Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Deel II: Onze voeding
dinsdag 10 juni 2008, door Els Keytsman, Peter Tom Jones, Vicky De Meyere
Terra Reversa: Bouwstenen voor een duurzaamheidtransitie Deel II - Onze voeding
Peter Tom Jones & Vicky De Meyere & Els Keytsman
Anno 2008 bevindt de wereld zich in een ernstige sociale en ecologische duurzaamheidscrisis. De titel van deze rubriek - ‘Terra Reversa’ - verwijst naar de noodzaak van een totale ‘systemische’ omkering van het courante wereldbeeld en de ondersteunende politieke, economische en technologische structuren, en dit volgens de uitgangspunten van de ecologische economie. Op basis van wetenschappelijke vakliteratuur zal een stand van zaken aangegeven worden over mogelijke oplossingsgerichte modellen. Twee complementaire strategieën zijn nodig: technologische verandering en gedragsmatige transitie. We beseffen dat heel wat complexe barrières op het vlak van structuren, wereldbeeld, attitude en gedrag de vereiste veranderingen bemoeilijken. We hanteren het model van de 4 E’s als richtsnoer voor een effectieve duurzaamheidstransitie: enable, exemplify, encourage, engage. Inzake onze consumptie zijn vier sectoren samen verantwoordelijk voor minstens 70% van onze totale milieu-impact: voeding, mobiliteit, wonen en recreatie/reizen.[1] In de volgende afleveringen van deze rubriek nemen we telkens één sector onder de loep: op welke manier doet zich de problematiek voor, wat zijn de barrières voor meer duurzame patronen, en hoe kunnen alle relevante stakeholders (met in het bijzonder overheden) de 4 E’s concreet realiseren?
Inleiding
In deze bijdrage bijten we de spits af met de sector voeding. Zoals we zullen aantonen ligt de grote (duurzaamheid)sprong voorwaarts voor voeding vooral op het vlak van gedragswijzigingen. Grote milieuwinsten zijn hier slechts mogelijk als er vooral transities optreden in wat en hoe we eten. We onderzoeken wat er mogelijk is op het vlak van een verschuiving naar een minder vleesrijke voeding, en meer biologische, streekgebonden en fair tradevoeding. Twee organisaties die erin slagen om op het vlak van voeding een reële impact te hebben, zijn Ethisch Vegetarisch Alternatief (EVA, op vlak van minder vleesrijke voeding) en Oxfam Fair trade en Oxfam-Wereldwinkels (OFT-OWW, op vlak van fair tradevoeding). We gaan na wat precies de aanpak van deze organisaties zo succesvol maakt.
Het probleem met de huidige vleesconsumptie
Weinig efficiënt gebruik van de natuur
De wereldwijde vleesproductie- en consumptie blijft stijgen. In 2005 bedroeg de mondiale vleesproductie meer dan 269 miljoen ton.[2] Dat is vijf keer zo veel als een halve eeuw geleden. Mensen hebben uiteraard proteïnen of eiwitten nodig om te overleven. De aanbevolen hoeveelheid of Recommended Dietary Allowance (RDA) inzake eiwitten voor gemiddelde, sedentaire of licht actieve volwassen personen bedraagt 0,8 g eiwit per kg lichaamsgewicht per dag[3][4]. Een gemiddelde volwassen persoon heeft dus slechts 48 g eiwit per dag nodig, en kan die behoefte invullen met zowel dierlijke als plantaardige eiwitten. Toch halen westerse consumenten die vooral uit vlees, te veel vlees. Met een jaarlijks gemiddelde van 107 kg vlees per persoon, is de Belgische populatie één van de grootste vleesverbruikers in de wereld (Eurostat 2002). Vergelijk dit cijfer met het jaargemiddelde voor de zogenaamde ontwikkelingslanden (28 kg/persoon) of met een land als Bangladesh (3 kg/persoon). Hogere gemiddelde inkomens correleren vrij goed met hogere vleesconsumptieniveaus. Met andere woorden: hoe rijker men is, hoe meer vlees men eet. Dit betekent dat in snel groeiende landen als China en India het voedingspatroon van een aanzienlijk deel van de bevolking momenteel verschuift van een grotendeels vegetarisch dieet naar een typisch Westers patroon gebaseerd op rundsvlees, gevogelte en varkensvlees.
Duurzaamheid vereist in principe dat men bij de productie van voedsel efficiënt omgaat met het "natuurlijk kapitaal" (land, water, energie etc.). De toenemende vleesconsumptie verslechtert echter alleen maar de efficiëntie van dit natuurgebruik, zoals ondertussen wetenschappelijk goed is gedocumenteerd. Zo is er gemiddeld gezien 6 kg graan nodig voor de productie van 1 kg vleesproteïne. Een aanzienlijke fractie (40%) van de wereldgraanopbrengst wordt vandaag dan ook gereserveerd voor de veestapelsector.
De productie van vlees en melk vraagt vandaag ook veel soja. Soja is erg eiwitrijk, en veel mensen denken bij soja aan typisch vegetarische producten als tofu, tempeh of veggieburgers. Soja wordt echter vooral gebruikt voor de productie van vlees. In 2004 bedroeg de wereldproductie van soja 223 miljoen ton, en slechts 15 miljoen ton hiervan werd geconsumeerd als vleesvervanger, 33 miljoen ton werd gebruikt voor de productie van sojaolie, en de resterende 143 miljoen ton werd onder de vorm van sojameel gevoerd aan de vee- en visstapel[5]. De productie van 1 kg vlees vraagt echter ongeveer 7 kilogram soja[6] en zoals we verder zullen zien, is de sojaproductie niet alleen erg milieuonvriendelijk, ook de sociale omstandigheden waarin de productie plaatsvindt zijn onaanvaardbaar.
Een hogere vraag naar vlees leidt hierdoor onrechtstreeks, samen met andere factoren, tot een verhoging van de prijzen voor basisvoedsel met zelfs voedselrellen tot gevolg. Dit probleem wordt bovendien in toenemende mate verergerd door de stijgende vraag naar de zogenaamde biobrandstoffen die eveneens landbouwoppervlakte vereisen. Het inzetten van voedselgewassen als energiegewassen is ethisch onverantwoord.
Water- en landverspilling
Op het vlak van waterverbruik komt de productie van vlees eveneens neer op een enorme verspilling. De productie van 1 kg steak vereist tot ongeveer 15.000 liter water.[7] Wanneer men bijvoorbeeld de vergelijking[8] maakt tussen aardappelen en rundsvlees inzake watergebruik per hoeveelheid calorieën, dan is de verhouding slechter dan 1/50. In het licht van de mondiale watercrisis, die versterkt wordt door de globale opwarming, is de westerse honger naar vlees onverantwoord. Een zelfde inefficiëntie geldt op het vlak van landbeslag. Via de omweg van de productie van veevoeder vindt er een enorme verspilling aan landgebruik plaats. Vergelijkt men opnieuw aardappelen en rundsvlees, dan komt men tot een verschil in efficiëntie qua landgebruik van 1/200.[9] Vandaag wordt reeds 70% van alle landbouwoppervlakte ingezet voor de veestapel.
Te grote milieudruk
De huidige wereldlandbouw is bovendien erg milieu-onvriendelijk. Vooral de intensieve veehouderij doet de druk op het leefmilieu toenemen. Volgens het rapport Livestock’s Long Shadow van de VN-landbouworganisatie FAO is de veeteelt de grote verantwoordelijke voor de belangrijkste milieuproblemen van vandaag: globale opwarming, waterschaarste, overmatig landbeslag en verlies aan biodiversiteit. De klimaatbelasting van veeteelt is inderdaad loodzwaar. In datzelfde rapport schat de VN-landbouworganisatie de bijdrage van de mondiale veestapelsector op ongeveer 18% van de totale broeikasgasuitstoot (CO2, methaan en lachgas). Dit komt overeen met een bijdrage inzake de globale opwarming die zelfs nog groter is dan het aandeel van het mondiale wegvervoer. Dit is wellicht één van de minst gekende inconvenient truths inzake het klimaatverhaal.
Besluit: hoge vleesconsumptie is niet duurzaam
Slotsom: tussen vleesconsumptie en ecologische (on)duurzaamheid is er een heel direct verband. Voor de planeet Aarde is een hogere vleesconsumptie dan ook geen goed nieuws. Het is bijgevolg verontrustend dat projecties aantonen dat in een business as usual-scenario de mondiale vraag naar vlees tijdens de komende 20 jaar met 55% zou toenemen.[10] Dit impliceert zonder meer een verdere intensivering van de vleesproductiemethodes, met alle gevolgen van dien voor het dierenwelzijn en een aanzienlijke verhoging van de druk op het milieu (klimaat, water- en landschaarste, verlies aan biodiversiteit etc.).[11] Vele wetenschappers stellen zich openlijk de vraag of de verhoopte productiestijging biofysisch wel mogelijk is. De beperkingen op het vlak van landoppervlakte, waterbeschikbaarheid en energie zijn immers immens.[12] Het westerse niveau van vleesconsumptie is niet veralgemeenbaar naar de hele wereldbevolking.
Het probleem met de huidige visconsumptie
Hogere vraag naar vis
Een analoog verhaal geldt ook voor de visconsumptie. In 2005 bedroeg de mondiale visoogst 141 miljoen ton, acht keer meer dan in 1950. Per capita komt dit neer op een verviervoudiging in dezelfde periode.[13] De oorzaken van de stijging van de vraag naar vis en zeevruchten zijn tweeledig. In het Westen wordt visconsumptie aangeraden vanuit gezondheidsoverwegingen (verlaging risico op kanker en hart- en vaatziekten) terwijl in het Zuiden de stijging van de inkomens van de opkomende consumentenklasse de vraag naar vis snel de hoogte injaagt. De verhoging van de visproductieniveaus is toe te schrijven aan het gebruik van gesofisticeerde technologieën (satellietnavigatie, dieptesensoren, verkenningsvliegtuigen etc.) waardoor meer afgelegen en diepere delen van de oceanen in het bereik zijn gekomen.
Energetische inefficiëntie
De energetische inefficiëntie van de hedendaagse visvangstpraktijken is enorm: de mondiale vloot gebruikt 12,5 keer meer energie om de vis te vangen dan de energie die die vissen uiteindelijk leveren aan de consumenten die hen opeten. Ondanks de inzet van technologie botst men ook hier meer en meer op de biofysische grenzen. De visbestanden zijn nu eenmaal beperkt in omvang. Als gevolg van de overbevissing geraken de oceanen dan ook stilaan leeggevist: de kabeljauw-, tonijn- en zwaardvispopulaties zijn tijdens de vorige eeuw met 90% gedaald. Een ophefmakende studie in Science suggereert dat tegen 2050 bijna alle commerciële vissoorten uitgeput kunnen zijn.[14]
Te grote milieudruk
Het verlies aan biodiversiteit in de oceanen is problematisch ten aanzien van de voedselvoorziening, de waterkwaliteit en de veerkracht om met systeemschokken om te gaan. De hedendaagse industriële vispraktijken zorgen voor een ongeziene schade in de oceanen. In Zuid-oost Azië wordt dynamiet gebruikt om moordende schokgolven te creëren, met problematische gevolgen voor de koraalriffen, ecosystemen die van een onschatbare waarde zijn om de biodiversiteit en de veerkracht te handhaven. Het gebruik van speciale sleepnetten (trawlers) leidt tot de vernietiging van het rijke leven op fragiele zeebodems. In het recente State of the World-rapport verwoordde men dit als volgt: "Dragging a net across the ocean bottom has been likened to clearcutting a forest in search of squirrels and chipmunks."[15]
Op het vlak van de aquacultuur is het niet al te veel beter gesteld. De kweek van carnivore vissen vereist de inzet van grote hoeveelheden biocides (om ziektes te vermijden), energie en uiteraard vismeel, wat de druk op de oceanen verder vergroot. Om bijvoorbeeld 1 ton zalm te produceren is er 5 ton wilde vis vereist. Vandaag wordt ongeveer 37% van de wereldwijde visvangst omgezet tot vismeel, wat opnieuw wijst op de globale inefficiëntie van deze voedselpraktijken. Een bijkomend probleem is de chemische vervuiling in de buurt van aquacultuurparken (antibiotica, chemicaliën, afval, mest etc.) om nog niet te spreken van de mogelijkheid op genetische vervuiling bij de accidentele ontsnapping van gekweekte soorten naar natuurlijke ecosystemen. [16]
Het probleem van oneerlijke toeleveringsketens
De problemen die vlees- en visconsumptie meebrengen beperken zich niet het grote grondbeslag en de zware milieudruk. Daarnaast constateren we dat de productie van vlees, vis en landbouwgrondstoffen in het algemeen, evenmin sociaal duurzaam zijn. Bovendien is de toeleveringsketen niet eerlijk. Veel (arme) mensen uit steeds meer landen hebben te maken met een grotere afhankelijkheid van handel in grondstoffen, volatiele grondstoffenprijzen, en verregaande concentratie op de markt. Indien daadwerkelijk eerlijke prijzen zouden worden betaald, dan zou de internationale handel veel duurder uitvallen. Een gebrek aan respect voor het leefmilieu gaat blijkbaar hand in hand met een gebrek aan respect voor sociale en economische rechten van landbouwers.
Afhankelijkheid
Wereldwijd zijn zowat 2,5 miljard mensen voor hun inkomen afhankelijk van de productie van landbouwgrondstoffen en zowat de helft daarvan moet leven van de export ervan. Van de 141 ontwikkelingslanden halen er 95 minstens de helft van hun exportinkomsten uit de uitvoer van grondstoffen naar andere landen, en zowat de helft van de Afrikaanse landen put meer dan 80% van zijn inkomsten uit export.[17] Het is duidelijk dat dergelijke afhankelijkheid van slechts enkele landbouwgrondstoffen (‘soft commodities’) resulteert in extreme afhankelijkheid van misoogsten, een lagere vraag of speculatie, wat ook meteen resulteert in een te laag inkomen. Vaak ontbreekt het in deze landen ook aan een sociaal vangnet, zodat prijsschokken niet kunnen worden opgevangen.
Volatiliteit op korte termijn, dalende trend op lange termijn
De grondstoffenprijzen kennen twee belangrijke problemen: volatiliteit op korte termijn, en te lage prijzen op lange termijn. Op korte termijn zijn de grondstoffenprijzen inherent onzeker en instabiel. We zien deze kortetermijnprijsvolatiliteit bij steeds meer grondstoffen. Soms tekenen we variaties op van 50% in één jaar tijd. Voor robusta koffie bijvoorbeeld schommelden de wereldmarktprijzen van 40% tot 195% van het gemiddelde (1983-1997). En de jongste 30 jaar tekenden zich evenveel prijsschokken bij grondstoffen als in de 75 jaar ervoor. Oorzaken zijn niet alleen een hogere vraag naar voedsel en de keuze voor de zogenaamde biobrandstoffen (zie hoger), maar ook de slechtere weersomstandigheden, mede veroorzaakt door de klimaatsverandering (waarvoor de Westerse landen de grootste verantwoordelijkheid dragen), de hoge olieprijzen, de speculatie op de grondstoffenmarkt en tot slot voedselonveiligheid. Daar waar enkele jaren geleden voor heel wat primaire landbouwgrondstoffen historische lage wereldmarktprijzen werden betaald, bereiken vandaag de prijzen van rijst of graan de afgelopen maanden recordhoogtes. De Doha-onderhandelingsronde van de WTO voorzag een prijsstijging van de grondstoffen met 5% over een periode van 10 jaar, maar vandaag stijgen de grondstofprijzen met 20 tot 100% over een periode van 2 jaar. We spreken dus beter van prijsschokken. Veel ontwikkelingslanden hebben niet de capaciteit om hieraan het hoofd te bieden.
Ondanks de huidige hoge wereldmarktprijzen, tekent zich op de lange termijn nog steeds een dalende trend af. Tussen 1862 en 1999 bedraagt de gemiddelde jaarlijkse daling van reële grondstoffenprijzen ongeveer 1% per jaar.[18] Die daling was in de jaren 1980 trouwens ingrijpender en langduriger dan in de crisisjaren van 1930.[19] De huidige hoge prijzen houden dan ook een gevaar voor verblinding. Het basisprobleem (volatiliteit) blijft immers en prijsschokken zijn nog steeds mogelijk (cf. de recente kredietcrisis in de VS). Dit neemt niet weg dat de langetermijndaling van de prijzen in de toekomst wel eens plaats zou kunnen maken voor een nieuwe trend, namelijk een prijsstijging voor essentiële landbouwgrondstoffen. Het is plausibel dat die stijging vooral ten goede zal komen van de grote voedingsconcerns, niet de kleine familiale boeren in het Zuiden. En dat heeft te maken met de groeiende machtsconcentraties.
Machtsconcentratie in de toeleveringsketen
Bij zowat alle landbouwgrondstoffen komt eenzelfde patroon terug: de markmacht van een zeer klein aantal, maar heel grote multinationals. Of het nu gaat om bananen, cacao, koffie, rijst of soja: de productieketen ziet eruit als een zandloper. Aan het begin van de keten tellen we heel veel kleine producenten, op het einde heel veel kleine consumenten. De productie zelf laten de grote ondernemingen graag over aan de vele, kleine producenten, gezien de risico’s van landbouw (weersafhankelijk, kleine winstmarges, weinig meerwaarde); alle andere schakels in de keten worden wél door hen gecontroleerd. Zo is het voor de kleinschalige koffieproducent erg moeilijk onderhandelen over prijzen wanneer de helft van de wereldkoffiemarkt in handen is van slechts vijf multinationale ondernemingen: Nestlé, Kraft, Procter & Gamble, Sara Lee en Tchibo[20]. Een BBC-reportage van 9 mei 2007 illustreert dit treffend[21]. De kostprijs van een kilo koffiebonen bedraagt 2,25 dollar maar veel Ethiopische koffieboeren ontvangen echter minder dan een dollar per dag. En wie weet dat met één kilo koffie uiteindelijk 80 kopjes koffie kunnen worden gezet, en men in ons land gemakkelijk 2 à 3 euro betaalt voor een kop koffie in een coffee shop of op restaurant, beseft dat vooral de tussenpersonen (de branders, de distributie) grote winsten boeken. De Westerse consument is blijkbaar bereid veel te betalen voor kleine volumes ("Senseo-trend") maar jammer genoeg komt deze meerprijs niet terecht bij de lokale producent. In consumptielanden is koffie een modedrankje geworden, in productielanden zorgden dalende prijzen voor een heuse koffiecrisis.
De productie van de meeste soft commodities is onvriendelijk voor mens en milieu. Zo wordt de meeste soja geteeld in Zuid-Amerika, waar de lokale boeren vaak geen formele landrechten bezitten voor het land waarop ze generaties lang gewassen verbouwen. Speculanten en grootgrondbezitters maken hiervan misbruik en zetten de kleine boeren van hun land, in het beste geval tegen een zeer lage vergoeding. Dikwijls wordt ook geweld gebruikt om de lokale bevolking te dwingen hun land af te staan. Voor de productie van soja is verder vaak sprake van moderne slavernij: de arbeiders moeten op de sojaplantages vaak verplicht, tegen een hongerloon, en onder slechte omstandigheden werken. Het aantal geregistreerde gevallen van slavernij nam in Brazilië in de periode van 1997-2003 toe van 19 naar 238.[22] Hetzelfde verhaal geldt voor de productie van cacao. Ook hier is de marktmacht in handen van een paar grote bedrijven. Schrijnend is de situatie in bijvoorbeeld Ivoorkust waar kinderen worden geronseld om op cacaoplantages te gaan werken, en waar ze vaak met geweld worden gedwongen om er zonder vergoeding te werken.[23] In 2001 tekenden in de VS alle grote chocoladeproducenten, op initiatief van senator Harkin en volksvertegenwoordiger Engel, een convenant waarin ze verklaarden vanaf 1 juli van dat jaar enkel nog slaafvrije chocolade te produceren.[24] Totnogtoe bracht geen enkele mainstreamproducent een gegarandeerd slaafvrije reep chocola op de markt. In Nederland werd in 2005 door het programma "Keuringsdienst van Waren" veel aandacht aan besteed aan (kind)slavernij in de cacaoketen. Zo was te zien hoe de journalist Teun van de Keuken van het tv-programma zichzelf in 2004 bij de politie aangaf. Uiteindelijk bracht de man op eigen initiatief een "100% slaafvrije" chocoladereep op de markt onder de merknaam "Tony’s Chocolonely".
Fair trade als handelsalternatief
Ontwikkelingslanden zouden voordeel kunnen halen uit de hogere prijzen voor landbouwgrondstoffen die vandaag worden opgetekend. Alleen heeft de privatisering van landbouwmarkten en voedselreserves, opgelegd door de Wereldbank en door handelsregels van de WTO of de EU, ervoor gezorgd dat veel ontwikkelingslanden niet meer beschikken over de nodige institutionele mechanismen zoals aanbodbeheersing, fiscaliteit, subsidiepolitiek of prijscontrole voor een aangepast voedsel- en landbouwbeleid. Veel van die landen hebben door vrijhandelsovereenkomsten ook het recht verloren om hun eigen landbouwproductie te beschermen. Dat kleinschalige landbouw de beste manier is om voedsel te produceren, is een idee die steeds meer terrein wint. Het World Development Report 2008 van de Wereldbank stelt dat BNP-groei door landbouw effectiever is om hogere inkomens van extreem arme mensen te bekomen dan BNP-groei door andere sectoren. De Wereldbank pleit in dat rapport verder voor meer investeringen in kleinschalige landbouw in het Zuiden, het ontwikkelen van netwerken van kleinschalige landbouworganisaties en het ondersteunen van die netwerken. Hierdoor kunnen ze meer politieke en marktmacht bekomen en hoeven ze niet alle inkomsten uit (vooral) de handel met het Noorden te halen.
Een alternatief handelsmodel zoals fair trade kan de strijd voor kwaliteitsproducten (gezonder en milieuvriendelijker, vaak biologisch) verbinden aan de strijd voor eerlijke toeleveringsketens. Fair trade is een handelsconcept dat zich richt op kleinschalige gemarginaliseerde producenten, vooral in het Zuiden. Bij fair trade is de prijs die wordt betaald aan de lokale producent uit het Zuiden steeds hoger dan de wereldmarktprijs, en de handelsovereenkomsten bevatten ook een minimumprijsgarantie. Daarnaast gaat het bij fair trade vooral om langlopende verbintenissen die de volatiliteit van de wereldmarktprijzen overleven. De algemene principes van fair trade zijn[25]: democratische organisatie van de landbouwcoöperaties, erkende vakbonden, geen kinderarbeid, gendergelijkheid, menswaardige arbeidsomstandigheden, milieuvriendelijke productiemethoden, prijzen die meer dan de productiekosten dekken, sociale premies voor collectieve projecten, en zoals eerder gesteld, langlopende handelsrelaties. Fair trade draagt dus bij tot duurzame ontwikkeling van het Zuiden.
Voedselkilometers of faire kilometers?
Voor voedselproducten in de winkelrekken belanden, hebben ze vaak flink wat kilometers afgelegd en ook de toelevering aan de landbouwbedrijven slorpt heel wat kilometers op. Dat zorgt voor schade aan het milieu. Op deze manier zijn de voedselkilometers een aanwijzing voor de klimaatimpact van de producten en het concept kan duidelijk consumenten wakker schudden over het onnodige transport dat voedsel in bepaalde gevallen moet ondergaan. Toch schieten voedselkilometers tekort om een correcte maatstaf te zijn voor de duurzaamheid van producten. Niet alle afgelegde kilometers hebben immers een even grote milieu-impact. Zo heeft luchtverkeer een veel hogere milieu-impact dan transport per boot. Fairtradeproducten worden in de regel nooit met het vliegtuig vervoerd.
In bepaalde gevallen is het niet het transport dat de grootste milieudruk veroorzaakt, dan wel de eigenlijke landbouwproductie: zo hebben tomaten uit het Noorden (geteeld in oliegestookte serres) soms een grotere CO2-uitstoot dan geïmporteerde tomaten uit het Zuiden (ondanks de vele voedselkilometers). Onnodige voedselkilometers zijn bovendien zeker geen exclusief Noord-Zuidprobleem. Ook binnen Europa (of zelfs binnen een land) leggen voedselproducten onnodig veel kilometers af vooraleer ze in de winkel belanden. Zo toonde een ondertussen heel beroemde transportanalyse uit begin 1993 van Stefanie Böge van het Duitse Wüppertal Instituut dat een potje aardbeienyoghurt eigenlijk al 8.000 vrachtwagenkilometers - voornamelijk in eigen land - heeft afgelegd vooraleer het in de winkelrekken in Stuttgart belandt[26]. Het merendeel van de ingrediënten en de grondstoffen voor het verpakkingsmateriaal zouden evengoed uit de onmiddellijke omgeving van Stuttgart kunnen worden aangeleverd, maar door de relatief lage transportkosten spelen de afstanden nauwelijks een rol in de beslissingen over productiestructuren. Vervoer over de weg wordt als het ware gesubsidieerd door de samenleving.
Een ondoordacht gebruik van voedselkilometers als beleidsinstrument zou de handel met het Zuiden (en bijhorende ontwikkelingskansen) kunnen afremmen. Het netto ecologische effect zou dan wel nog eens slechter kunnen uitdraaien. Voedselkilometers zijn vaak ook het gevolg van de lage lonen in het Zuiden, en net op dit punt verschillen de doelstellingen van de fairtradevoedselkilometers fundamenteel van die van de klassieke commerciële bedrijven. Beter is een allesomvattende benadering van de duurzaamheid van voedselproductie- en consumptie, bijvoorbeeld via levenscyclusanalyses.
Barrières voor een duurzamere voedselconsumptie
Het hierboven geschetste summiere overzicht illustreert de noodzaak om alleen van vanuit ecologisch standpunt te zorgen voor een verregaande matiging van de westerse vlees- en visconsumptieniveaus. Naast minder vlees en vis, kiest men best zoveel mogelijk voor seizoensgebonden groenten en lokaal geteelde producten. Tot slot zijn biologisch geteelde producten en fairtradeproducten ook duurzame keuzes. Indien we de hele wereldbevolking voldoende voedsel wensen te verschaffen zonder het ecosysteem Aarde in gevaar te brengen, dan volstaat een politiek van hogere productie immers niet (langer). Verspilling tegengaan en meer efficiënt consumeren zullen deel uitmaken van een duurzame strategie. Die boodschap wordt door velen niet gesmaakt. Voeding (vanaf nu "vleesconsumptie") wordt immers beschouwd als een individuele keuze; het geldt als iets dat behoort tot de privésfeer. Inmenging wordt dan ook niet makkelijk geaccepteerd. Die visie is evenwel achterhaald. In een volle wereld is de vrijheid van de ene om mateloos te (over)consumeren de onvrijheid van de andere. Om te komen tot een matiging van de westerse vleesconsumptie en om gemakkelijker over te schakelen naar biologische en/of fair tradeproducten zal men alleszins origineel uit de hoek moeten komen. De barrières zijn hier immers hardnekkig. In wat volgt bekijken we kort deze barrières, vooral dan op het vlak van vlees- en visconsumptie (vanaf nu "vleesconsumptie" in deze tekst) én fairtradeproducten.
Gedrag. Op het individueel gedragsniveau stellen we vast dat vlees relatief dominant is in onze keuken. Vegetarisme is nog steeds een randfenomeen in België en wordt door velen gepercipieerd als een "radicale" keuze. Zoals we al stelden zijn Belgen zowat koplopers in Europa op het vlak van vleesconsumptie. Nochtans hebben veel Belgen niet de indruk van zichzelf dat ze heel vleesrijk eten. Dat heeft veel te maken met een gebrek aan kennis over de gevolgen van vleesconsumptie en met de gangbare culinaire routines. Eetpatronen liggen vaak sinds jaar en dag vast. Sommige gezinnen hebben zelfs vaste menu’s op welbepaalde dagen (woensdag frieten met steak, zaterdag spaghetti bolognaise, vrijdag vis, of andere). Ze eten vaak zo omdat hun ouders dat ook al deden. Gewoontes maken, zoals al eerder gesteld, het leven eenvoudiger. Weinigen onder ons koken elke dag met een kookboek in de hand; we baseren ons op wat we al lang kennen. Een van de grote boosdoeners in het Belgische dieet is de "charcuterie" die de vleesconsumptie drastisch verhoogt. Toch is een eetcultuur niet statisch.[27] De Belgische voedingspatronen zijn reeds gewijzigd onder invloed van het steeds vernieuwende aanbod in winkels, met elementen uit exotische keukens. Ook de huidige maatschappelijke context, waarin veel vrouwen buitenshuis werken, heeft de eetgewoontes veranderd. Dit toont aan dat ook andere eetstijlen kans maken in de toekomst.
Attitude. Op het attitudinaal-intentioneel niveau vinden we een aantal tegenstrijdige evoluties. Steeds meer mensen zeggen dat ze "niet veel vlees eten" of "minder vlees willen eten". In praktijk is daar vooralsnog weinig van te merken. Dit is ten dele te wijten aan een perception gap: enerzijds eten Belgen meer vlees dan ze zich realiseren, anderzijds schatten ze een overschakeling naar ander dieet in als een tijdsrovende, moeilijke en dure onderneming. Een drempel om meer fairtradevoeding te kopen is vaak de prijs, terwijl tegelijkertijd dure niet-fairtradechocolademerken of zoals hoger uitgelegd, dure kopjes modekoffie nog nooit zo goed hebben verkocht. Een andere barrière op dit niveau is dat voeding en vlees eten als een privé-aangelegenheid worden beschouwd. Bovendien geloven velen niet dat een duurzaam voedingspatroon effectief een positief element kan betekenen in een mondiale problematiek als de globale opwarming. Fair trade boekt wereldwijd double digit groeicijfers, maar het aandeel van fair trade in de globale voedselproductie bedraagt geen 1%, en vaak denken mensen dat fair trade geen groot verschil kan beteken. We spreken in dit verband over een lage graad van perceived behavioural control.
Wereldbeeld. Ook op het subjectief-collectieve niveau zijn er vele barrières die worden opgeworpen. Het westerse antropocentrisme manifesteert zich duidelijk in de eetcultuur. Het verband tussen dierenrechten en vleesconsumptie wordt weinig in aanmerking gebracht in de keuze van een bepaald voedingspatroon. Het beschouwen van een dier als een "product" is vrij algemeen aanvaard. De voeling met het dier achter de populaire biefstuk of entrecôte is zeer klein. Wel kunnen we stellen dat er een gezondheidshype opgang maakt wat onze leef- en eetstijl betreft. Die hype hangt samen met de verschuiving van curatieve naar preventieve gezondheidszorg en met de popularisering van medische kennis. Steeds meer vindt de idee ingang dat een te hoog cholesterolgehalte in het bloed of een te hoge score op de Body Mass Index, tot de persoonlijke verantwoordelijkheid behoren. Enerzijds wordt nu aanvaard dat een teveel aan rood vlees leidt tot een verhoogde kans op hart- en vaatziekten.[28] Anderzijds kwam de kip in diskrediet naar aanleiding van de dioxinecrisis. In die context is vegetarisme de manier geworden van een aantal cultural creatives om om te gaan met de huidige calorie- en gezondheidsobsessie. Voor anderen is het eerder een kwestie van identiteitscreatie en lifestyle. Diezelfde gezondheidshype zorgt anderzijds voor een verhoogde populariteit van vis als alternatief voor vlees.
Vandaag de dag wordt vlees desondanks nog steeds gezien als inherent noodzakelijk in ons voedingspatroon. Geen vlees eten staat gelijk aan zich uithongeren of zich iets ontzeggen. Een vaak aangebracht argument is het volgende: "Ik werk hard dus ik moet wel vlees eten, waar haal ik anders de nodige energie vandaan?" Een plantaardig voedingspatroon wordt verondersteld te leiden tot verzwakking en ziekte. De oplossing voor ziekte of vermoeidheid is voor velen nog steeds het eten van "een goede biefstuk". Mogelijk hebben jongere generaties die boodschap meegekregen van de grootouders die in oorlogstijd ondervoeding hebben gekend. Heden ten dage is het voedselaanbod echter ruim genoeg om andere, gezondere voedingsgewoontes aan te nemen, met minder of zelfs zonder vlees.
Fairtradeproducten worden dan weer vaak als minder kwalitatief beschouwd, en in het verre verleden hadden fairtradeorganisaties daar inderdaad minder aandacht voor. Het sociale en economische voordeel voor de producent uit het Zuiden primeerde. Vandaag besteedt men wel veel aandacht aan kwaliteit van de producten. Zo kunnen heel wat fairtradewijnen bijvoorbeeld de smaaktoets met gangbare wijnen zeker doorstaan. Maar het cliché van slechte kwaliteit blijft bij sommige mensen toch nog hangen. Een veranderde levensstijl maakt ook dat het aanbod in de lokale wereldwinkels voor de ‘hardwerkende tweeverdieners’ niet bereikbaar is. Zij kopen hun voeding liever in de supermarkt, die elke dag tot acht uur ‘s avonds open blijft. Veel mensen weten ook niet dat fairtradeproducten in de meeste supermarkten tot het courante aanbod behoren. Winkelketen Colruyt bijvoorbeeld biedt in zijn grotere filialen tot 40 Oxfam Fairtradeproducten aan.
Structuur. Op het structurele niveau bevinden zich eveneens een heel scala aan barrières. Vlees is feitelijk heel goedkoop in verhouding met de reële kosten die vleesproductie en -consumptie veroorzaken. Hetzelfde geldt voor de landbouwproducten uit de mainstreammarkt. Indien externe kosten zouden worden geïnternaliseerd dan zouden vlees of niet-fairtradeproducten voor velen een schier onbetaalbaar product worden. Regionale, biologische, plantaardige en fairtradevoeding zou dan in principe veel goedkoper zijn, iets dat we in het huidige systeem niet aan de kassa merken. Op politiek niveau zijn de ernst en de urgentie van de milieu- en gezondheidskost van excessieve vleesconsumptie nauwelijks doorgedrongen.[29] Bovendien durven maar weinig politici hun politieke toekomst op het spel te zetten door veranderingen voor te stellen inzake het bijsturen van onze (onduurzame en onrechtvaardige) levensstijl. Nochtans is het aan de overheid om het kader te creëren waarin duurzame keuzes systematisch bevoordeeld worden en onduurzame keuzes worden benadeeld.
Welke strategie voor een meer duurzame voedselconsumptie?
Uit het voorgaande wordt duidelijk dat organisaties of instellingen die een gedragswijziging willen teweegbrengen hun instrumentarium en communicatiestrategie uitermate omzichtig moeten bepalen. Indien de boodschap verkeerd wordt gebracht is de kans groot dat ze enkel weerstand oproept en dat ze voortaan in dovemansoren valt. Twee interessante voorbeelden van een weloverwogen en succesvolle aanpak, zijn die van het EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief) en die van OWW (Oxfam-Wereldwinkels). Beiden spelen via een combinatie van activiteiten en publicaties in op de voorgenoemde vier E’s en hebben een aantal doelstellingen en voorstellen om deze E’s nog verder in te vullen.
EVA vzw
Hieronder geven we een (niet-exhaustief) overzicht van hoe EVA de strategie van de 4 E’s concretiseert.
Enable. Op dit niveau verspreidt EVA op een bevattelijke manier kennis. Die kennisverspreiding varieert in vorm en graad van speelsheid afhankelijk van het doelpubliek. Zo heeft EVA een eigentijdse website met informatie, interessante links en een ruime activiteitenagenda. Het EVA-magazine maakt ook een verfijnde mix van informatieve en recreatieve artikels en bijdragen. Op regelmatige basis vinden er lezingen en discussies plaats over allerlei aspecten van vegetarisme (gezondheid, dierenrechten, voedselvoetafdruk, klimaat, et cetera). Ook hier vinden we veel variatie in de aanpak, zo getuige bijvoorbeeld een café-lezing met vegetarische hapjes, die ludiek werd aangekondigd als "Leuven goes veggie". Aangezien gedragsverandering niet lineair volgt uit sensibilisering, speelt EVA tegelijk in op hardnekkige routines en gewoontes. Een voorbeeld van een initiatief met dit doel is de introductie van Donderdag Veggiedag. De analogie van Vrijdag Visdag, een traditie die haar oorsprong heeft in de christelijke leer, bezorgt het initiatief een naam die herinnerd wordt. In het jargon wordt dit ook wel de stickiness factor genoemd. Interessant aan dit initiatief is dat EVA er voor koos om een matiging van de vleesconsumptie te promoten, in plaats van een veralgemeend vegetarisme. De redenering hierachter is dat deze oproep ruimer ingang kan vinden en dat deze mogelijk een spillover-effect kan veroorzaken. Die omzichtige aanpak wordt echter achterwege gelaten in de B to B communicatie. EVA communiceert heel open over de impact van vleesconsumptie met experts op het vlak van voeding, zoals contactpersonen in kokscholen met het oog op de omvorming van curricula tot duurzamere niveaus.
In de toekomst zou er gewerkt kunnen worden aan de beschikbaarheid van vegetarische maaltijden op restaurants, scholen, bedrijven en aan het aanbod van vegetarische producten in winkels. Indien men de onduurzame routines van mensen wil veranderen, is het namelijk in de eerste plaats belangrijk dat er een vlot toegankelijk en aantrekkelijk alternatief aanbod voorhanden is.
Onze attitudes worden mee bepaald door de kennis die wij met de paplepel worden meegegeven. Op de meeste scholen worden kinderen bijvoorbeeld ingelicht over een evenwichtig voedingspatroon aan de hand van het "klavertje vier", waarin aan deegwaren, melkproducten, vlees, en groenten en fruit een gelijk gewicht wordt toebedeeld. Alternatieve pedagogische tools kunnen tonen dat er alternatieve producten zijn en dat sommige voedingsstoffen eigenlijk gezonder én meer verantwoord zijn wanneer ze slechts in beperkte mate worden gecunsumeerd.
Exemplify. Op dit niveau poogt EVA Donderdag Veggiedag in overheidsinstellingen en scholen te introduceren. Indien dit initiatief ingang zou vinden in scholen, dan zou dat heel belangrijke educatieve en effectieve gevolgen kunnen hebben op jongeren en hun omgeving. Tegelijk stellen we echter vast dat de media hier niet behulpzaam zijn of althans een heel ambigue rol spelen. Hoewel ondertussen bekend is dat de vleesconsumptie een grote klimaat- en gezondsheidsimpact heeft, ziet de openbare omroep er blijkbaar geen graten in om pakken belastingsgeld uit te geven om de vleesconsumptie te promoten. Campagnes als "Verrassend Varkensvlees", "Rundvlees van bij ons, gecontroleerd van riek tot vork" of "Meesterlyck, eerlijke charcuterie" worden met de regelmaat van de klok op tv-kijkers losgelaten. Deze VLAM-promotiefilmpjes worden handig verpakt als ’boodschap van algemeen nut’ alsof ze belangrijke én objectieve informatie verstrekken. Sociologisch onderzoek toont dat dit type van inconsistentie catastrofaal is om duurzame gedragswijzigingen te creëren.
Encourage. Op dit niveau kan de overheid in principe een belangrijke rol spelen. Eén van de ideeën is om het prijsstelsel te hervormen door kosten te internaliseren en duurzame keuzes fiscaal aan te moedigen (verlaagd btw tarief voor biologische of vegetarische voeding). EVA heeft niet de capaciteit om hier een concrete of krachtige rol te spelen aangezien het op dit niveau gaat om structurele maatregelen. In het beste geval verricht EVA hier lobbywerk om het probleem én bovenstaande voorstellen onder de aandacht te brengen. Het spreekt voor zich dat men hier botst op de particuliere belangen van bepaalde, niet nader genoemde organisaties.
Engage. Op dit niveau combineert EVA tal van activiteiten en initiatieven. De twee kernboodschappen hier zijn dat mensen betrokken moeten worden bij veranderingsprocessen en dat het belangrijk is hen te enthousiasmeren voor het einddoel en hun eigen bijdrage hierin. EVA betrekt mensen in de eerste plaats bij de verandering van voedselpatronen door het aanbod van een lidmaatschap. In feite is dit initiatief gelijkaardig aan de poging om mensen te binden aan een merk. Lidmaatschap geeft mensen het gevoel dat ze tot een sociale groep behoren met een gelijke interesse, gesymboliseerd via een tastbare lidkaart. Het enthousiasme van andere gelijkgestemden werkt aanstekelijk, en het geeft het gevoel dat men impact kan hebben omdat men niet alleen is. Zoals we hierboven reeds duidden is het cruciaal dat mensen geloven zelf impact te kunnen hebben op een veranderingsproces (perceived behavioural control). Het open aanbod van EVA-webmail met mailadressen die eindigen op @vegetarisme.be is een gelijkaardig initiatief: dergelijk adres bevat een subtiele maatschappelijke boodschap die een beetje uitdaagt en nieuwsgierig maakt. Daarbij komt nog dat de lidkaart goedkoop is, dat men er tegelijk een abonnement bij krijgt op het EVA magazine en korting krijgt in een heel aantal restaurants. Dat laatste aspect is één van EVA’s pull factoren, de aspecten in de deelname aan een transitie die aantrekkelijk zijn of een voordeel opleveren. Andere pull factoren zijn bijvoorbeeld dat wetenschappelijke studies aantonen dat een vegetarisch voedingspatroon gezonder is dan een klassiek westers dieet[30], dat in sommige sociale middens - de cultural creatives - vegetarisme als trendy wordt beschouwd, en dat het bijdraagt aan meer dan één goed doel (meer rechtvaardige Noord-Zuid relaties, een gezondere leefwereld, dierenwelzijn, en intergenerationele rechtvaardigheid).
Ook voor het enthousiasmeren van mensen kiest EVA verschillende paden. Zo organiseert EVA bijvoorbeeld regelmatig vegetarische kooklessen. Korte actieve en praktische cursussen zijn relatief populair tegenwoordig. Het grote voordeel van de lessen is dat ze de perception gap verkleinen: vegetarisch koken hoeft niet noodzakelijk complexer, tijdsrovender, duurder of minder aantrekkelijker te zijn, maar kan evenzeer eenvoudig, snel, goedkoop én lekker. Ook het EVA magazine enthousiasmeert men zijn hoog lifestylegehalte, en de soms subtiel erotiserende foto’s (sex sells). In elk nummer doet bovendien een zogenaamde veggie ambassadeur, een zeer bekend en geliefd persoon, uit de doeken waarom hij/zij vegetariër is. Ten slotte heeft EVA begrepen dat verandering plezant moet zijn: een initiatief als "Lachen met vegetariërs" (dit is een avond waarop EVA-leden TV-series bekijken over de geneugten en lasten van het vegetarisme), of het "Veggie café" (gewoon eens vegetarische pinten drinken) zijn daar voorbeelden van.
Oxfam Fair trade en Oxfam-Wereldwinkels (OFT-OWW)
Hieronder geven we een overzicht van hoe OFT-OWW de strategie van de 4 E’s concretiseert. Oxfam Fair trade is een cvba en een groothandel in voedingsproducten uit de eerlijke handel. Oxfam-Wereldwinkels is een vzw en een democratische vrijwilligersbeweging die fair trade hoog op de politieke en maatschappelijke agende wil plaatsen.
Enable. Oxfam-Wereldwinkels verkoopt niet alleen fairtradeproducten; samen met het product krijgt de consument ook de fairtradeboodschap mee. Oxfam-Wereldwinkels tracht dit steeds te doen op een bevattelijke manier. De verpakking en het etiket op het product is tegelijk een communicatietool: men vindt er steeds de foto van een lokale producent terug, en meer uitleg over de sociale, economische en ecologische voordelen van fair trade. Ook op de website van OFT en van Oxfam-Wereldwinkels vindt de consument informatie over de beweging. Wie wil, kan zich abonneren op het tweemaandelijkse magazine W2 (print) of de maandelijkse nieuwsbrief Digizine over acties, promoties en de actualiteit (elektronisch). Hierbij worden de vaak technische en dus moeilijke thema’s van wereldhandel, grondstoffen, duurzame landbouw en klimaatverandering, en de derdewereldproblematiek bevattelijk weergegeven, en dat in een mix met artikels over aantrekkelijke activiteiten in Vlaanderen. De vrijwilligers kunnen kiezen uit een ruim gamma aan workshops, zowel over het winkelaspect en warenkennis als over internationale handel, grondstoffenproblematiek en globale opwarming. De lokale groepen organiseren laagdrempelige activiteiten, gaande van wijnproeverijen, over deelname aan de jaarlijkse Klantendag, tot politieke debatten. Tot slot beseft Oxfam-Wereldwinkels dat de consument die fair trade koopt vaak ook de consument is die biologische voeding belangrijk vindt. Het fairtradekeurmerk kan inzake leefmilieu zeker de vergelijking met andere leefmilieulabels aan, en bovendien kiest Oxfam-Wereldwinkels vaak voor producten die zowel fair trade als biologisch zijn (1/3 van de Oxfam Fairtradeproducten is geteeld volgens de criteria van de biologische landbouw).
Exemplify. Oxfam-Wereldwinkels voert in Vlaanderen jaarlijks actief campagne met het hoogtepunt op de Internationale Dag van de Fair Trade. Dit jaar werd gebruik gemaakt van een virale campagne die de nieuwsgierigheid wekte van de internaut. Overal in het land, maar ook heel ver daarbuiten (Frankrijk, Egypte, Zuid-Afrika) waren magentakleurige stoelen te zien, en foto’s daarvan werden op een weblog geplaatst, zonder dat men kon te weten komen wie achter deze mysterieuze actie zat. De stoel werd ook in televisieprogramma’s subtiel in beeld gebracht. Pas op 5 mei 2008 werd bekend gemaakt dat OFT-OWW achter deze actie zat. De roze stoel stond symbool voor de plek aan de onderhandelingstafel in internationale organen die beslissen over het leven van miljoenen producenten in het Zuiden. OFT-OWW werkt ook mee aan een langdurige campagne om fairtradeproducten ingang te doen vinden bij de gemeentelijke en provinciale overheden. Met de "Ik ben verkocht"-campagne slagen de initiatiefnemers erin om tal van gemeentebesturen te laten ijveren voor de titel van ‘fairtradegemeente’. Die geeft aan dat de gemeente fairtradehandel en duurzame landbouw een warm hart toedraagt en er ook effectief werk van maakt. Zo legt de gemeente zichzelf op voor een aantal producten fairtradecriteria in de aankoopbestekken (meestal wijn, koffie en fruitsap). Een gelijkaardige campagne (‘Deze school is verkocht’) richt zich op scholen en leerlingen. Beide campagnes zorgen er ook voor dat lokale overheid of school regelmatig communiceren over fair trade en duurzame landbouw.
Encourage. Net als voor het promoten van een minder vleesrijk dieet, geldt ook hier dat de overheid in principe een belangrijke rol kan spelen. Eén van de gangbare ideeën is om het prijsstelsel te hervormen door kosten te internaliseren en duurzame keuzes fiscaal aan te moedigen (vb. verlaagd btw-tarief voor fairtradeproducten). Voor OFT-OWW is het echter belangrijk dat de consument beseft wat het prijsverschil met gangbare producten betekent (de lokale producent die onder kostprijs moet produceren) en in de communicatie wordt ook steeds uitgelegd dat het prijsverschil ten goede komt aan de producent in het Zuiden en niet aan de machtige multinationale tussenschakels in de toeleveringsketen. Belangrijker is een wettelijk kader voor fair trade, naar analogie met biologische voeding. Zoals hierboven geschetst, heeft de consument de keuze tussen tientallen verschillende labels, die verschillende milieu- en sociale criteria claimen. Dit is erg verwarrend voor de consument, die van consumentenorganisties als Test-Aankoop maar vooral van de overheid meer eenvoud en transparantie in dit labelwoud verwacht. Los daarvan is er sprake van ‘kapers op de kust’. Door het groeiende succes van fair trade wordt dit voor bedrijven een erg interessante nichemarkt. Er worden dan ook andere labels gelanceerd die dikwijls wel een hoger tarief voor het product inhouden, maar waarbij het prijsverschil niet altijd ten goede komt van de producent in het Zuiden. Dit ondergraaft de geloofwaardigheid van het fairtradeconcept. Een wettelijk kader zou dan ook zowel de consument in het Noorden als de producent in het Zuiden garanties bieden. Oxfam-Wereldwinkels verricht hier heel wat lobbywerk om het probleem én de bovenstaande voorstellen gerealiseerd te krijgen. Ook hier botst men op de particuliere belangen van andere organisaties met andere doelstellingen.
Engage. Om het thema van rechtvaardige handel in en duurzame productie van landbouwgrondstoffen nog beter op de politieke agenda te plaatsen, denkt Oxfam-Wereldwinkels momenteel aan het opstellen en versturen van een elektronische nieuwsbrief, specifiek gericht op lokale, Vlaamse en federale beleidsmakers, ambtenaren en politici. Zoals hierboven al meermaals is aangeduid, is het bovendien cruciaal dat mensen geloven zelf impact te kunnen hebben op een veranderingsproces (perceived behavioural control). OFT-OWW betrekt mensen in de eerste plaats bij de verandering van voedselpatronen via het verkopen van fairtradeproducten. Door het uitbouwen van een aanbod aan kwalitatieve voedingsproducten overtuigt Oxfam Fairtrade de consument dagelijks van de meerwaarde van eerlijke handel. De fairtradeproducten zijn te vinden in de Vlaamse maar ook Waalse wereldwinkels en in steeds meer supermarkten. Ook grootkeukens, horeca, onderwijsinstellingen, overheden en bedrijven vinden in toenemende mate de weg naar Oxfam Fairtrade. De boodschap is eenvoudig: telkens men een wereldwinkelproduct koopt, helpt men de producent in het Zuiden een stapje verder. Bovendien steunt Oxfam-Wereldwinkels op een democratische vrijwilligersbeweging; iedereen die achter de doelstelling van de beweging staat, kan vrijwilliger worden en krijgt een stem binnen de beweging. Op nationaal niveau zijn er werkgroepen en commissies waar vrijwilligers en beroepskrachten samen beleid maken en uitvoeren. Ook de nationale Raad van Bestuur is samengesteld uit vrijwilligers. Dergelijke brede en succesvolle beweging (7.606 vrijwilligers actief in 210 lokale wereldwinkels) laat mensen duidelijk zien dat ze met hun vrijwilligersengagement behoren tot een sociale groep met een gelijke interesse.
Oxfam-Wereldwinkels heeft ook het belang van pull factoren ingezien: de aspecten in de deelname aan een transitie die aantrekkelijk zijn of een voordeel opleveren. Onlangs sloot de fairtradeorganisatie een samenwerkingsakkoord met Rode Kruis Vlaanderen. Deze organisatie bedankt haar bloed- en plasmadonoren steeds met een symbolisch geschenkje: het zogenaamde ‘dank u’-bonnetje. Donoren kunnen vanaf 1 april 2008 na elke afname hun bonnetje omruilen of opsparen voor Oxfamproducten. Beide organisaties willen met deze overeenkomst benadrukken dat zowel de bloeddonor als de Oxfam-Wereldwinkelsmedewerker zich onbezoldigd inzetten voor een betere wereld. Vrijwilligers van het Rode Kruis zijn niet noodzakelijk vertrouwd met het fenomeen ‘eerlijke handel’, en omgekeerd kennen vrijwilligers van Oxfam-Wereldwinkels niet altijd de brede waaier van activiteiten en inzet van het Rode Kruis.
Om fairtradeproducten nog aantrekkelijker te maken, denkt Oxfam-Wereldwinkels momenteel na over nieuwe verkoopsconcepten, zoals een webwinkel, een fair trade coffeeshop of een flagship store. Oxfam-Wereldwinkels denkt ook na over andere pull factoren zoals communicatie rond de ecological footprint van hun fairtradeproducten. Eerdere berekeningen tonen aan dat producten met het fairtradekeurmerk - dankzij de leefmilieucriteria die dergelijke keurmerk opleggen - een veel lagere ecologische voetafdruk hebben dan gangbare producten uit de wereldhandel. Vaak halen fairtradeproducten zelfs een lagere voetafdruk van de lokaal geteelde voedingsproducten hier in het Westen.
Ook voor het enthousiasmeren van mensen kiest Oxfam Fairtrade voor klassieke marketingmechanismen, en de organisatie aarzelt niet om hierbij een erotische dubbele ondertoon te gebruiken (sex sells, heeft ook OFT begrepen). De bekende fotografe Lieve Blancquaert bracht in 2005 en in 2006 bekende Vlamingen en Walen op een niet alledaagse manier voor de lens voor een prikkelende affichecampagne. De boodschap is duidelijk: fair trade is alomtegenwoordig en toegankelijk voor elke consument.
Slot
Uit het voorgaande is gebleken dat er heel wat schort aan de hedendaagse voedingssector. De duurzaamheidstransitie op het vlak van wat en hoe we eten zal vooral gevoed moeten worden met gedragsmatige evoluties. Hoewel niet onbelangrijk zijn technologische aspecten in dit geval minder relevant. Gedragswijziginge moeten evenwel ondersteund worden door een consistent en integraal overheidsbeleid. De grote uitdaging zal er in bestaan om duidelijk te maken dat regionale, seizoensgebonden, vleesarme en fairtradevoedingspatronen niet alleen gezonder en rechtvaardiger maar ook beter voor het milieu zijn. Organisaties uit het maatschappelijk middenveld kunnen dit proces bespoedigen door op een creatieve, doordachte en originele manier uit de hoek te komen.
***
Bio’s auteurs
Peter Tom Jones (1973) is Burgerlijk Ingenieur Milieukunde, Doctor in de Toegepaste Wetenschappen en werkzaam als post-doctoraal onderzoeker aan de KULeuven. Hij is o.a. co-auteur van Terra Incognita: Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid (Gent, 2006/2007) en Het Klimaatboek: Pleidooi voor een ecologische omslag (EPO, Berchem, 2007). Zie ook www.petertomjones.be.
Vicky De Meyere (1980) is antropologe/politicologe en werkt voor het Project ‘Cultuur en (geestelijke) Gezondheid’ aan het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg in Brussel. Zij is auteur van diverse artikels inzake ecologie, ethiek en gedragsveranderingen.
Els Keytsman (1972) is gegradueerde in Bedrijfsmanagement en licentiate in Toegepaste Economische Wetenschappen en werkt voor Oxfam-Wereldwinkels als diensthoofd van de politieke dienst. Met Peter Tom Jones schreef ze Het Klimaatboek: Pleidooi voor een ecologische omslag (EPO, Berchem, 2007). Met Tom Kestens (frontman van Lalalover) en Serge de Gheldere (klimaatambassadeur voor Al Gore in België en bedrijfsleider) richtte ze People for Earth op.
[1] Tukker, A. (ed.), System Innovations for Sustainability 1: Perspectives on Radical Changes to Sustainable Consumption and Production, Sheffield, 2008.
[2] FAO, Food Outlook, Table 8 World meat markets at a glance. November 2007.
[3] Food and Nutrition Board, Dietary Reference Intakes for Energy, Carbohydrate, Fiber, Fat, Fatty Acids, Cholesterol, Protein, and Amino Acids. September 2005.
[4] In België drukt men de dagelijkse hoeveelheid eiwitten uit in % van de totale energie- of calorie-opname, zijnde 10%. De aanbevolen hoeveelheid bedraagt 10%, de gemiddelde Belg (15j en ouder) neemt dagelijks 16,3% in. (Bron: Hoge Gezondheidsraad, Voedingsaanbevelingen voor België, 2006).
[5] Brown, L., ‘The Soybean Factor’, in: Outgrowing the Earth: The Food Security Challenge in an Age of Falling Water Tables and Rising Temperatures. Earth Policy Institute, 2004.
[6] Nederlandse Sojacoalitie, ‘Soja doorgelicht. De schaduwzijde van een wonderboon.’, februari 2006.
[7] Nature, ‘A fresh approach to water’, Nature, 452, 2008, 253.
[8] Hiermee bedoelen we niet, voor alle duidelijkheid, dat iedereen dan maar moet overstappen naar een dieet louter op basis van aardappelen.
[9] Voor een meer gedetailleerd overzicht van deze cijfers zie Jones, P.T., Jacobs, R., Terra Incognita: Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid, Gent, 2007.
[10] Steinfeld, H., et al., Livestock’s Long Shadow, FAO, 2006.
[11] Fiala, N., ‘Meeting the demand: An estimation of potential future greenhouse gas emissions from meat production’, Ecological Economics, 2008 [doi:10.1016/j.ecolecon.2007.12.021].
[12] York, R., Gossard, M.H., ‘Cross-national meat and fish consumption: exploring the effects of modernization and ecological context’, Ecological Economics, 48, 2004, 293-302.
[13] Halweil, B., Nierenberg, D., ‘Meat and Seafood: The Global Diet’s Most Costly Ingredients’, in: 2008 State of the World: Innovations for a Sustainable Economy, WorldWatch Institute, 2008, 61-74.
[14] Worm, B., et al., ‘Impacts of biodiversity loss on ocean ecosystems services’, Science, 314, 787-790.
[15] Ibidem., p. 61
[16] Zie bv. Rosenberg, A.A., ‘The price of lice’, Nature, 451, 2008, 23-24.
[17] Mchumo, A., statement op de 11de vergadering van de Intergouvernmental Follow-up and Coordination Committee on Economic Cooperation among Develop Countries (IFCC-XI), Common Fund for Commodities, Havana, Cuba, 21-23 maart 2005.
[18] Zie bv. Brown, O. en Gibson, J, ‘Boom or Bust. Developing countries’ rough ride on the commodity price rollercoaster’, IISD, oktober 2006.
[19] Maizel, A., geciteerd in ‘Economic Development in Africa. Trade Performance and Commidity Dependence’, UNCTAD, New York en Genève, februari 2004.
[20] Zie bv. Brown, O. en Gibson, J, Boom or Bust. Developing countries’ rough ride on the commodity price rollercoaster", IISD, oktober 2006.
[21] BBC World, "The Cost of...", 9 mei 2007.
[22] Nederlandse Sojacoalitie, ‘Soja doorgelicht. De schaduwzijde van een wonderboon.’, februari 2006.
[23] Zie onder meer Bales, K., ‘Understanding Global Slavery: A Reader’, University of California Press, 2005.
[24] Tekst van dit protocol terug te vinden op http://www.cocoainitiatieve.org/ici/reference-documents/harkin-engel-protocol.htm.
[25] Zie ook de standaarden gehanteerd door Fair trade Labeling Organisation (FLO), International Federation for Alternative Trade (IFAT), Max Havelaar België en Oxfam-Wereldwinkels.
[26] Böge, S., ‘Road transportation of Goods and the Effects on the Spatial Environment’, Wuppertal Institute, Duitsland, juli 1993.
[27] Gram-Hanssen, K., ‘Consuming technologies - developing routines’, Journal of Cleaner Production, 2007, [doi:10.1016/j.jclepro.2007.08.006].
[28] Verder wordt ook aangenomen dat vleesrijke voedselpatronen in combinatie met een tekort aan lichaamsbeweging een verhoogde kans geven op obesitas en diabetes. Sommige onderzoekers leggen ook een link tussen hoge vleesconsumptie en kankers. Zie o.a. McMichael, A.J., et al., ‘Food, livestock production, energy, climate change, and health’, The Lancet, 370, 2007, 1253-1263; Gold, M., The Global Benefits of Eating Less Meat, Compassion in World Farming Trust, Petersfield, 2004.
[29] De gezondheidskosten gerelateerd aan hart- en vaatziekten in de EU worden geschat op 192 miljard dollar. Het cijfer komt van de European Society of Cardiology (ESC) en het European Heart Network (EHN). Een van de oorzaken is het hoge vleesconsumptiniveau. Zie http://ec.europa.eu/research/infocentre/article_en.cfm?id=/research/headlines/news/article_08_03_13_en.html&item=Infocentre&artid=6813.
[30] Zie bv. Key, T.J., et al., ’Health benefits of a vegetarian diet’, Proceedings of the Nutrition Society, 58 (2), 1999.
