Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Peter Tom Jones & Roger Jacobs
donderdag 6 oktober 2005, door Peter Tom Jones, Roger Jacobs
Een stationaire economie (1)
Het preanalytische uitgangspunt van de ecologische economie stelt dat de economie een open deelsysteem is van het eindige, materieel gesloten Ecosysteem Aarde (Fig. 2 in deel I). Aangezien we ons vandaag in de situatie van een ‘volle wereld’ bevinden, wordt dit gegeven van essentieel belang. Ecologische economen pleiten in deze context voor een stationaire, steady-state economie. De idee van een stationaire economie is oorspronkelijk afkomstig van de klassieke econoom John Stuart Mill die in 1857 gewag maakte van de zogenaamde stationary state. Hiermee verwees hij naar een toestand van nulgroei inzake bevolkingsaantal en het gebruik van ‘natuurlijk kapitaal’, maar waarbij terzelfder tijd een continue verbetering in technologie en ethiek moest worden nagestreefd. Deze visie op een duurzame economie werd nieuw leven ingeblazen via de publicatie van Herman Daly’s Toward a Steady State Economy in 1973. In de Franstalige wereld spreekt men van de nood aan décroissance (Latouche, 2003), een begrip dat moeilijk te vertalen valt naar het Nederlands maar alleszins een soortgelijke lading dekt als een stationaire economie.
Voor Daly betekent dit een economie waar men ontwikkeling beschouwt als de kwalitatieve verbetering van de levensvoorwaarden veeleer dan het nastreven van kwantitatieve volumegroei (Daly, 1996). Dit is uiteraard vooral relevant voor de reeds sterk ‘ontwikkelde’ economieën in het Westen. Dit neemt niet weg dat in tal van landen in het Zuiden er eerst nog een belangrijke groeifase moet komen waarbij een netwerk moet opgebouwd worden van elementaire nuts-voor-zie-ningen (sanitair, water, openbaar vervoer, degelijke behuizing etc). In dat geval kan men beter spreken van ‘selectieve groei’. Wat de landen in het Noorden betreft is de boodschap nochtans zonneklaar. Aan de fysische groei, in de betekenis van een verhoogde doorstroom (throughput) van materialen en energie doorheen de economie, moet een einde komen.
Is dat niet het geval, dan komt de regeneratiecapaciteit van de aarde in het gedrang. Een duurzame economie moet er daarom voor zorgen dat de mogelijkheid vanwege de natuur om de throughput te onderhouden, niet mag ondergraven worden. Vanuit deze visie hebben ecologische eco-no-mis-ten zoals Herman Daly enkele operationele principes afgeleid. Het betreft nood-za-ke-lij-ke, doch niet voldoende voorwaarden voor harde duurzaamheid die ook onmiddellijk relevant zijn voor procesingenieurs (Dewulf & Van Langenhove, 2001:44-45): 1. De onttrekking van hernieuwbare materialen en energie (exergie) uit de ecosfeer mag niet sneller geschieden dan hun productie- of regeneratiesnelheid; zoniet hebben de toekomstige generaties minder mogelijkheden voorhanden als gevolg van de uitputting van deze grondstoffen. 2. Technologieën moeten zo eco-efficiënt mogelijk zijn; hoe groter de efficiëntie, hoe meer output kan gecreëerd worden met een gegeven input aan materialen en energie. De Tweede Hoofdwet legt evenwel fysische grenzen op aan de te be-rei-ken efficiëntiegraad. 3. De generatie van afvalstromen en emissies mag de natuurlijke af-val-op-na-me-ca-pa-ci-teit van de mondiale sinks niet in het gedrang brengen. Anders daalt het eco-lo-gisch draagvlak van de aarde of, alternatief geformuleerd, vermindert de capaciteit van de biosfeer om exergie aan te maken. 4. De totale schaal van de economie moet binnen de lokale draagkracht van de des-be-treffende regio blijven. Is dit niet het geval, dan zal dit onvermijdelijk leiden tot een aantasting van ‘natuurlijk kapitaal’. Gebeurt deze overshoot ook op mondiaal vlak, dan zit men waarachtig in een penibele situatie van ‘onduurzaamheid’.
Niet realistisch?
In tegenstelling tot de karikatuur die men er vaak van maakt, hoeft een stationaire economie niet statisch te zijn. Verre van. Een gezonde steady-state economie vereist een continue kwalitatieve ver-betering en renovatie van het bestaande economische weefsel. Daly maakt hierbij de ver-ge-lij-king met de groei van een kind tot volwassenheid; eens het kind volwassen is, groeit het niet meer maar zal het zich verder ontwikkelen en ontplooien. Het spreekt voor zich dat een pleidooi voor een stationaire economie vandaag een onverbeterlijke daad van ketterij is. In de huidige wereld, waar de groeimanie zo’n overrompelende vormen aanneemt, waar het ‘con-su-men-ten-ver-trou-wen’ en de ‘mimetische begeerte’ de klok rond met allerlei snode methodes moet aan-ge-wak-kerd worden teneinde een economische recessie te voorkomen, lijkt een pleidooi voor minder groei volstrekt onrealistisch. Zelfs de vakbonden gaan ervan uit dat dit een conditio sine qua non is om tot een betere behartiging van de belangen van de werknemers te kunnen komen. Groei staat synoniem voor ‘jobs’, ook al zijn de bewijzen daarvan vandaag ver te zoeken: zogenaamde jobless growth is een fenomeen dat namelijk alomtegenwoordig lijkt te worden. En in extreme gevallen is er zelfs sprake van jobdestructive growth.
En toch zal een transitie naar een andere economie op termijn onontkoombaar zijn. Hoewel we er ons niet populair mee zullen maken, zouden wij de zaken graag omkeren. Het is precies het zogenaamde ‘economisch realisme’ - dat zowel bij centrumlinks als bij centrumrechts welig tiert - dat niet langer realistisch is. In een niet-groeiend, eindig en materieel gesloten Ecosysteem Aarde zal een cultuur die voor haar economische gezondheid afhankelijk is van exponentiële groei de pijlers van haar eigen voortbestaan ondergraven. Laat er immers geen twijfel over bestaan dat de sociale kost van een vrijwillige en zelf gekozen reconversie van de economie vele malen kleiner zal zijn dan de sociale, ecologische en morele kost die de mensheid zal moeten dragen nadat sociale en ecologische kritische drempelwaarden overschreden zijn en gevaarlijke kettingreacties in gang worden gestoken. Eens men de Rubicon heeft overgestoken ... is er geen weg meer terug. Kernachtig schetsen Mathias Wackernagel en William Rees dit dilemma als volgt: “Zo is ons huidig dilemma: politiek aanvaardbare beleidsbeslissingen voor duurzaamheid zouden ecologisch niet effectief zijn, terwijl ecologisch zinvolle beleidsbeslissingen politiek onmogelijk (indien niet ketters) zijn. Deze situatie blijft waarschijnlijk bestaan zolang als sociale schizofrenie en ontkenning zwaarder wegen dan het publieke besef dat onze huidige levenswijze zelfdestructief is.” (Wackernagel & Rees, 1997:22) Daly en Farley (2004:xxvii) treden hen hierin bij: “Wanneer men geconfronteerd wordt met het ongelukkige dilemma van kiezen tussen een fysische of een politieke onmogelijkheid, dan is het beter om het politiek ‘onmogelijke’ na te streven.”
Schaal, verdeling en allocatie
De ecologische economie onderscheidt zich van de neoklassieke economie in de zin dat zij er expliciet van uitgaat dat het marktprincipe geen ingebouwd controlemechanisme kent dat ervoor zorgt dat welvaart billijk verdeeld wordt en terzelfder tijd het ecologisch draagvlak van de Aarde niet wordt overschreden. De cijfers voor de totale ecologische voetafdruk (20% ecologische overshoot op mondiaal vlak) en de verdeling ervan tussen arm en rijk (de 20/80-verhouding) zijn daar het levende bewijs van (zie bv. Jones & Jacobs, 2005b). De ecologische economie postuleert dat een duurzame schaal voor de wereldeconomie niet via het marktprijsmechanisme bereikt kan worden: allocatieve efficiëntie leidt niet automatisch tot ecologische duurzaamheid, zelfs niet als men een poging zou doen om de milieukosten te internaliseren. Markten kunnen per definitie slechts voor marktgoederen individuele preferenties bekendmaken. Voor alle niet-marktgoederen die menselijke welvaart kunnen teweegbrengen, is de markt slechts een beroerd instrument. Zij faalt niet alleen in de openbaring van individuele voorkeuren maar slaagt er evenmin in om de kwestie van de totale schaal en de verdeling effectief te behandelen. Markten kunnen ons niet vertellen hoeveel olie er nog in de grond zit of over hoe veel afvalopnamecapaciteit er nog aanwezig is in ’s werelds sinks. Evenmin kunnen markten informatie verschaffen over hoeveel propere lucht, zuiver water of gezond bos we nodig hebben. Bovendien onderkennen markten alleen koopkrachtige vraag; have-nots zijn dan ook van geen tel in een marktmaatschappij. Daarbij komt ook nog eens dat de markt zich laat kenmerken door een ingebakken kortetermijnvisie, terwijl de hedendaagse ecologische en sociale problemen juist schreeuwen voor langetermijnvisies. Veeleer dan dat Adam Smiths ‘onzichtbare hand’ de goegemeente naar het aards paradijs leidt, is er hier een ‘onzichtbare vuist’ actief, die zeer selectief enkele rake klappen weet uit te delen.
In tegenstelling tot de neoklassieke (milieu)economie stelt de ecologische economie dat drie onderscheiden economische problemen - schaal, verdeling en allocatie - ook drie verschillende beleidsmaatregelen vergen. Of om het met een morbide metafoor van Herman Daly uit te drukken: wanneer men drie vogels wenst neer te schieten, dan heeft men nood aan drie kogels, niet één. In een notendop kan men stellen dat een stationaire (steady state) economie vertrekt vanuit de kennis van het begrensde ecologische draagvlak: eerst legt men de duurzame (maximale) schaal vast, dan zorgt men voor een rechtvaardige verdeling en pas in laatste instantie laat men één of andere vorm van markt spelen (allocatieve efficiëntie). We bespreken nu deze verschillende aspecten en passen deze vervolgens toe op het zogenaamde cap and trade-proces dat vandaag, nochtans in een verminkte vorm, wordt toegepast teneinde de broeikasgasuitstoot terug te dringen.
Een duurzame schaal
Essentieel in de ecologische economie is dat men prioritair de maximale (biofysische) schaal van de doorstroom doorheen de economie vastlegt. Bovendien ziet men zich genoodzaakt een voldoende veiligheidsmarge in te bouwen. Dat laatste is een logisch gevolg van het laten primeren van het voorzorgsprincipe. De doorstroom betreft zowel het gebruik van hernieuwbare bronnen (visbestanden, houtkap) als de begrensde afvalopnamecapaciteit van cruciale sinks. We kunnen dit illustreren aan de hand van het klimaatprobleem. Via de klimaatwetenschap kan men een raming maken van wat de maximaal toelaatbare broeikasgasconcentraties mogen zijn vooraleer er gevaarlijke antropogene interferentie met het klimaat optreedt. Momenteel legt men bijvoorbeeld de kritische grens voor de atmosferische (equivalente) CO2-concentratie op zo’n 400 à 450 ppm (zie bv. Jones, 2005). Gegeven de kennis van de CO2-opnamesnelheid vanwege de oceanen en de aardse biosfeer kan men een redelijke schatting maken van hoeveel de mondiale uitstoot maximaal mag bedragen. In het jargon van het VN-klimaatpanel (IPCC) spreekt men van het ‘duurzaam niveau’ van CO2-uitstoot. Theoretisch gezien kan men dit vrij eenvoudig doorrekenen naar een duurzame uitstoot per persoon, als men van het moreel leidend beginsel zou uitgaan dat elke mens op deze wereld een even groot recht heeft op de natuurlijke rijkdommen. Het IPCC schat dit duurzame emissieniveau op zo’n 1,7 ton CO2 per capita per jaar (beschreven in Paredis et al., 2004:68). Het mondiale gemiddelde (4 ton/capita) overschrijdt deze duurzame uitstoot met meer dan een factor 2. Een gemiddelde Europeaan mag nog eens twee maal zo veel (8 ton/capita) op zijn conto schrijven; een doorsnee Noord-Amerikaan doet het nog slechter (20 ton/capita).
Op deze manier kan de ecologische economie voor diverse parameters een maximale (‘duurzame’) schaal opleggen. Hierbij gaan men uit van het subsidiariteitprincipe dat zegt dat problemen moeten aangepakt worden op het niveau waar ze zich stellen. Globale problemen zoals het menselijk versterkte broeikaseffect vergen om evidente redenen een mondiale aanpak. Het duurzaam oogsten van bijvoorbeeld hout en landbouwproducten beschouwt men best op continentaal vlak, terwijl de maximale consumptie van water veeleer op regionaal vlak moet berekend worden. Afhankelijk van het probleem kan de duurzame schaal (uitgedrukt in verbruik of emissies per capita) dan vastgelegd worden op globaal, continentaal, nationaal dan wel regionaal niveau. Deze manier van werken vloeit rechtstreeks voort uit het concept van de multidimensionele milieugebruiksruimte (Opschoor, 1994).
In de literatuur heeft men vier types van beleidsmaatregelen voorgesteld die er moeten toe bijdragen dat de schaal van de economie binnen de (multidimensionele) milieugebruiksruimte blijft. In onze beschrijving van deze beleidstools baseren we ons op het uitstekende over-zichts-werk van Daly en Farley (2004:359-429). Het meest eenvoudige instrument is dat van de rechtstreekse regulering van het gebruik van bepaalde substanties. In sommige gevallen heeft dit betrekking op stoffen waarvan bewezen is dat zij zonder meer toxisch zijn en bijgevolg moeten verboden worden. Dit is het geval voor bijvoorbeeld loodhoudende benzine, DDT, CFK’s etc. In andere gevallen zal men via regulering maximale emissieplafonds opleggen voor bepaalde pol-lu-en-ten. Indien bedrijven zich niet houden aan deze normen dan kunnen zij gesanctioneerd worden. Een van de belangrijkste kritieken die geventileerd werden ten aanzien van dit beleidsinstrument, is dat regulering geen prikkel biedt om beter te doen dan de vooropgestelde emissienormen. Eens men de norm gehaald heeft, zullen ondernemingen het niet noodzakelijk vinden te investeren in nieuwe technologieën om de emissieniveaus nog verder te verlagen. Dat directe regulering bovendien niet tot ‘kostenefficiënte’ oplossingen leidt, is een andere vaak gehoorde bedenking. Daarom schuift men in de ecologische economie ook andere beleidsinstrumenten naar voren die er zouden moeten op toezien dat de duurzame schaal niet overschreden wordt. Deze maatregelen bestaan uit ‘Pigouviaanse belastingen’, ‘Pigouviaanse subsidies’ en verhandelbare vergunningen.
Gebruik makende van het principe ‘de vervuiler betaalt’ kan de overheid een belasting opleggen aan een bedrijf dat milieuschadelijke vervuiling teweegbrengt. De achterliggende logica is afkomstig van de econoom Pigou. Via een ‘Pigouviaanse taks’ tracht men de (negatieve) externe kost te internaliseren: theoretisch gezien moet deze belasting even groot zijn als de ‘marginale externe kost’ zodat de markt tot een ecologisch verantwoord evenwicht zou komen. Omdat ondernemingen gedwongen worden om per extra eenheid vervuiling een belasting te betalen, zal deze maatregel - in tegenstelling tot directe regulering - een blijvende stimulans bieden aan het bedrijf om continue procesverbeteringen na te streven. In de praktijk kan men de ecologische schaduwkost echter onmogelijk accuraat kwantificeren zodat de ‘juiste prijs’ voor de belasting evenmin gekend is. Zolang de economie blijft groeien zal de vraag naar milieubelastende activiteiten wellicht ook blijven toenemen. Dit impliceert meteen dat deze taks geleidelijk aan zal moeten verhoogd worden, teneinde het totale gebruik van de natuurlijke hulpbronnen binnen de duurzame grenzen te houden.
Een derde instrument behelst het gebruik van Pigouviaanse milieusubsidies. In dit geval betaalt de overheid een bonus of een betaling om één of andere activiteit uit te voeren. Dit is in wezen het tegenovergestelde van een taks. Daar waar een milieubelasting ervan uitgaat dat de vervuiler moet betalen, veronderstelt men in het geval van een Pigouviaanse subsidie dat de vervuiler het recht heeft om te vervuilen en dat de gemeenschap deze moet betalen om dat niet of alleszins minder te doen. Een knelpunt dat zich evenwel stelt met Pigouviaanse subsidies is dat zij tot het perverse resultaat kunnen leiden dat de totale schaal van vervuiling toeneemt in plaats van afneemt. Een subsidie verhoogt immers de winstmarge van de betrokken ondernemingen waar-door het aantrekkelijk kan zijn voor nieuwe bedrijven om zich in die bepaalde branche te ves-ti-gen. Hoewel als gevolg van de subsidie de vervuiling per individueel bedrijf zal dalen, kan het totale vervuilingniveau oplopen omdat er nu meer ondernemingen actief zijn. Dit betekent echter niet dat deze Pigouviaanse subsidies irrelevant zouden zijn. In het geval van eco-sys-teem-res-tau-ra-tie kunnen zij een zeer positieve rol spelen. Het internationaal recht biedt bijvoorbeeld geen mogelijkheid om een soevereine staat te beletten zijn ‘natuurlijk kapitaal’ uit te putten. Wanneer één of andere staat beslist om in ijltempo zijn familiezilverwerk te verkopen - bij voorbeeld onduurzame houtkap - dan heeft dit ernstige gevolgen voor de andere mensen en organismen op deze planeet. Aangezien er nog geen mondiale instantie bestaat die een taks zou kunnen opleggen aan dit land, kan een Pigouviaanse subsidie hier soelaas brengen.
Een vierde en laatste instrument van de ecologische economie is het gebruik van verhandelbare ver-gun-nin-gen. Veeleer dan de vraag naar een product te verlagen via het invoeren van een belasting waardoor de prijs stijgt, zal de maatschappij in het geval van verhandelbare vergunningen quota opleggen. Deze refereren aan de maximaal toelaatbare vervuiling of het maximale verbruik van hernieuwbaar ‘natuurlijk kapitaal’. Momenteel wordt dit systeem reeds toegepast voor de regulering van de zwaveldioxide-emissies in de VS en in tal van landen gebruikt men een gelijkaardig systeem om de visbestanden te vrijwaren. Het is evident dat de quota’s niet opgelegd kunnen worden door de markt dan wel het resultaat moeten zijn van het gefundeerde studiewerk van wetenschappers. In het licht van het bestaan van (vaak slecht gekende) kritische ecologische drempelwaarden moet men steeds aan de veilige kant spelen en voldoende ruimte laten voor inschattingsfouten. Eens het maximaal toelaatbare milieugebruik of pollutieniveau is vastgelegd, moeten de quota (rechtvaardig) verdeeld worden in de vorm van individuele vergunningen die onderling verhandelbaar kunnen zijn (zie infra: verdeling en al-lo-ca-tie). Daar waar Pigouviaanse belastingen een wettelijke aansprakelijkheid met zich meebrengen (liability rule), zullen quota’s eigendomsregels opleggen. De bezitter van het quota is eigenaar van een gegeven hoeveelheid afvalopnamecapaciteit van het medium waarin hij zijn afval loost (zwaveldioxide-uitstoot in de atmosfeer). Iets gelijkaardigs is ook van toepassing wanneer het een kwestie van toegangsrecht betreft tot hernieuwbare bronnen, zoals in het geval van visgronden. Een bedenking die men kan opperen ten aanzien van quota is dat zij geen drijfveer bieden om de totale vervuiling of het verbruik van hernieuwbare grondstoffen tot onder het quota terug te brengen. Zolang het quotaniveau voldoende laag wordt gekozen, hoeft dat niet noodzakelijk een probleem te vormen. Bovendien kan dit instrument ook de toets doorstaan wanneer de economie blijft groeien: de quota’s zorgen er immers voor dat de totale milieu-impact (visvangst, zwaveldioxide-uitstoot) niet mag toenemen.
Een rechtvaardige verdeling
Zoals we geschetst hebben in vroeger werk (Jones & Jacobs, 2005b) suggereren we-ten-schap-pe-lij-ke studies dat de mondiale milieudruk de draagkracht van het Ecosysteem Aarde thans over-schrijdt. Terzelfder tijd beschikken wereldwijd miljoenen mensen zelfs niet over de minimale levensvoorwaarden. De cijfers voor de verdeling van de ecologische voetafdruk spreken wat dat betreft boekdelen. Indien we bovendien het gegeven erkennen dat de totale schaal van de wereldeconomie - uitgedrukt als een doorstroom van grondstoffen en energie doorheen de economie - niet kan blijven groeien, dan zitten we niet alleen opgescheept met een ecologisch vraagstuk maar ook met een ethisch probleem. Enerzijds moeten we de biofysische groei van de economie binnen de perken houden; anderzijds kan men moeilijk aan ’s werelds ‘gelokaliseerde armen’ gaan vertellen dat zij in de miserie moeten blijven leven zodat de nog niet geboren generaties in de rijkere landen ook nog een toekomst zouden hebben. Als de totale economische taart niet groter gemaakt kan worden, dan bestaat de enige mogelijkheid erin om de bestaande economische taart te herverdelen. Het spreekt voor zich dat men zich met dit thema op glad ijs begeeft. We laten Daly en Farley even aan het woord: “Vele mensen geloven dat in een vrijemarktmaatschappij mensen rijkdom bezitten omdat ze die verdiend hebben, en het is onrechtvaardig om mensen te ontnemen wat ze in het zweet huns aanschijns verdiend hebben. We aanvaarden dat in ’t algemeen een distributiebeleid van mensen niet moet wegnemen wat ze met hun eigen inspanningen en bekwaamheden verdiend hebben. Mensen zouden echter niet in staat mogen zijn om voor henzelf waarden te verwerven die gecreëerd zijn door de natuur, de maatschappij of het werk van anderen. Zij zouden een eerlijke prijs moeten betalen voor wat ze van anderen ontvangen - daarbij inbegrepen de diensten die door de overheid voorzien zijn - en voor de kosten die ze anderen opleggen. Daarbij moeten we erkennen dat een minder ongelijke verdeling van middelen publieke voordelen kan voortbrengen zoals economische stabiliteit, lagere criminaliteitsgraad, sterkere gemeenschappen, en een betere gezondheid, en dat de maatschappij voor publieke voordelen moet betalen.” (Daly & Farley, 2004:390)
Welke economische beleidsinstrumenten kan men nu voordragen om tot een meer rechtvaardige ver-deling te komen, en hoe verhouden deze zich tot het liberale principe van vrijheid? Levend op een aarde die fundamenteel begrensd is, kan men niet anders dan stellen dat er ook grenzen moeten zijn aan de vrijheid opgevat in de betekenis van ‘negatieve vrijheid’ - i.e. vrij zijn van de inmenging van anderen. Gezien de beperkte milieugebruiksruimte leidt de vrijheid van de ene om mateloos te consumeren tot de onvrijheid van de andere (elders in de wereld of in de toekomst) om hetzelfde te doen. Een meer rechtvaardige verdeling van de milieugebruiksruimte dringt zich onherroepelijk op. De instrumenten om dit te bekomen zijn in principe bekend. Op nationaal vlak kan men via een progressief belastingsysteem voor een grondige herverdeling zorgen. Met het adjectief ‘progressief’ doelen we op een systeem waarin de belasting asymptotisch oploopt tot 100% bij de hoogste belastingschijf. Via een progressieve con-sump-tie-be-las-ting kan er ook een minder ongelijke verdeling van grondstoffen tot stand gebracht worden. Onder het motto ‘tax bads, not goods’ pleiten ecologische economisten voor een drastische vergroening van de fiscaliteit, die gekoppeld kan worden aan een gelijktijdige daling van de lasten op arbeid. Op die manier komt dit ook ten goede aan de werkgelegenheid, zodat we zowel op sociaal als ecologisch vlak in de juiste richting evolueren. Door arbeid minder en energie en natuurbronnen meer te belasten, wordt het voor ondernemingen interessanter om meer mensen tewerk te stellen en worden ze tegelijkertijd onder druk geplaatst om uiterst zuinig om te springen met schaarse grondstoffen en energiebronnen, zoals ook erkend wordt door Dirk Holemans (2003:107).
Een rechtvaardige verdeling is uiteraard niet alleen noodzakelijk wat inkomens betreft, maar moet ook doorgevoerd worden op het vlak van gecumuleerde vermogens. Ook hier bestaan er uitgewerkte voorstellen inzake vermogensbelastingen. Het spreekt voor zich dat dit alles het beste kan georganiseerd worden op supranationaal niveau, zoals bijvoorbeeld op Europees vlak. Op die manier kan de ongelijkheid worden aangepakt via een fiscale harmonisatie naar boven toe, zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van individuele landen. Het argument van kapitaalsvlucht kan dan zonder meer ontkracht worden. Om de ongelijkheid tussen Noord en Zuid aan te vatten is er nood aan meer specifieke herverdelingsmechanismen. Ook hier bestaan er reeds een aantal excellente voorstellen om, zelfs binnen het bestaande economische kader, voor een transfer van Noord naar Zuid te zorgen. Zo is er het pleidooi van o.a. de an-ders-glo-ba-lis-ten-or-ga-ni-sa-tie Attac om een mondiale Tobintaks (Spahnvariant) in te stellen op speculatieve trans-ac-ties. De opbrengsten van deze belasting zouden worden gebruikt om sociale en ecologische projecten op te starten in de landen van het Zuiden. Daarnaast gaat ook nog steeds de eis mee van de klassieke Noord-Zuid-organisaties om de externe financiële derdewereldschuld, mits een aantal voor-waar-den, resoluut af te schaffen. Voor de meeste landen is deze schuld immers al vele malen te-rug-be-taald en blijft die enkel en alleen nog bestaan door een aantal ingenieuze rentemechanismen die Westerse elites destijds hebben ingesteld. Een bijkomend argument dat men kan inroepen is dat het Noorden een nog veel hogere ecologische schuld heeft aan het Zuiden. Het spreekt voor zich dat noch de Tobintaks, noch de afschaffing van de derdewereldschuld voldoende voorwaarden bieden om de kloof tussen Noord en Zuid (in de geografische betekenis in dit geval) voorgoed te dichten. Daarvoor zijn er meer structurele ingrepen nodig, die in een verdere paragraaf aan bod zullen komen. Het aspect ‘verdeling’ is uiteraard ook bijzonder relevant voor milieueconomische instrumenten inzake verhandelbare vergunningen. De initiële verdeling van de quota moet eveneens geschieden volgens rechtvaardige principes. We zullen dit verder uitwerken in functie van het cap and trade-proces.
Optimale allocatie
Van de drie economische vraagstukken heeft de allocatie (toewijzing) in de gangbare (neo-klas-sie-ke) economie steeds de hoofdmoot van de aandacht naar zich toe getrokken. De theorie luidt dat het marktprincipe op schier natuurlijke wijze voor de optimale allocatie van de pro-duc-tie-fac-to-ren (arbeid en kapitaal) zorgt. De milieueconomie is een aanvulling op de neoklassieke variant in de zin dat zij erkent dat de markt kan falen indien de externe (milieu)kosten niet geïn-ter-na-li-seerd worden in de prijs van een gegeven product. Tal van milieueconomen sparen momenteel kosten noch moeite om de ‘juiste prijzen’ van niet-marktgoederen te berekenen. Problematisch wordt het wanneer men ervan uitgaat dat dit proces vanzelf tot ecologische duurzaamheid zou leiden. Het sop is de kool niet waard. We hebben al herhaaldelijk gewezen op de onmogelijkheid én de onwenselijkheid om monetaire cijfers op natuurgoederen en -diensten te plakken. Zeker in het geval van de waarde van de fundamentele levensinstandhoudingssystemen (stabiel klimaat, beschermende ozonlaag, hydrologische kringloop etc.) getuigt de monetarisering van de natuur van een niet verwaarloosbare hoeveelheid hybris. Het gebrek aan informatie, de complexiteit van de niet-lineaire interacties tussen de systeemcomponenten, het bestaan van ecologische drem-pel-waar-den etc. impliceert dat het prijsmechanisme op geen enkele manier in staat is om op eigen kracht tot een ecologisch duurzame schaal te komen. En er is nog een tweede kardinaal probleem met het berekenen van de marktprijs van voorheen vrij toegankelijke, niet-schaarse goederen (wa-ter, lucht etc.) of kritische milieudiensten. Hoe zal men omgaan met de tijdsdimensie? Zoals we al aangaven in een vorig artikel (Jones & Jacobs, 2004b) in de discussie omtrent de klimaatproblematiek gebeurt dit in de praktijk met de methode van het disconteren. Daarmee poogt men toekomstige voordelen of kosten monetair uit te drukken zodat die rechtstreeks kunnen vergeleken worden met de huidige kosten of baten. De keuze die men daarbij maakt voor de numerieke waarde van de discontovoet is allesbepalend. Hoe hoger de discontovoet, hoe minder belangrijk men het vandaag vindt om het ‘natuurlijk kapitaal’ in stand te houden voor dien-sten die in de toekomst moeten geleverd worden aan nog niet geboren generaties. Het be-hoeft geen betoog dat discussies omtrent intergenerationele rechtvaardigheid van een intrinsiek ethisch karakter zijn. De markt kan hier geen antwoorden verschaffen. Ecologische economisten waarschuwen er daarom voor dat men, in plaats van kostbare tijd te verliezen aan het berekenen van ‘juiste prijzen’, er veel beter aan doet andere beleidsinstrumenten te ontwerpen die wél een duurzame schaal kunnen garanderen, zoals het opleggen van de maximale inpalming van de di-ver-se componenten van de milieugebruiksruimte. Het verdict van de ecologische economie luidt dan ook dat het marktmechanisme geen rol te spelen heeft zolang men niet eerst de optimale schaal heeft vastgelegd en een rechtvaardige (initiële) verdeling heeft ingesteld. Dit komt dui-de-lijk naar voren in de cap and trade-methode, één van de meest geliefde recepten van ecologische eco-nomisten.
Een case-study: cap and trade
De cap and trade-methode is hét schoolvoorbeeld van hoe men via één proces met drie onderscheiden stappen ook drie doelstellingen kan verwezenlijken. Belangrijk in dit geval is de volgorde waarin de drie instrumenten aan bod moeten komen. Aangezien de ecologische economie er naar streeft een stationaire economie te verwezenlijken, zal men vooreerst de duurzame schaal van het milieugebruik vastleggen. Voorheen vrij beschikbare milieugoederen worden daarbij erkend als zijnde schaars; het gebruik ervan moet daarom streng gelimiteerd worden. Op basis van wetenschappelijke inzichten maakt men een raming van het maximaal toelaatbare gebruiksniveau (het cap-aspect). Vervolgens moet men beslissingen nemen in verband met het eigendomsrecht voor de oplegde quota. Zoals we gezien hebben is het van vitaal belang dat deze quota op een rechtvaardige wijze worden verdeeld. Pas in laatste instantie kunnen marktmechanismen in actie treden om de milieudoelstellingen zo ‘kostenefficiënt’ mogelijk te verwezenlijken. Bedrijven of individuele landen kunnen deze vervuilingsquota op de markt verhandelen (het trade-aspect). Deze methode is in het verleden toegepast in de VS teneinde de zwaveldioxide-uitstoot (SO2) terug te dringen. Dit programma, dat luistert naar de naam Acid Rain Program, was een reactie op een aanscherping van de Clean Air Act in 1990. Het stelde zich tot doel de verzurende SO2-emissies in steenkoolcentrales te reduceren en spiegelde zich rechtstreeks aan de cap and trade-theorie. Meer dan 260 elektriciteitscentrales kregen een quota opgelegd voor SO2; alle bedrijven die er niet slaagden deze norm te halen, werden verplicht om de emissierechten van andere, schonere centrales op te kopen. Tegen het jaar 2000 werd op die manier de SO2-uitstoot teruggedrongen tot 11 miljoen ton, aanzienlijk minder dan het niveau van eind jaren tachtig toen de uitstoot nog 16 miljoen ton bedroeg (Hopkin, 2004:269).
Een gelijkaardige theorie ligt ook ten grondslag aan het Kyoto-akkoord. Ter bestijding van de nakende klimaatdestabilisatie verbindt dit verdrag het merendeel der geïndustrialiseerde landen ertoe om een gemiddelde broeikasgasemissiereductie na te streven van 5.2% ten opzichte van het referentiejaar 1990. Deze moet gerealiseerd worden in de periode 2008-2012. Het principe is duidelijk. Eerst legt men een emissieplafond op voor de totale verzameling deelnemende landen; vervolgens verdeelt men de verhandelbare emissierechten over de verschillende natiestaten en tenslotte organiseert men een markt in deze rechten. In theorie is dit een mooie illustratie van toegepaste economische ecologie, ware het niet dat er enkele zeer giftige addertjes onder het gras zit-ten, zowel op het vlak van schaal, verdeling als allocatie. Vooreerst is de totale re-duc-tie-ver-plich-ting veel te laag ten opzichte van wat er wetenschappelijk gezien vereist is om gevaarlijke an-tro-po-ge-ne interferentie met het klimaatsysteem te vermijden. Zowel de totale als de individuele emissiereductie-doelstellingen zijn mijlenver verwijderd van het duurzame CO2-uitstootniveau (1,7 ton CO2 per capita per jaar) zoals gestipuleerd door het IPCC. Bovendien zijn een heel aantal emissies - zoals die van internationaal vliegverkeer - zelfs niet opgenomen in dit verdrag. Een ander probleem behelst het feit dat zowel de VS als opkomende landen zoals China nog niet betrokken zijn bij dit akkoord. In World Energy Outlook 2004 schat het Internationaal Ener-gie-agent-schap dat de mondiale CO2-uitstoot tegen het jaar 2030 met maar liefst 60% zal zijn toe-ge-no-men. Vooral het feit dat de grootste vervuiler ter wereld - de VS - niet meewerkt aan dit akkoord is verfoeilijk. Aan de eerste vereiste van de ecologische economie - het genereren van een duurzame schaal - is dus niet voldaan. Wat de initiële verdeling van de emissierechten betreft, kan men eveneens zware kritiek leveren. Zo gebruikt men als referentiepunt voor Rusland het jaar 1990 toen de schoorstenen van het communistische regime nog titanische volumes broeikasgassen uitbraakten. In 1991 zakte het regime in elkaar en sloot men ook het merendeel van deze aftandse industrieën. Waarnemers hebben erop gewezen dat als Rusland deze astronomische hoeveelheid aan niet-gebruikte emissierechten integraal zou verkopen aan geïndustrialiseerde landen (zoals België), dan zou dit op hetzelfde neerkomen als dat deze milieuvervuilende steenkoolcentrales opnieuw zouden opgestart worden.
Een derde fundamenteel probleem met het verdrag heeft te maken met het feit dat de koolstofmarkt die nu wordt georganiseerd op mondiaal vlak zal opereren. Markttransacties gaan even-wel uit van de assumptie dat de handelspartners gelijkwaardig zouden zijn. In de reële we-reld is dat niet het geval. Dit is met andere woorden van een totaal andere orde als het SO2-voorbeeld in de VS. In dat laatste geval betrof het een handelssysteem in één land tussen min of meer gelijkwaardige bedrijven. De koehandel die nu dreigt te ontstaan in de CO2-emissierechten zou wel eens tot het perverse resultaat kunnen leiden dat sommige bedrijven woekerwinsten zul-len boeken maar dan wel op de rug van een uit de hand lopende mondiale klimaatdestabilisatie. Ook de manier waarop er allerlei achterpoortjes werden ingebouwd in het Kyoto-akkoord laten weinig ruimte voor optimisme. Daarbij komt dat men geen sancties heeft voorzien ten aanzien van de landen die zich niet houden aan de verplichtingen.
Uit dit alles blijkt duidelijk dat het huidige klimaatverdrag slechts een flauw afkooksel is van wat de ecologische economie zich tot doel stelt met het cap and trade-mechanisme. Om tegemoet te komen aan de ecologische vereisten is er daarom dringend nood aan een nieuw wereldwijd klimaatverdrag voor de periode ná 2012. Zowel op het vlak van schaal, verdeling als allocatie zal dit zich sterk moeten onderscheiden ten opzichte van de eerste verbintenisperiode van het huidige verdrag. Primo. Zo’n post-Kyoto-akkoord moet zich rekenschap geven van het feit dat de vereiste broei-kas-gas-re-duc-ties zowel sneller als drastischer moeten zijn in vergelijking met die van de pe-rio-de 2008-2012. Secundo. Teneinde een rechtvaardig cap and trade-akkoord te bekomen zal het principe van ‘gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid’ centraal moeten staan. Daarin ligt besloten dat, in het jargon van de ecologische economie, de initiële verdeling van de emissierechten op billijke wijze moet geschieden. Concreet betekent dit dat een nieuw emis-sie-rech-ten-sys-teem rekening moet houden met compensatie voor de historische koolstofschuld die het Noorden aan het Zuiden moet (2). Tertio. Om misbruiken te vermijden zal men er eveneens moeten voor zorgen dat er zeer harde randvoorwaarden worden opgelegd bij het eventueel gebruik van marktmechanismen om nieuwe doelstellingen voor emissiereducties te halen. Zoniet zullen obscene machtsspelletjes elke reële vooruitgang in de kiem smoren.
Andersglobalistische voorstellen
Economische deglobalisering
Uit het voorgaande heeft men kunnen afleiden dat het discours van de ecologische economie zich met verve onderscheidt van de gangbare economische paradigma’s. Het pleidooi voor een sta-tio-nai-re economie is ‘revolutionair’, doch niet dogmatisch. Daarom loont het ook de moeite om dit verhaal te vergelijken met een heel scala aan voorstellen komende uit diverse lagen van de andersglobaliseringsbeweging.
Bekend onder het etiket van ‘deglobalisering’, pleit de Filippijnse intellectueel Walden Bello (2002) voor een drastische omwenteling van het huidige ontwikkelingsmodel en de ermee ge-paard gaande mondiale rechtsorde. Het economische deglobaliseringsmodel is gegroeid vanuit een specifieke ‘Derde Wereld’-context. Dit paradigma, dat ook uitgedragen wordt door de In-di-sche activiste/fysica Vandana Shiva, suggereert de heroriëntatie van de economieën van het Zui-den van een exportgerichte groei in functie van de wereldwijde supermarkt naar productie voor de lokale markten. Bij dit alles gaat er een bijzondere aandacht uit naar een herverdeling van het land. Met een knipoog naar de ecologische economie ligt de nadruk van dit model op het nastreven van ecologische duurzaamheid en billijkheid, veeleer dan dwangmatige groei. Bello gaat er van uit dat strategische beslissingen onderhevig moeten gemaakt worden aan de-mo-cra-ti-sche keuzen in plaats van die over te laten aan de willekeur van de markt. In Bello’s model is er een uiterst belangrijke functie weggelegd voor de civiele samenleving die zowel de privé-sector als de staat verregaand moet controleren. Op de keper beschouwd is deglobalisering een prag-ma-tisch pleidooi voor een gemengde economie waarin naast het (streng gereguleerde) privé-ini-tia-tief meer ruimte moet gecreëerd worden voor overheidsbedrijven, coöperatieven en andere vormen van sociale economie. We horen hier verre echo’s van Karl Polanyi’s The Great Trans-for-ma-tion (1957). Deze briljante econoom benadrukte in de jaren vijftig van de vorige eeuw eveneens het belang van de inbedding van de economie in de samenleving. Terzelfder tijd waarschuwde hij er voor dat, in het geval waarin de economie alle andere domeinen van het leven zou aandrijven en domineren, dit een totale ontwrichting van de maatschappij ten gevolge zou hebben.
In schril contrast met de karikatuur die er in het Westen vaak van wordt gemaakt, betekent deglobalisering - in tegenstelling tot andere concepten zoals lokalisering of delinking - zeker niet de totale ontkoppeling ten aanzien van de wereldeconomie. Een stelsel van ‘economische subsidiariteit’ wordt vooropgesteld: regio’s of gemeenschappen produceren die goederen die ze nodig achten bij voorkeur op hun eigen interne markt (vooral het geval voor voedingsmiddelen) op voorwaarde dat ze die kunnen produceren zonder al te exuberante kosten. In het andere geval is import op zijn plaats. De wereldeconomie moet zich daarbij ontwikkelen in een pluraliteit van ruimten (lokaal, nationaal, continentaal, mondiaal) die slechts gedeeltelijk met elkaar verbonden zijn. Het staat daarbij alleszins buiten kijf dat irrationele handelsstromen (cf. bulkgrondstoffen, primaire landbouwproducten) moeten vermeden worden. Een modal shift dringt zich op: vanuit milieuoogpunt moet transport zo veel mogelijk geschieden via scheepvaart en binnenvaart, veeleer dan via internationaal vliegverkeer en langeafstandswegverkeer.
Belangrijk is dat gelijkaardige pistes ook worden voorgesteld door een aantal Europese theoretici zoals de al eerder vernoemde Wolfgang Sachs (‘kosmopolitisch lokalisme’: Sachs, 1999). Merk op dat noch Bello, noch Sachs een ideologisch pleidooi willen houden voor een ultra-defensief ‘groen protectionisme’ waarin geen enkele vorm van internationale handel zou mogen voor-ko-men. Alles hangt af van de inhoud en de samenstelling van de handel evenals de specifieke ruil-voe-ten (terms of trade) tussen de handelsp artners. Is handel een middel voor snelle winst-ge-ne-ra-tie ten voordele van een kleine minderheid of is het een middel om tot een meer ecologisch duur-za-me en sociaal rechtvaardige wereld te komen?
Een alternatieve global governance
Het spreekt voor zich dat (economische) deglobalisering niet blind kan blijven voor de in-ter-na-tio-na-le context. Internationale handel kan pas ten goede komen aan de bevolkingen in het Zuiden, als er eerst gewerkt wordt aan eerlijke handelsverhoudingen tussen Noord en Zuid. Daarom is er ontegensprekelijk nood aan een alternatieve vorm van global governance. Bello ijvert voor de versterking van de invloed van de civiele samenleving en van de democratie op alle niveaus (multi-level strategie). De bemachtiging van lokale gemeenschappen veronderstelt vandaag bepaalde vormen van mondiale regulering. Op het milieupolitieke vlak is er daarom nood aan meer globalisering: multilaterale milieuakkoorden moeten voorrang krijgen op de zelf-ver-nie-ti-gen-de handelsregels van de Wereldhandelsorganisatie. Democratische regels voor het globale en het continentale niveau enerzijds, en het nationale of regionale niveau anderzijds kunnen elkaar versterken. Dergelijke regels zouden net het spiegelbeeld moeten zijn van de huidige imperiale WTO-regelgeving. Volgens Bello zou het echter foutief zijn om de onontbeerlijke supranationale re-gulering over te laten aan één nieuwe monolithische én gecentraliseerde instelling à la WTO. Veel-eer wijst hij op het belang van een verregaande deconcentratie en decentralisatie van de institutionele macht en de constructie van een pluralistisch systeem van instellingen en organisaties die met elkaar interageren volgens ruim gedefinieerde en flexibele overeenkomsten (Bello, 2002:115). Op die manier kunnen de protagonisten van de hedendaagse economische globalisering - zoals het triumviraat van het IMF, de Wereldbank en de WTO - in het gareel gehouden worden door niet alleen andere internationale instellingen zoals het VN-milieuprogramma of de Internationale Arbeidsorganisatie, maar ook door stringente multilaterale milieuakkoorden en door nieuwe regionale handelsblokken (zoals Mercosur en ASEAN).
Naar een EcoFair Trade Organisation (EFTO)
Zelf zouden wij daaraan willen toevoegen dat er op langere termijn ook kan gedacht worden aan de omvorming van de WTO tot een EcoFair Trade Organisation (EFTO). In tegenstelling tot het IMF en de Wereldbank, die structureel gezien niet-hervormbaar zijn wegens de totaal asym-me-tri-sche verdeling der stemmen ten voordele van de G8-landen en het de facto vetorecht van de VS, geldt binnen de WTO, in principe althans, wél de regel van één stem per land. Dit impliceert dat, als er een voldoende sterk blok kan ontstaan onder de landen in het Zuiden, natiestaten zoals de VS over geen wettelijke mogelijkheden beschikken om de omvorming tot een EFTO tegen te gaan. Een EFTO kan als democratische én multilaterale instelling sociaal rechtvaardige en ecologisch duurzame handelsregels uitvaardigen. De methode van de ecologische voetafdruk kan daarbij dienst doen als een uitstekende leidraad om sociaal-rechtvaardige handel tot stand te brengen. Een van de eerste taken van zo’n EFTO kan erin bestaan stringente normen op te leggen waar multinationale ondernemingen die internationaal willen opereren zich moeten naar schikken. In plaats van een kleine niche van de mondiale markt in te nemen, moet eerlijke handel de norm worden, nu niet langer vrijwillig maar integendeel verplicht en universeel. Een ge-lijk-aar-dig voorstel werd recent ook geopperd door de Britse (andersglobalistische) journalist George Monbiot: “Als bedrijven internationaal werken, dan moeten zeker zo ook de regels. Door de bedrijven te beperken voorkomen we dat ze de democratische keuzes van de landen waarin ze werken, beperken.” (Monbiot, 2004:230)
Een International Clearing Union
Volgens George Monbiot is een EFTO nochtans ontoereikend. Zo’n organisatie kan er misschien wel voor zorgen dat de ruilvoeten tussen de handelspartners gelijkwaardiger worden; zolang er echter ook geen manier is om aangroeiende (monetaire) handelsdeficits tegen te gaan, kan een EFTO geen afdoende oplossingen bieden ten aanzien van de arme landen in het Zuiden. Daarom grijpt Monbiot (2004:139-180) terug naar een instrument dat een halve eeuw geleden werd ontwikkeld door de Britse topeconoom John Maynard Keynes ten tijde van de onderhandelingen in het Amerikaanse Bretton Woods (New Hampshire, 1944). Naar het einde toe van de Tweede Wereldoorlog verkeerde Europa in een belabberde economische situatie; het Bretton Woods-proces had in eerste instantie tot doel Europa opnieuw op te bouwen. De onderhandelingen gin-gen over de manier waarop dit moest gebeuren. Hoewel Keynes veruit de intellectueel meerdere was van zijn directe tegenstander Harry Dexter White, het hoofd van het onderhandelingsteam van de VS, won die laatste wél het pleit. De machtige economische positie waarin de VS toen ver-keerde, was daar uiteraard niet vreemd aan. De onderhandelingen zouden uiteindelijk leiden tot de oprichting van de Bretton Woods-instellingen, in casu het IMF en de Wereldbank. Hoewel ook vandaag nog menig econoom daarvan overtuigd is, zijn de Wereldbank en het IMF op geen enkele manier de geesteskinderen van Keynes. Integendeel. Keynes had een volstrekt ander voorstel dat luisterde naar de naam International Clearing Union (een ‘Internationale Vereffeningsunie’). Omdat hij besefte dat een ‘ontwikkelingsland’ dat in een handelsdeficit verkeert, weinig kan verrichten om de handelsbalans te doen omslaan, kwam hij tot conclusie dat de ruilvoet tussen twee handelspartners niet significant kan gewijzigd worden tenzij zowel de crediteur (schuldeiser) als de debiteur (schuldenaar) verplicht worden dat te doen. Keynes’ oplossing bestond in een ingenieus systeem om de crediteurlanden te verplichten hun surplussen te spenderen in de debiteurlanden. Hij suggereerde om een globale bank op te richten, de International Clearing Union (ICU), die beschikte over haar eigen munt, de zogenaamde bancor. Zo’n systeem zou ertoe leiden dat een tijdelijk deficit niet kon uitgroeien tot een permanente schuld, die vanzelf ook tot een verslechtering van de ruiltermen zou leiden en - vertaald naar de context van een hypothetische toekomst - bijgevolg het werk van de EFTO zou tenietdoen. Helaas heeft het voorstel van Keynes het toen niet gehaald. Monbiot is er echter van overtuigd dat een gedeeltelijk aangepaste variant van Keynes’ ICU-geesteskind tot een enorme verbetering van de sociaal-ecologische situatie van het Zuiden zou kunnen leiden: “Een van de implicaties hiervan is dat naties het zullen nodig hebben om minder te verhandelen om er bovenop te blijven. Een zichzelf in evenwicht houdend internationaal handelssysteem zal waarschijnlijk een einde maken aan de hopeloze overproductie door de armen en (daar bijgevolg waren zo goedkoop zijn) de massale overconsumptie door de rijken. In zekere zin benadert het, m.a.w., een oplossing voor de milieucrisis die door het bestaande systeem voortgedreven wordt, als een resultaat van zowel de vernietiging van grond, water, voorraden en verspreidingsgebieden, die veroorzaakt wordt door de steeds maar uitbreidende extractie van waren en van de globale klimaatswijziging die verslechtert door het vervoer van overbodige goederen.” (Monbiot, 2004:172)
Ook Herman Daly en andere vooraanstaande ecologische economisten kunnen zich ongetwijfeld terugvinden in deze voorstellen. Zij zouden structureel bijdragen aan het aspect ‘duurzame schaal’ doordat zij de doorstroom van materialen en energie doorheen de wereldeconomie significant zouden beperken ten opzichte van de situatie vandaag. Het spreekt voor zich dat dit alles niet zonder slag of stoot zal kunnen geschieden. Wereldwijd zal er vanuit het maat-schap-pe-lijk middenveld zware druk moeten uitgeoefend worden om deze wijzigingen af te dwingen. Nochtans beschikken de landen in het Zuiden over één machtig wapen: hoewel dit ongetwijfeld vreemd en paradoxaal in de oren klinkt, hebben deze landen door hun collectieve der-de-we-reld-schuld de facto het lot van de Westerse banken in handen. Anders gesteld: indien de natiestaten van het Zuiden collectief dreigen met het verzuimen van het betalen van hun (overigens reeds dubbel en dik terugbetaalde) schulden, dan zakt heel het financieel systeem als een kaartenhuisje in elkaar. Ten aanzien van dit machtige (doch nog niet wezenlijk erkende) wapen zijn er twee mogelijke scenario’s denkbaar. Ofwel gebruiken de landen in het Zuiden dit wapen effectief, wat zou leiden tot een mondiale economische depressie; ofwel gaan de rijke landen akkoord met het installeren van een nieuw mondiaal handelssysteem dat veel rechtvaardiger is dan dat van vandaag, hetgeen bovendien minder onderhevig zou zijn aan de cyclisch weerkerende financiële crises.
De ontsluiting van het kapitalisme
Een vraag die vanuit klassiek linkse kringen nogal eens durft komen, is die naar het effect die deze voorstellen zouden ressorteren ten aanzien van het wereldsysteem ‘kapitalisme’. In te-gen-stel-ling tot de vaak kneuterige antwoorden vanuit radicaal-linkse hoek wensen wij hier te pleiten voor een pragmatische aanpak. Het behoeft geen betoog dat de beleidsinstrumenten van de ecologische economie (cf. maximale schaal), evenals de roep naar alternatieve vormen van mondiale regulering (EFTO, ICU) op zich reeds een zware rem zouden vormen op de des-truc-tie-ve groeilogica van het hedendaagse economisch bestel. Essentieel voor ons is het verschil dat ook al werd aangehaald door Karl Polanyi tussen een totaal door de (‘vrije’) markt gedomineerde maatschappij - een marktmaatschappij - en een samenleving waarin de economie verregaand is ingebed in het geheel van andere verhoudingen die berust zijn op principes als democratie, sociale rechtvaardigheid en ecologische duurzaamheid.
In deze context pleit Bram Goudzwaard (1982) voor een ‘ontsluiting’ van de kapitalistische tred-mo-len waarbinnen we opgesloten zitten en waarbij de mens, de samenleving en de natuur terug een zin en waarde krijgen op zich en niet langer behandeld worden als resources (hulpbronnen) ten dienste van een losgeslagen mechaniek. Die ‘ontsluiting’ mogen we ons niet voorstellen als het uitwerken van een ‘blauwdruk’ voor een nieuw mens- en milieuvriendelijk samenlevingsmodel. Enerzijds bestaat het gevaar dat daarmee opnieuw een samenlevingsdoel zal gesteld worden dat alles en iedereen voor zich mag opeisen. De geschiedenis heeft ons ook geleerd dat de illusie van een ‘ideale’ samenleving (denk aan de paradijsutopie van de Verlichting) moet opgegeven worden. Gandhi heeft eens gezegd dat er geen samenlevingsstructuur zo goed kan zijn dat ze het kwaad in de mens volledig te boven zou kunnen gaan. Het streven naar de ‘goede’ samenleving moet vervangen worden door het streven naar een ‘betere’. Anderzijds impliceert ontsluiten méér dan het opstellen van een politiek actieprogramma dat binnen een bepaalde termijn gerealiseerd moet worden. Bijsturen en corrigeren is niet uitgesloten (eventueel met het oog op uitstel van executie) maar de noodzakelijke veranderingen gaan veel verder: het gaat niet alleen om een ander institutioneel-structureel maatschappelijk kader maar om een andere wereldbeschouwing, om een andere cultuur-levensstijl-normbesef. De Nederlandse ecologistische politieke filosoof Marius De Geus noemde deze veranderingsstrategie wel eens ‘ecologische herstructurering’, die hij contrasteerde met pie-ce-meal engineering (oplapwerk) en utopian engineering (de Grote Revolutie). Hij schrijft: “Niet heel de maatschappij hoeft te worden hervormd, niet iedere steen hoeft te worden verplaatst (...) Het gaat om beleidsplannen voor sectoren van productie en consumptie die eerst uitgeprobeerd kunnen worden onder het Popperiaanse motto: ‘If they go wrong, the damage is not very great and a re-adjustment not very difficult’.De herstructureringen zullen in een groot aantal gevallen een compromiskarakter dragen en in ieder geval op democratische wijze tot stand dienen te komen. Zij moeten het resultaat zijn van open discussies, van verbeeldingskracht, en van bereidheid om onaangename maatregelen te accepteren. Ze zullen moed en vasthoudendheid vergen en zekere risico’s inhouden, maar minder grote risico’s dan weinig of niets doen (zoals nu eigenlijk gebeurt) of alles tegelijk willen doen (zoals utopisten in feite beogen).” (De Geus, 1993:167) En wat dan met het kapitalisme? Men moet zich in deze context eerst durven afvragen waarin het essentiële karakter van het kapitalisme nu juist bestaat. Voor sommigen is dit het overdonderende bestaan van het private eigendom van de productiemiddelen; voor anderen zijn vóór alles het winst- en groeiprincipe kenschetsend voor dit systeem.
De terugdringing van het winstprincipe
Wat de privé-eigendom der productiemiddelen betreft, is de mondiale linkerzijde toe aan enige bezinning. Volgens Wallerstein (2003) moet klassiek links één effectieve kritiek op de historische socialistische retoriek onder ogen durven zien, namelijk dat de niet-private eigendom van de productiemiddelen in de Oostbloklanden al te vaak heeft geleid tot verspilling, desinteresse in technologische efficiëntie en corruptie. Dit werd zelfs erkend door die regimes zelf of toch door de meeste onder hen. Hun respons bestond er helaas in, zo vervolgt Wallerstein, om een groot deel van de economie te reserveren voor privé-bezit en dit vervolgens van het etiket ‘marktsocialisme’ te voorzien. Deze strategie liep faliekant af op het vlak van de thema’s die de mondiale linkerzijde juist trachtte aan te pakken, namelijk de groteske ongelijkheid, de sociale verspilling en de ecologische kaalslag. Volgens Wallerstein kan er echter ook nog een andere route gesuggereerd worden, een pad dat zelfs reeds gedeeltelijk getest is en dat een groot potentieel biedt. Hij is ervan overtuigd dat je het leeuwendeel van de voordelen van het privé-bezit kunt overnemen terwijl je tegelijkertijd de nadelen ervan kunt verschansen door te opteren voor gedecentraliseerde non-profit-structuren van gemiddelde grootte. Het kernaspect van dit alternatief is dat deze structuren wel degelijk non-profit moeten zijn. Dat impliceert dat niemand ‘di-videnden’ of ‘winstverdelingen’ zou ontvangen en dat de meerwaarde terug naar de or-ga-ni-sa-tie moet vloeien of dat die door de gemeenschap belast wordt voor herinvestering op een andere plaats. Als voorbeeld van zo’n systeem verwijst Wallerstein naar de manier waarop vele zie-ken-hui-zen functioneren. Wat men ook moge beweren over hun performantie, men kan alleszins niet stellen dat zij ‘inefficiënt’ of ‘technologisch achterlijk’ zijn in vergelijking met hun pro-profit-tegenhangers.
Voor Wallerstein is het met andere woorden essentieel om de destructieve winstlogica van het bestaande economische bestel te kortsluiten. Een gelijkaardige redenering staat ook te lezen in een merkwaardig essay in het tijdschrift Ecological Economics. In het stuk ‘The failure of the profit motive’ stelt Kenneth Lux (2003:8) dat het grondschema van de Westerse maatschappijen - Eigenbelang > Winstmotief > Groei - moet omgebogen worden in een totaal ander systeem dat men als volgt zou kunnen omschrijven: Algemeen belang > Non profit > Duurzaamheid. Lux schuift hier twee beleidsdoelen naar voren. Daar waar hij net zoals Wallerstein wijst op het belang van het omvormen van pro-profit-bedrijven naar non-profit-instellingen, voegt hij hier additioneel nog aan toe dat er ook een maximuminkomen moet vastgelegd worden. In wezen is dit een idee die reeds werd geopperd door Plato en Aristoteles. Alleen indien men deze ingrijpende transformatie kan teweegbrengen, bestaat er op zijn minst een mogelijkheid dat de huidige economie, gekenmerkt door een eindeloze behoeftespiraal, kan omgevormd worden naar een nieuw type van economie dat principes als ecologische restauratie, duurzaamheid, solidariteit etc. in haar vaandel kan schrijven.
Démurrage
Zoals uit het voorgaande naar voren komt, hangt de drang naar het uitschakelen van het winst-prin-ci-pe terzelfder tijd nauw samen met de noodzaak om de groeidwang van het bestaande systeem te kunnen ontsluiten. En dit is wellicht het meest elementaire gegeven eigen aan het kapitalistische productiesysteem. Het is al door vele commentatoren gesteld: het kapitalisme is niet zo zeer een immoreel dan wel een amoreel systeem. Teneinde te overleven in een ka-pi-ta-lis-ti-sche markteconomie worden individuele economische actoren verplicht om te groeien en winsten te boeken. Zoals we al herhaaldelijk gesteld hebben, is eindeloze (volume)groei een biofysische onmogelijkheid. Bij een aangehouden ecologische overshoot implodeert een op groei gerichte eco-nomie vroeg of laat, al kan dit moment tijdelijk uitgesteld worden door een relatieve ont-kop-pe-ling tussen economische groei uitgedrukt in BNP-cijfers en de ermee gepaard gaande milieuconsumptie.
Geld vervult in een kapitalistische economie niet alleen de functie van ruilmiddel en waar-de-me-ter (zoals in de eenvoudige warencirculatie) maar het is ook een vergaarplaats voor waarde (kapitaal). Het kapitalisme produceert eerder ruilwaarde dan gebruikswaarde. En problematisch is dat er geen evidente grens bestaat aan de accumulatie van ruilwaarde. Zoals we eerder al stelden gehoorzaamt (abstract) kapitaal dan ook niet aan de wetten van de thermodynamica. Dit alles leidt tot de fameuze middel-doelomkering in het kapitalisme: van zodra geld kapitaal wordt, wijzigt het middel (geld) in een doel op zich (winst maken), zoals ook aangegeven wordt door de canonische omschrijving van Marx: G-W-G’-W-G’’- ....Omdat het kapitalisme gebaseerd is op het lenen van geld aan interest, wordt dit systeem aangedreven door de noodzaak om schuld te-rug te kunnen betalen. Onder een kapitalistische productiewijze wordt een potentiële waarde van een investering in ‘echte’ welvaart (natuurlijke hulpbronnen en productieve capaciteit) steeds ver-geleken met de return on investment die men kan verkijgen wanneer men het geld zou in-ves-te-ren in een bank, een privé-pensioenfonds of een hefboomfonds. Als gevolg van deze intrinsieke logica van het kapitalistische systeem worden invididuele ecnomische spelers gedwongen op zoek te gaan naar een zo snel mogelijke return on investment. Volgens deze logica is het dan ook perfect te begrijpen dat men kiest voor kortetermijnwinsten veeleer dan voor lan-ge-ter-mijn-sta-bi-li-teit. Dankzij het aspect ‘rente’ is inkomen vandaag veel meer waard dan inkomen in de toekomst. De waarde in de toekomst wordt verdisconteerd naar een (lagere) waarde vandaag. De gevolgen hiervan zijn catastrofaal voor het milieu: “Indien men een opbrengst van 10% kan oogsten door in geld te investeren, dan zal het geld dat je investeerde in het kopen van een bos, bij voorbeeld, bijna al zijn comparatieve waarde binnen 10 jaar verloren hebben. Het is daarom steeds lucratief om de bomen in het bos te vellen en hen als hout te verkopen dan het bos voor altijd te behouden en alleen enkele bomen tegelijk te vellen. Indien men het geld leende om de bomen te kopen, dan moet je, indien je niet bankroet wil gaan, het zo snel mogelijk terugbetalen door de natuurlijke rijkdom die je verworven hebt, terug te brengen tot geld.” (Monbiot, 2004:240)
In de huidige logica is het dan ook volstrekt ‘normaal’ gedrag om een bos in één keer te kappen en de opbrengst van deze laakbare activiteit in een bank te plaatsen; het geld in de bank groeit immers sneller dan (de waarde van) de bomen. Idem dito voor het bouwen van goedkope, maar slecht geïsoleerde huizen omdat de verdisconteerde kosten van het extra energieverbruik in de toekomst goedkoper zijn dan de uitrusting van het huis met isolatie vandaag.
Om de onverbiddelijke tegenstelling tussen de begrensdheid van het omringende Ecosysteem Aarde en de onverzadigbare groeilogica van de wereldeconomie te kunnen oplossen, moet men op zoek gaan naar een systeem dat niet gericht is op groei om de groei. Hoewel weinigen hiervan op de hoogte zijn, is dit eigenlijk al lang gekend. Het systeem luistert naar de naam ‘démurrage’ en werd ongeveer een eeuw geleden ontwikkeld door de Argentijnse econoom Silvio Gesell (4). Meer recent werd dit concept gepopulariseerd door de Belg Bernard Lietaer (2001) en de al eerder vermelde George Monbiot (2004). Démurrage betekent negatieve interest. In plaats van dat geld in waarde toeneemt dankzij interest, verliest het zijn waarde dankij démurrage. Dit impliceert dat het onmogelijk is om te investeren in geld, wat op hetzelfde neerkomt als het einde van het kapitalisme. In tegenstelling tot de huidige logica, zal het systeem van démurrage lan-ge-ter-mijn-denken verankeren in de economie: inkomen in de toekomst wordt waardevoller dan inkomen dat vandaag wordt verkregen. Hoe langzamer een investering rijpt, hoe minder van jouw welvaart wordt omgezet in geld en hoe minder waarde je verliest. Veeleer dan de natuurlijke hulpbronnen in ijltempo uit te putten, zou zo’n systeem leiden tot de voortzetting van het welzijn van het Ecosysteem Aarde. Daarbij komt dat consumptiepatronen vanzelf zouden evolueren naar duurzame goederen, in de betekenis van producten die langer meegaan. Stel dat een consument moet kiezen tussen een product van 20 euro dat vier jaar meegaat en een gelijkaardig goed dat 100 euro kost maar wel vijf keer zo lang meegaat. In het huidige systeem zal de individuele homo economicus opteren voor het eerste product omdat hij de niet-gespendeerde 80 euro kan investeren in een bank en op termijn meer waar voor zijn geld kan krijgen. In een stelsel van démurrage wordt het logischer om het duurdere product te kopen zodat er globaal gezien een aanzienlijke milieuwinst tot stand komt. Langetermijndenken wordt op die manier een evi-dentie zowel voor producenten als consumenten. Démurrage kan men dan ook als com-ple-men-tair zien met het schema van Lux (2003:8): Algemeen belang > Non profit > Duur-zaam-heid.
Conclusie
Concluderend kunnen we dit artikel afsluiten door met klem te stellen dat er vanuit zowel de eco-lo-gische economie als vanuit de andersglobaliseringsbeweging wel degelijk positieve al-ter-na-tie-ven worden geformuleerd op economisch vlak. Grosso modo kan men deze opdelen in eerste en tweede orde veranderingen. De voorstellen van het eerste type betreffen reële hervormingen die binnen de huidige context kunnen doorgevoerd worden, op voorwaarde dat het maatschappelijk en politiek draagvlak ervoor voldoende groot is. Denken we maar aan het cap-and-trade-proces van de ecologische economie, de uitwerking én naleving van gewichtige multilaterale mi-lieu-ak-koor-den, progressieve belastingsystemen, de vergroening van de fiscaliteit en de organisatie van mon-diale herverdelingsmechanismen tussen Noord en Zuid (kwijtschelding derdewereldschuld, eerlijke handel, Tobintaks etc.). Kortom, voorstellen die vandaag een alternatief vormen voor de neoliberale Consensus van Washington. Deze alternatieve consensus, in andersglobalistische krin-gen bekend onder de noemer ‘Consensus van Porto Alegre’(4), vormt wereldwijd voor mil-joe-nen activisten en allerlei organisaties de politieke inzet van vandaag, hier en nu. Het spreekt voor zich dat, onder de huidige machtsrelaties, de politiek-economische elites zulke transities niet meteen zullen toejuichen. De in dit artikel gepropageerde voorstellen voor alternatieve in-stel-lingen (EFTO, ICU) en een ontsluiting van het kapitalisme (terugdringing winstmotief, dé-mur-rage) vallen uiteraard in de klasse van tweede orde veranderingen. Het is evident dat deze nog moeilijker te verwezenlijken zijn dan die van de eerste orde. Zolang het klimaat niet rijp is voor deze structurele ommekeer naar een postkapitalistische wereldeconomie, zullen we ons onverwijld moeten tevreden stellen met de eerder vermelde voorstellen die tot een drastisch geamendeerd kapitalisme kunnen leiden. Zo’n hervormingen kunnen bovendien een spiraal teweegbrengen van nieuwe hervormingen die op hun beurt tot weer nieuwe aanpassingen kunnen leiden. In dat geval is de kwalitatieve overgang naar een andere maatschappij niet langer ondenkbaar. Desalniettemin blijven wij erop hameren dat een gezonde dosis pragmatisme zeker niet overbodig is. Essentieel daarbij is dat, we herhalen het, de dominantie van de idee van een marktmaatschappij moet teruggedrongen worden. De economie moet ten dienste staan van de maatschappij en niet omgekeerd, een conclusie die wellicht door bijna iedereen die beschikt over een dosis gezond verstand gedeeld zal worden.
Deel I van dit artikel is terug te vinden op: http://www.yabasta.be/article.php3?id_article=310
Bibliografie deel II
Bello, W., Degloblization: Ideas for a New World Economy, New York, 2002.
Daly, H., Farley, J., Ecological Economics: Principles and Applications, Washington, 2004.
Daly, H., Beyond Growth, Boston, 1996.
Daly, H., Cobb, J., For the Common Good: Redirecting the Economy Towards Community, the Environment and a Sustainable Future, Boston, 1989.
Daly, H., Steady State Economics, San Francisco, 1977.
Daly, H. (ed.), Toward a Steady State Economy, San Francisco, 1973.
Daly, H., ‘The Economics of the Steady State’, American Economic Review, 64, 1973, 15-25.
De Geus, M., Politiek, milieu en vrijheid, Utrecht, 1993. De Wulf J., Van Langenhove, H., ‘Concrete duurzame technologie’, Het Ingenieursblad, (3), 2001, 42-51.
Goudzwaard, B., Kapitalisme en vooruitgang, Assen, 1982.
Holemans, D., Ecologie en burgerschap: pleidooi voor een nieuwe levensstijl, Kapellen, (1999) 2003.
Hopkin, ‘The carbon game’, Nature, 432, 2004, 268-270 Jones, P.T., Jacobs, R., ’Duurzame ontwikkeling is een contradictio in terminis’, Streven, maart 2005a, 195-207
Jones, P.T., Jacobs, R., ’Onze ecologische voetafdruk’, De gids op maatschappelijk gebied, april 2005b.
Jones, P.T., Jacobs, R., ’De vlinder van Lorenz’, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 38 (2), 2004a, 109-119.
Jones, P.T., Jacobs, R., 2004b, ’Pleidooi tegen onredelijk milieuoptimisme’, Oikos, (29), 2004b, 15-33.
Jones, P.T., ‘Klimaatcrisis eist onverwijld maatregelen’, Samenleving en Politiek, 12 (3), 2005, 31-40.
Latouche, S., ‘Pour une société de décroissance’, Le Monde Diplomatique, November, 2003.
Lietaer, B., The Future of Money, 2001.
Loh, J., Wackernagel, M., Living Planet Report 2004, Gland, 2004.
Lux, K., ‘The failure of the profit motive’, Ecological Economics, 44, 2003, 1-9.
Monbiot, G., The age of Consent: A Manifesto for a New World Order, 2003, Londen.
Opschoor, J.B., ‘The Environmental Space and Sustainable Resource Use, In: Sustainable Resource Management and Resource Use: Policy Questions and Research Needs, Publication RMNO, (97), 1994, 35.
Paredis, E., et al., ’Elaboration of the concept of ecological debt’, VLIR-BVO project 2003, Gent, 2004
Polanyi, K., The Great Transformation: The Political and Economic Origins of Our Time, Boston, 1957
Sachs, W., ‘Environment and Human Rights’, Wuppertal Papers, (137), November 2003
Sachs, W. (ed.), The Jo’Burg Memo: Fairness in a Fragile World, Heinrich Böll Foundation, Berlijn, 2002, zie ook http://www.bondbeterleefmilieu.be/PDF/Memorandum%20Johannesburg.pdf
Sachs, W., Planet Dialectics, Explorations in Environment and Development, Londen/New York, 1999.
Sachs, W., et al., Greening the North, A Post-Industrial Blueprint for Ecology and Equity, Londen/New York, 1998.
Santarius, T., et al., ‘Balancing Trade and Environment; An Ecological Reform of the WTO as a Challenge in Sustainable Global Governance’, Wuppertal Papers, (133), 2004.
Sarukhán, J., et al., Millennium Ecosystem Assessment Synthesis Report, maart 2005 [www.millenniumassessment.org].
Shiva, V., ‘The World on the Edge’, In: W. Hutton & A. Giddens (ed.), Global Capitalism, New York, 2000.
Schütz, H., et al., ‘Globalisation and the Shifting Environmental Burden’, Wuppertal Papers, (134), July 2004.
Wackernagel, M., et al., ‘Tracking the ecological overshoot of the human economy’, PNAS, 99 (14), 2002, 9266-9271.
Wackernagel, M., Rees, W.E., ‘Perceptual and structural barriers to investing in natural capital: Econommics from an ecological footprint perspective’, Ecological Economics, 20, 1997, 3-24.
Wallerstein, I., ‘Een linkse politiek voor de 21e eeuw’, VMT, 37 (1), 2003, 79-93.
Noten
1. De auteurs zouden graag Francine Mestrum en Erwin Van Uffel willen bedanken voor hun commentaren ten aanzien van dit stuk.
2. Voor een interessante analyse hiervan, zie het rapport van het Centrum voor Duurzame Ontwikkeling over de ecologische schuld: (E. PAREDIS, et al., 2004).
3. Aangezien démurrage uiteraard nog nooit op grote schaal is toegepast, is het momenteel koffiedik kijken naar de levensvatbaarheid ervan. Nochtans heeft men deze methode reeds gebruikt in de VS ten tijde van de periode na de economische crash in 1929; en ook John Maynard Keynes was de idee van démurrage genegen. Deze idee ligt ook ten grondslag aan het ontwikkelen van lokale muntsystemen zoals dat van de LETS. In ecologisch jargon kan men stellen dat deze veerkracht verlenen aan lokale gemeenschappen.
4. Zie bijvoorbeeld de tekst opgesteld tijdens het laatste WSF waarin twaalf voorstellen worden gedaan voor een andere wereld: http://www.yabasta.be/article.php3?id_article=223
