Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Een interview met René Schérer
door Radio Libertaire, Parijs
vrijdag 22 mei 2009
Radio Libertaire: René, ik heb in je laatste boek de alomtegenwoordigheid van het thema van de jeugd en de utopie in het werk van Pier Paolo Pasolini ontwaard.
René Schérer: Ik zou willen zeggen dat dit boek een collectief werk is dat ik geschreven heb samen met Giorgio Passerone, één van mijn collega’s, professor Italiaanse literatuur aan de universiteit van Lille. Het bestaat uit twee afzonderlijke delen, die dus niet gemeenschappelijk zijn, zoals dat voor bepaalde werken van Deleuze en Félix Guattari of ook van Guy Hocquenghem en mijzelf het geval was. Niettemin kan men er een vorm van dialoog in herkennen: Giorgio herneemt in zijn deel een aantal thema’s die ik in het eerste deel behandeld heb en die betrekking hebben op de actie, het verzet en de artistieke creativiteit. Als specialist in de Italiaanse literatuur benadrukt hij vooral de alomtegenwoordigheid van Dante en van de ‘Goddelijke Komedie’ in gans het werk van Pasolini. Maar, om op jouw vraag te antwoorden: het is juist dat het essentiële van zijn werk vooral gewijd is aan de verheerlijking van de jeugd en aan zijn liefde voor de jeugd, terwijl er een zeker wantrouwen of een argwaan tegenover de figuur van de vader heerst, dat zeer goed in enkele woorden samengevat wordt in een zeer korte tekst: ‘De vaders, weet je, zijn allen machteloos. Wat hun uitdrukking of hun gedrag ook moge zijn, er valt niets anders over hen te lezen dan het niet aanvaarde bewustzijn van hun machteloosheid. Nemen we de meest voorkomende gevallen, d.w.z. die waarin de vader weet dat hij machteloos is en die waarin de vader het effectief ook is. In het eerste geval is de vader haast belachelijk, zo groot is zijn nederige passiviteit voor de opeenhoping van fenomenen waarmee hij niet wil weten dat zijn zoon, adolescent, reeds een schaamteloze volwassene is en terzelfder tijd toch zo zuiver, en op zoek is, en brood, harmonie, liefde, leven verlangt. Een dergelijke vader die doet alsof er niets gebeurd is en alsof zijn werk het enige is wat belang heeft. Hij doet ook - volkomen terecht - alsof de activiteit van zijn gezinslid op de achtergrond moet blijven, achter de belangrijke sociale engagementen, die met zijn grote parlementaire democratie genomen worden. Arme oude man die verzuipt zonder zich te weren. Aan wie de zoon antwoordt: “Ik herhaal: je wilt je grenzen verleggen, maar ik zal je niet volgen.”’
Rene Schérer: De wereld van Pasolini bestaat uit vaders en zonen. Hij heeft zich altijd als zoon opgevat, zelfs toen hij op een gegeven moment tot de generatie van de vaders behoorde. Dit belette hem helemaal niet om op de jeugd een zeer kritische en ontgoochelde blik te werpen. Bijvoorbeeld in zijn prachtige postume roman ‘Olie’ beschuldigt hij hen in uiterst harde, gewelddadige en ironische termen ervan zich te hebben laten opsluiten in de val van de consumptiemaatschappij, deze nieuwe vorm van kapitalisme die volgens hem een ware hel betekent. De jeugd als dusdanig, als object van liefde en van leven in zijn onophoudelijke vernieuwing, vormt in feite bij Pasolini een essentieel en overigens fundamenteel erotisch thema. Hij heeft het niet over een abstracte jeugd maar wel over een jeugd als voorwerp van liefde. Hij heeft overigens nooit een geheim gemaakt van zijn homoseksualiteit, hij kwam er openlijk voor uit en was er zich volkomen van bewust dat hem dat in de maatschappij, en evenzeer in de literatuur, zou marginaliseren.
Radio Libertaire: Het werk dat het best je mening illustreert en ongetwijfeld het best in Frankrijk bekend is, is zijn film ‘Theorema’. Kun je ons iets meer vertellen over zijn symboliek?
René Schérer: Dat is een complex werk, misschien ook moeilijk, dat al onmiddellijk bij de lancering een grote weerklank vond. Het gaat over een haast goddelijke gast die in een burgerlijk gezin opduikt en die het, enkel maar door zijn aanwezigheid, enkel maar door zijn schoonheid en zijn lichamelijke liefdesuitingen, revolutioneert. De film werd gedraaid in 1968 en bekleedt een plaats binnen die grote revolutionaire beweging. Het is eveneens een scharniermoment in zijn werk, in vergelijking met zijn vroegere werken als ‘Accatone’ of ‘Mama Roma’, die personages of situaties uitbeeldden in het verlengde van het Italiaanse neorealisme. Met ‘Theorema’ opent dat deel van zijn filmwerk dat voornamelijk georiënteerd zal worden op de allegorie, terwijl de situatie de beschrijving overstijgt en ons het domein van de mythe als echte realiteit binnenleidt. Waardoor, onder meer, deze film een wat aparte plaats in zijn werk inneemt, en dat overigens erg dubbelzinnig is, juist door de aanwezigheid van deze haast goddelijke gast... Men had de indruk dat het een katholieke film was! Een grote vergissing, zo legt Giorgio Passerone uit: ‘Het geloof van Pasolini is steeds een atheïstisch geloof geweest, zelfs indien er verwezen wordt naar de joods-christelijke religies.’ Een sacraliteit van het leven dat eveneens voorkomt in een tekst met als titel ‘De religie van mijn tijd’, uit zijn ‘Jeugdgedichten’, die dikwijls geïnterpreteerd werd in de zuivere religieuze betekenis zoals men dat gewoonlijk opvat, zoals alles wat mythisch en sacraal is bij Pasolini en dat veeleer, om de uitdrukking van Giorgio Passerrone te hernemen, als atheïstisch geloof zou moeten betiteld worden. De institutionalisering van de Kerk en van de religie, die in ‘San Paolo’ bevoorbeeld in een dubbel beeld uitgedrukt wordt, wordt door Pasolini totaal afgewezen. Het was door een misverstand dat zijn films door de Katholieke Filmdienst bekroond werden. Ik ben ervan overtuigd dat de religieuzen zich in hun vingers gebeten hebben toen ze op een goeie dag inzagen dat Pasolini niet iemand was die zich op de een of andere manier bij de pontificale orde van Rome of bij de christelijke godsdienst zou aansluiten, dat is iets wat als een paal boven water staat.
Radio Libertaire: Als we de film op z’n eerste niveau bekijken, kunnen we dan zeggen dat daarin seks als een revolutionaire daad opgevat wordt?
René Schérer: De seksuele relaties die de jonge gast met de verschillende gezinsleden heeft zijn een erg verbazingwekkende vorm van ‘gastvrijheid’, die erg doet denken aan Pierre Klossowski, door wiens ‘Les lois de l’hospitalité’ Pasolini zich heeft laten inspireren, maar die hij in een veel breder en een veel kleurrijker kader plaatst, vind ik. Zijn visie van een revolutionaire seksualiteit verschijnt, strikt genomen, een klein beetje later in wat hij ‘de Triologie van het leven’ genoemd heeft, en dat gevormd wordt door ‘De Decamerone’, ‘De Canterbury Tales’ en ‘Duizend-en-een Nacht’, films die uit boeken voortsproten, die niet langer meer een mythisch karakter hadden, maar zeer volks waren, en waarvan hij een revolutionaire interpretatie gegeven heeft en een beeldvorming die zeer merkwaardig was voor de eigentijdse cinema. Er zit een grote stoutmoedigheid in de uitbeelding van de naakten, van de lichamen en, als we momenteel deze triologie bekijken, is ze helemaal niet verouderd en komt ze ons daarentegen als echt revolutionair voor.
Radio Libertaire: In je boek zeg je dat de seksuele relatie slechts een ‘schijn’ is, en onvoldoende is om revolutionair te kunnen zijn. Wat ontbreekt er dan aan?
René Schérer: De seksuele bevrijding die Pasolini bekritizeert met de trem ‘permissiviteit’ is een ‘bevrijding’ met commerciële bedoelingen die op radio en tv gepropageerd wordt. Een vorm van seksualiteit die hij vooral in ‘Olie’ verfoeit en waarvan hij een afschuwwekkend beeld geeft in zijn laatste film, ‘Saló op de 120 dagen van Sodom’. Voor Pasolini wordt daarentegen de reddingbrengende seksualiteit, als we dat zo mogen noemen, een seksualiteit die de kracht van een revolutionair leven in zich bergt, gevormd door een seksualiteit die hulde brengt aan de schoonheid van de lichamen, en aan de veelheid van seksualiteitsbelevingen, van de homoseksualiteit. In ‘Duizend-en-een Nacht’ komen scenes voor die men momenteel onmogelijk kan opnemen, omdat Pasolini toont wat misschien het wezenlijke en het toppunt van de seksualiteit is: het lichaam van adolescenten. Iets wat momenteel een beetje taboe is en uit de cinema gebannen wordt, terwijl het in deze ‘Triologie van het leven’ voortdurend aanwezig is.
Radio Libertaire: Behalve de lof op de schoonheid en de jeugd had Pasolini eveneens een grote interesse voor de verdediging van of voor de liefde voor allerlei vormen van minderheden.
René Schérer: Hij beschouwde zichzelf als iemand van een minderheid en in zekere mate als een uitgeslotene. In een boek dat in 1974 verschenen is, net vóór zijn dood, ‘Lettres luthériennes’, somt hij een aantal pedagogische voorschriften voor een jongere op, waarin hij zichzelf beschrijft als een marginaal. Hij herneemt een uitdrukking die we eveneens bij Jean Genet terugvinden en beschouwt zich als een neger, een jood, omwille van zijn kritiek op de moderne warenmaatschappij en van zijn homoseksualiteit. Hij spreekt steeds vanuit het standpunt van de minderheid. We dienen deze term op te vatten in de betekenis die Deleuze en Félix Guattari gegeven hebben aan de ‘littérature mineure’ naar aanleiding van Kafka, niét omdat zij inferieur zou zijn, maar omdat zij geschreven werd vanuit het standpunt van en vanuit een minderheid (voor Kafka door een jood in het Habsburgse rijk). Pasolini was ‘minoritair’ en ‘minder’ in deze betekenis: hij had aangeleund bij de Communistische Partij en er zich vervolgens van verwijderd, hij had min of meer de katholieke kerk opgezocht, alle bestaande partijen bekritizeerd... Het is een positie die we heel moeilijk in het hedendaagse denken kunnen situeren, maar die ons momenteel, nu een nieuwe generatie zich niet langer terugvindt in de grote partijen, erg aanspreekt. In zijn vroegste werken overigens, toen hij nog min of meer marxist was, interesseerde Pasolini zich reeds voor een andere klasse die verwaarloosd en zelfs bekritizeerd werd en die door de marxisten het lumpenproletariaat genoemd werd - zoals momenteel de wereld van de uitgeslotenen genoemd wordt. De wereld van de ‘misérables’, van de jongeren van de banlieues, van de ‘hangjongeren’, van de ‘accatone’ (bedelaars) die hun plaats niet vinden in de maatschappij, en die de eerste antihelden van Pasolini gevormd hebben.
Radio Libertaire: Pasolini kent een aparte plaats toe aan de arme wijken.
René Schérer: Ja, want er bestaat bij Pasolini een erg vreemde, en overigens moeilijk te vatten theorie van de armoede. Ik heb eerder gesproken over het jonge lichaam, dat op de voorgrond in zijn denken staat, dat terzelfder tijd het lichaam van de arme is, maar niet een arm, bloedeloos lichaam is. Het is daarentegen rijk omdat het het lichaam van de arbeider is, van de boer en van het straatkind. Volgens Pasolini is het niet de armoede maar is het de miserie die voortspruit uit een maatschappij van snelle productie en ontwikkeling van schijnbare rijkdom. Het is de moderne wereld die de - zowel seksuele als economische - miserie voortgebracht heeft, een miserie die uitsluitend uit de ontwikkeling voortspruit, een ontwikkeling die momenteel groei genoemd wordt. Het is een thema dat we terugvinden in het fouriëristische concept (1) van een uitsluitend economische ontwikkeling die de maatschappij in een impasse gebracht heeft. In de eerste brief van de ‘Lettres luthériennes’ haalt hij uit naar deze vorm van ontwikkeling die men verkeerdelijk geïdentificeerd heeft met vooruitgang.
Radio Libertaire: Pasolini staat dicht bij het begrip ‘décroissance’ (ontmanteling van de groei, jl) en lijkt daardoor zeer modern.
René Schérer: Ja, Pasolini is tegen de groei en beoogt veeleer de - erg moeilijke - combinatie, die we af en toe in zijn werk zien tevoorschijn treden, van armoede met echte menselijke vooruitgang. De vooruitgang in de richting van armoede (en niet langer meer van miserie): dàt zou de kern van Pasolini’s minoritaire politiek kunnen genoemd worden. Maar ik weet niet of je van hem kan zeggen dat hij modern is, tegenwoordig zou men eerder zeggen dat hij postmodern is. Indien hij modern is, dan is hij dat veeleer, zoals we reeds eerder gezegd hebben, omdat hij tegen deze vorm van recente moderniteit is: tegen de consumptie en de industriële ontwikkeling, deze groei die men tegenwoordig als vooruitgang beschouwt. Hij heeft dit aangeduid met een zeer zichtbaar beeld in een zeer gevoelige tekst: ‘Het verdwijnen van de vuurvliegjes’ in zijn ‘Ecrits corsaires’, die dateren uit de jaren 1970. De vuurvliegjes zijn glinsterende insecten die tijden de zomeravonden op het Romeinse platteland opdoken en die op een goeie dag verdwenen waren als gevolg van de luchtverontreiniging, van de aanleg van wegen, van de industriële productie en constructie - een symbool van wat men momenteel de complete vernietiging van het milieu zou noemen. En dàt is het wat van Pasolini iemand van het verleden maakt, want wat voor hem van belang is, dat zijn juist deze vuurvliegjes, die levensvormen die hij ook in een andere tekst de vormen noemt en die onder invloed van de ongebreidelde productie en consumptiedrift verdwenen zijn. Het gaat hier om een vernieuwing en een gelijktijdig versnelde destructie, het is een thema dat bij Pasolini centraal staat, dat totaal alle levensvormen veranderd heeft, hun fysieke voorkomen, zelfs hun lichamelijke voorkomen. Waardoor hij terugkeert naar tijdloze, oeroude dingen, die tot een nog levend verleden behoren, omdat het nog buiten de tijd staat: het verleden van de mythe. In één van zijn zeer grote films van de jaren 1970 die gewijd is aan de mythe Medea komt er een centaur voor, een mythologisch wezen dat half-paard en half-mens is, de opvoeder van Jason. Terwijl hij aan de oevers van de Po naar een zeer mooi moeraslandschap kijkt, zegt deze tot Jason: ‘Alles wat reëel is is mythisch en alles wat mythisch is is reëel.’ Hierin benaderen we die vorm van eeuwigheid, van onsterfelijkheid of van tijdeloosheid die eigen is aan het archaïsche, en via dewelke enkel de mens de uitdrukking van zijn bestaan kan hervinden, een bestaan dat niet vernietigd werd door de huidige industriële ontwikkeling. Hij is ook revolutionair, zelfs als hij op een gegeven ogenblik op een provocatorische toon zegt: ‘Ik wil niet als een reactionair beschouwd worden, want men kan geen revolutionair zijn, dit wil zeggen dat men zich enkel kan verzetten tegen deze destructieve ontwikkeling vanuit het moment waarin men in zekere zin reactionair is.’ En het is precies door dit bondgenootschap tussen het archaïsche en de revolutie dat Pasolini modern is of aan de kant van de vooruitgang staat. In een zeer interessant artikel, ‘Vooruitgang en ontwikkeling’ in de ‘Ecrits corsaires’, preciseert hij dat indien men onder vooruitgang een verbetering van het lot van de mens verstaat, van zijn bestaan, een vergroting van zijn levenskracht, van zijn capaciteiten,... dat dit geenszins in de betekenis van ontwikkeling dient opgevat te worden. Hij verwijt de linkse en de rechtse partijen dat ze deze fictie volkomen aanvaard hebben. Daarin zit zijn grote vijandschap tegenover de huidige democratie samengevat. Niet dat hij antidemocraat of antiparlementair zou zijn, maar hij verwijt de Italiaanse radicale linkerzijde die deelneemt aan de macht dat ze niet begrepen heeft dat men zich dient te verzetten tegen deze verwarring tussen vooruitgang en ontwikkeling.
Radio Libertaire: Je schrijft over de haat en de minachting van Pasolini voor de parlementaire democratie en over zijn visie op ‘tolerantie’.
René Schérer: Hij heeft de tolerantie bekritizeerd als hypocrisie, als een valse oplossing, met name als het gaat om de aanvaarding of de erkenning van seksuele minderheden. Die houding van minachting dat het verschil aanduidt onder het teken van een bepaalde vorm van uitsluiting, want tolereren betekent tegelijkertijd uitsluiten. Deze uitdrukking kan contradictorisch lijken, want indien men uit principe tolereert dan sluit men niet uit, maar Pasolini ziet in deze term de bevestiging van een hiërarchie: men wil zeer zeker de neger, de jood of de homo in de maatschappij aanvaarden, maar als iemand die men tolereert. Hetgeen wil zeggen dat ze er, strikt genomen, geen deel van uitmaken, niet gelijk zijn aan de anderen, en dat zelfs het toekennen van rechten een manier is om hen op afstand te houden. Het is in dit opzicht dat hij kritiek levert op de moderne maatschappij, die in staat is alles te integreren omdat ze in feite niet aanvaardt en er enkel mee volstaat te tolereren.
Radio Libertaire: Toch kan Pasolini zich geen revolutionair noemen omdat hij zich beroept op het verleden?
René Schérer: Voor Pasolini kan elke creatie enkel een werk van verzet zijn, van weerstand aan de destructieve krachten van de hedendaagse samenleving. En, in dat geval, dient men deze krachten te ondermijnen via het schandaal, via de godslastering.
“Ik besta als kracht van ‘t Verleden.
In traditie alleen bestaat mijn liefde.
Ik kom van de ruïnes, de kerken,
de altaarstukken, de verlaten
bergdorpen in de Apennijnen of Voor-Alpen,
waar mijn familie heeft gewoond.
Als een gek loop ik langs de Via Tuscolana,
langs de Appia als een hond zonder baas.
Of bezie de schemer, de ochtend
boven Rome, de Ciociaria, de wereld,
als eerste bedrijven van de Nageschiedenis,
die ik op mijn identiteitsbewijs mag bijwonen,
aan de verste zoom van een dood en begraven
tijdperk. Misgeboorte wie ter wereld komt
uit de schoot van een dode vrouw.
En ik, volwassen vrucht, zwalk rond
actueler dan alle actualiteit
op zoek naar familie die niet meer is.”
René Schérer: In het zeer mooie gedicht dat u net komt te lezen zie ik deze paradox, deze vorm van het verleden en anderzijds datgene wat bij Pasolini voor modern doorgaat.
Radio Libertaire: Je merkt ook in je boek op dat Pasolini een afkeer had om een oordeel te vellen.
René Schérer: Ik herneem in dit verband de uitdrukking van Gilles Deleuze en zijn aversie voor het oordeel, die hij overigens zelf ontleent aan het beroemde geschrift van Antonin Artaud, ‘Pour en finir avec le jugement de Dieu’, dus bij uitbreiding, om een einde te maken aan elk oordeel. Zonder in de plaats van Pasolini te willen spreken, en zonder dat hij het er expliciet over gehad heeft, meen ik dat men dit idee kan terugvinden in alles wat hij geschreven en gezegd heeft. In elk geval, over wie hij geenszins een oordeel velt, wie hij geenszins veroordeelt, dat zijn precies die wezens die de vervloekten van de wereld vormen, de uitgeslotenen, de armen of het lumpenproletariaat. Wat hij daarentegen op een definitieve en radicale manier veroordeelt is de consumptiemaatschappij, waarvan hij een echt hels beeld ophangt in zijn laatste film, ‘Saló of de 120 dagen van Sodom’, dat als één grote allegorie kan opgevat worden, als één grote emblematische voorstelling. Daarmee beeldt hij, niet enkel in de vorm van een oordeel maar in de vorm van een directe illustratie, deze moderne maatschappij uit die niet enkel de ziel, maar ook, in een eerste niveau, het lichaam vernietigd heeft. In ‘Saló’ viseert de consumptiemaatschappij in essentie de ziel, d.w.z. de politieke orde, en tast ze de maatschappelijke mens aan. Terwijl datgene wat hij het tweede fascisme noemt op een veel dieperliggend niveau de mens aantast, want het is het geheel van het leven, van het milieu en van het lichaam zelf dat aangetast wordt.
“Als u hem een lichaam zonder organen gemaakt hebt
Dan hebt u hem bevrijd van al zijn automatismen
En hem aan zijn ware vrijheid teruggegeven.
Dan leert u hem opnieuw in omgekeerde richting te dansen,
Als in de waanzin van het volksbal,
En deze omgekeerde richting zal zijn ware plaats zijn.”
René Schérer: Ah! Dat is het slot van ‘Pour en finir avec le jugement de Dieu’ van Artaud, met het idee van het Lichaam zonder Organen, dat van Deleuze en Guattari zijn adelsbrieven gekregen heeft in hun grote boek ‘L’Anti-Oedipe’ over de verlangensmachine. Het Lichaam zonder Organen betekent gewoon de kracht van het lichaam dat niet dient verward te worden met de bouw van het levende organisme, maar dat zich verbreidt over het geheel van wat het lichaam omgeeft, dat maakt dat men niet opgesloten zit in zijn eigen organisme, maar dat men leeft temidden van spanningsvelden, van aantrekkingskrachten met de mensen die ons omringen.
Radio Libertaire: Tot slot. Je benadrukt de kracht die Pasolini aan het lichaam toekent. Prikkelt het de zinnen? Zet het aan tot orgieën?
René Schérer: Zinneprikkelend in de mate waarin het over Afrodite gaat, de godin van de liefde, en orgiastisch wanneer men zich beroept op Dionysos voor de erotisering van het geheel van de natuur. De mens is niet louter geïsoleerd in zijn organisme en zijn voortplantingsfuncties die in zekere zin door een huls van huid in zijn lichaam samengehouden worden. Hij staat in relatie tot wat we niet anders kunnen noemen dan natuurlijke, kosmische krachten, die door de kunstenaar moeten tastbaar gemaakt worden. Een schilder als Cézanne bijvoorbeeld schildert op een wilde of orgiastische manier de naakten in de natuur, hij verbindt de lichamen met het landschap. Pasolini toont in ‘Duizend-en-een Nacht’ hoe deze - naakte of schaars geklede - begerenswaardige lichamen zich oplossen in het landschap of ermee samensmelten. Dàt is de orgiastische betekenis: het feit dat de erotische kracht zich over het geheel van het menselijk milieu verbreidt en niet louter opgesloten wordt binnen een geslachtelijk organisme.
(1) Charles Fourier (1772-1837) was een vroegsocialist en sociale hervormer die een filosofie van de liefde ontworpen had. André Breton schreef een ‘Ode à Charles Fourier’.
* René Schérer en Giorgio Passerone, ‘Passages pasoliniens’, Ed. Presses universitaires du Septentrion, Paris, 2007.
Uit: ‘Le Monde Libertaire’, hors-série nr 32, juillet-septembre 2007. Vertaling: Johny Lenaerts. Het gedichtfragment ‘Ik besta als kracht van ‘t Verleden’ komt uit het gedicht ‘Verzen van de wereld’ (1962) en werd vertaald door Karel van Eerd, in: Pier Paolo Pasolini, ‘In de vorm van een roos. Gedichten’, Amsterdam: Meulenhoff, 1987.
Het gelaat
door Alain Finkielkraut
De centrale stelling van de ‘Scritti corsari’ luidt dat Italië, en mét haar gans de westerse wereld, een reusachtige culturele mutatie ondergaan heeft. Dit wil zeggen dat de oude maatschappij uit de weg geruimd en vernietigd werd door wat Pasolini, in navolging van vele anderen, de consumptiemaatschappij genoemd heeft. En dat deze liquidering talloze consequenties met zich meebrengt. Wat Pasolini zegt is dat de consumptiemaatschappij een maatschappij van uniformisering is, dat met deze nieuwe macht, die zich over het Westen geworpen heeft, er slechts één enkel model voor de mensheid overblijft: de kleinburger, en slechts één enkele wereldvisie: het hedonisme, het streven naar materiële waarden, en slechts één enkele cultuur: de massacultuur. De meest scherpe tegenstellingen lijken op een magische manier opgelost. Pasolini zegt dikwijls dat we momenteel op straat, afgaande op hun uiterlijk, op hun manier van spreken, op hun kleding zelfs, we niet langer meer een fascist van een antifascist kunnen onderscheiden. Zij kleden zich op dezelfde manier. En hij zegt dat een arbeider even gevoelig is als een patroon voor de argumenten van de reclame. Vroeger bestonden er beschavingen, waardesystemen, sociale klassen, klassenculturen, diverse werelden, en nu zijn we de tijd van Alles Hetzelfde en van de homogeniteit binnengetreden. ‘Elk verschil verdwijnt, de planeet is enkel nog bewoond door consumenten.’ Het verschil is bijgevolg enkel nog van kwantitatieve aard, en bestaat tussen degene die zich wat méér kan permitteren en degene die zich wat minder kan aanschaffen.
En deze wanhoop, zo lijkt me, doordrenkt ook al zijn films. Zelfs diè welke over heel iets anders gaan dan over de ravage die de moderniteit aanricht. Toen ik de films van Pasolini zag - ik heb ze niet allemaal gezien -, werd ik getroffen door de voorliefde van Pasolini voor het gelaat; en vooral voor de meest exotische gezichten. Indien hij zo ver weg gaat om zijn films te draaien - in Jemen, in Nepal, in Afghanistan - dan is dit om uiterst spectaculaire landschappen te kunnen tonen, maar op een dieperliggend niveau lijkt het me voor hem erom te gaan gezichten te sprokkelen. Zijn films staan vol van schijnbaar willekeurige close-ups, van enigszins parasitaire portretten die geen enkele functie vervullen: noch wat intrige, noch wat psychologie, noch wat decor betreft. Het lijken plotselinge zijsprongetjes die de verhaallijn onderbreken. En die boeren met zeer gegroefde, zeer zwarte gezichten, met een haast tandeloze mond op het scherm tonen, en die op een onbeholpen manier, haast afwezig naar de camera glimlachen alsof ze niet in een film spelen. Mensen die de toeschouwer in de ogen kijken, hetgeen door de wetten van de cinematografische vertelkunst verboden is. Ik meen dit opgemerkt te hebben in ‘Edipo Re’, ik meen dit opgemerkt te hebben in het geheel dat de ‘Triologie van het leven’ heet, voornamelijk in ‘Duizend-en-één Nacht’. En niet enkel spelen ze niet, maar hun onbeholpenheid en de manier waarop ze een beetje gegeneerd in de lens kijken stoppen het verloop van de film en, alsof we van medium veranderen, geven ze ons de indruk naar een foto te kijken. Dus op dat ogenblik wordt de charme verbroken, er zit in het beeld iets dat niet bij de afwikkeling van het verhaal hoort. En dat ‘iets’, zo lijkt me, is de steeds bedachtzame, door Pasolini als dusdanig gewilde aanwezigheid van een andere mensheid. Dit wil zeggen dat deze gezichten, in plaats van in de film geïntegreerd te worden, de verhaalstructuur breken en op een bruuske manier, plotseling, getuigen van een voorbije wereld. Het zijn, zo zouden we kunnen zeggen met een term uit de woordenschat van Pasolini zelf, gezichten ‘van vóór de antropologische revolutie’. Gelaatstrekken die uit onze gesteriliseerde omgeving verdwenen zijn, die anachronistische schimmen geworden zijn, en die in zekere zin de bittere wroeging van onze beschaving uitbeelden.
Uit: ‘Pasolini’, Maria Antonietta Macciocchi (Ed.), Paris: Grasset, 1980. Vertaling: Johny Lenaerts.
‘Iedereen schuldig!’ Uit een interview met Pier Paolo Pasolini
Op enkele jaren tijd is de bevolking van Rome veranderd. Vooral het gewone volk en op de eerste plaats die lagen die zich nà de oorlog in de omgeving van Rome en van de grote steden gevormd hebben: het subproletariaat van verdreven boeren...
Op 15 jaar tijd heeft een reusachtige mutatie de maatschappelijke structuren van Italië dooreengeschud: een antropologische revolutie. Deze revolutie werd voltrokken in de fase van de grootste industrialisering en economische ontwikkeling die het land ooit gekend heeft. Als we het van dichterbij bekijken dan lijken me twee fenomenen deze verregaande transformatie uit te drukken. Op de eerste plaats is de boerenbevolking, de kleinburgerij die lange tijd uit traditie clericaal was, gans dit middelste gedeelte van de maatschappij... ondergedompeld in de ideologie van de consumptie, in het nieuwe liberale hedonisme. Deze ideologie die verbonden is met de productie en de consumptie van goederen die meestal overbodig zijn, is erin geslaagd een mode, een echte verslaving te worden. De media hebben de uiterst schadelijke behoefte gecreëerd van een informatie die weerklinkt in de propaganda en de reclame. Hoe zeer hij zich ook op zijn autonomie en zijn individualisme beroept, toch is de mens van deze mutatie zichzelf niet meer meester. Hij is een formele mens, afgesneden van al zijn macht. Zijn enige bestaansreden bestaat in de abstractie van de macht, die hij via het bedrieglijke spel van het algemeen stemrecht instandhoudt en verrechtvaardigt. Die mens heeft geen wortels meer, hij is een monsterlijk creatuur van het systeem: ik acht hem tot alles in staat.
Ook dat hij zich opnieuw bij nieuwe vormen van fascisme zou aansluiten?
Ik ben van mening dat we langzaam afglijden naar een neofascisme dat nog veel gevaarlijker is dan dat wat we tussen beide oorlogen gekend hebben. Ik vrees dat deze afgrond, waar we in zullen vallen, veel erger zal zijn dan wat we beleefd hebben. De culturele mutatie die Italië doormaakt verwijdert haar van het historische fascisme maar ook van het democratische socialisme. We verwachten de catastrofe van nostalgische splintergroeperingen, van een staatsgreep of van dynamiet, om ons het recht aan te meten op een gezonde antifascistische verontwaardiging, en we zouden vergeten dat de erfgenamen van het archaïsche fascisme in het parlement zitten en een veel subtielere taal spreken, de taal van de massa, die aangepast werd aan de behoeften die men het opgelegd, en in zekere zin de massa aangeleerd heeft.
Hoe staat het met het verzet van het gewone volk tegen deze massacultuur? En met de dynamiek van de basis, en met de hoop die Italië tot in de jaren 1960 begeesterde?
Dag na dag maken we een systematische afslachting van oude, van positieve, oorspronkelijke waarden mee... Dàt is het wat we zien gebeuren in deze maatschappij die op weg is naar de nivellering. Voortaan hoort de volkscultuur tot de archeologie, ze ligt bedolven onder de cultuur die door de imperatieven van de warenconsumptie voortgebracht werd. Alle waarden in verband met het Vaderland, de Kerk of de agrarische of proletarische leefwijzen zijn verdwenen; de enige breuklijnen die in deze grote neokapitalistische metamorfose min of meer artificieel tussen deze bevolkingsgroepen blijven bestaan, zijn die van de politieke opties of veeleer die welke de keuze voor de ene of de andere partij symboliseren.
(...)
U hebt de nieuwe macht een nieuw fascisme genoemd. Maar waar bevindt zich deze hegemonistische macht? Mocht u het kunnen lokaliseren, dan zouden we beter begrijpen wat u onder ‘echt fascisme’ of ‘totaal fascisme’ verstaat.
Die macht is niet langer meer de macht van het Vaticaan, noch die van de christendemocratie of van zijn notabelen; het is zelfs niet die van het leger of van de politici, die nochtans overal aanwezig zijn. Het is een macht die zelfs aan de grootindustrie ontsnapt, in de mate dat de transnationaliteit van de ‘nationale’ industrie de ware beslissingscentra van de ontwikkeling, van de productie, van de investeringen, verplaatst heeft... Deze macht schuilt in de totalisering zelf van de industriële modellen: het is een soort algemene overheersing van de mentaliteit door de obsessie om te produceren, te consumeren en navenant te leven. Het is een hysterische macht, vandaar dat hij ook het gedrag (voornamelijk de taal van het gedrag) tracht te massificeren, de geesten tracht te normaliseren door op een verwoede manier alle codes te simplificeren, met name door de verbale taal te ‘vertechniceren’. Het historische fascisme was een macht die in grote mate gebaseerd was op een gezwollen retotiek, op het mysticisme en het moralisme, op de exploitatie van een aantal retorische waarden: het heroïsme, het patriottisme, het gezin... Het nieuwe fascisme daarentegen is een krachtige abstractie, een pragmatisme dat gans de samenleving aantast, het is een centrale, allesoverheersende tumor...
In tegenstelling tot de militaire en politionele orde die door een minderheid van buiten de civiele maatschappij opgelegd wordt, zou deze orde voortspruiten uit de heersende consensus.
Dit fascisme is een beetje het gemiddelde van de neurotische betrachtingen van een maatschappij, waarvan de extremistische bommenleggers en de ‘killers’ enkel maar het topje vormen, zij zijn de voorbeeldige conformisten. Het is een ziekte die het sociale weefsel op alle niveaus aanvreet, een ideologische ziekte die de ziel aantast en die niemand spaart.
Wil dit zeggen dat we allemaal betrokken zijn in het fasciseringsproces dat u aanklaagt?
Ik heb het goede geweten van bepaalde mensen van de linkerzijde erg gekwetst toen ik gezegd en geschreven heb dat de verantwoordelijkheid voor de aanslagen in Milaan, voor de aanslag op de Italicustrein of voor de aanslag in Brescia, bij iedereen lag. In 1974 heb ik in de ‘Corriere della sera’ geschreven dat indien de reële verantwoordelijken van deze ‘staatsbloedbaden’ te vinden zijn bij de regering en de politie, de verantwoordelijken uit nalatigheid wel degelijk te zoeken waren bij de progressieven, bij de democraten, bij ons allemaal die momenteel gewend zijn om te gaan met verontwaardiging. Ik heb gezegd en geschreven dat we altijd gedacht en gehandeld hebben alsof het fascisme van de jonge extremisten een soort raciale afwijking was, een biologische fataliteit. Ik ben van mening dat er niets ondernomen werd tegen het irrationalisme en de wanhoop van een deel van de jongeren, dat hen in ruil geen enkel ideaal voorgehouden werd dat de moeite waard was. Ik zeg dat we allemaal medeplichtig zijn.
Augustus 1975. Uit: Pier Paolo Pasolini, ‘Entretiens avec Jean Duflot’, Paris: Editions Gutenberg, 2007. Vertaling: Johny Lenaerts.
