afhankelijk van zijn en er dus helemaal niet boven staan. We zullen dus moeten evolueren naar een nieuw wereldbeeld dat minder antropocentrisch is, een meer globaal perspectief heeft en meer op de lange termijn gericht is. Ten derde zijn er de individuele, interne factoren: de attitudes. Een heel belangrijke barrière hierbij is de ontkenning en bagatellisering van het probleem. De ontkenning van de klimaatproblematiek heeft bijvoorbeeld nog heel veel impact op de samenleving, ook al is die visie wetenschappelijk gezien totaal achterhaald. Een andere barrière op dit vlak is een lage ‘perceived behavioural control’ (PBC). Dit betekent dat mensen het gevoel hebben dat zij geen impact, geen vat hebben op de wereld. Zij gaan ervan uit dat hun persoonlijke bijdrage toch geen verschil uitmaakt en blijven daardoor gewoon verder doen zoals ze bezig zijn. Dit moet ons ook aan het denken zetten over hoe we over deze problematiek communiceren. De media focussen bijvoorbeeld heel erg op overdonderende, complexe problemen waardoor mensen het gevoel krijgen dat zij gewoon geen impact hebben. Ze blijven geïsoleerd en verweesd achter. Het is dus belangrijk mensen het gevoel te geven dat ze wel degelijk het verschil kunnen maken. Het handelingsperspectief moet worden meegenomen in veranderingsprocessen.
Daarom is ‘Engage’ ook zo belangrijk. Op het vlak van concreet, individueel gedrag ten slotte is de belangrijkste barrière de dominantie van routines en gewoontes. We leven in een heel drukke samenleving waardoor mensen verplicht zijn om heel wat dingen op automatische piloot te doen. Op zich is daar niets mis mee: je kunt niet bij alles wat je doet telkens weer rationeel gaan overwegen welke keuze je zal maken. Het probleem is wel dat we vandaag ingesloten zijn in heel wat onduurzame routines en gewoontes. En het is enorm moeilijk om deze te doorbreken en te vervangen door duurzame routines en gewoontes. Het gaat dan bijvoorbeeld over de manier waarop we vlees consumeren, naar het werk gaan, enz. We denken daar niet elke dag opnieuw over na. Wanneer kunnen we die gewoontes dan veranderen? Heel vaak gebeurt dat op kruispuntsituaties in het leven: wanneer iemand sterft, bij een verhuis, als iemand zwaar ziek wordt, enz. Op die momenten worden bepaalde routines terug in vraag gesteld. Dan moet men dus klaar staan om duurzame routines en gewoontes aan te leveren. Ook op de plaats waar vraag en aanbod, producenten en consumenten samenkomen, kunnen routines veranderd worden. Een supermarkt kan bijvoorbeeld via ‘choice editing’ het gedrag van mensen sturen en veel impact hebben op routines.
Al die barrières zijn natuurlijk niet tegelijkertijd aan te pakken. We kunnen problemen onderverdelen in drie types. Ten eerste heb je de problemen die eigenlijk vandaag al opgelost kunnen worden door de bestaande instrumenten toe te passen. Dit creëert in principe niet echt verliezers: het gaat om pure win-win-situaties die vandaag nog niet benut worden. Dan zijn er de problemen die op middellange termijn via transitiemanagement moeten worden opgelost. Daarbij vervang je het bestaande regime door een duurzaam regime. Dit kan door een duurzame niche die vandaag al bestaat op te waarderen tot een regime. Dat is een situatie waarbij er veel winnaars zijn, en enkele verliezers. Ten slotte zijn er ook nog de meest fundamentele problemen die op lange termijn moeten worden aangepakt. Daarbij bots je dan op de eindeloze groeinoodzaak van ons economisch systeem. In eerste instantie zullen we echter pragmatisch moeten zijn en vandaag vooral focussen op de eerste twee pistes.
Ook scholen die samen met hun leerlingen een milieuzorgsysteem uitwerken en invoeren botsen ongetwijfeld op dergelijke barrières. Hoe kunnen zij daarmee omgaan?
Sommige dingen zijn vrij eenvoudig aan te pakken. Het gebruik van een brooddoos kan je bijvoorbeeld via een schoolreglement gewoon verplichten. Zoiets vraagt wel leiderschap. De personen met beslissingsmacht in onze samenleving moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Daarom heeft de directie op scholen ook zo’n belangrijke rol hierin. Uiteraard mag zoiets niet alleen top-down gebeuren. Het gaat hier niet om een dictatuur. De veranderingen die nodig zijn, zullen gedeeltelijk top-down en deels bottom-up moeten gebeuren. Maar zoiets eenvoudigs als het gebruik van een brooddoos kan volgens mij toch structureel via een schoolreglement worden aangepakt. Er worden zoveel dingen verboden op school. Wat mij betreft dan liever aluminiumfolie dan bijvoorbeeld oorringen of hoofddoeken. Woon-schoolverplaatsingen aanpakken ligt al heel wat moeilijker. Hierbij zijn heel veel actoren betrokken en men is ook sterk afhankelijk van de lokale context. Er moet daarom zeker samengewerkt worden met de lokale overheid om mobiliteitsplannen op te zetten.
Heel belangrijk in scholen is ook de manier waarop men omgaat met educatie voor duurzame ontwikkeling. Vaak ziet men dat er af en toe iemand komt spreken over dit thema terwijl men voor de rest gewoon verder doet zoals men bezig was. Kennis over duurzame ontwikkeling is nochtans transversale kennis die dus zou moeten geïntegreerd worden in alle vakken. De leerkrachten moeten daarom ook volop betrokken worden in dit verhaal. Elke leerkracht zou voor zijn eigen lessen moeten nagaan hoe hij duurzame ontwikkeling daarin kan integreren. Dit heeft ook veel te maken met de voorbeeldfunctie van een school en het belang van consistentie. Welk effect creëer je als school als je de ene dag een project over duurzame ontwikkeling organiseert terwijl de dag erna een aantal leerkrachten in hun lessen boodschappen meegeven die daar haaks op staan? Zoiets is natuurlijk een werk van lange adem, maar in het kader van levenslang leren lijkt het mij geen overbodige taak voor leerkrachten om hun vakken hieraan aan te passen. Hier zie je ook weer het belang van het samenbrengen van actoren. Die 4 E’s kunnen enkel door samenwerking tot stand worden gebracht. De overheid kan bijvoorbeeld via de eindtermen één en ander structureel vastleggen.
Verandering in de samenleving is ook niet lineair. Ik geloof zelf heel sterk in een ‘tipping point’ model. Dat gaat uit van kantelpunten, drempelpunten waarbij veranderingen die eerst erg traag op gang kwamen plots heel snel gaan. Dit concept komt uit de wetenschappelijke ecologie. Het klimaatsysteem zit vol kritische drempelpunten. Denk maar aan de mogelijkheid dat de Golfstroom uitschakelt of het Groenlandijs irreversibel smelt. In een sociale context kan je dit model gelukkig ook op een positieve manier bekijken. Als je ervoor zorgt dat je de tien à twintig procent beslissingsmakers in de samenleving mee krijgt, kan de verandering daarna zeer snel gaan. Je hebt dan duizenden multiplicatoren. Scholen hebben hier een zeer belangrijke rol in te spelen. Zij zijn zo’n multiplicator. Elke leerkracht is dat.
Je schreef ooit een artikel met de titel “Duurzame ontwikkeling is een contradictio in terminis”. Waarom?
Dat was natuurlijk een titel om de lezer een beetje uit te dagen. Wat we ermee bedoelen, is dat duurzame ontwikkeling zoals dat vandaag door heel wat mensen wordt ingevuld zo’n contradictie is. Vaak wil men eigenlijk gewoon ‘business as usual’, het verderzetten van het bestaande, onduurzame economische model. Maar duurzame ontwikkeling is natuurlijk een zeer vaag en ambigu begrip dat door verschillende mensen heel verschillend wordt ingevuld. Velen formuleren het wel op een adequate manier en willen echt voor een trendbreuk zorgen.
Ik ben ervan overtuigd dat we, op de lange termijn bekeken, de schijnbaar evidente noodzaak van economische BNP-groei in vraag moeten durven stellen. Het is biofysisch onmogelijk om dit te realiseren in een gesloten ecologisch systeem. Door technologie kan je economische groei voor een stuk loskoppelen van milieugebruiksruimte, maar niet tot in het oneindige. Op termijn moeten we dus naar een systeem waarbij economische groei herbekeken wordt. Ik wil gewoon waarschuwen voor overdreven technologisch optimisme zoals dat bij veel mensen nog altijd leeft. We mogen niet denken dat we er gaan komen door het bestaande systeem wat aan te passen met technologische verbeteringen. Als ingenieur stel ik het belang van technologie op zich absoluut niet in vraag: het is een essentieel instrument om ons hierdoor te helpen. Anderzijds ben ik me er heel erg van bewust dat alleen technologie onvoldoende zal zijn. Fundamentele gedragsverandering is minstens even belangrijk.
