Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Johny Lenaerts
dinsdag 21 september 2004, door Johny Lenaerts
Op de Internationale Samenkomst voor de Mensheid en tegen het Neoliberalisme, in de bergen van Chiapas in 1996, verklaarde hij: ‘Het is niet noodzakelijk de wereld te veroveren. Het volstaat dat wij haar nieuw maken. Wijzelf.’ Het doel van het Zapatistisch bevrijdingsleger is ‘de opbouw van een politieke praktijk die niet de machtsovername beoogt maar de organisatie van de maatschappij’, een principe dat gedeeld wordt door het Zapatistisch front, dat ‘een politieke kracht’ wil zijn en geen politieke partij. Een politieke kracht die de eisen en de voorstellen van de burgers kan organiseren. (...) Een politieke kracht die niet strijdt voor de politieke machtsovername, maar voor een democratie waarin degene die beveelt, beveelt door te gehoorzamen’, een kracht, tenslotte, waarvan de leden geen regeringspost ambiëren en evenmin bij de verkiezingen willen opkomen. Voor alle duidelijkheid: wanneer de Zapatisten verklaren dat ze de machtsovername afwijzen, dan wil dit geenszins zeggen dat ze de politieke strijd opgeven, maar wel dat zij het strijdperspectief - zowel militair als electoraal - van de verovering van de staatsmacht uitsluiten. Zij miskennen niet de kwestie van de macht in zijn algemeenheid en van de staat in het bijzonder, en aanvaarden zelfs de noodzaak van politieke partijen, van verkiezingen en van een organisatie van de macht, maar ze preciseren dat het niet hun taak als Zapatisten is om direct te interveniëren op het beleidsniveau. Met de oprichting, vanaf december 1994, van 39 autonome Zapatistische gemeentes, tonen ze aan dat ze werk willen maken van nieuwe structuren van politieke macht.
De Zapatisten zijn van mening dat de staatsmacht een domein is dat aan specialisten toekomt (aan de politieke partijen), terwijl de taak van de Zapatistische organisatie en van de civiele maatschappij er over ‘t algemeen in bestaat ‘niet de regering te verslaan en een andere in te stellen’, maar om ‘een ruimte van politieke strijd te openen waarin de meerderheid politiek kan participeren’, de macht kan controleren en er invloed op kan uitoefenen door de eisen van het volk door te drukken. De overheid zal dan blijven bestaan als gescheiden instantie, die nochtans langzaamaan moet onderworpen worden aan de collectieve wil: ‘Wij willen rechtstreeks deelnemen aan de beslissingen die ons aanbelangen, onze leiders controleren, welke ook hun politieke kleur moge zijn, en hen verplichten te bevelen in gehoorzaamheid. Wij strijden niet voor de machtsovername, wij strijden voor democratie, vrijheid en gerechtigheid.’ Dit afwijzen van de staatsmacht en dit verlangen naar een nieuwe politieke praktijk, vormen een verre echo van het Zapatisme van de jaren 1910. We denken dan aan de beruchte intrede in Mexico van de Zapatistische troepen in december 1914 en de scène waarin Sancho Villa en Emilio Zapata om beurten plaatsnemen in de zetel van de president, enkel maar ‘om te zien hoe dat aanvoelt’, zoals zijzelf verklaarden.
MACHT
Hadden Villa en Zapata een voorgevoel van de verwoestingen die de macht in de loop van de twintigste eeuw zou aanrichten? Het was tegen het einde van de eeuw - met name in het werk van Michel Foucault - dat de kwestie van de macht met grote nadruk gesteld werd. Men had daar niet zelf voor gekozen. De kwestie drong zich op. Per slot van rekening heeft de twintigste eeuw twee grote ziektes van de macht voortgebracht: het fascisme en het stalinisme. Het is die ervaring die ons verplicht heeft de kwestie van de macht op de dagorde te plaatsen. We kunnen niet om de vraag heen: waren fascisme en stalinisme het antwoord op een bijzondere conjunctuur of op een eenmalige situatie? Of moeten we daarentegen in overweging nemen dat er in de bestaande maatschappijen onophoudelijk elementen opduiken die dergelijke uitwassen van de macht mogelijk maken? Hoe kunnen we vermijden dat het fascisme opnieuw de kop opsteekt? Hoe kunnen we in de verzetsbewegingen vermijden dat een op vrijheid en gelijkheid gericht ideaal in zijn tegendeel omslaat en een repressief karakter aanneemt? Was de strijd in de negentiende eeuw nog geconcentreerd op het probleem van de armoede en de uitbuiting, dan zal de strijd die zich momenteel aandient de macht als centraal voorwerp hebben. Wij zijn van mening dat de strijd die momenteel de inzet vormt, niet meer gecentreerd is rond economische eisen, hoe belangrijk die ook blijven, maar rond het probleem van de macht.
EEN MASSA VAN GEMEENSCHAPPEN
De strijd die vandaag op gang aan het komen is, blijft niet langer beperkt tot de georganiseerde arbeidersbeweging of de economische strijd. Het volstaat een vluchtige blik te werpen op de adressen in de Solidariteitsagenda, om te beseffen dat de strijd zich op een breed en gevarieerd vlak afspeelt. In deze tijd en in dit land zijn vele burgers actief in buurtcomités en milieuactiegroepen, in vredesgroepen en collectieven van asielzoekers, in het onderwijs en de pers, op het vlak van muziek en theater etc. Het is niet hun bedoeling om de macht in handen te krijgen, maar om ze te eroderen, ze te onttrekken aan de staat. Als die buurtcomités en actiegroepen op grotere schaal willen samenwerken, dan verkiezen ze netwerken te bouwen, in plaats van piramiden. Colin Ward:
Alle autoritaire instellingen zijn georganiseerd als piramiden: de staat, de private of publieke corporatie, het leger, de politie, de kerk, de universiteiten, de ziekenhuizen: het zijn allemaal piramidestructuren met bovenaan een klein groepje mensen die de beslissingen nemen en beneden een brede basis van mensen voor wie beslissingen genomen worden. Anarchisme vraagt niet om de etiketjes op de verschillende lagen te veranderen, het wil geen andere mensen aan de top, het wil dat wij omhoog klauteren. Het is voorstander van een uitgebreid netwerk van individuen en groepen, die hun eigen beslissingen nemen en hun eigen lot in handen hebben. De klassieke anarchistische denkers beschouwden heel de sociale organisatie als opgebouwd uit zulke plaatselijke groepen... Deze eenheden zouden zich verbinden, niet als de stenen van een piramide waar de grootste last door de onderste laag gedragen wordt, maar zoals de schakels van een netwerk, het netwerk van autonome groepen (Ward, 1975).
Ondersteund door de cybernetica, de wetenschap van de regelings- en communicatiemechanismen, pleit Colin Ward ervoor het heersende centrumperiferie-model op te geven, en stelt hij als alternatief netwerken voor ‘van elementen door elkaar heen verbonden, in plaats van met elkaar verbonden door middel van een centrum’, waarin kernen van leiderschap te voorschijn komen en zich verplaatsen met ‘een infrastructuur die sterk genoeg is opdat het mechanisme zichzelf zou kunnen samenhouden... zonder enige centrale hulp of steun...’ De moderne cybernetische modellen, zo stelt Colin Ward, ondersteunen de bewering van Kropotkin dat in een maatschappij zonder regering, de harmonie het resultaat zou zijn van ‘een steeds veranderende aanpassing en heraanpassing van het evenwicht tussen de veelheid van krachten en invloeden’ uitgedrukt in ‘een dooreengeweven netwerk, samengesteld uit een oneindige verscheidenheid van groepen en federaties van elke omvang en graad, lokaal, regionaal, nationaal en internationaal - tijdelijk of min of meer permanent - voor alle mogelijke doeleinden...’ (Kropotkin, 1905/1987).
De hedendaagse buurtcomités en actiegroepen vormen, in de woorden van Kropotkin, ‘steeds veranderende, zich steeds wijzigende verenigingen, die in zichzelf de elementen dragen van hun duurzaamheid en voortdurend nieuwe vormen aannemen die het best beantwoorden aan de veelvoudige strevingen van allen’ (Kropotkin, 1897/1993). Vandaar dat Colin Ward besluit: ‘Het anarchistische alternatief is dat van fragmentatie, splitsing in plaats van fusie, verscheidenheid in plaats van eenheid, een massa van gemeenschappen in plaats van een massagemeenschap’ (Ward, 1975).
REVOLUTIE?
Onze tijdgenoten zien met een welwillend oog hoe de macht begint af te brokkelen. Maar diep in hun binnenste lijkt de overtuiging sterk verankerd dat het doel van elke strijd de macht moet zijn. De ontwikkeling van een veelheid van actie- en basiscomités wordt gunstig ontvangen, maar steeds opnieuw werpt men de vraag op: wanneer gaat men over tot de ‘serieuzere zaken’? Met andere woorden: wanneer gaat men zich eindelijk bezighouden met de kwestie van de macht? De Argentijnse filosoof Miguel Benasayag (Aubenas en Benasayag, 2003) herinnert ons eraan dat een eeuw van revolutionaire ervaringen met de kwestie van de macht aangetoond heeft dat, ondanks de goede bedoelingen van de leiders, het de plaats van de onmacht is, en van beloftes die men niet kan waarmaken. Het was niet de roeping van Lenin ‘de onvoorwaardelijke ondergeschiktheid van de massa’s aan de ene wil van de leiders van het arbeidsproces’ te eisen. Het is ook weinig waarschijnlijk dat het project van Trotsky erin bestond de arbeidersopstand van Kronstadt neer te slaan.
Bij elke machtspolitiek, en vooral als die revolutionair wil zijn, is er een gevaarlijke val gegraven. Men denkt veelal dat men niet bevriend kan zijn met het kwade, en dat we dus het kwade met het kwade moeten beantwoorden. De macht zou bijgevolg noodzakelijk zijn om de ‘schuldigen’ te straffen, en men denkt dat wanneer deze eenmaal zullen uitgeschakeld zijn, de ‘goede machthebbers’ zullen ophouden het kwaad uit te oefenen. Zoals Nietzsche zei, voelt de hervormer zich gescheiden van de wereld, zodat hij, wil hij de wereld nieuw maken, dezelfde onrechtvaardigheden begaat en hetzelfde geweld mag aanwenden als datgene wat hij bekampt. Als resultaat verschijnt natuurlijk het kwaad als de enige overwinnaar. Men zegt dikwijls: ‘Het kapitalisme creëert klassen, meesters en dienaars, rijken en armen, bezitters en proletariërs...’ Dat is ongetwijfeld niet verkeerd, maar dat is onvoldoende om de verderfelijke kracht van het kapitaal aan te duiden. Men klaagt de rijken, de bourgeois aan. Daardoor wordt het doel van de actie verplaatst. Men vergeet dat de schuldige zelfs niet het geld is, maar de werking van het kapitaal. Nooit heeft een handjevol bezitters de wereld overheerst. En de uitbuiting en de onderdrukking is niet het resultaat van de wil van een groepje bezitters: zij voeren uit. Indien het duidelijk is dat er mensen zijn die méér dan anderen profiteren van een bepaalde toestand, dan is het niet zo duidelijk dat zij schuldig zijn aan het bestaan van die toestand, alsof zij naar eigen believen de factoren in de hand hebben die deze toestand mogelijk maken. Zoals elke andere inwoner van de wereld worden zij daarentegen gedetermineerd door deze factoren. Het kapitaal is een verhouding, het kan niet gepersonaliseerd worden.
Volgens Miguel Benasayag (Benasayag en Sztulwark, 2002) spruit de toe-eigening van de macht op dezelfde manier voort uit een imaginair denkbeeld. Het idee dat een maatschappelijke groep een macht bezit die we zouden kunnen lokaliseren in een bepaalde plaats, is een waandenkbeeld, zo stelt hij, want dit veronderstelt dat deze macht buiten de maatschappelijke verhoudingen zou staan: net zoals een mantel zou ze het maatschappelijke lichaam bedekken en het kunnen onderdrukken en pijn doen. Het zou dus volstaan deze centrale plaats in te nemen, het uit de handen te rukken van degenen die het nu bezitten, om het voor andere doeleinden en voor andere groepen aan te wenden. Maar, zoals Michel Foucault erop gewezen heeft:
“[de] macht kan niet bezeten worden, ze manifesteert zich over heel de oppervlakte van het maatschappelijk veld volgens een systeem van netwerken, van verbindingen, van overdracht, van verspreiding. (...) De macht manifesteert zich doorheen fijnmazige elementen: het gezin, de seksuele relaties, maar ook de woning en de buurt. Voor het sociale weefsel verschijnt de macht in het kleinste netwerk waarin iemand zich bevindt als iets dat voorbijkomt, dat zich manifesteert, dat zich realiseert (Foucault, 1994).”
Een klasse waarvan men zegt dat ze ‘de macht bezit’ is dus in feite een groep die rechtstreeks voordeel heeft bij de maatschappelijke orde, bij de bestaande machtsrelaties: zij is er daarom niet de bezitter van. Het is dus onzinnig de macht te willen ‘grijpen’ opdat ‘alles verandert’: enkel de ontwikkeling van tegenmacht, de dynamiek van de strijd en van de creaties is in staat een maatschappij te veranderen, waarbij de machtsrelaties en hun ‘profiteurs’ veranderen. Het is natuurlijk wel zo dat de heersende machtsrelaties verdedigd worden door de klassen die ervan profiteren. Maar we mogen, zo stelt Benasayag, niet in de val van de ‘confrontatielogica’ trappen, volgens dewelke de overwinning van de heersende klassen, van de geprivilegieerden, automatisch de weg opent naar de verandering. Want het kapitalisme, als productiewijze en als maatschappelijke orde (macht), heeft geen klasse nodig die haar vertegenwoordigt, zij kan bestaan zonder de autoriteit van een burgerlijke klasse. Wij zijn niet de eersten die zich ervan bewust worden dat er iets niet klopt aan het leninistische revolutiemodel dat, in plaats van ‘vanuit de basis’ te vertrekken, al zijn hoop stelt in het feit eerst de staatsmacht te veroveren, om, van daaruit, de gewenste veranderingen door te voeren. De enige politieke revolutie van de moderne periode in de westerse wereld die op algemene en onoverkomelijke wijze een maatschappelijke structuur veranderd heeft, was de Franse revolutie. Het is dus interessant vast te stellen dat deze revolutie, die over het algemeen geïdentificeerd wordt met de inname van de Bastille op 14 juli 1789, in feite het resultaat was van een lange en langzame ontwikkeling waarin de verschillende machtsverhoudingen in de schoot van de sociale basis veranderd werden. De ‘machtsovername’ van de centrale organen van de machtsrepresentatie vormde enkel maar de laatste fase. Ongetwijfeld een belangrijke fase, met name op symbolisch vlak. Maar dat is in geen enkel geval een beginpunt. Veeleer het tegendeel: de inname van de Bastille was een eindpunt, de kristallisatie van een lange ontwikkeling. Het gaat er hier niet om - als een nieuwe orthodoxie die even dogmatisch zou zijn als elke andere - het idee zélf van de machtsovername te verwerpen, maar veeleer om haar terug te plaatsen in de context van een politiek van basisstrijd. Zoals Miguel Benasayag en Florence Aubenas het in de inleiding van Verzet als scheppende kracht (2003) stellen:
Het moment van de strijd, het accepteren van de confrontatie, wat ook het niveau moge zijn, is onvermijdelijk. Maar hoe hard en heldhaftig het verzet ook moge zijn, het veroordeelt zichzelf tot de ondergang indien het zich opsluit in een logica van confrontatie zonder ook, en vooral, hier en nu, nieuwe werelden tot ontwikkeling te brengen (Aubenas en Bensayag, 2003).
‘DE MOTOR: DAT ZIJN JULLIE!’
In de beweging die momenteel op gang aan ‘t komen is, gaat het niet om het grijpen van de staatsmacht, maar wil men veeleer de machtsmechanismen uithollen en steeds grotere ruimtes van autonomie op de staatsmacht veroveren. Volgens een uitdrukking van Argentijnse anarchisten gaat het om een strategie van ‘het uitrekken van de vloer van de kooi’:
Een dergelijke strategie stelt dat het mogelijk is hervormingen af te dwingen zonder revolutie, zodanig dat zowel de levensomstandigheden als de mogelijkheden van de mensen verbeterd worden, en dat eveneens het pad geëffend wordt voor nieuwe overwinningen in de toekomst. Wanneer we een nieuwe maatschappij willen, dan miskennen we volgens deze strategie niet het huidige lijden van de bevolking, maar dan ijveren we voor onmiddellijke verbeteringen, op zulke wijze dat ons bewustzijn erdoor verhoogd wordt, onze aanhang groter wordt, en onze organisaties groeien, waardoor we een weg van onophoudelijke veranderingen inslaan, die moet uitlopen op nieuwe economische en maatschappelijke structuren. De vloer van de kooi uitrekken miskent niet de korte termijnstrijd voor hogere lonen, voor het einde van de oorlog, voor betere arbeidsomstandigheden, voor een participatief budget, voor een progressieve en radicale belastingheffing, voor een kortere werkweek met behoud van loon, voor de afschaffing van het IMF of wat-dan-ook. Het is in overeenstemming met de realiteit waarin bewustzijn en volksorganisaties groeien doorheen strijd. De minachting voor de inspanningen van de bevolking voor betere leefomstandigheden, dat zo wijdverbreid is in activistenkringen, verdwijnt (Grubacic, 2003).
Dikwijls wordt de beweging geconfronteerd met de vraag: waarom richten we geen partij op (Benasayag, 2001)? Dan blijken er grosso modo twee strekkingen te bestaan: de eerste stelt dat deelname aan het beleid een zoveelste element in de multipliciteit van het verzet betekent en dat we ook op dat niveau aanwezig moeten zijn. Anders gezegd: waarom zou een deel van de beweging zich niet bezighouden met de strijd op beleidsniveau, goed wetende dat in elk geval de ‘motor’ van de beweging zich bij de basis bevindt, en dat de activisten die zich met het beleid bezighouden dit doen om de beweging te begeleiden, en niet om haar vorm te geven, of om haar aan machteloze normen aan te passen. De tweede strekking, die daar tegenover staat, stelt dat het elan van deze beweging plaats moet ruimen voor de klassieke politieke motor van de volksvertegenwoordiging en moet vertrekken vanuit het beleid en de macht. Zij stelt dat niet met zoveel woorden, maar in de praktijk komt het er wel op neer dat de basisstrijd moet wijken voor het parlementaire of gemeentelijke bestuurswerk. Wij antwoorden daarop - in termen die we andermaal aan Miguel Benasayag ontlenen - dat het kapitalisme de neiging vertoont alles aan te vreten, haar vijanden daarbij inbegrepen, door er, tegen hun eigen wil in, bondgenoten van te maken. De ideologen worden projectbeheerders en, haast zonder dat zij dit zelf beseffen, beginnen ze een discours af te steken over het nut van de normalisering. We hebben al vele radicalen gekend die in dit soort ontwikkelingen volkomen verloren gelopen zijn. Tien jaar later komt men hen opnieuw tegen, en dan blijken ze beheerders en politici geworden te zijn met een discours van gewapend beton. En ze hebben zelfs nooit de indruk dat ze hun jas gedraaid hebben! Zoals in de novelle van Sartre, Tussen de raderen (1962), is het eerste wat dergelijke lui die de macht uitoefenen in naam van het volk, zeggen: ‘Geduld, momenteel kunnen we nog niet...’ ‘We kunnen niet, dus hoop’: dat is de enige stelregel van degenen die ons altijd voorhielden dat we machtsposities in het staatsapparaat moesten veroveren wilden we iets kunnen betekenen.
Het zou moeten duidelijk zijn dat het beleidsniveau een manoeuvreerruimte heeft die erg beperkt is. Wanneer de basisstrijd de motor van de beweging is, dan zullen ook enkel maar dié hervormingen doorgevoerd worden waarvoor er een sterke basis, een sterke tegenmacht, gevormd wordt. Hervormingen worden afgedwongen. En dat gebeurt door mobilisatie van de basis. Welke volksvertegenwoordiger op beleidsniveau een gewenste hervorming in wetteksten of bestuursmaatregelen vastlegt, doet niet erg ter zake. Het zal pas gebeuren wanneer er voldoende mensen achter staan en er krachtig voor gemobiliseerd wordt. Als een activist op beleidsniveau actief wil zijn, dan zal ook het eerste zijn wat hij tegen zijn achterban zegt - of zou moeten zeggen - ‘Als jullie iets willen gedaan krijgen, dan moeten jullie in beweging komen. Het is goed met één been in het machtsapparaat te staan, maar als jullie iets willen bekomen, dan moeten jullie van je laten horen. Alleen kan ik niets, ik kan enkel jullie wensen zo trouw mogelijk volgen, en ik doe dit beter dan als ik lid zou zijn van een andere partij, maar ik kan niet de motor zijn: de motor, dat zijn jullie.’
Miguel Benasayag merkt op dat vrouwelijke activisten op beleidsniveau dikwijls zo’n discours hanteerden: ‘De motor, dat zijn jullie; wij, van onze kant, kunnen enkel maar in de sfeer van het beheer en de wetgeving doorvoeren wat van jullie komt.’ Dat is een beetje de erfenis van de feministische strijd, die nooit de macht als doel gesteld had, die altijd geweten heeft dat de kracht niet schuilt in de machtsruimtes, dat deze plaatsen van beheer/macht in het beste geval ertoe dienen de reële maatschappelijke beweging te begeleiden en, daardoor, te verhinderen dat de reactionairen de machtsruimtes innemen. Benasayag en Aubenas (Verzet als scheppende kracht, 2003) herinneren ons eraan dat, in tegenstelling tot de ecologische beweging - die groene partijen gevormd heeft die zich geconcentreerd hebben op de machtsposities in het bestuursapparaat -, de vrouwenbeweging nooit de machtsovername als einddoel opgevat heeft, en de regeringszetel als de plaats die men moest innemen om de wereld te veranderen. Verandering werd opgevat vanuit de basis, en niet vanuit de top (zelfs indien, in een latere fase, deze verworvenheden door de wetgevers en de politici vastgelegd moesten worden, zoals voor de legalisering van abortus of van de pil). Méér zelfs, de reële concrete verandering zou ongetwijfeld niet mogelijk geweest zijn vanuit de centrale macht.
Wanneer wij stellen - getrouw aan een libertaire inspiratie en in overeenstemming met het motto van de Zapatisten - dat we niet de macht moeten nastreven, dan vatten vele mensen dit op als zouden we de strijd opgeven, als zouden we radicaal pessimistisch zijn. Dit is helemaal niet het geval. Het is precies het tegendeel: de macht als doel opgeven, zo stelt Miguel Benasayag:
“... dat betekent uiteindelijk het opgeven van de machteloosheid in de strijd, dit wil zeggen dat we ons concentreren op het vermogen en het worden, dit wil zeggen dat we afstand doen van een illusie, niet van de macht. Daarom is het van belang te begrijpen hoe dit dispositief beheer/politiek werkt, zonder daarbij te stellen dat het ene of het andere slecht is - opdat we onszelf niet langer zouden bedriegen, en op die manier tot onmacht veroordeeld zijn (Benasayag, 2001).”
De toekomst van de beweging komt niet tot stand in de schijnwerpers van het politieke bedrijf, maar in de dagelijkse en onopvallende opbouw van een ander leven. Tussen de machteloze gelatenheid en de machtsambitie, graaft de basisbeweging zich een weg in het hier en nu, in de dagelijksheid van een situatie, en niet in de mythische tijd van de epische geschiedenis. Zoals de Franse filosoof Gilles Deleuze zei: de vraag naar de toekomst van de revolutie is een verkeerde vraag, want zolang men haar stelt, worden vele mensen niet revolutionair.
Geselecteerde bibliografie
AUBENAS, F., BENSAYAG, M., Verzet als scheppende kracht, Gent, 2003;
BELLEFON, MICHELS, PUCCIARELLI (éds.), L’anarchisme a-t-il un avenir?, Lyon, 2001.
BENASAYAG, M., SZTULWARK, D., Du contre-pouvoir (2000), Parijs, 2002.
BUBER, M., Paden in utopia, Utrecht (1946), 1972.
FOUCAULT, M., Dits et écrits, 1954-1988, tome III, Parijs, 1994.
GUÉRIN, D., Voor een libertair marxisme, Amsterdam, 1971.
GUÉRIN, D., Het anarchisme, Utrecht/Antwerpen, 1971.
LEHNING, A., Radendemocratie of staatscommunisme, Amsterdam, 1972.
RUBEL, M., Marx critique du marxisme (1974), Parijs, 2000.
WARD, C., Anarchie in actie, Antwerpen/Amsterdam, 1975.
