Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Peter Tom Jones & Roger Jacobs
Een synthese
zondag 11 december 2005, door Peter Tom Jones, Roger Jacobs
De ecologische economie
De ecologische economie benadrukt de biofysische dimensie van het economische proces. Dit staat in schril contrast met de neoklassieke economie die zich bijna uitsluitend bezighoudt met de financiële dimensie en uit het oog verliest dat de economie fundamenteel afhankelijk is van het Ecosysteem Aarde. In haar fysische dimensie is de economie een open deelsysteem van de aarde. Het Ecosysteem Aarde is een systeem dat energetisch open is (het ontvangt zonne-energie) maar materieel gesloten, niet-groeiend en eindig (Fig. 1). Op een sporadische meteoorinslag na, wisselt de aarde namelijk geen materie uit met het universum. Figuur 1 illustreert de interactie tussen het economische deelsysteem (witte rechthoek in figuur) en het omvattende Ecosysteem Aarde (grijze ellips). De biosfeer wordt aangedreven door zonne-energie die gedeeltelijk door het Ecosysteem Aarde gebruikt wordt en gedeeltelijk terug verloren gaat. De instroom van zonne-energie zorgt voor het hernieuwbare karakter van een aantal energiebronnen in het Ecosysteem Aarde. Net zoals dat het geval is bij levende organismen, heeft de economie nood aan een metabolisme om te kunnen functioneren. Doorheen de economie stromen daarom materialen en energie. Men noemt dit de ‘doorstroom’ (Engels: throughput). Via de instroom van materialen en energie is het economisch proces in staat om economische goederen en diensten te leveren. Hierdoor kan welvaart gecreëerd worden. Terzelfder tijd levert het Ecosysteem Aarde ook een aantal essentiële milieufuncties: klimaatregulering, waterbevoorrading, etc. De toename van de schaal van het economisch deelsysteem is begrensd door de beperkte omvang van de aarde als grondstoffenleverancier (sources) en als buffer om afvalstoffen op te nemen en te verwerken (sinks).
In de ecologische economie maakt men een onderscheid tussen de situatie van een bescheiden wereldeconomie vroeger (‘lege wereld’) en de situatie van vandaag (‘volle wereld’). Daar waar het economisch deelsysteem ‘vroeger’ slechts een beperkt deel van het Ecosysteem Aarde innam, botst de totale schaal van de wereldeconomie momenteel op de biofysische grenzen van deze planeet. De figuur toont schematisch aan dat bij de overgang van de lege naar de volle wereld de stroom aan economische diensten aanzienlijk is toegenomen, evenwel met als gevolg dat de hoeveelheid ‘milieudiensten’ sterk is verminderd.
Figuur 1 - Herman Daly’s analytisch concept van de economie als een deelsysteem van het grotere ecosysteem Aarde [‘Lege wereld: vroeger’ versus ‘Volle wereld: nu’]
Harde versus zachte duurzaamheid In het debat rond duurzaamheid maakt men een onderscheid tussen twee vormen van ‘kapitaal’. ‘Artificieel kapitaal’ omvat alle materiële goederen (gereedschap, gebouwen, infrastructuur) die een bijdrage leveren aan het productieproces. ‘Natuurlijk kapitaal’ bestaat uit grondstoffen die als input dienen in de economie (sources: fossiele brandstoffen, hernieuwbare energiebronnen, water etc.); het vermogen van de natuur om afvalstoffen te absorberen en te verwerken (afvalopnamecapaciteit van de sinks: bv. bossen die CO2 opnemen); fundamentele levensinstandhoudingssystemen zoals een stabiel klimaat, een beschermende ozonlaag etc.; ‘leefbaarheidsvoorzieningen’ die een toegevoegde, artistieke en spirituele meerwaarde geven aan het leven.
In het duurzaamheidsdebat kan men twee hoofdtendensen onderscheiden. Zachte duurzaamheid behelst dat de totale hoeveelheid kapitaal niet mag afnemen. In deze visie veronderstelt men dat het geen drama is dat het ‘natuurlijk kapitaal’ terugloopt zolang het maar vervangen wordt door artificieel kapitaal. Men gaat ervan uit dat welvaart enkel afhankelijk is van de combinatie van de twee soorten kapitaal terwijl de juiste verhouding tussen de twee niet zo relevant is. Zachte duurzaamheid biedt echter onvoldoende garanties op ecologische duurzaamheid. Een heel scala aan milieufuncties zijn immers onmogelijk te vervangen door artificieel kapitaal. Artificieel en ‘natuurlijk kapitaal’ zijn veeleer complementair in plaats van substituten. Eens de biofysische grenzen aan de groei bereikt zijn, is het zinloos extra artificieel kapitaal te produceren als het resterende ‘natuurlijk kapitaal’ het niet meer kan aanvullen. Historisch gezien was het beschikbare ‘natuurlijk kapitaal’ overvloedig aanwezig voor een kleine wereldbevolking. De limiterende factor was de beschikbaarheid van artificieel kapitaal. Vandaag zitten we in een situatie waar er meer - weliswaar ongelijk verdeeld - artificieel kapitaal dan ooit voorhanden is; terwijl het resterende ‘natuurlijk kapitaal’ in het gedrang komt. Waar vroeger bijvoorbeeld de visvangst beperkt was door het aantal visboten; is zij thans begrensd door de resterende vispopulaties in ’s werelds zeeën. Welke zin heeft het vandaag om twee maal de huidige visvloot in te zetten als de te vangen visbestanden gedecimeerd zijn? Daarom beroept een groeiende groep wetenschappers zich op de notie van harde duurzaamheid. Deze visie stelt dat het ‘natuurlijk kapitaal’ in stand moet worden gehouden ongeacht de parallelle productie van artificieel kapitaal. Dit impliceert dat de doorstroom van materialen en energie doorheen de economie binnen de begrensde milieugebruiksruimte blijft. Deze indicator refereert aan de ruimte van het natuurlijk milieu die mensen kunnen innemen zonder schade te berokkenen aan de essentiële kenmerken ervan.
Oneconomische groei
De manier waarop de neoklassieke economie de gezondheid van de economie van een land tracht in te schatten is volkomen ontoereikend. De kritieken ten aanzien van het Bruto Nationaal Product (BNP) als (indirecte) maat voor ‘economische welvaart’ zijn de volgende. Het BNP telt alle formele economische activiteiten gewoonweg bij elkaar op, zonder onderscheid te maken tussen positieve en negatieve bedrijvigheden. De opkuis na een olieramp of de bouw van een windenergiepark, het maakt voor het BNP geen verschil uit. Anderzijds negeert het BNP alle activiteiten die de welvaart wél stimuleren maar niet behoren tot de formele economie. De arbeid van ouders die instaan voor de zorg van hun kroost telt niet mee voor het BNP. Wanneer die ouders evenwel derden betalen voor de oppas van de kinderen, dan komt dit ten goede aan het BNP. Hetzelfde geldt voor de milieudiensten die de ecosystemen gratis leveren. Wanneer deze functies aangetast worden en er economische activiteiten vereist zijn om deze te (proberen te) herstellen dan neemt het BNP toe. BNP-cijfers veronachtzamen ook de wijze waarop de nationale inkomens verdeeld worden. Een land met astronomische groeicijfers zal goed scoren in het BNP-klassement ook al kan de armoede er misselijk makende vormen aannemen. Daarom hebben diverse onderzoekers alternatieve meetinstrumenten ontwikkeld. Een vaak geciteerde indicator is de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW) van Daly en Cobb. Deze welvaartsbarometer maakt een onderscheid tussen positieve en negatieve economische bedrijvigheden, brengt informele economische activiteiten in rekening en neemt de ongelijkheid der inkomensverdelingen mee op tijdens de bepaling van de ‘economische welvaart’.
Voor een zestal westerse landen (Fig. 2) heeft men een vergelijking gemaakt tussen de evolutie van het BNP en de ISEW. Daar waar het BNP ongeveer lineair blijft stijgen, stagneert de ISEW op een bepaald moment (en in de meeste gevallen neemt deze nadien zelfs af). Voor elke maatschappij blijkt er een periode te zijn waarin economische groei een verbetering van de levenskwaliteit voortbrengt, maar alleen tot aan een drempelpunt voorbij hetwelke de levenskwaliteit slechter wordt indien er meer economische groei is. (2) Men kan dan spreken van ‘oneconomische groei’. Dit impliceert groei waarvan de negatieve gevolgen (marginale kosten) de bijkomende voordelen (marginale baten) overschrijden.
Figuur 2 - Vergelijking BNP (dikke lijn) en ISEW (dunne lijn) voor diverse geïndustrialiseerde landen. 1970 is het vergelijkingspunt (index 100). (3)
Als economische groei niet tot welvaart leidt, dan zou dit één van de meest centrale uitgangspunten van de gangbare economische orthodoxie op losse schroeven zetten. Laten we daarom even kijken naar een ISEW-studie met betrekking tot de evolutie van de Thaise economie voor de periode 1975-1999. (4) Juist omdat dit Aziatische land prima groeicijfers kan voorleggen, stellen neoklassieke economen dit land graag voor als een na te volgen voorbeeld voor andere ‘ontwikkelingslanden’. De vraag luidt nu echter of ook een ‘gematigd ontwikkeld’ land als Thailand al geconfronteerd wordt met zo’n drempelwaarde. Het antwoord op deze vraag is volgens de auteurs een voorzichtig ‘ja’. Wanneer groei rechtstreeks samengaat met een verlies aan ‘natuurlijk kapitaal’ (bv. ontbossing voor landbouw of houtkap) dan kan men dit niet bepaald omschrijven als een positieve bijdrage tot de langertermijnwelvaart van de Thaise maatschappij. Voor landen in het Zuiden is er dus duidelijk nood aan groei in bepaalde economische sectoren, veeleer dan het nastreven van ‘groei om de groei’ waarbij men hoopt dat de vruchten van de groei zich uiteindelijk wel zullen verspreiden naar alle inwoners van het land (trickle-down effect). Het terugdringen van de armoede moet gebeuren via specifieke herverdelingsprogramma’s.
Waarom staat de groeilogica zo centraal?
Een kapitalistisch systeem dat niet groeit, zakt als een pudding in elkaar. Daar waar in een prekapitalistisch stelsel de bevrediging van behoeften een doel op zich is en geld slechts figureert als een ruilmiddel, verandert in het kapitalistisch systeem het middel (geld, G) in een doel op zich (winst maken), terwijl het oorspronkelijke doel (bevrediging der behoeften via waren, W) wordt herleid tot een middel. De vermeerdering van het geld wordt nu het finale doel van het economische proces: de economische kringloop opent zich, de cyclus wordt eindeloos: G-W-G’-W-G’’ -etc. Het proces heeft namelijk slechts zin als er winst wordt geboekt (G’’>G’>G). Deze Grow or die-logica leidt tot de absurde én ecologisch nefaste cyclus van ‘productie om de productie, ‘consumptie om de consumptie’.
Een stationaire economie
Het doel van een economie zou erin moeten bestaan duurzame en sociaal rechtvaardige welvaart te creëren. Aangezien we ons vandaag in de situatie van een volle wereld bevinden, pleiten ecologische economen voor een stationaire, steady-state economie. Dit is een economie waar men ontwikkeling niet beschouwt als kwantitatieve volumegroei maar wel als de kwalitatieve verbetering van de levensvoorwaarden. Een stationaire economie betekent uiteraard niet het expliciet beogen van ‘negatieve groei’; een lager BNP-cijfer biedt op zich namelijk geen enkele garantie voor minder milieuverontreiniging, uitputting of degradatie (cf. situatie in Rusland). Hoewel er in tal van landen in het Zuiden eerst nog een belangrijke ‘selectieve’ groeifase moet komen waarbij elementaire nutsvoorzieningen (sanitair, water, openbaar vervoer, behuizing etc) moeten worden opgebouwd, is de boodschap voor het Noorden zonneklaar. Aan de fysische groei moet een einde komen. Daly maakt hierbij de vergelijking met de groei van een kind tot volwassenheid; eens het kind volwassen is, groeit het niet meer maar zal het zich verder ontwikkelen en ontplooien. In tegenstelling tot de karikatuur die men er graag van maakt, is een stationaire economie niet statisch. Een gezonde steady-state economie vereist een continue kwalitatieve verbetering en renovatie van het bestaande economisch weefsel waarbij in bepaalde economische sectoren (bv. hernieuwbare energie) ongetwijfeld zelfs een sterke groeifase moet komen.
Schaal, verdeling en allocatie
De ecologische economie gaat er expliciet van uit dat het marktprincipe geen ingebouwd controlemechanisme kent dat ervoor zorgt dat welvaart billijk verdeeld wordt én het ecologisch draagvlak van de Aarde niet wordt overschreden. Markten kunnen ons niet vertellen hoeveel olie er nog in de grond zit of over hoe veel afvalopnamecapaciteit er nog aanwezig is in de mondiale sinks. Evenmin kunnen markten informatie verschaffen over hoeveel propere lucht, zuiver water of gezond bos we nodig hebben. Bovendien onderkennen markten alleen koopkrachtige vraag; have-nots zijn dan ook van geen tel in een marktmaatschappij. Een duurzame schaal voor de wereldeconomie kan niet via het marktprijsmechanisme bereikt worden. In tegenstelling tot de neoklassieke (milieu)economie stelt de ecologische economie dat drie onderscheiden economische problemen - schaal, verdeling en allocatie - ook drie verschillende beleidsmaatregelen vergen.
Een duurzame schaal. Essentieel in de ecologische economie is dat men prioritair de maximale (biofysische) schaal van de doorstroom doorheen de economie vastlegt. De doorstroom betreft zowel het gebruik van hernieuwbare bronnen (visbestanden, houtkap) als de begrensde afvalopnamecapaciteit van cruciale sinks. We kunnen dit illustreren aan de hand van het klimaatprobleem. Wetenschappers kunnen een redelijke schatting maken van hoeveel de mondiale CO2-uitstoot maximaal mag bedragen. Men kan dit eenvoudig doorrekenen naar een duurzame uitstoot per persoon, als men van het moreel leidend beginsel uitgaat dat elke mens op deze wereld een even groot recht heeft op de natuurlijke rijkdommen. Het VN-klimaatpanel schat dit duurzame emissieniveau op zo’n 1,7 ton CO2 per capita per jaar. Het mondiale gemiddelde (4 ton/capita) overschrijdt dit cijfer met meer dan een factor 2.
Op die manier kan de ecologische economie voor diverse parameters een maximale (‘duurzame’) schaal opleggen. Hierbij gaan men uit van het subsidiariteitprincipe dat zegt dat problemen moeten worden aangepakt op het niveau waar ze zich stellen. Globale problemen zoals het menselijk versterkte broeikaseffect vergen om evidente redenen een mondiale aanpak. Het duurzaam oogsten van bijvoorbeeld hout en landbouwproducten beschouwt men best op continentaal vlak, terwijl de maximale consumptie van water veeleer op regionaal vlak moet worden berekend. Afhankelijk van het probleem kan de duurzame schaal (uitgedrukt in verbruik of emissies per capita) dan vastgelegd worden op globaal, continentaal, nationaal dan wel regionaal niveau.
In de literatuur heeft men vier beleidsmaatregelen voorgesteld die er moeten toe bijdragen dat de schaal van de economie binnen de milieugebruiksruimte blijft. Het meest eenvoudige instrument is dat van de regulering van bepaalde substanties. In sommige gevallen heeft dit betrekking op toxische stoffen die verboden moeten worden. In andere gevallen zal men via regulering maximale emissieplafonds opleggen. Indien bedrijven zich niet houden aan deze normen dan kunnen zij gesanctioneerd worden. Gebruik makende van het principe ‘de vervuiler betaalt’ kan de overheid een belasting opleggen aan een bedrijf of een persoon die vervuiling teweegbrengt. Via een Pigouviaanse taks tracht men de (negatieve) externe kost te internaliseren: theoretisch gezien moet deze belasting even groot zijn als de ‘marginale externe kost’ zodat de markt tot een ecologisch verantwoord evenwicht zou komen. In de praktijk kan men de ecologische schaduwkost echter onmogelijk accuraat kwantificeren zodat de ‘juiste prijs’ voor de belasting evenmin gekend is. Zolang de economie blijft groeien, zal de vraag naar milieubelastende activiteiten wellicht ook blijven toenemen. Dit impliceert meteen dat deze taks geleidelijk aan zal moeten worden verhoogd, om het totale gebruik van de natuurlijke hulpbronnen binnen de duurzame grenzen te houden. Daar waar een milieubelasting ervan uitgaat dat de vervuiler moet betalen, veronderstelt men in het geval van een Pigouviaanse subsidie dat de ‘vervuiler’ het recht heeft om één of andere activiteit (bv. houtkap) uit te voeren en dat (bv. de internationale) de gemeenschap deze moet betalen om dat niet te doen. Een vierde en laatste instrument is het gebruik van verhandelbare vergunningen. Veeleer dan de vraag naar een product te verlagen via het invoeren van een belasting waardoor de prijs stijgt, zal de maatschappij in het geval van verhandelbare vergunningen quota opleggen. Deze refereren aan de maximaal toelaatbare vervuiling of het maximale verbruik van hernieuwbaar ‘natuurlijk kapitaal’. Momenteel gebruikt men dit systeem in tal van landen om de visbestanden te vrijwaren. Het is evident dat de quota’s niet opgelegd kunnen worden door de markt dan wel het resultaat moeten zijn van het studiewerk van wetenschappers. In het licht van het bestaan van (vaak slecht gekende) kritische ecologische drempelwaarden moet men steeds aan de veilige kant spelen en voldoende ruimte laten voor inschattingsfouten. Eens het maximaal toelaatbare milieugebruik of pollutieniveau is vastgelegd, moeten de quota (rechtvaardig) verdeeld worden in de vorm van individuele vergunningen die onderling verhandelbaar kunnen zijn.
Een rechtvaardige verdeling. Als de totale economische taart niet groter gemaakt kan worden, dan moet de bestaande taart herverdeeld worden. Omdat in een begrensde wereld de vrijheid van de ene om mateloos te consumeren tot de onvrijheid van de andere leidt (elders in de wereld of in de toekomst), dringt een meer rechtvaardige verdeling van de milieugebruiksruimte zich onherroepelijk op. Op nationaal vlak kan men via een progressief belastingsysteem voor een grondige herverdeling zorgen. Via een progressieve consumptiebelasting kan er ook een minder ongelijke verdeling van grondstoffen tot stand worden gebracht. Onder het motto ‘tax bads, not goods’ pleiten ecologische economen voor een drastische vergroening van de fiscaliteit, dewelke gekoppeld kan worden aan een gelijktijdige daling van de lasten op arbeid. Op die manier komt dit ook ten goede aan de werkgelegenheid. Door arbeid minder en energie en natuurbronnen meer te belasten, wordt het voor ondernemingen interessanter om meer mensen tewerk te stellen en worden ze tegelijkertijd onder druk geplaatst om zuinig om te springen met grondstoffen en energiebronnen.
Een rechtvaardige verdeling moet ook worden doorgevoerd op het vlak van gecumuleerde vermogens. Daarom zijn er uitgewerkte voorstellen inzake vermogensbelastingen. Om de ongelijkheid tussen Noord en Zuid aan te pakken, is er nood aan meer specifieke herverdelingsmechanismen. Ook hier bestaan er voorstellen om een transfer van Noord naar Zuid te bewerkstelligen. Zo is er het pleidooi van Attac om een mondiale Tobintaks (Spahnvariant) in te stellen op speculatieve transacties. De opbrengsten van deze belasting zouden worden gebruikt om sociale en ecologische projecten op te starten in de landen van het Zuiden. Daarnaast gaat ook nog steeds de eis mee van de klassieke Noord-Zuidorganisaties om de externe financiële Derdewereldschuld, mits een aantal voorwaarden, af te schaffen. Voor de meeste landen is deze schuld immers al vele malen terugbetaald. Een bijkomend argument is dat het Noorden een nog veel hogere ecologische schuld heeft aan het Zuiden. Het aspect ‘verdeling’ is uiteraard ook bijzonder relevant voor milieueconomische instrumenten inzake verhandelbare vergunningen. De initiële verdeling van de quota moet eveneens geschieden volgens rechtvaardige principes.
Optimale allocatie. Van de drie economische vraagstukken heeft de allocatie (toewijzing) in de gangbare economie steeds de hoofdmoot van de aandacht naar zich toe getrokken. De theorie luidt dat het marktprincipe op schier natuurlijke wijze voor de optimale allocatie van de productiefactoren (arbeid en kapitaal) zorgt. De milieueconomie is een aanvulling op de neoklassieke variant in de zin dat zij erkent dat de markt kan falen indien de externe (milieu)kosten niet geïnternaliseerd worden in de prijs van een gegeven product. Tal van milieueconomen sparen momenteel kosten noch moeite om de ‘juiste prijzen’ te berekenen. Problematisch wordt het wanneer men ervan uitgaat dat dit proces vanzelf tot ecologische duurzaamheid zou leiden. Het sop is de kool niet waard. Ik verwijs hierbij naar de onmogelijkheid én de onwenselijkheid om monetaire cijfers op natuurgoederen en -diensten te plakken. Ook wanneer het gaat om rechtvaardigheid tussen generaties (bv. nucleair afval) kan de markt geen antwoorden verschaffen. Het verdict van de ecologische economie luidt dan ook dat het marktmechanisme pas een rol te spelen heeft nadat men eerst de optimale schaal heeft vastgelegd en een rechtvaardige verdeling heeft ingesteld.
Besluit
Het behoeft geen betoog dat de voorstellen van de ecologische economie op zich een zware rem vormen op de destructieve groeilogica van het hedendaagse economisch bestel. Het betreft reële hervormingen die binnen de huidige context kunnen worden doorgevoerd, op voorwaarde dat het maatschappelijk en politiek draagvlak ervoor voldoende groot is. Het spreekt voor zich dat, onder de huidige machtsrelaties, de politiek-economische elites zulke transities niet meteen zullen toejuichen. Meer zwaarwichtige voorstellen (een Eerlijke en Ecologische Handelsorganisatie, een Internationale Vereffeningsunie, démurrage) zijn uiteraard nog moeilijker te verwezenlijken dan die van de eerste orde. Zolang het klimaat niet rijp is voor een postkapitalistische wereldeconomie, zullen we ons moeten tevreden stellen met de eerde vermelde voorstellen die tot een drastisch geamendeerd kapitalisme kunnen leiden. Zo’n hervormingen kunnen bovendien een spiraal teweegbrengen van nieuwe hervormingen die op hun beurt tot weer nieuwe aanpassingen kunnen leiden. Essentieel is het verschil dat ook al werd aangehaald door Karl Polanyi tussen een door de (‘vrije’) markt gedomineerde maatschappij en een samenleving waarin de economie verregaand is ingebed in het geheel van andere verhoudingen die berust zijn op principes als democratie, sociale rechtvaardigheid en ecologische duurzaamheid. De economie moet ten dienste staan van de maatschappij en niet omgekeerd, een conclusie die wellicht door bijna iedereen die beschikt over een dosis gezond verstand gedeeld zal worden.
Peter Tom Jones (1973) is Burgerlijk Ingenieur Milieukunde, Doctor in de Materiaalkunde en werkzaam als post-doctoraal onderzoeker aan de KULeuven. Hij is één van de drijvende krachten van het Ya Basta!-collectief, is lid van de wetenschappelijke raad van ATTAC-Vlaanderen en publiceerde in diverse tijdschriften omtrent thema’s als (anders)globalisering, klimaat en ecologie. Hij is coauteur van Ya Basta! Globalisering van onderop (2002) en coredacteur van Esperanza! Praktische theorie voor sociale bewegingen (2003). Cf. www.yabasta.be
Roger Jacobs (1954) studeerde filosofie en menselijke ecologie en werkt sinds 15 jaar in het Centrum Basiseducatie in Hasselt. Hij is coauteur van het boek Het pomphuis van de 21ste eeuw (2000) en auteur van diverse artikelen en boekbijdragen over linkse politieke theorievorming, sociale ecologie en emancipatorische educatie.
Noten
1 Dit artikel is een samenvatting van het gelijknamige, tweedelige artikel in het Vlaams Marxistisch Tijdschrift (Deel I: 39 (2), 2005, 71-81; Deel II: 39 (3), 2005, 63-73)
2 MAX-NEEF, M., Economic growth and quality of life: a threshold hypothesis, Ecological Economics, 15, 1995, 115-118.
3 COSTANZA, R., et al., ‘Estimates of the Genuine Progress Indicator (GPI) for Vermont, Chittenden County and Burlington, from 1950 to 2000’, Ecological Economics, 51, 2004, 139-155.
4 CLARKE, M., ISLAM S.M.N., ‘Diminishing and negative welfare returns of economic growth: an index of sustainable economic welfare (ISEW) for Thailand’, Ecological Economics, 54, 2004, 81-93.
