Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Eric Goeman
maandag 30 juli 2007
Beste vrienden,
We kunnen wel feesten om ter meest en zwelgen in het entertainment en versoapen tot we er bij vallen, we zitten met z’n allen in de grote shit en diep in de mondiale problemen, waar we dus allemaal deel van uitmaken, willen of niet, willens en wetens. Maar een groot deel van de bevolking, zeker in het Rijke Westen, doet of we het eeuwig leven hebben of trekt zich terug achter de eigen muur, binnen de eigen kleine natie, en kiest voor het eigen belang. (en dat zijn dus niet alleen de kiezers van het Vlaams Belang).
Dat is ook de betekenis van de woorden van Bisschop Luc Van Looy in het allereerste debat: “dienstbaarheid staat haaks op onze individualistische samenleving. Dat verklaart mee waarom de boodschap van de kerk in deze individualistische tijd zo moeilijk aanslaat. Toch beseffen almaar meer mensen dat het extreme individualisme niet gelukkig maakt.’’
Wij vinden dat misschien moralistisch, maar wat is er fout aan moraal? Dienstbaarheid betekent mededogen en mededogen is noodzakelijk om tot solidariteit te kunnen komen.
Links heeft vandaag meer dan ooit nood aan meer mededogen met de uitgeslotenen, want inderdaad niet alleen de kerken lopen leeg maar alle collectieve structuren waarbinnen solidariteit en algemeen belang kunnen ontwikkeld worden zijn bedreigd.
We hebben ons negen namiddagen lang gebogen over de gevolgen van decennia neoliberalisme en mondialisering, de gevolgen op ethisch, sociaal, economisch, politiek, ecologisch vlak tot en met de gevolgen voor de landbouw, voedselveiligheid, stedelijkheid, het ontstaan van nieuwe stedelijke onderklassen en stedelijk beleid.
Zonder dwarsliggers kunnen de treinen niet rijden.
Zijn er nog dwarsliggers? Volgens Jaap Kruithof zijn er in Europa en de VS geen dwarsliggers meer, geen echte linkerzijde, geen links verzet. De analyse van Kruithof sluit grotendeels aan bij de wereldsysteemanalyse van Immanuel Wallerstein (een goede vriend van de betreurde Bart Tromp).
Wallerstein zegt: “Volgens mij kan de hedendaagse wereldsituatie als volgt samengevat worden. (1) Na een 500-jarig bestaan, verkeert het wereldkapitalisme zich, voor het eerst, in een ware systemische crisis en bevinden we ons momenteel in een overgangsfase. (2) De afloop is intrinsiek onzeker, hoewel er, eveneens voor de eerste keer in die 500 jaar, een reëel perspectief is op fundamentele wijzigingen, die eventueel progressief zouden kunnen zijn, ook al is er daar geen enkele zekerheid over. (3) Het hoofdprobleem voor de mondiale linkerzijde bestaat erin dat haar klassieke strategie voor de transformatie van de wereld (ontwikkeld tijdens de 19e eeuw) thans, op dit scharniermoment in de geschiedenis, aan diggelen is geslagen. De linkerzijde wordt dan ook met een enorme onzekerheid en zwakte geconfronteerd. Kortom, zij verkeert in een algemene sfeer van een lichte depressie.” Wij zijn volgens Kruithof ook niet meer het middelpunt van de wereld en dat is maar goed ook. Vanuit een mondiale analyse heeft Kruithof natuurlijk gelijk (en zijn verhaal heeft grote overeenkomsten met de analyse van Jan Pronk) maar los van het feit dat het verhaal van Jaap Kruithof op dit ogenblik weinig wervend is en voor sommigen zelfs demobiliserend werkt gaat hij volgens mij iets te snel voorbij aan het verzet van honderden sociale bewegingen die zichzelf de andersglobalisten noemen die in steeds hechtere samenwerkingsverbanden met de vakbonden geen enkele vergadering van de G8, IMF, Wereldbank of WTO nog laten doorgaan zonder protest. Die beweging is niet alleen radikaal voor een andere wereld maar formuleert ook alternatieven.
Heeft die beweging politieke macht? Wordt die beweging ondersteund door politieke macht?
Neen, er is een grote breuklijn tussen de sociale bewegingen en de politieke partijen. Want de beweging der bewegingen wil een aantal breuklijnen met het neoliberalisme formuleren terwijl de politieke partijen, ook de sociaal-democratie, niet loskomen van het verhaal over de almacht van de vrije markt, terwijl er nog nooit een vrije markt geweest is, en zichzelf daardoor veroordelen tot weinig of geen correcties.
De andersmondialistische beweging is misschien op zoek naar een tweede adem, maar is als verzetsbeweging niet uitgeteld. In veel landen van West-Europa hangt de sociaaldemocratie intussen electoraal uitgeput in de touwen en is rechts aan zet. Ze heeft zichzelf ontdaan van haar ideologische veren en is daardoor niet meer in staat een tegenkracht te ontwikkelen.
De sociaaldemocratie verdedigt de neoliberale mondialisering bijna als een natuurfenomeen, een onstuitbare kracht, terwijl het de politieke elites zijn die de markten hebben vrijgemaakt.
Komt het ooit nog goed met de armoede in deze wereld? Jan Pronk was daar zwaar pessimistisch over. Weliswaar is de globalisering de laatste jaren een daverend succes. De markteconomie bloeit als nooit te voren. Maar tegelijkertijd is ditzelfde succes er de oorzaak van dat de armen meer dan ooit aan hun lot worden overgelaten. De globalisering gaat volgens Pronk ‘over lijken’. De tegenstelling tussen arm en rijk wordt groter, het aantal armen neemt toe ondanks de plechtige belofte van de wereldleiders het armoedeprobleem voor 2015 te halveren. En dat gebeurt volgens de oud-minister allemaal ‘willens en wetens’, wat ook de titel is van zijn boek. Dat willens en wetens slaat op een wereldwijde middenklasse, die het proces van de globalisering stuurt en die niet anders kan dan de armen als een baksteen te laten vallen.
,,Als zij dat niet zouden doen, zouden zij zelf niet kunnen profiteren. Hulp - dat wil zeggen maatschappelijke bijstand, maar ook internationale ontwikkelingshulp - helpt onvoldoende. De noden zijn te omvangrijk en de kosten te hoog. Het alternatief, systeemverandering, is strijdig met de belangen van degenen die de economische vooruitgang sturen en ervan profiteren. Politieke veranderingen ten gunste van een buitengesloten onderklasse komen steeds verder weg te liggen als gevolg van het succes van de globalisering zelf.” Het verhaal van Pronk met een mondiale blik, staat haaks op het verhaal van Jan Marijnissen, die optimistisch is en verklaarde dat “het neoliberalisme over zijn hoogtepunt heen is en dat socialisme inderdaad mogelijk is”.
Marijnissen zei: “Mijn motto leen ik graag van de Portugese Nobelprijswinnaar Saramago die zei: ‘De omstandigheden zijn erg bepalend voor de mens; dus, maak de omstandigheden menselijk.’ Maak de mens tot de maat van alle dingen. Zoek de menselijke maat. Er ís reden voor Nieuw Optimisme, nadat in de achterliggende jaren het sociale denken, het socialisme, overal in de verdediging werd gedrukt door het als een vloedgolf over ons komende neoliberalisme. Inmiddels zijn voor veel mensen de nadelen van dat neoliberalisme zo duidelijk dat een kentering niet kan uitblijven. De vergroting van de inkomensverschillen, de terugtredende overheid, de afbraak van de sociale zekerheid, de ontmanteling van de publieke sector, de liberaliseringen, privatiseringen en de propaganda voor de ieder-voor-zich-mentaliteit hebben veel mensen de ogen geopend.” Als wervend verhaal is het verhaal van Marijnissen inderdaad onovertroffen, en inderdaad heeft hij zoals de Morgen kopte “les gegeven in socialisme aan Vlaamse politici”. Maar mondiaal is de neoliberale kracht zo groot dat ik het optimisme toch even wil temperen. Ook de internationale ontwikkelingen: de stijgende mondiale ongelijkheid, de boomende economieën van China en India, de gevaarlijke klauwen van een grootmacht in verval zoals de VS, nog steeds de grootste militaire macht ter wereld, de gevolgen van de voortdurende vernedering van grote delen van de Arabische volkeren, enz. worden te weinig opgenomen in dit verhaal dat vooral een nationaal verhaal is.
We kunnen ons wel intussen opwarmen aan de Latijnsamerikaanse Linkse Lente, maar op weg naar een Linkse Zomer zullen er meer doornen dan rozen zijn.
We hebben het debat gevoerd over de ecologische grenzen van de huidige groeieconomie waardoor de oude sociale kwestie, de strijd voor meer sociale rechtvaardigheid en gelijkheid, nieuwe dimensies krijgt. We produceren niet alleen welvaart, we consumeren ook welvaart. Maar we consumeren ook de kansen op vooruitgang van miljarden mensen in andere delen in de wereld, want onze ecologische voetafdruk is zoveel malen groter dan de voetafdruk van de armen en we consumeren ook de toekomst van volgende generaties, van kinderen en kleinkinderen. Een debat waar het socialisme van Jan Marijnissen misschien iets te weinig aandacht aan besteedt. Want wanneer je de ecologische verantwoordelijkheid moet introduceren in een wervend verhaal over solidariteit en socialisme, moet je ook pijnlijke boodschappen formuleren. De middenklassen, het grootste deel van het Westers electoraat, wil geen pijn. Zie bvb. hoe 600 toeristen een proces beginnen tegen de “wilde” stakers in Zaventem omdat ze hun vlucht gemist hebben. Zo komen verschillende delen van dezelfde middenklasse in strijd met elkaar. De belangen van vakantie, toerisme, het genot botsen tegen de belangen van mensen die op hetzelfde ogenblik hun arbeid verdedigen en hun arbeidsomstandigheden ter discussie willen stellen. Zie ook het emotionele debat wanneer in een debat over de gevolgen van onze ecologische voetafdruk men zelfs geen publiek pleidooi durft houden voor een productieverbod van 4x4 wagens. Door het blijven morrelen in de marge veroordeelt ook Groen zich tot machteloos toekijken aan de zijlijn van de mondiale ontwikkelingen.
Hongersnoden in Afrika, een crisis onder koffieboeren en een groot deel van de Europese landbouw, dus ook bij onze eigen boeren, alle gangbare dierlijke producten die afkomstig kunnen zijn van genetisch gemanipuleerd veevoer, dalende voedselveiligheid en milieudegradatie waaronder het toenemende broeikaseffect, alsmaar stijgende winsten van multinationals in toevoer, handel en verwerking van landbouwproducten, en een toenemende afstand tussen de burger en zijn voedsel, zijn hedendaagse verschijnselen binnen de landbouw en voedselvoorziening. Terwijl er voedsel in overvloed geproduceerd wordt, zijn armoede, honger en ondervoeding een realiteit voor miljoenen mensen. Paradoxaal genoeg zijn de boeren er het eerste slachtoffer van. In de arme landen, net zoals in Europa, moeten landbouwers het hoofd bieden aan hetzelfde probleem: ze moeten steeds meer produceren aan steeds lagere prijzen om de concurrentie aan te kunnen. Deze concurrentielogica, een van de mythes van de vrijemarkteconomie is fataal voor de boerenlandbouw zowel bij ons als in de ontwikkelingslanden, vergroot steeds verder de ecologische voetafdruk door absurde voedseltransporten en bedreigt uiteindelijk onze voedselveiligheid. Is het mogelijk om tot een compromis te komen tussen internationale solidariteit (terugdringing van honger en voorziening van andere basisbehoeften), milieu (als voorwaarde voor een sociaal en economisch stabiele samenleving op lange termijn, waaronder de mogelijkheid blijvend voedsel te kunnen produceren, en tevens het behoud van natuurgebieden en biodiversiteit) en boerenbelangen (een bestaanszekerheid op de lange termijn, op zowel kleine als middelgrote bedrijven)?
De stedelijke mens is zich van dit belangrijk debat te weinig bewust, want de kosmopolitische nomade zwelgt in het hedonisme en de stedelijke onderklassen zijn in een bikkelhard gevecht verwikkeld om naar boven te klauteren of om puur te overleven via een sociale strijd binnen de verschillende delen van de onderklassen zelf (strijd tussen autochtone stedelijke onderklasse, allochtone onderklasse, nieuwe economische migranten uit bvb. Oost-Europa en de armsten van de wereld, de mensen zonder papieren uit het Zuiden). “De stad is het laboratorium van de kapitalistische globalisering. De meest positieve ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld technologische en sociale innovatie, maar ook de meest negatieve en perverse effecten, zoals armoede en uitsluiting, komen er tot uiting. Je kan zeggen dat de stad tegelijkertijd de belofte voor vrijheid en emancipatie, maar ook de zweep van de onderdrukking en exclusie in zich draagt. De stad belichaamt dus de dominante ontwikkelingen en posities op wereldniveau. Daarom heeft de sociale strijd in kapitalistische samenlevingen een uitgesproken stedelijk karakter. De nationale staat houdt zich niet langer bezig met de taak sociaal-economische en politieke ontwikkeling min of meer gelijkmatig over haar territorium te verspreiden. Steden worden zo direct overgeleverd aan de internationale concurrentie voor kapitaal, prestigieuze projecten, toeristen en consumenten. Onder het mom dat de staat en de stad geen macht hebben schikt men zich naar de normen van de markt. Steden profileren zich als aantrekkingspolen van kapitaal en toerisme. Het politieke debat gaat deels ten onder door de hevige concurrentiestrijd, maar vooral door de aanvaarding dat er geen alternatieven zijn. Als er alleen nog ‘technische bemerkingen’ overblijven om de stadsvernieuwing goed te ‘managen’, dan wordt niet meer aan politiek gedaan. ” (Erik Swyngedouw, Manchester University).
Daarom blijven volgens mij mijn stellingen in het stedelijk debat overeind:
1) de politieke overheden zijn niet alleen deel van de oplossing maar ook deel van het probleem (dat is een van de oorzaken van de huidige strijd van enkele burgemeesters in het debat over ondertekenen van uitwijzingen van mensen zonder papieren: via een ethische strijd proberen ze verloren gegaan politiek terrein te heroveren, zich niet te laten gebruiken als zuivere uitvoerders van hogere politieke echelons; een volgende stap zou kunnen zijn dat ze sociale en politieke rechten eisen voor deze uitgeslotenen en de sociaal-economische hefbomen afdwingen om deze mensen daadwerkelijk te integreren in een positief stedelijk project).
2) Vermarkting (mondiaal en lokaal) maakt dat management en beheer belangrijker wordt dan politieke strijd. Bij elk stedelijk probleem of het zoeken naar oplossingen voor sociale problemen gaan de politieke partijen uit van de premisse van de markt. Daardoor worden politieke strijd tussen partijen en ideologische tegenstellingen steeds minder belangrijk. Iedereen kan zeker op stedelijk vlak met iedereen besturen. Omdat politieke tegenstellingen naar de achtergrond verdwijnen blijft alleen nog “het beheren van de stedelijke orde” op de agenda. Er blijft dan nog slechts de keuze tussen “goed bestuur”(Vlaanderen boven, wat we zelf doen doen we beter) of “corruptie” (Wallonië, Charleroi). De keuze tussen goede, minder goede en slechte managers. Terwijl een rechts economisch discours domineert verdwijnt de strijd tussen linkse en rechts politiek.
3) Daarom zijn politieke actoren (in de vorm van actiegroepen en sociale bewegingen) storende elementen. Zij verstoren inderdaad het beheer van de stedelijke orde en komen dan ook nog meestal op voor de onderklassen en uitgeslotenen die het megalomane stedelijke succesverhaal ondermijnen. (daarom is er ook geen echte dialoog tussen politieke overheid en politieke actiegroepen; het in ontvangst nemen van een petitie door een schepen is geen dialoog, het is meestal het einde van een mogelijke dialoog).
4) Actiegroepen voeren actie in de schaduw van de politieke overheid (niet tegen de politieke overheid; er is meer lobbying dan sociale strijd) of doen helemaal niet aan “politieke strijd”. Ze maken geen deel uit van de “politieke arena” (waardoor ze machteloos moeten toekijken op de “vermarkte vooruitgang in de steden” en aan de kant staan in naam van de uitgeslotenen zonder politieke tegenmacht te ontwikkelen). Politieke en sociale strijd is herleid tot symbolenstrijd, symbolische actie. (waarom bezetten we bvb niet het stadhuis als protest tegen de stijgende woningnood en gebrek aan sociale woningen? Waarom maken we dus van het stadhuis geen grote sociale woning tot wanneer de stedelijke overheid met een ambitieus plan voor de dag komt om de woningnoden te lenigen?)
We buigen ons de laatste jaren vooral over armoedebestrijding (waarbij de armen soms meer worden bestreden dan de armoede) wanneer gaan we ons eens kwaad maken en werk maken van de “rijkdombestrijding”? Er is intussen een steeds grotere kloof tussen het arbeidsloon en dat van de topmanagers. Terwijl topmanagers steeds meer opstrijken bepleiten de werkgeversorganisaties dat de werknemers bereid zouden zijn om langer te werken voor hetzelfde loon. Intussen doen de CEO’s en topmanagers aan “exhibionistische zelfverrijking” zoals Wim Kok in Nederland het ooit noemde. De politieke overheid slaagt er zelfs niet in om een wet te stemmen om de totale transparantie van de toplonen te bereiken, de graaitaks kent alleen politieke steun van Groen. Voor een vermogenskadaster is geen politieke meerderheid, en wanneer we willen ijveren voor de invoering van een vermogensbelasting, of meerwaardebelasting, of belasting op inkomen uit vermogen, waarbij we alleen maar vragen dat de meestvermogenden ook meer bijdragen aan onze sociale zekerheid, dan worden alle argumenten uit de politieke kast gehaald van “creatief belastingen ontduiken” tot “delokalisatie van de vermogens”. Het is inderdaad gemakkelijker om arbeid te belasten, dus laat ons de vermogens met rust laten. Dat is de boodschap. Een boodschap van politieke onmacht of een gebrek aan politieke wil en moed? Of zoals Dries Lesage het gisteren verwoordde: “zelfs de progressieven, en ook de progressieve politici slaan veel te weinig op tafel, zijn te zacht geworden, ze beperken zich met kleuren in een kleurboek waarin de prenten ontworpen zijn door de tegenpartij.”
Toen ik twee maanden geleden de crematie bijwoonde van een vriend en oude strijdmakker dwaalden mijn gedachten naar het gedachtengoed van vrijheid, gelijkheid en solidariteit waarvoor we stonden. Het gedachtengoed van Mei 68. (en de grote sociale gevechten uit de 18e, 19e en 20e eeuw). Een gedachtengoed dat de voorbije jaren door het slijk wordt gehaald, op de schroothoop wordt gegooid. Natuurlijk door Filip Dewinter en het “nieuwe fascisme van het VB” maar ook door sociaaldemocraten zoals Louis Tobback en kristendemocraten zoals Mark Eyskens en Herman Van Rompuy.
Europa tot de meest competitieve economie ter wereld te maken. Voor die competitiviteit worden intussen allerlei sociale verworvenheden (vrucht van de naoorlogse sociale strijd) op de schroothoop gegooid, waarbij de sociaaldemocratische verzorgingsstaat, het West-Europese Rijnlandmodel, onder grote druk komt te staan en opschuift naar het Angelsaksische model, met de nadruk op individuele verantwoordelijkheid (egien schuld dikke bult, responsabilisering, activering van werklozen) en veel minder op sociale solidariteit (en dus minder sociale zekerheid, dat is de betekenis van het verschuiven van het belang van de eerste pijler in het pensioenstelsel naar een tweede, derde en zelfs vierde pijler). Elke Europese regering probeert op dit ogenblik via een “salamipolitiek” (en de ene iets radicaler dan de andere) in schijfjes deze omvorming voor te bereiden en te realiseren. De regering Verhofstadt heeft het geprobeerd met het omstreden generatiepact dat na veel sociale onrust, stakingen en betogingen, gerealiseerd is als een eerste opstapje om de neoliberale doelstellingen van het Lissabonakkoord te realiseren. Vandaag probeert men de vakbonden het schijfje “loonmatiging” te laten doorslikken, met als dreigende knuppel “de ontkoppeling van de index”. Sommigen laten het ballonnetje van “het einde van de collectieve arbeidsovereenkomsten op” (o.a. Prof. Economie KUL Mark Eyskens). In Duitsland heeft de roodgroene regering de beperking van de werkloosheidsvergoeding in de tijd gerealiseerd vooraleer ze electoraal ten val is gekomen. In Nederland wordt de zorg uitverkocht en geprivatiseerd. In Frankrijk probeert men de arbeid (en vooral de jonge arbeider) zo flexibel te maken dat de precarisering (arbeidsonzekerheid, meer tijdelijke contracten) nog zal toenemen.
Het gedachtengoed van Mei 68.
Een gedachtengoed dat velen van ons zelf in de steek gelaten hebben of toch niet volop meer durven verdedigen. Het resultaat van de Franse presidentsverkiezingen drukt ons nog maar eens met de neus op de feiten dat het “neoliberale rechts” erin slaagt om een groot deel - niet alleen van de rijken en meestvermogenden - niet alleen de middenklassen van Jan Pronk, maar ook verschillende delen van de werkende klassen electoraal te overtuigen en ideologisch aan zich te binden terwijl ongenadig het erfgoed van Mei 68 wordt bestreden en op het zogenaamde "softe gedachtengoed" (via het softe gedachtengoed willen ze natuurlijk af van de radicaliteit van Mei 68) van Mei 68 wordt ingehakt.
Alsof wij de permissieve samenleving zouden zijn. Alsof wij geen normen en waarden zouden hebben.
Het verwijt van Yves Simon, een van de kinderen van mei ’68 aan de huidige generaties: ’Wij hadden mooie idealen, al liepen ze allemaal stuk. Maar jullie zijn cynisch. Jullie hebben zelfs geen idealen.’ Dat is, zo zegt hij, de kwaal van het huidige fin de siecle: ’het verstoken zijn van hemel en hel, het niet meer kunnen hebben van dromen, het met de rug naar de toekomst staan en zich niet op het verleden kunnen beroepen’. Dat niet-meer-kunnen-hopen leidt tot verlies aan illusies, gevoelloosheid, cynisme, ’de aids van de droom’, die mensen hun weerstand doet verliezen. »
Ronald Giphart van de zogeheten ’Generatie Nix’ heeft dat cynisme vorig jaar verwoord in een NRC-artikel waarin hij de hypocrisie doorprikt van onze idealen van weleer: ’Wij zijn opgegroeid in de jaren zeventig die duidelijk hun sporen hebben nagelaten. Illusies zijn we nooit kwijtgeraakt, omdat we ze nooit hebben gehad. Bedreigd hebben we ons nooit gevoeld, waardoor we de noodzaak ons te verzetten niet kennen. Zoals Sinterklaas al vroeg werd ontmaskerd zo zagen we ook de maatschappelijke idealen van onze ouders vervliegen in de no nonsense-wind van de jaren tachtig. Het gevolg was dat zaken die wij in onze jeugdige bleuheid ondanks alles hyperserieus namen (kruisraketten, werkloosheid, vrouwenstrijd, milieu) van niet meer dan tijdelijk belang bleken, en vooral nogal gratuit werden gebruikt door politieke partijen en andere reclamebureau’s. Hierdoor leggen we tegenwoordig enig cynisme aan de dag. We hebben onszelf aangeleerd om maatschappelijke waarheden bliksemsnel te beoordelen en eventueel net zo snel weer te verruilen, desnoods voor hun tegendeel. Vanaf onze geboorte is de waarheid niet kenbaar geweest, en van dit besef zijn we doordrongen en doordrongen en doordrongen. Wij zijn volledig postmodern, en zo leuk is dat helemaal niet.’ Op dat postmoderne cynisme en een ontbreken van radicaal verzet tegen de hegemonie van de liberale orde bouwt rechts een stevig imperium met de instemming van grote delen van de overheerste klassen.
Rechts herbouwt de maatschappelijke orde om de hegemonie van de economische orde te verzekeren. Daarvoor bedient zij zich van "De stem van de zwijgende meerderheid". Rechts is inderdaad de “schaamte voorbij” en “rechts voor de raap”. De media bepalen intussen de krijtlijnen van het politieke debat voor de ideologische hersenspoeling. Ze zijn inderdaad “la pensée unique” geworden en de kampioenen van de “keuzevrijheid” (de vrijheid van de sterksten en de rijksten) onder het mom van de strijd voor de “moderniteit, de vrijheid van meningsuiting”.
Eric Corijn zei : »voor zover het debat en de balans ideologische stellingen moet dienen, en dus maatschappelijke posities moet verantwoorden, denk ik dat enkele “waarheden” de moeite van het verdedigen waard zijn: de jaren zestig zijn kanteljaren waarin een deel van een generatie zich als actor van de geschiedenis heeft gedacht en geëngageerd en daartoe een politiek debat, een kritische ingesteldheid en een zin voor maatschappelijk ontwerp heeft gecultiveerd die sindsdien niet meer in dezelfde mate zijn voorgekomen .» Rechts staat klaar in Europa - soms desnoods met steun van de sociaaldemocratie als het niet anders kan - het neoliberale programma uit te voeren: de verzorgingsstaat afbouwen, de sterke staat uitbreiden, zoveel mogelijk arbeid precariseren, de kracht van de vakbonden breken, de macht van het financiële kapitaal vestigen. In Frankrijk is dat nu Sarkozy (Le Pen heeft het voorbereidende sloopwerk verricht), in Duitsland Merkel, in Nederland was het Fortuyn (nieuw onderzoek wijst uit dat moest Fortuyn nog leven 25% van het Nederlandse electoraat op hem zou stemmen, hetgeen een ander licht werpt op het opmars van de linkse SP van Jan Marijnissen) en zijn het vandaag Balkenende en Bos die de dans leiden (hier heeft Fortuyn ideologisch sloopwerk verricht).
In België nemen Leterme en Bart De Wever de fakkel over met een verhaal over "regionalisering" (gevolgd door een deel van de leiding van de sociaaldemocratie) hetgeen natuurlijk moet uitmonden in de verdeling van de Vlaamse en Waalse werkende klassen (het ideologische sloopwerk tegen het erfgoed van Mei 68 is bij ons twee decennia lang verricht door het VB en zelfs de sociaaldemocratie heeft het nooit de moeite gevonden dat erfgoed te verdedigen). De sociaaldemocratie likt haar wonden na het jarenlange beheer van het globaliserende kapitalisme en de linkerzijde - links van de sociaaldemocratie - is verdeeld en versnipperd (en zit verstrikt in oude verhalen en oude concepten). De sociaaldemocratie en Groen strijden om het ecologische bewustzijn, terwijl - ook in Frankrijk - duidelijk werd dat Sarkozy een electorale meerderheid heeft behaald door het thema van de "veiligheid" door te drukken. Een thema waar links zich onbehaaglijk bij voelt omdat het vooral geen spook meer wil zijn. Het spook van het Communistisch Manifest is nog steeds een prikkelend beeld voor de burgerlijke klassen. In Spectres de Marx (1993) stelt de filosoof Jacques Derrida dat Marx met dit spook verwijst naar een gevoel van Unheimlichkeit, het je niet meer thuis voelen in je eigen huis. Dit gevoel zal ook de rebellerende Franse jongeren niet vreemd zijn. Het spokende onbehagen waar Derrida over spreekt, heeft niet alleen betrekking op de verliezers, maar betreft ook de winnaars van de vrije markteconomie.
Derrida sprak van het ‘leren leven’ met spoken: de idee van morele verantwoordelijkheid voor hen die uitgesloten zijn van de samenleving. Intussen construeren de middenklassen een “onveiligheidspsychose”: de angst voor het canaille. Het aloude verhaal over “les classes dangereuses”. Alhoewel schijn bedriegt.
Het canaille is noodzakelijk om de “veiligheidsstaat” te construeren. De “oplossingen van de sterke man”, het nieuwe leiderschap van Sarkozy en Cie (ook in “goed en krachtig bestuur zit het verhaal over nieuw leiderschap verborgen) kunnen alleen ontstaan door het canaille. Het canaille, de uitgeslotenen in de rijke buik van de vrije markt, de “gevaarlijke klassen” zijn een voorwaarde voor de vestiging van de hegemonie van Nieuw Rechts, het liberale fascisme. De rellen in de Franse banlieues, de spanningen in alle achterstandswijken en ghetto’s van de grote steden in de wereld, zijn uitingen van frustratie van jongeren die aan hun werkloosheid geen waardigheid kunnen ontlenen, maar tegelijk een schreeuw om aandacht van de georganiseerde politiek, de vakbonden, de sociale bewegingen. Het wordt dringend tijd om na te denken en fier ons erfgoed op te nemen.
Laten we dan ook dringend “samen” nadenken over ons erfgoed, onze alternatieven, onze vormen van verzet, een verzetscultuur die breuklijnen moet forceren met “la pensée unique”. Zoals Eric Corijn aan aantal keren herhaalde in het begin van deze week: Het wordt tijd om kamp te kiezen.
Of zoals Freek De Jonge het ooit zong: “Het wordt weer tijd om te bepalen waar het allemaal op staat”. En waar wij staan natuurlijk. In welk kamp we willen staan. Aan wiens kant we gaan staan. Om toch nog te eindigen met Jan Marijnissen: “Het marktfundamentalisme en het monetarisme ondersteund door een doorgedreven concurrentiedwang en consumptieterreur hebben de ‘fundamenten van de beschaving aangetast’. ‘Mensen, neem je verantwoordelijkheid en dóe iets. Hou de samenleving bij elkaar.” Dat is de betekenis dit jaar van de Prijs voor de Democratie aan Tom Barman. Barman zegt “af en toe is het nodig om uw klep open te trekken”.
Dat is de betekenis van de strijd van de winnaars van vorig jaar: Chris Bens, Carla Ronkes, Marcel De Meyer en natuurlijk honderden andere mensen in onze steden die opkomen voor de uitgeslotenen: de mensen zonder papieren, de mensen zonder rechten, de mensen zonder macht, de mensen zonder stem, de mensen zonder toekomst. Zij zeggen allemaal: “mensen neem je verantwoordelijkheid, doe iets. Kijk de andere kant niet uit.” Zij kiezen inderdaad kamp.” Hun strijd probeert de samenleving bij elkaar te houden.
Zij proberen het weefsel van de beschaving te herstellen dat ondermijnt wordt door het sloopwerk van de markt.
Een onbekend iemand schreef op een verlaten muur in Bogota: “Laten we het pessimisme voor betere tijden bewaren.”
Of zoals Ramses Shaffy het zingt: “We zullen doorgaan. Met de wankelende zekerheid om door te gaan. In een mateloze tijd. We zullen doorgaan. Tot we samen zijn.”
Eric Goeman
Coördinator en moderator politieke debatten Vzw. Trefpunt en Democratie 2000.
Woordvoerder Attac Vlaanderen, voorzitter Democratie 2000.
