Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
dinsdag 11 december 2007, door Peter Tom Jones
Van Terra Incognita naar Terra Reversa
Dit is de laatste aflevering van Terra Incognita in zijn huidige vorm. Toen ik deze rubriek opstartte drie jaar geleden had ik me als doel gesteld de lezer inzicht te verschaffen in de problematische relatie tussen mens en natuur. De concepten Antropoceen en no-analogue state stonden daarbij centraal. Het was mijn betrachting om duidelijk te maken dat het ‘onredelijk milieuoptimisme’ van sceptici als Bjorn Lomborg geen wetenschappelijke basis had en bovendien ronduit gevaarlijk is. Eén van de aanleidingen van deze rubriek was het wetenschappelijk problematische, maar wel immens populaire boek The Skeptical Environmentalist (2001). In deze bestseller verkondigde de auteur dat het nog nooit zo goed ging met de planeet Aarde als heden ten dage. In dit boek gaf hij meer dan één veeg uit de pan aan het adres van groene activisten en milieuwetenschappers. Inmiddels zijn we drie jaar verder. Het onredelijk milieuoptimisme is anno 2007 gewoonweg onhoudbaar, zoals ook zal blijken uit het vervolg van deze laatste aflevering van Terra Incognita. Men moet ziende blind en horende doof zijn om dat niet te erkennen. Vandaag gaat het kerndebat niet langer over de aard en de oorzaken van de grote sociaal-ecologische problemen maar wel over wat we er als mensheid gaan aan doen. Welke zin heeft het om nog pagina’s lang en kilo’s inkt te spenderen aan de details van de ontsporing van de relaties economie-ecologie en mens-milieu, als er niet tegelijkertijd wordt nagedacht over concrete oplossingen en alternatieven? Dit is de reden waarom de rubriek in zijn huidige vorm zichzelf overbodig heeft gemaakt. In een volgend nummer van Oikos zal daarom een nieuwe rubriek opgestart worden. Deze zal gaan over de zoektocht naar oplossingen. Diezelfde verschuiving qua aandacht zie je trouwens ook meer en meer in milieuartikels en overzichtsrapporten. Analyses van wat er misloopt en het blijven in kaart brengen van de evolutie van, onder andere, het klimaatsysteem, de biodiversiteit en de waterproblematiek blijven essentieel; alleen stel je nu vast dat er meer en meer aandacht komt voor het schetsen van toekomstscenario’s, mogelijke alternatieven etc. De nieuwe rubriek zal hier gedetailleerd op inspelen. De teksten zullen vertrekken vanuit het pre-analytische denkkader van de ecologische economie, het denkkader dat vandaag ook als uitgangspunt dient voor de snel aan belang winnende denktank Terra Reversa (http://www.terrareversa.be/). De formule is gelijkaardig als diegene die werd gehanteerd in de huidige variant: op basis van wetenschappelijke vakliteratuur zal een stand van zaken aangegeven worden over mogelijke oplossingsgerichte modellen. De focus zal verbreden: niet alleen Nature en Science maar ook tijdschriften als Ecological Economics, Energy Policy, Land Use Policy en Journal of Cleaner Production zullen als input dienen. Dit impliceert dat naast milieuwetenschappelijke en economische analyses ook elementen uit de sociologie, de antropologie en de psychologie aan bod zullen komen. De nieuwe titel voor deze stukken is Terra Reversa... de vereiste duurzaamheidstransitie heeft behoefte aan een totale, ‘systemische’ omkering van het courante wereldbeeld/ethiek en de ondersteunende politiek-economische structuren.
De ecologische economie
In tegenstelling tot de neoklassieke economie benadrukt de ecologische economie dat het economische proces fundamenteel afhankelijk is van een veerkrachtige en gezonde aarde. De economie is een deelsysteem van het Ecosysteem Aarde: de grootte van de economie wordt dus (biofysisch) begrensd door de beperkte draagkracht van de Aarde. Ecologische economen plaatsen het principe van ecologische duurzaamheid hoog op de agenda. In deze context wordt gesteld dat niet alleen de CO2-uitstoot maar ook het totale materiaalgebruik van de westerse economieën op termijn met een factor 10 moet dalen: een daling van 90% dus. De in de nieuwe rubriek voorgestelde oplossingen vormen steeds een combinatie van drie essentiële principes: ‘efficiëntie’ (zelfde functie, minder milieudruk), ‘minder’ (lagere druk door matiging consumptie) en ‘anders’ (zelfde functie anders realiseren). Factor 10 klinkt dus afschrikwekkender dan het in werkelijkheid is: het gaat niet om 90% minder eten of drinken. Zoals reeds in vorige publicaties uit de doeken gedaan, kan een aanzienlijk deel van de noodzakelijke 90%-reductie worden gerealiseerd via een technologische duurzaamheidsrevolutie (eco-efficiëntie). Het vergt een nieuwe visie op duurzaam produceren, waarbij lineaire doorstroomeconomieën vervangen worden door circulaire economieën met minimale netto afvalstromen (cf. zero waste concept, industriële ecologie). Dit alles vereist een dramatische verhoging van het onderzoeksbudget voor hernieuwbare energiebronnen en schone technologieën. Daarnaast moet er ook massaal geïnvesteerd worden in de toepassing en verspreiding van de bestaande en nog te ontwikkelen (fout- en toekomstvriendelijke) milieutechnologie.
Toch zal technologie alleen ons niet redden. Daarvoor is de vereiste doelstelling (factor 10) te groot. Los van een eco-efficiëntierevolutie is er ook behoefte aan een nieuwe (sufficiëntie)visie op consumptie: anders en op een aantal vlakken – en voor de rijkeren en de middenklassen in de westerse samenlevingen - ook minder consumeren, “beter leven met minder”. Wijzigingen in levensstijl, rationeel energiegebruik, verschuivingen in voedselpatronen (minder vlees, meer lokaal en seizoensgebonden voedsel,…), andere opvattingen over mobiliteit (meer openbaar vervoer, fietscultuur, minder vliegreizen) en wonen (ecologische renovatie en/of bouw passieve huizen in plaats van nieuwe, energie-inefficiënte grote villa’s), zijn slechts enkele noodzakelijke ingrediënten van zo’n nieuwe samenleving. Stuk voor stuk kunnen die een belangrijke bijdrage leveren aan de noodzakelijke omslag. Om maximaal in te spelen op gedragswijzigingen en groene technologie moet het juiste kader gecreëerd worden. Dat bestaat uit: (1) juridische instrumenten (regulering en standaarden) om de producenten aan te zetten tot het leveren van kwaliteit op de markt, (2) economische instrumenten (ecoheffingen, ecoboni en quotasystemen) om het gedrag van producenten en consumenten met de wortel en de stok in de duurzame richting te sturen, en (3) educatieve en sensibiliserende programma’s om duurzame attitudes te promoten. Essentieel is ook dat klimaatoplossingen op een sociaal verantwoorde manier worden doorgevoerd en dat overheden hun voorbeeldfunctie ten volle opnemen. Inconsistenties op het vlak van overheidsoptreden leiden immers regelrecht tot gebrek aan gedragswijzigingen bij de doorsnee burger-consument.
De hamvraag is natuurlijk: hoe kan die ecologische economie geoperationaliserd worden? Indien ecologische economie enige toekomst wil hebben, dan zal zij moeten vertaald worden naar het concrete beleidsniveau én zij zal politiek moeten aanslaan. We zullen niet alleen wetenschappelijk gelijk moeten hebben; we zullen ook wetenschappelijk gelijk moeten krijgen. De nieuwe doelstelling van de rubriek zal er ook in bestaan om een steentje bij te dragen aan dat proces. In het volgende nummer van deze (vernieuwde) rubriek in Oikos zullen we de diverse instrumenten van de ecologische economie concreet uitwerken... Bij deze reiken we ook de hand aan de vakbonden, de consumentenorganisaties, de brede andersglobaliseringsbeweging evenals de boerenorganisaties en groene ondernemers om het paradigma van de ecologische economie te omhelzen en te vertalen naar concrete praktijken. De vereiste duurzaamheidstransitie kan er immers niet komen zonder de opbouw van een historische alliantie van de voornoemde organisaties en bewegingen.
De laatste stuiptrekkingen der klimaatsceptici
Dit gezegd zijnde, is het uiteraard zo dat er nog bijzonder veel werk aan de winkel is. De pijnlijke realiteit is dat er, ondanks de verbluffende wetenschappelijke bewijslast, vooralsnog bitter weinig beweegt op het vlak van milieu- en klimaatmaatregelen, en wijzigingen in (duurzaam) productie- en consumptiepatronen. Om te komen tot een heuse duurzaamheidstransitie zijn er helaas tal van harnekkige barrières: een op groei gericht en globaliserend economisch systeem, vastgeroeste leefpatronen, structurele en financiële drempels, botsende interesses, de emotionele waarde of voordelen op korte termijn van tradities en consumptiepatronen, en last but not least klimaatscepticisme. Een kritische opvolging van dat scepticisme blijft dus essentieel. Het succes van het klimaatscepticisme hangt samen met de loopgravenstrategie. Het is een oorlog die ze wetenschappelijk gezien aan het verliezen zijn. Toch blijft hun invloed groot, wat voor een groot deel toe te schrijven is aan psychologische factoren (3). De loopgravenstrategie reveleert de volgende vragen: 1) Warmt de aarde wel op? 2) Is de mens daarvoor verantwoordelijk? 3) Is het probleem wel zo ernstig? 4) Is een krachtige aanpak economisch wel zinvol? Indien een loopgraaf wetenschappelijk gezien onverdedigbaar wordt, trekken de sceptici zich terug naar een volgende linie die men even verbeten tracht te beschermen. Zo wordt het debat gaande gehouden en blijven concrete maatregelen uit.
In de vorige aflevering (4) hadden we het al over The Great Global Warming Swindle, de populaire maar wetenschappelijk en journalistiek onverantwoorde klimaatdocumentaire van Martin Durkin. The Swindle houdt zich hoofdzakelijk bezig met het heroveren van loopgraaf 2. Het hoofdargument van The Great Global Warming Swindle is gebaseerd op een alternatieve verklaringshypothese voor de moderne opwarming. De zon zou de oorzaak zijn. Volgens aanhangers van deze theorie hangt de natuurlijke cyclus van de zonneactiviteit samen met de huidige opwarming. In topvakbladen als Nature en Science staat deze stelling allang ter discussie (5). Ofschoon wijzigingen in zonneactiviteit wellicht een invloed hebben gehad op het pre-industriële klimaat en zelfs op de klimaatwijzigingen in de periode 1900-1950, kan de opwarming van de laatste twintig jaar niet toegeschreven worden aan de zon. De reden is simpel. Sinds 1985 is de zonneactiviteit juist in de klimaatafkoelende richting geëvolueerd (6). Mocht de zonneactiviteit met andere woorden al een factor zijn geweest, dan had de temperatuur sinds 1985 gedaald moeten zijn. In de praktijk zag men evenwel een verdere temperatuurstijging van 0,3°C, die grotendeels verklaard kan worden door de versnelde toename van broeikasgassen in de atmosfeer. In The Great Global Warming Swindle zien we evenwel een grafiek die een verband tracht aan te tonen tussen zonneactiviteit en temperatuur. Vreemd genoeg loopt die figuur maar tot omstreeks 1980. Het opzettelijk doen verdwijnen van de data nà 1980, die helemaal niet overeenstemmen met de zonne-hypothese, betekent niet meer of niet minder dan wetenschappelijke manipulatie. De basisstelling van The Great Global Warming Swindle komt meteen op losse schroeven te staan.
Net na de heisa rond de film van Durkin kwam ’s wereld meest bekende klimaatscepticus, de Deense statisticus Björn Lomborg, opnieuw op de voorgrond. Lomborg is vandaag bekeerd tot het economisch klimaatscepticisme (loopgraaf 4). Naar aanleiding van zijn nieuwe boek Cool it, kreeg hij een paginagroot (weliswaar kritisch) interview in De Morgen (7). De Deense professor in de statistiek Bjorn Lomborg stelt dat zich aanpassen aan de klimaatveranderingen de enige oplossing is. Een stevig klimaatbeleid om verdere klimaatopwarming te voorkomen, is te duur en dus niet zinvol. Daarmee heeft Lomborg (geruisloos) een immense bocht genomen. In 2001 stelde hij in The Skeptical Environmentalist nog dat het klimaat zeker niet met meer dan 2°C zou opwarmen. Nu het ondertussen zo goed als zeker is dat die grens voor gevaarlijke klimaatwijzigingen zal worden overschreden (zelfs in het meest optimistische scenario), is ook zijn betoog volledig verschoven naar het economische niveau. Lomborg zwaait met kosten-batenanalyses die zouden aantonen dat een klimaatbeleid economische nonsens is. Zijn redenering is als volgt. Stel dat men vandaag doortastende en dus dure klimaatmaatregelen neemt, dan worden de gewenste gevolgen pas zichtbaar in een verre toekomst, door de traagheid in het klimaatsysteem. Om te beslissen of het zinvol is te investeren in een klimaatbeleid, moet men de kosten en de baten met elkaar vergelijken. Het toekomstige klimaatvoordeel wordt daarbij in geld uitgedrukt en teruggerekend naar een bedrag vandaag, de zogeheten ’contante waarde’. Dat noemt men verdisconteren. Als het verdisconteerde klimaatvoordeel kleiner uitvalt dan de economische kostprijs van het beleid, dan zullen economen ervoor pleiten nu niets te ondernemen. Men kan dan beter geld uitgeven aan aanpassingsmaatregelen.
Cruciaal in deze investeringsafweging is evenwel de zeer subjectieve keuze van de discontovoet. Hoe hoger deze discontovoet, hoe minder een klimaatvoordeel in de toekomst vandaag monetair zal meetellen. Lomborg en andere klimaatsceptici opteren doelbewust voor hoge discontovoeten, en kiezen voor het systematisch onderwaarderen van de toekomst. Dat is immoreel. Als men daarentegen gebruikmaakt van lagere discontovoeten, komt men tot heel andere conclusies. De voormalige Wereldbankeconoom Nicholas Stern maakte in opdracht van de Britse regering eveneens een grootschalige kosten-batenanalyse, evenwel met een relatief lage discontovoet (8). Zo kwam hij tot de conclusie dat men minstens 1% van het bruto mondiaal product zou moeten spenderen aan klimaatmaatregelen. Economisch gezien is dat zinvol, oordeelt Stern, omdat de kostprijs van zo’n beleid lager is dan de toekomstige schade in afwezigheid van een klimaatbeleid. Die schatte Stern op een jaarlijks bedrag van 5 tot 20% van het bruto mondiaal product.
In het vakblad Nature is bovendien aangetoond dat Lomborgs redenering niet is opgewassen tegen de complexiteit van het klimaatvraagstuk. In zijn recensie van Cool it, toont de bekende economieprofessor Partha Dasgupta (Cambridge) aan dat Lomborgs economisme niet is opgewassen tegen de complexiteit van het klimaatvraagstuk (9). Kwantitatieve kosten-batenanalyses zijn gebaseerd op een lineair en dus foutief beeld van het ecosysteem aarde. Want dat systeem wordt aangedreven door op elkaar inspelende, niet-lineaire processen met totaal verschillende snelheden. Wanneer de grens van 2°C wordt overschreden, komen we meer en meer terecht in onbekend gebied. Naarmate de temperatuur verder toeneemt - wat zal gebeuren zonder ernstig CO2-reductiebeleid - vergroot de kans dat kritische drempelwaarden worden overschreden. De gevolgen zijn dan niet precies bekend, maar ze zijn alleszins onomkeerbaar. Economische berekeningen worden dan puur speculatief.
Lomborg houdt evenmin rekening met het feit dat de landen die de laatste 200 jaar voor de grootste uitstoot hebben gezorgd (de VS, de EU en Japan) niet de landen zijn waar de klimaatgevolgen het meest ontwrichtend zijn. Integendeel, de zwaarste klappen vallen net in die landen die amper verantwoordelijk zijn voor het probleem: de laaggelegen eilanden, zwart Afrika en de megadelta’s. De opwarming zal volgens het VN-klimaatpanel de al bestaande problemen niet inperken, zoals Lomborg foutief stelt, maar juist verergeren: er komen meer voedseltekorten, waterschaarste, infectieziekten enzovoort. Sommige projecties geven aan dat bij een gemiddelde temperatuurtoename van meer dan 2,5°C er tegen 2080 minstens 3 miljard mensen zouden leven in zones met extreme waterschaarste (10). Vanuit moreel standpunt alleen al moet het Westen zijn verantwoordelijkheid opnemen en zorgen voor een krachtig én rechtvaardig post-Kyotoakkoord (vanaf 2012), waar zowel aanpassing als de daling van de uitstoot centraal staat. Die combinatie is essentieel. Zonder een verregaand mondiaal CO2-reductiebeleid is aanpassen dweilen met de kraan open.
Conclusie: het klimaatscepticisme is wetenschappelijk gezien aan de verliezende hand. Langzaamaan overschrijden we zo’n tipping point waarbij het steeds ridiculer wordt om deze posities te blijven verdedigen. Wie neemt deze mensen nog au sérieux? In academische kringen alvast niet. De kloof tussen hun discours en de wetenschappelijke kennis wordt met de dag groter. Dat wordt steeds duidelijker als je de meest recente ontwikkelingen in de vakliteratuur in ogenschouw neemt. Hieronder geef ik enkele voorbeelden weer van dergelijke evoluties, om dan te komen tot de evaluatie van dat andere, immens gewichtige nieuwe milieurapport dat op 28 oktober 2007 wereldkundig werd gemaakt: het Global Environmental Outlook-rapport van het VN-milieuprogramma (GEO-4).
Evolutie CO2-concentratie in atmosfeer
Een internationaal team van wetenschappers (Global Carbon Project) heeft in detail gekeken naar de recente evolutie van CO2 in de atmosfeer, het belangrijkste antropogene broeikasgas. De cijfers staan te lezen in een nieuwe paper in het Amerikaanse vakblad PNAS (11). Het nieuws is niet bijster rooskleurig. Een boomende wereldeconomie pompt in steeds sneller tempo meer CO2 in de lucht. De snelheid van de stijging (3.3% per jaar in de periode 2000-2006, ten opzichte van 1.3% per jaar in de jaren 90) is zelfs groter dan men eind jaren ’90 in het meest pessimistische emissiescenario had geprojecteerd. Daarvoor zijn twee oorzaken: de hoger dan verwachte economische groei alsook een toename van de koolstofintensiteit van die groei. Wie zei er ook alweer dat economische groei goed is voor het milieu (cf. Kuznetscurven, zie ook discussie in het boek Terra Incognita)? Nog verontrustender evenwel is dat de efficiëntie waarmee de koolstofsinks (oceanen en landoppervlakte) een deel van de door de mens uitgestoten CO2 terug abosorberen, tanende is. De evolutie is vooral zichtbaar sinds 2000. Dit impliceert dat de koolstofcyclus een groter dan (volgens de klimaatmodellen) verwachte positieve terugkoppeling levert in het klimaatsysteem: i.e. meer opwarming leidt tot nog meer broeikasgassen wat leidt tot een verdere opwarming. Met de woorden van het team in PNAS: "All of these changes characterize a carbon cycle that is generating stronger-than-expected and sooner-than-expected climate forcing."
De drie factoren samen - economische groei, hogere koolstofintensiteit en verzwakkende sinks - maken dat de huidige CO2-concentratie in de atmosfeer momenteel met bijna 2 deeltjes per miljoen aan het toenemen is. In 2006 bedroeg de CO2-concentratie reeds 381 ppm: de hoogste waarde in waarschijnlijk 20 miljoen jaar. Het gevaarlijke grensgebied van de toelaatbare CO2-concentratie – 400 à 450 ppm CO2 – lijkt niet meer veraf. Vergelijk dit met de recente IPCC-doelstellingen om gevaarlijke klimaatwijzigingen te voorkomen (opwarming van maximum 2-2,4°C ten opzichte van de pre-industriële temperatuur). Zoals in de vorige aflevering van Terra Incognita aangegeven, moet de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen (naast CO2 ook o.a. methaan en lachgas) tegen 2050 met 50 à 85% dalen. Voor landen als België gaat het over een daling van 80 à 90%.
De gevolgen van hogere CO2-concentraties
Hogere CO2-concentraties in de atmosfeer versterken het broeiskaseffect waardoor de temperatuur toeneemt. Dat is de directe relatie tussen CO2 en temperatuur. Hogere temperaturen leiden op hun beurt tot andere effecten. In het wetenschappelijk vakblad Science verscheen recent een artikel waarin onderzoek werd samengevat inzake de evolutie van het Arctische (Noordpool) zeeijs (12). Daarvan is reeds lang geweten dat het in volume afneemt. Tot enkele jaren geleden stelde men dat het zomerse zeeijs definief zou verdwijnen tegen het einde van de 21e eeuw. Nadien werd geopperd dat dit reeds een feit zou kunnen zijn tegen 2050. Inmiddels begint men signalen op te vangen dat zelfs dit scenario te optimistisch zou zijn. Figuur 1 illustreert de evolutie van het Arctische zeeijs sinds 1980. Opvallend is dat er een versnelling lijkt op te treden tussen 2006 en 2007. De verklaring ligt in het feit dat er twee (versterkende) terugkoppelingsmechanismen aanwezig zijn in dit systeem die sneller lijken te functioneren dan aanvankelijk gedacht: (1) dunner ijs maakt het mogelijk dat ijs tijdens het volgende jaar eenvoudiger smelt; (2) naarmate meer ijs gesmolten is, absorbeert het omringende water meer energie van de zon waardoor er nog meer ijs kan smelten (albedo-effect). Onderzoekers vragen zich luidop af of dit eerste tipping point al overschreden is? Zijn we getuige van een abrupte, onomkeerbare systeeemsprong?
Figuur 1 Evolutie Arctische zee-ijs (jaarlijkse minimumniveau) (Overgenomen uit Science, 318, 2007, 33-34)
GEO-4: Milieu voor ontwikkeling
Uit het voorgaande is al gebleken dat de globale opwarming momenteel in een versnellende fase lijkt te zitten. De uitdagingen zijn enorm. Klimaatscepticisme kunnen we missen als kiespijn. Sterker uitgedrukt: klimaatscepticisme is gewoonweg misdadig als je weet wat de effecten kunnen zijn op miljoenen mensen, nu en in de toekomst, mensen die niet verantwoordelijk zijn voor dit probleem. Bovendien is het klimaatvraagstuk deel van een nog veel grotere problematiek inzake de onduurzame omgang met de Aarde. Het is inmiddels voldoende duidelijk gedocumenteerd dat de mondiale milieuimpact de draagkracht van deze planeet ruimschoots overschrijdt. De systematische overbevraging van de duurzame biocapaciteit van de Aarde heeft zeer concrete gevolgen. De huidige globale opwarming is er daar één van, naast het razendsnelle verlies aan biodiversiteit, de vervuiling en uitputting van de mondiale watervoorraden, het verlies aan bruikbaar land etc. In die zin was het uitkijken naar het nieuwe rapport van het VN-milieuprogramma, dat op regelmatige basis een status questionis maakt van de situatie van de planeet Aarde en de gevolgen van de milieuproblematiek voor de sociale en economische ontwikkeling van de verschillende landen in deze wereld. Op 25/10/2007 werd effectief het nieuwe Global Environmental Outlook-rapport van de UNEP officieel aan de pers voorgesteld (13). GEO-4 is het meest uitgebreide VN-rapport over het milieu, samengesteld door ongeveer 390 experts en beoordeeld door meer dan 1000 andere milieudeskundigen ter wereld.
Dit prestigieuze rapport brengt de toestand van de wereld in kaart en maakt tal van aanbevelingen voor overheden wereldwijd. Het beeld dat uit GEO-4 komt, is niet fraai. Hoewel er hier en daar enkele successen zijn geboekt (14), luidt de nuchtere vaststelling dat de negatieve milieutendensen, die 20 jaar geleden ten tijde van het Brundtlandtrapport Our Common Future reeds zichtbaar waren, gewoonweg worden verdergezet. Hierover zegt GEO-4: “Voor géén van de grote problemen zoals benoemd in Our Common Future zijn de vooruitzichten nu gunstig.” Voorbeelden hiervan zijn de achteruitgang van de visbestanden; het verlies van vruchtbaar land; de onhoudbare druk op middelen; de slinkende hoeveelheid zoetwater beschikbaar voor mens en dier; en het risico op onomkeerbare milieuschade bij het bereiken van het onbekende keerpunt voorbij hetwelke er geen weg meer terug is. In het officiële persbericht van de UNEP hanteert men krasse taal: overheden falen wereldwijd in hun reactie op deze sociaal-ecologische crisis. De sense of urgency ontbreekt nog steeds. GEO-4 spreekt van “een opmerkelijk gebrek aan urgentie” en een “jammerlijk ontoereikende” mondiale reactie. Om een boeing 747 af te remmen heb je immers meer nodig dan enkele fietsremmen. Het is een kritiek die eveneens geldig is voor de oranje-blauwe regering in spe. Vernieuwend aan het rapport is dat het ook een zeer gedetailleerd beeld geeft van de ontwikkelingen in de verschillende regio’s in de wereld. Voor Afrika komt de dreiging uit de hoek van landdegradatie en woestijnvorming; per hoofd van de bevolking is de voedselproductie afgenomen met 12% sinds 1981. Oneerlijke landbouwsubsidies in ontwikkelde regio’s blijven vooruitgang richting toenemende oogsten in de weg staan. Prioriteiten voor Azië en het Stille Zuidzeegebied zijn onder andere de stedelijke luchtkwaliteit, zoetwaterstress, degraderende ecosystemen, agrarisch landgebruik en toegenomen hoeveelheden afval. De drinkwatervoorziening heeft opvallende vooruitgang geboekt gedurende de laatste tien jaar, maar illegale handel in elektronisch en gevaarlijk afval vormt een nieuw probleem. De Europese stijging in inkomens en van het aantal huishoudens (meer en meer singles) zorgt voor onduurzame productie en consumptie, meer energiegebruik, slechte stedelijk luchtkwaliteit en transportproblemen. De overige prioriteiten van deze regio zijn biodiversiteitsverlies, veranderend landgebruik en zoetwaterproblemen. Latijns-Amerika en het Caraïbisch Gebied worden geconfronteerd met stedelijke groei, verlies aan biodiversiteit, schade aan kustzones, vervuiling van de oceaan, en gevoeligheid voor klimaatverandering. Positief is dat ongeveer 12% van het land beschermd wordt en dat de jaarlijkse ontbossing van het Amazonegebied terugloopt. Noord-Amerika worstelt op zijn beurt met het aanpakken van klimaatverandering, met het daaraan gelinkte energiegebruik, stedelijke uitbreiding en zoetwaterproblemen. De milieuwinst behaald door energie-efficiëntie, wordt weer tenietgedaan door het gebruik van grotere auto’s, lage normen voor economisch brandstofgebruik en een toename in het aantal voertuigen en de gereden afstanden (het zogenaamde rebound effect). Voor West-Azië zijn de prioriteiten zoetwaterproblemen, degradatie van land, kusten en marine ecosystemen, stedelijk bestuur, openbare orde en veiligheid. De Poolgebieden voelen reeds de effecten van klimaatverandering. De voedselveiligheid en de gezondheid van de oorspronkelijke bevolking lopen risico’s door toenemende kwikvervuiling en aanhoudende organische vervuiling van het milieu. Het ligt in de lijn van de verwachtingen dat het nog 50 jaar zal duren vóór de ozonlaag zich zal herstellen, ondanks de succesvolle terugschroeving van het gebruik van CFK’s.
Het GEO-4 rapport erkent dat technologie kan zorgen voor een vermindering van de menselijke kwetsbaarheid voor milieuproblemen, maar volgens het rapport kan het soms nodig zijn om het “op technologie geconcentreerde ontwikkelingsparadigma” te corrigeren. De toekomst wordt grotendeels bepaald door de beslissingen die nu worden genomen. GEO-4 erkent: “Onze gezamenlijke toekomst hangt af van de acties die wij nu ondernemen, niet morgen of ergens in de toekomst.” Voor sommige aanhoudende problemen is de schade wellicht al onomkeerbaar. GEO-4 waarschuwt dat het aanpakken van de onderliggende oorzaken van milieuproblemen vaak de gevestigde belangen treft van de mensen die de macht hebben om beleidsbesluiten te beïnvloeden. De enige manier om deze moeilijke problemen te benaderen, is om ze van de rand naar het middelpunt van besluitneming te verplaatsen: het milieu voor ontwikkeling, niet ontwikkeling ten koste van het milieu, vandaar de ondertitel van het GEO-4-rapport: Environment for development.
Al Gore, IPCC en Nobelprijs voor Vrede
Het GEO-4 rapport vormt dus een zoveelste waarschuwing: dringende en krachtdadige actie is absoluut noodzakelijk. De vereiste duurzaamheidstransitie heeft echter behoefte aan de ontwikkeling van een stevig draagvlak wereldwijd. In die zin kan men het alleen maar toejuichen dat de voormalige Amerikaanse vicepresident Al Gore – ondanks zijn zwakke optreden toen hij nog aan de macht was – samen met het VN-klimaatpanel (IPCC) de Nobelprijs voor de Vrede van 2007 heeft gewonnen. De voorzitter van het Nobelcomité, Ole Danbolt Mjos, zei tijdens de bekendmaking dat "Gore en het IPCC reeds zeer vroeg de gevaren van de globale klimaatverandering hebben erkend. We willen met onze onderscheiding de aandacht voor dit thema opnieuw vergroten". Dat is absoluut nodig. Juist vanwege zijn verregaande impact op andere wereldproblemen (biodiversiteit, verwoestijning, droogte, migratie, grondstofschaarste etc.) is het klimaatvraagstuk goed op weg om het centrale ecologische, economische, sociale én morele probleem van de 21ste eeuw te worden. De manier waarop de wereldgemeenschap zal omgaan met het klimaatvraagstuk zal bepalend zijn voor de levenskwaliteit van de huidige en toekomstige generaties. Uit de hand lopende klimaatwijzigingen zullen de kans op gevaarlijke conflicten en oorlogen tussen en binnen natiestaten ernstig verhogen, zoals ook erkend werd in Science naar aanleiding van de toekenning van de Nobelprijs. (15) De keuze voor Gore en het IPCC is ook een krachtig signaal naar alle resterende klimaatsceptici wereldwijd. Hun houding is totaal onverantwoord en zonder meer gevaarlijk. Zonder een krachtdadig mondiaal klimaatbeleid gaan we naar gevaarlijke klimaatwijzigingen, die in eerste instantie de zwaksten overal ter aarde zullen treffen. Laten we alleszins hopen dat de klimaatonderhandelaars in Bali (klimaattop, Indonesië, december 2007) de nieuwe gegevens van het IPCC, GEO-4 etc. meenemen in hun pogingen om een nieuw internationaal klimaatakkoord uit de brand te slepen. Het moet gaan over een akkoord dat én ecologisch effectief én sociaal rechtvaardig is. Via de combinatie van gedragswijzigingen én bestaande en nieuwe technologie is het in principe zelfs mogelijk om alsnog de strengste IPCC-doelstelling van een 50 à 85% wereldwijde CO2-reductie te respecteren. Dat veronderstelt evenwel grote inspanningen in alle sectoren én landen, die vooral onverwijld moeten worden uitgevoerd.
Denk bovendien ook aan de vele positieve ’neveneffecten’ die samengaan met een krachtig milieubeleid. Een voorbeeld: in een recente studie van het Europees Vakverbond berekende men dat er bij een daling van de uitstoot in de EU-25 met 40% tegen 2030 netto 1,5% extra jobs zouden worden gecreëerd. (16) En dan zwijgen we nog over de positieve neveneffecten voor energieautonomie, luchtkwaliteit en lagere energiefacturen. Redenen genoeg om een krachtig klimaatbeleid te voeren... Dit alles vereist een stevige machtsbasis en een grote mondiale participatie van alle relevante landen (ook de VS, China en India). We hebben niet de luxe om deze historische afspraak met de geschiedenis te missen. Achim Steiner, directeur van de UNEP, stelt in deze context: “Er zijn genoeg waarschuwingen geweest sinds Brundtland. Ik hoop oprecht dat GEO-4 de laatste is. De systematische vernietiging van de natuurlijke middelen op aarde, heeft een punt bereikt waarop de uitvoerbaarheid van economiën op de proef wordt gesteld - en de rekening die wij onze kinderen presenteren kan nog wel eens onmogelijk te betalen zijn.” De speeltijd is nu definitief voorbij.
Peter Tom Jones (1973) is Burgerlijk Ingenieur Milieukunde, Doctor in de Materiaalkunde en werkzaam als post-doctoraal onderzoeker aan de KULeuven. Hij publiceerde in diverse tijdschriften omtrent thema’s als (anders)globalisering en ecologie. In april 2006 verscheen zijn boek (samen met Roger Jacobs) Terra Incognita: Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid (GINKGO peer review reeks, Academia Press, Gent). Nadien publiceerde hij samen met Els Keytsman Het Klimaatboek: Pleidooi voor een ecologische omslag (EPO, Berchem). Hij is ook één van de drijvende krachten van de ecologische denktank Terra Reversa. Zie ook http://www.petertomjones.be/
Noten
1 Voor meer recente gegevens, zie Spahni, R., et al., ‘Atmospheric Methane and Nitrous Oxide of the Late Pleistocene from Antarctic Ice Cores’, Science, 310, 2005, 1317-1321; Osborn, T.J., Briffa, K.R., ‘The Spatial Extent of 20th-Century Warmth in the Context of the Past 1200 Years’, Science, 311, 2006, 841-844; Schiermeier, Q., ‘A Sea Change’, Nature, 439, 2006, 256-260. 2 Zie bijvoorbeeld Jones, P.T., Jacobs, R., ‘Pleidooi tegen onredelijk milieuoptimisme’, Oikos, (29), 2004, 15-33. 3 Jones, P.T., De Meyere, V., ‘Klimaatsceptici in het tegenoffensief’, Streven, januari 2007. 4 Jones, P.T., ‘Terra Incognita IX’, Oikos, 42 (3), 2007, 40-53. 5 Q. Schiermeier, ‘No solar hiding place for greenhouse sceptics’, in Nature, 448, 2007, blz. 8-9. 6 Lockwood, M., Fröhlich, C., ‘Recent oppositely directed trends in solar climate forcings and the global mean surface air temperature’, Proceedings of the Royal Society A, 2007 [doi:10.1098/rspa.2007.1880]. 7 De Busschere, B., Interview met Bjorn Lomborg, De Morgen, 15/10/2007, 15. Zie ook het opiniestuk verschenen in De Tijd van 23/10/2007 (Jones & Keytsman), naar aanleiding van de nieuwe golf van economisch klimaatscepticisme. 8 Stern, N., Stern Review on the Economics of Climate Change, (Royal Institute London), 30/10/2006. Men kan zich evenwel de vraag stellen wat de zinvolheid is van dergelijke kosten-batenanalyses. Ook het rapport van Nicholas Stern is op de keper beschouwd in hetzelfde bedje ziek. Zie bijvoorbeeld de kritiek van ecologische economen op economisch reductionisme. Een interessante paper is die van Clive Spash, ‘The economics of climate change impacts à la Stern: Novel and nuanced or rhetorically restricted?’, Ecological Economics, 2007, doi:10.1016/j.ecolecon.2007.05.017. 9 Dasgupta, P., ‘A challenge to Kyoto’, Nature, 449, 2007, 143-144. 10 Parry, M.L., et al., Global Env. Change, 11, 2001, 181-183. Gelijkaardige cijfers staan ook te lezen in het meer recente GEO-4 rapport. 11 Canadell, J.G., et al., ‘Contributions to accelerating atmospheric CO2 growth from economic activity, carbon intensity, and efficiency of natural sinks’, PNAS, 2007 [Early edition: www.pnas.org/cgi/doi/pnas.0702737104] 12 Kerr, R., ‘Is Battered Arctic Sea Ice Down For the Count?’, Science, 318, 2007, 33-34 13 Het volledige rapport (22 MB, 540 blz.) valt te downloaden via http://www.unep.org/. 14 GEO-4: “De afgelopen 20 jaar heeft de internationale gemeenschap de volgende resultaten geboekt: de productie van ozonlaag-aantastende chemicaliën is met 95% afgenomen; er is een verdrag gesloten om broeikasgasemissies te verminderen, samen met het creëren van innovatieve CO2-markten; er is ondersteuning gegeven voor toename van terrestrische beschermde gebieden, rond 12% van het totale aardoppervlak. Daarnaast zijn talrijke belangrijke instrumenten ontwikkeld, op gebied van biodiversiteit en woestijnvorming, en in handel in gevaarlijk afval en levende organismen.” 15 Kerr, R., Kintish, E., ‘Nobel Peace Prize Won by Host of Scientists and One Crusader’, Science, 318, 2007, 372-373. 16 ETUC, ‘Climate Change and Employment: Impact on employment of climate change and CO2 emissions reduction measures in the EU-25 to 2030’, 2007
