Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
maandag 28 oktober 2002, door Rémi Hess
Op zijn vijftiende leest hij Nietzsche en Spinoza. Maar in feite beoogt hij een carrière als ingenieur. Door een ernstige pleuritus is hij evenwel genoodzaakt zijn voorbereidende studies aan de Ecole Polytechnique van het lycée Louis-le-Grand stop te zetten, en vertrekt hij naar Aix-en-Provence om rechten en filosofie te studeren. H. Lefebvre zal heel zijn leven een interesse voor wiskunde blijven behouden. Zou hij zich zonder dat jaar speciale wiskunde zo erg geïnteresseerd hebben voor logica, voor techniek? Waarschijnlijk niet. Nadat hij in Aix in contact gekomen is met Maurice Blondel, beslist hij zich in de filosofie te verdiepen.
Uit de lessen van Maurice Blondel zal H. Lefebvre een goede kennis van de katholieke filosofie opdoen, voornamelijk van Sint-Augustinus. Maar zijn relatie tot deze filosofie, waartoe hij zich voelt aangetrokken, is complex. Hij vindt dat Blondel, die voor een ketter gehouden wordt, niet ver genoeg gaat. M. Blondel streeft naar de orthodoxie. H. Lefebvre zou hem liever als ketter willen zien. Een hechte vriendschap verbindt de professor met zijn student, die tevens zijn contact met het thomisme op een paradoxale manier beleeft. Uit de studie van Augustinus houdt H. Lefebvre een sterke antipathie tegenover de aristotelische traditie en voor de door haar doorheen de eeuwen geponeerde Logica aan over.
Op zijn twintigste arriveert hij in Parijs, waar hij Pierre Morhange, Nobert Guterman, Georges Politzer en Georges Friedmann ontmoet, en met hen een filosofengroepje opricht, dat het tijdschrift Philosophies uitgeeft. Deze groep rivaliseert met de groep surrealisten. De ‘filosofen’ delen hun afkeer voor de (bergsoniaanse) ideologie die op dat ogenblik aan de Sorbonne overheerst, en zij wijzen de intellectualistische filosofie van Léon Brunschvicg en van Alain af. De groep zoekt op autonome manier zijn weg. H. Lefebvre leest Schopenhauer en Schelling.
Als we het door een hedendaagse bril bekijken, dan lijkt het tijdschrift Philosophies een kruispunt van wat later ‘existentialisme’, ‘fenomenologie’, ‘psychoanalyse’ en ‘ontologie’ zouden worden. In het eerste hoofdstuk van L’existentialisme zal H. Lefebvre een evaluatie van deze periode geven, van dit onderzoek van de groep filosofen. Het is een autobiografisch - en aangrijpend - aspect van het boek, dat hernomen en verder uitgewerkt wordt in 1959 in La somme et le reste.
De ontmoeting van de groep filosofen met die van de surrealisten verloopt stroef. Conflicten, onbegrip. H. Lefebvre knoopt nochtans een band aan met Tristan Tzara, nadat hij in 1924 een artikel over Dada geschreven heeft. H. Lefebvre ontmoet eveneens Max Jacob, waarmee hij in onmin raakt als hij beslist toe te treden tot de Communistische Partij. Want in die tijd ontdekt hij Hegel en Marx. Laten we niet vergeten dat in de jaren twintig de Universiteit nog geen belangstelling had voor deze auteurs. Het is André Breton die H. Lefebvre in contact brengt met de Logica van Hegel. Léon Brunschwicg raadt hem af een thesis filosofie over deze denker te schrijven! De ontwikkeling van H. Lefebvre komt daarmee niet tot een einde; in het verlengde van zijn lectuur van Hegel ontdekt hij Marx.
H. Lefebvre zal getekend worden door deze theoretische ontmoeting. In feite is het niet via de praktijk van de politieke strijd dat hij ertoe komt om Marx te lezen, maar via de theorie. Als filosoof. H. Lefebvre treedt op het doctrinaire vlak tot het marxisme toe in naam van een stelling die kort nadien door Stalin en het stalinisme opgegeven werd, namelijk de theorie van het afsterven van de staat. Vanaf zijn eerste lectuur van Marx, Engels en Lenin, ontdekt H. Lefebvre een radicale kritiek van de staat. H. Lefebvre ontwaart dus een politieke breuk (en niet een filosofische of epistemologische breuk) tussen Marx en zijn voorgangers. Voor H. Lefebvre bestaat er geen fundamenteel meningsverschil tussen Marx en Bakoenin. Hij ziet enkel enkele misverstanden in verband met de fameuze overgangsperiode.
Deze intellectuele ontdekking van het marxistische denken brengt H. Lefebvre ertoe om zich in 1928 aan te sluiten bij de Communistische Partij, samen met zijn kameraden van de groep Philosophies, en gelijktijdig met de surrealistische groep. In 1928 is het communisme nog een beweging. Het is niet geïnstitutionaliseerd: ‘Het apparaat is nog zwak, en wordt doorkruist door allerlei tegenstellingen.’ H. Lefebvre treedt dus toe vanuit de overtuiging dat Marx een tegenstander van het staatssocialisme is. H. Lefebvre gelooft in de kracht van de ‘sovjets’ in Rusland. Het is deze onwetendheid over hetgeen er in die tijd werkelijk voorvalt in Rusland, die aan de basis ligt van het misverstand dat gedurende dertig jaren tussen H. Lefebvre en de Communistische Partij zal bestaan. H. Lefebvre zal later verklaren dat ‘de beginnende communistische beweging niet recruteerde uit autoritaire persoonlijkheden, maar uit anarchiserende’. In tegenstelling tot velen die zich lieten omvormen tot integristen, tot dogmatici, zou H. Lefebvre trouw blijven aan zichzelf: hetgeen hem dikwijls in botsing zou brengen met de partijleiding. Overigens zal zijn lectuur van Marx hem ertoe aanzetten om onafgebroken de ‘profetie’ van de beweging in herinnering te brengen (we moeten geen gestolde principes toepassen, maar de methode van Marx om nieuwe objecten te onderzoeken), hetgeen hem verdacht maakt in de ogen van de basismilitanten, die voornamelijk empiristen zijn.
De eerste moeilijkheden ontstaan bij de Revue marxiste, dat in 1928-1929 opgedoekt wordt. De groep filosofen had reeds twee tijdschriften gepubliceerd: Philosophies en Esprit. De aansluiting tot de Partij bracht hen ertoe de Revue marxiste op te richten, dat een nieuwe fase in de ontwikkeling van de groep inluidde. P. Morhange, N. Guterman, G. Friedmann, G. Politzer en vervolgens P. Nizan namen aan dit initiatief deel. In feite wou dit blad zich erg open opstellen. De meeste medewerkers wezen het economisme, dat toen reeds het marxistische denken aantastte, af. Dit tijdschrift werkte als een analysator door het feit dat in die tijd reeds een dergelijk iniatief, dat niet door de leiding van de communistische beweging opgezet was, niet getolereerd werd.
De ‘minste ideologische afwijking werd opgevat als een politionele operatie’ (H. Lefebvre). Uiteindelijk raakte het geld op, en het tijdschrift verdween. De partijleiding was niet vreemd aan het failliet van het tijdschrift. Als gevolg van dit avontuur viel de groep filosofen uit elkaar. N. Guterman verliet Frankrijk en vestigde zich in de V.S.; P. Morhange ging naar de provincie. En H. Lefebvre? Hij wordt leraar filosofie in Privas!
Hij schrijft terwijl hij militeert aan de basis. Hij begint samen met N. Guterman de jeugdgeschriften van Marx in de Revue Avant-Poste te publiceren. Het is ook in dit tijdschrift dat de eerste hoofdstukken van La conscience mystifiée verschijnen. Wat is de centrale stelling? Noch het individueel bewustzijn noch het collectieve bewustzijn kunnen opgevat worden als waarheidscriterium. De bewustzijnsvormen worden gemanipuleerd. Heel de moderne maatschappij is gebaseerd op de miskenning van haar fundament, namelijk het mechanisme van de meerwaardevorming. De arbeidersklasse zelf kent het mechanisme van haar eigen uitbuiting niet. Zij beleeft het als een onwetendheid, als een vernedering. Niets is moeilijker dan deze kennis bij de arbeidersklasse over te brengen. Daardoor kan het fascisme voorstellingen verspreiden die tegengesteld zijn aan de realiteit. Het fascisme kan zich voordoen als een socialisme omdat de inversie van de verhoudingen mogelijk is. Zij impliceren niet op zichzelf, in de praktijk, hun eigen kennis, maar daarentegen bevatten ze hun eigen onwetendheid.
Dit boek wordt slecht onthaald in de communistische beweging. De Russische censuur weigert het gratis naar de pers te versturen. Politzer schrijft een fel artikel tegen H. Lefebvre, dat zelfs door Maurice Thorez als dogmatisch en sectair bestempeld wordt. In feite werpt het boek van H. Lefebvre en N. Guterman vragen op die de Partij naliet zich te stellen. In die tijd (1936) waren de communisten van mening dat de opgang van het nazisme van korte duur zou zijn. La conscience mystifiée, dat geschreven werd tussen 1933 en 1935 (grotendeels in New York), was een verdoemd boek. Afgewezen door de communisten, werd het enkele jaren later verboden en vernietigd door de nazi’s.
In die tijd was zelfs G. Politzer van mening dat politiek niet verstaanbaar was voor de militanten: ‘Enkel de politieke leider, de chef, heeft in deze kwesties recht van spreken.’ Het is op dat moment dat hijzelf zijn wetenschappelijke ambities opgeeft, zijn project voor een concrete psychologie, en nog méér zijn psychoanalytische positie uit zijn beginperiode.
Het is een tijd waarin er veel wantrouwen heerst tussen de militanten. P. Nizan houdt zijn correspondentie achter, en toont het aan de hogere partijinstanties. Dit klimaat verhindert H. Lefebvre niet om bij de Partij te blijven. Hij vindt er steun in: ‘Ik denk dat ik méér dan eens een persoonlijke crisis ontlopen ben dankzij het militantisme,’ schrijft hij. Hij tracht in zijn lyceum in Privas een vorm van tegen-scholing van de filosofie uit te werken. Samen met anderen publiceert hij Cahiers du contre-enseignement.
De tweede helft van de jaren dertig betekenen een grote activiteit aan vertalingen (samen met Norbert Guterman) en aan voorstellingen van werken van Hegel, Marx en Lenin. Dit werk zal vervolledigd worden met talrijke introducerende teksten tot het marxisme (Le matérialisme dialectique, 1939, vervolgens Marx et la liberté, 1947, Le marisme, 1948, Pour connaître la pensée de K. Marx, 1948, enz.).
H. Lefebvre is dus tijdens de oorlog bij de Communistische Partij gebleven. Dat heeft ertoe geleid dat hij geschorst werd als leraar door het Vichyregime, en opgespoord werd. Hij verborg zich in de Pyreneeën waar hij, op een zolder, de archieven van de vallei van Campan uitvlooit. Door dit werk zal hij interesse krijgen voor de plattelandssociologie, hetgeen het thema wordt van de thesis die hij later zal verdedigen.
In de onmiddellijke naoorlogse periode vindt H. Lefebvre opnieuw de gelegenheid om te publiceren. Het is in deze context dat hij bijna gelijktijdig L’existentialisme en het eerste deel van Critique de la vie quotidienne schrijft, een thematiek die hem een mooie theoretische toekomst oplevert. Wij zullen hier later op terugkomen.
In de jaren vijftig blijft H. Lefebvre nog in de Communistische Partij, omdat de interne strijd tegen het stalinisme losbrandt. Een ideologische, theoretische en politieke strijd. Het is in deze periode dat H. Lefebvre een polemiek voert tegen het idee van een ‘proletarische wetenschap’. De kern van het conflict zal zich concentreren op de logica. Hij schrijft een Traité de logique waarvan het eerste deel, uitgegeven door de Partij, uit circulatie genomen wordt nog vooraleer het gelanceerd wordt. Een ander werk, over de methode van de wiskunde en de wetenschappen (dat het tweede deel had moeten vormen van Traité du matérialisme dialectique), en dat reeds gedrukt was, werd nooit verspreid. Het was een moeilijke periode voor H. Lefebvre, die er niet in slaagde om de Partij te doen begrijpen dat als twee plus twee gelijk is aan vier, dit even waar of even fout is in Moskou als in Parijs. ‘De insluitings- en uitsluitingsverhoudingen zijn niet verkeerd hier en waar ginder.’ H. Lefebvre bekampt het idee van een klasselogica. Er wordt geen enkele praktische conclusie getrokken uit de publicatie van het essay van Stalin over de linguistiek. Het is op die manier dat de oppositionele activiteit van H. Lefebvre vaste vorm aanneemt en zal versterkt worden nà 1953, het jaar van de dood van Stalin.
Sedert 1948 werkt hij bij het CNRS (organisatie voor zuiver wetenschappelijk onderzoek in Frankrijk). Hij schrijft de definitieve versie van zijn thesis, zich baserend op het onderzoek dat hij tijdens de oorlog verricht heeft toen hij zich verschool in de Pyreneeën. Deze thesis over plattelandssociologie heeft als titel La vallée de Campan (verschenen bij PUF, en in 1990 heruitgegeven in de zeer mooie collectie Dito). Over de Pyreneeën publiceert hij ook een meditatief en geëngageerd werk.
In de jaren 1947-1955 schrijft hij een aantal werken over grote Franse schrijvers (Descartes, Diderot, Pascal, Musset, Rabelais) als bijdrage aan de beweging van het denken over de bevrijding van de mens. Hij wil aantonen dat men deze auteurs niet mag afwijzen als ‘burgerlijke’ denkers, maar dat men moet zien hoe de ideeën vast vorm krijgen, hoe het dialectisch materialisme in het verlengde ligt van deze werken.
Het is in deze tijd dat H. Lefebvre de artikels schrijft waarin hij het marxisme wil introduceren in de moderne ontwikkelingen van de logica, van de informatica en van de cybernetica, iets waarover de Russische filosofen noch de min of meer officiële denkers van de PCF zoals Roger Garaudy iets wilden weten. In Voies nouvelles ontwikkelt hij enkele nieuwe ideeën die twintig jaar later hun weg zullen vinden (o.m. het idee van de noodzaak om een programma uit te werken voor de machtsovername). De Partij neemt het niet over. Voor haar volstaan enkele simplistische ordewoorden. Dan komt alles in een stroomversnelling. De onthullingen van het rapport van Kroetsjov gaan veel verder dan de oppositionelen zich hadden durven voorstellen. Het is de tijd van de uitsluitingen (Morin, enz.). H. Lefebvre wordt in 1958 als partijlid geschortst. Hij verkiest de Partij te verlaten en zijn vleugels uit te slaan. Vanaf dan staat hij zich als filosoof een volledige autonomie van het denken toe.
Tussen juni en oktober 1958, in een voor Frankrijk bijzondere politieke context, schrijft hij La somme et le reste, een belangwekkend boek van 780 bladzijden, waarin hij het bilan opmaakt van zijn filosofische leven en van zijn avontuur in de Communistische Partij (wij komen daar later op terug). Hierna zal hij zeer belangrijke boeken schrijven. Hij helpt mee de theoretische basis uit te werken van wat de Situationistische Internationale zal worden, samen met Guy Debord, waarmee hij vriendschap sluit. Maar deze vriendschap zal niet lang stand houden, en op een pijnlijke manier afbreken.
Nochtans zal deze confrontatie met de situationisten zijn grote productiviteit ten goede komen. Hij herneemt en herformuleert zijn kritiek van het dagelijks leven, waaraan hij na het einde van de oorlog begonnen was. Een nieuwe versie van L’introduction à la Critique de la vie quotidienne wordt in 1958 uitgegeven. Deel twee, Les fondements d’une sociologie de la quotidienneté, verschijnt in 1961.
In dat jaar begint H. Lefebvre te werken aan de universiteit. Hij wordt hoogleraar in Straatsburg. Vanaf 1965 doceert hij in Nanterre. H. Lefebvre heeft moeten wachten tot hij de zestig voorbij was om zich in het avontuur van een universitaire loopbaan te mogen wagen. Tot 1958 had zijn reputatie als communistisch militant, ondanks het monumentale aspect van zijn werk, hem dit belet. Waarschijnlijk verklaart dit in zeker opzicht waarom hij zich met zo veel vuur op die nieuwe ervaring geworpen heeft. Zowel in Straatsburg als in Nanterre zal zijn invloed op de studenten bijzonder groot zijn. Zelden heeft een universiteitsprofessor zoveel invloed op de studenten uitgeoefend als Henri Lefebvre.
Gelijktijdig daaraan werkt H. Lefebvre aan La proclamation de la Commune. Dit boek zal slechts verschijnen in 1965. Hij schrijft ook Introduction à la modernité (1962) en Métaphilosophie (1965). Dit laatste boek zal een grote weerklank kennen in Duitsland. Daarin verschijnt H. Lefebvre als een theoreticus die dicht aanleunt bij de Frankfurter Schule. Zijn boeken worden gelezen door studenten die aan de basis liggen van Mei 68. Het is de tijd dat Althusser aan de Ecole normale supérieur zijn grootste glorie kent. Pour Marx en Lire le capital verschenen eveneens in 1965. Althusser en zijn theorie van de ‘coupure épistémologique’ bij Marx vormen de aanleiding voor nieuwe confrontaties.
H. Lefebvre wijst elk systeem af. Hij klaagt de burgerlijke wereld aan, het kapitalisme van de waar, de wereld van het geld, van de winst. In zijn kritiek op de aanhangers van het sciëntisme, van het positivisme, van het structuralisme, werkt hij de theoretische fundering uit van de contestatiebeweging die tot stand komt in het departement sociologie van Nanterre, waarover hij de leiding heeft. Spoedig zal de meerderheid van de studenten zich aansluiten bij de door H. Lefebvre uitgewerkte contestataire analyses van de seksualiteit, van het dagelijks leven, van het concrete leven in de bestaande maatschappij. H. Lefebvre gunt zijn assistenten de ruimte om hun eigen onderzoek te verrichten. Hij moedigt hen aan hun eigen ideeën te onderrichten, iets wat niet veel voorkwam voor Mei 68, toen de assistent beschouwd werd als de repititor van de professor. Zo werden de lessen van H. Lefebvre aangevuld met die van Eugène Enriquez, Jean Baudrillard, René Loureau en Henri Raymond, Maïté Clavel.
Tijdens de gebeurtenissen van Mei 68 kon H. Lefebvre vaststellen hoe de intuïties en de concepten die hij sedert vele jaren poogde te formuleren, op het niveau van de maatschappelijke beweging gerealiseerd werden. Men schrijft hem het vaderschap van Mei 68 toe.
H. Lefebvre houdt het daar niet bij. Hij zet zijn werk verder. Hij publiceert tussen 1968 en 1980 een zeer groot aantal boeken, waarin hij zijn theorie van de politiek verder uitwerkt. Le manifeste différentialiste (1970) ontwikkelt het begrip ‘verschil’. Dit boek tracht aan te duiden welke weg men dient te volgen wil men ontsnappen aan de veralgemeende standaardisering die een bedreiging betekent voor de ‘bureaucratische maatschappij van gedirigeerde consumptie’ waar we in leven. La fin de l’histoire (1970) knoopt terug aan bij de lectuur van Nietzsche, Au-delà du structuralisme (1971) groepeert de artikelen die hij in de voorgaande periode geschreven had tegen Althusser. Verschillende boeken over de stad en de ruimte: Le droit à la ville (1968), Du rural à l’urbain (1970), La pensée marxiste et la ville (1972), Espace et politique (1973), en vooral La production de l’espace (1974). Na Hegel, Nietzsche, Marx ou le royaume des ombres (1975) werpt Lefebvre zich op een synthese van de kwestie van de staat. De l’état zal vier delen tellen (1975-1978).
Ondertussen is H. Lefebvre op pensioen gegaan. Hij geeft geen les meer in Nanterre. Maar hij reist veel. Hij geeft lezingen over de hele wereld. Hij schrijft elke ochtend. Hij leest veel. Vanaf 1978 keert hij systematisch terug tot de filosofie. Hij herleest de Griekse tragici. Het lijkt hem dat de sleutel van de filosofie, de sleutel van de wereld bij hen moet gezocht worden. H. Lefebvre gelooft niet dat er iets te leren valt uit de mythes. Het is in het tragische dat men moet zoeken. H. Lefebvre ziet de oplossing veeleer bij Prometheus dan bij Dionysos. Prometheus! Een verschrikkelijk, een ongehoord beeld. Aan de rots gekluisterd door de macht en de kracht, draagt hij in zich de boodschap dat de bevrijding voortvloeit uit de dood van de goden. Zeus zal de macht verliezen. Maar Prometheus zèlf is sterfelijk! H. Lefebvre vindt zichzelf veeleer terug in de tragedie dan in het drama, want in de tragedie bestaat er een overwinning op de tijd en op de dood. De tragedie roept de tragische held opnieuw tot leven, hij herbeleeft zijn dood. Het is dààruit dat men een filosofie kan afleiden. Deze benadering kan veraf lijken te staan van het marxisme. Maar niet zo ver dan men wil geloven. Zegt Marx niet zelf dat hij Prometheus belichaamde? Deze thema’s worden hernomen in Qu’est-ce que penser? (1985).
Dezelfde weg bewandelt H. Lefebvre in La présence et l’absence (1980), dat op hetzelfde ogenblik verschijnt als Une pensée devenue monde, een boek waarin H. Lefebvre nogmaals het marxisme evalueert. ‘Moeten we Marx opgeven?’ zo vraagt hij zich af. Uiteraard is deze kritische evaluatie moeilijk. H. Lefebvre knoopt evenwel terug aan bij het idee dat bij hem opkwam tijdens zijn eerste lectuur van Het Kapitaal. Marx is het tegengestelde van het stalinisme, hij draagt anti-etatistische kiemen in zich, iets waar we tegenwoordig, meer dan ooit, behoefte aan hebben.
De vraag die in La présence et l’absence gesteld wordt is die naar de filosofie. Kan men filosoferen nà Marx? H. Lefebvre antwoordt met een voorbeeld. Ook dit boek situeert zich in die filosofische ader. Hij exploreert daarin het moment van het (kunst-)werk. Hij levert een filosofische theorie van de voorstelling. Wat is een voorstelling? Een tussenfase tussen zijn en niet-zijn: heel de kwestie bestaat erin of de kennis al dan niet deze tussenfase kan overschrijden om het waarachtige zijn te bereiken. Kant dacht dat dat niet mogelijk was; Marx, daarentegen, riep de filosoof op uit de voorstellingswereld, die altijd illusoir is, te breken, terwijl Nietzsche voorstelde om zowel filosofie als voorstelling te verwerpen, om hen op te heffen naar een hoger niveau, iets wat enkel zou mogelijk zijn voor de Uebermensch.
Nadat hij een geschiedenis van het concept ‘voorstelling’ geschetst heeft, besluit H. Lefebvre dat de voorstelling een maatschappelijk en psychisch feit is dat men niet kan ontlopen, maar dat men moet weten te kiezen. Men moet vruchtbare voorstellingen kiezen, die ons in staat stellen het mogelijke te exploreren, en de illusoire voorstellingen (die de mensen fascineren maar de evolutie van de maatschappij blokkeren) opheffen. Dit boek, dat in zekere zin een soort bilan van het filosofische werk van Henri Lefebvre is, houdt rekening met het denken van Marx, maar ook met dat van Spinoza of dat van Joachim van Fiore. Het is een verbazingwekkend boek, dat een grote culturele bagage tentoonspreidt, maar vooral gedreven wordt door een vurige gedachte ‘dat gericht is op nooit gerealiseerde mogelijkheden, openstaat voor alle richtingen van de moderniteit’ (C. Delacampagne). H. Lefebvre heeft zich doorgezet als filosoof en als socioloog. La presence et l’absence ontgint het filosofische moment. Het belang van dit boek bestaat erin dat we er nog eens aan herinnert worden dat de filosofie in geen enkel dogmatisme kan opgesloten worden. Het denken is geen in zichzelf opgesloten spel. Het is een instrument om de realiteit te verkennen.
In welke richting evolueert het denken van H. Lefebvre op het einde van zijn leven? Dat valt moeilijk te zeggen. Als auteur van tientallen boeken heeft H. Lefebvre zijn werk niet afgesloten. Het is open gebleven, onvoltooid. H. Lefebvre is teruggekeerd tot het kunstwerk. Hij herleest Musil. Voor hem is De man zonder eigenschappen de roman over de ontbinding van de moderne wereld. De held van Musil’s roman verschijnt als filosoof. Hij ontwikkelt zijn filosofie in dialoog met de techniek, maar heft deze op. Naast Musil herlas hij Shakespeare, de Griekse tragici, René Thom (catastrofentheorie). Hij stelt vast dat de Griekse tragedie de Grieken het leven vergemakkelijkt heeft, dat het hen toegestaan heeft zich zelf te accepteren, de wereld (de kosmos) te aanvaarden. De tragedie bevat dus een affirmatie. In de tragedie worden lijden en dood ontkend. Nietzsche had daar een voorgevoelen van. H. Lefebvre ontdekt het. De val van de Berlijnse muur betekende een schok voor Henri Lefebvre. Op het einde van zijn leven mediteerde hij over dit historische voorval. Hij stierf in juni 1991. Kort voordien had hij opgemerkt dat het communisme al te dikwijls verveling veroorzaakt had, en dat het niet in staat geweest was de utopie uit te dragen en de kritiek van het dagelijks leven te ondernemen.
Indien we het werk van Henri Lefebvre in één woord zouden moeten samenvatten, dan zouden we kunnen zeggen dat dit georganiseerd was rond het begrip ‘avontuur’. H. Lefebvre heeft nooit ervaring en opvatting van elkaar gescheiden. Bij hem vloeien beiden door elkaar heen. Dit idee is reeds aanwezig in L’existentialisme. Het is in deze context van intellectuele, maar ook van persoonlijke confrontatie met de avant-gardebewegingen (filosofengroep, surrealisme, marxisme, oppositiebeweging binnen de C.P., situationisme, studentenbeweging) dat Henri Lefebvre zijn activiteit als filosoof (als denker, theoreticus en schrijver) ontwikkeld heeft. Telkenmale betekende de confrontatie een nieuw avontuur. Het contact met het werk van Karl Marx stelt de filosofie ter discussie. Hoe filosofie bedrijven nà Marx? H. Lefebvre stelt als uitweg: de metafilosofie.
We dienen het belang van H. Lefebvre als marxistisch filosoof te onderlijnen. Hij heeft de kern van het denken van Marx teruggebracht tot twee rode lijnen: de theorie van de vervreemding en de kritiek van de staat. H. Lefebvre is van mening dat de theorie van de vervreemding aanwezig is in Het Kapitaal van Marx, dat het begrip van vervreemde-vervreemdende arbeid leidt naar het idee dat het kapitaal zich autonoom gedraagt t.o.v. de praktijk van alle vervreemde-vervreemdende machten. H. Lefebvre heeft met de metafilosofie een reeks concepten geïntroduceerd die geen afgerond systeem vormen. Zij vloeien voort uit de praktijk en keren er ook terug naartoe: ‘espace social’, ‘différence’, ‘quotidien’, ‘mystification’, ‘mondial’ en ‘aliénation’ zijn concepten die naar elkaar verwijzen maar geen systeem vormen. Zij dienden als zaad, als gist. Zij hebben de huidige maatschappij voortgebracht en zijn erin opgelost. Daarin verschillen zij zeer veel van de klassieke filosofische concepten die gevangen blijven in hun hoofdtrekken, in hun structuur, in hun filosofisch geraamte. Voor H. Lefebvre is het epistemologisch statuut van het concept van weinig belang. Van belang is zijn traject in de praktijk, in de ervaringswereld. In dit opzicht kan men stellen dat het werk van H. Lefebvre zijn doel bereikt heeft. Zijn theorie van de vervreemding bijvoorbeeld werd overgenomen door de jongeren, de gekoloniseerden, door vrouwen. Een bliksemsnel traject; door die snelheid was het vlug verouderd. Het succes van het concept, als beeld of metafoor, put zijn latente mogelijkheden uit. De filosoof ontwerpt dan een ander. Deze permanente dialectiek die Lefebvre ontwaart tussen de (intense) ervaring en de opvatting, is kenmerkend voor zijn relatie tot de filosofie. Ervaring en opvatting verrijken elkaar wederzijds.
Uit: ‘L’école émancipée’, juni 2001. Vertaling: Johny Lenaerts.
Het werk van Henri Lefebvre, dat 68 titels omvat en in dertig talen vertaald werd, kent tegenwoordig zowel in Frankrijk als in de Verenigde Staten een hernieuwde belangstelling. Getuige hiervan het indrukwekkend aantal heruitgaves. Editions Syllepse bracht opnieuw La conscience mystifiée (1999) en Métaphilosophie (2001) uit en plant de heruitgave van Nietzsche. In 2000 heeft Ed. Cairn (Pau) het boek Pyrénées opnieuw uitgebracht. Bij Editions Anthropos verschenen in 2000 La production de l’espace en Espace et politique. Voor dit jaar wordt de heruitgave gepland van Du rural à l’urbain, van L’existentialisme, van Rabelais, van La fin de l’histoire, en van La survie du capitalisme. Een goede inleiding vormt: Rémi Hess, Henri Lefebvre et l’aventure du siècle, Ed. Métaillié, Paris 1988.
