Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Feministische Anarchistische Madammen (FAM)
Niet van gisteren
zondag 31 oktober 2004
INLEIDING
‘... feminism is not simply a struggle to end male chauvinism or a movement to ensure that women will have equal rights with men; it is a commitment to eradicating the ideology of domination... so that the self-development of people can take precedence over imperialism, economic expansion, and material desires’ (hooks, 1981).
Na het radicale feminisme van de jaren zestig en zeventig lijkt de vrouwenbeweging in de westerse landen haar bestaansreden te hebben verloren. Er is genoeg geklaagd. Zijn de ergste vormen van discriminatie immers niet weggewerkt of verzacht? Er is inderdaad een lange weg afgelegd. Moedige, creatieve, eigenzinnige vrouwen hebben met lijf en leden gestreden voor de generaties vrouwen na hen. Ze hebben ervoor gezorgd dat meisjes en vrouwen kunnen studeren, een beroep uitoefenen, politieke rechten hebben, zich kunnen ontwikkelen. Nu vrouwen ministerposten bekleden en topfuncties uitoefenen bij multinationals, wordt het feminisme met enig dédain naar de prullenmand verwezen. De strijd voor vrouwenrechten is nochtans belangrijker dan ooit. In een wereldorde waarin het recht van de sterkste steeds meer een evidentie wordt, moeten alle vormen van onderdrukking en onrechtvaardigheid worden bevochten. Vrouwen worden er op een brutale manier aan herinnerd dat ze bottom of the pile zijn. Ze dragen veelal de zwaarste last van de globalisering, niet alleen in de derdewereldlanden, maar ook bij ons. Net als hun voorgangsters laten ze dit niet zomaar gebeuren.
HET WESTERSE FEMINISME OP EEN DRAFJE
Hét feminisme bestaat niet
Feminisme. Waar te beginnen? Er bestaan zoveel uitingen en vormen van feminisme dat elke definitie en elk overzicht moeilijke evenwichtsoefeningen zijn. Balanceren, dan maar. Zonder volledigheid te pretenderen, willen we een overzicht geven van verschillende uitingen van feminisme en vrouwenstrijden. Daarbij beginnen we met het westerse feminisme om daarna onze horizon te verbreden. Vrouwenbewegingen in andere culturen krijgen immers een andere inhoud vanuit verschillende contexten en ontwikkelingen, én vanuit diverse posities van vrouwen. Bij het ‘westerse feminisme’ kan men nochtans evenmin van eenduidigheid gewag maken. Feminisme krijgt verschillende betekenissen en praktijken onder invloed van maatschappelijke en theoretische ontwikkelingen. De invulling van feminisme zal voor de ene uit theorie voortspruiten, voor de andere dan weer uit ervaringen. Bovendien zijn deze benaderingen meestal onderling in wisselwerking. We spreken dan ook volledigheidshalve over feminismen.
Of toch?
Voor we op verkenning gaan naar wat deze feminismen hun eigenheid geeft, willen we even stilstaan bij wat hen bindt. Feminisme bekijkt de maatschappij vanuit een vrouwen- en/of genderperspectief. De complexe en diepgaande invloed van gender op het sociale leven wordt blootgelegd. De machtsrelaties die hieruit voortvloeien, worden aangeklaagd en bestreden. In het westerse feminisme maakt men een onderscheid tussen sekse en gender. Het begrip sekse duidt het biologische geslachtsverschil aan. We zijn man, of we zijn vrouw. Gender wordt van sekse onderscheiden als het historisch en cultureel voortgebrachte, als vrouwelijkheid en mannelijkheid, die respectievelijk aan vrouwen en aan mannen worden toegeschreven. Gender verwijst dus naar het geconstrueerde verschil tussen de geslachten. Dit onderscheid is onder meer door antropologen aangetoond; weliswaar maakt iedere cultuur een sekse-onderscheid, maar geen twee culturen stemmen overeen in de invulling en omschrijving van dat onderscheid. Feministes hebben het onderscheid ingevoerd tussen sekse en gender om de naturalistische benadering van het sekseverschil te betwisten. Met dit standpunt reageren zij op de gangbare opvattingen over man-vrouw-verhoudingen en -identiteiten, als zouden die een natuurlijke bestemming hebben of een ‘essentie’ inhouden. Vanuit politiek oogpunt is dat heel belangrijk, omdat gender - als constructie - op die manier variabele betekenissen kan krijgen, en dus veranderbaar is. Het westerse concept van gender en seksualiteit staat niet buiten discussie. Critici verwijzen naar andere culturen die gender niet zien als een reeks van binaire tegenstellingen die permanent in respectievelijk mannen en vrouwen belichaamd zijn. Ook niet elke cultuur ziet gender en seksualiteit als delen van ons innerlijke zijn. Ondanks deze kritiek blijft het begrip gender een belangrijk concept om de maatschappelijke realiteit te begrijpen en te veranderen.
Het mietje en de bitch
Uit het actieleven gegrepen: een nachtelijk gesprek over waarom een vrouwengroep rond het thema prostitutie zou werken. Is het feit dat dit een ’vrouwen-thema’ is, dat prostituees voornamelijk vrouwen zijn, op zich voldoende? Vrouwen in India, vrouwen in Brazilië, vrouwen in Mongolië: als het maar vrouwen zijn... Is het dat wat ons als feministes interesseert? Of is het iets analoogs aan de gecommercialiseerde en ’herboren’ interesse van de gemiddelde westerling voor ’mannen die de kaart lezen’ en ’vrouwen die de weg vragen’? Zijn wij enthousiast over een wereld verdeeld in twee (TV-)panels, twee halfronden: één voor de mannen en één voor de vrouwen, elk met hun veronderstelde gezamenlijke en aan elkaar tegengestelde handelingen en opinies, met Desmond Morris als ultieme scheidsrechter?
Noord/zuid, oost/west, zwart/wit etc.: andersglobalisten zullen niet ontkennen dat onze wereld last heeft van simplistisch bipolair denken. Dergelijke kritiek op het denken in termen van tegenstellingen wordt vanuit feministische hoek ook geuit ten aanzien van de dualiteit mannelijk/vrouwelijk. Aan de constructie van zo’n tegenstelling gaan heel wat vooronderstellingen vooraf, die op hun beurt door het continue gebruik van de tegenstelling versterkt worden. Zo doet de dualiteit mannelijk/vrouwelijk veronderstellen dat we hier te maken hebben met twee essentieel heel verschillende wezens: mannen en vrouwen. (Over de biologische dimensie van het geslacht van mensen zullen we het hier niet hebben. Over de vraag of we te maken hebben met twee, drie of meerdere geslachten, bestaat trouwens ook discussie.) Essentieel verschillend betekent dan dat zij van bij de geboorte geprogrammeerd zijn om anders te gaan denken, voelen en handelen. Vandaar de toegeschreven ’mannelijke’ en ’vrouwelijke’ kenmerken: mannen zijn actief, ondernemend, rationeel, agressief... en vrouwen zijn passief, volgzaam, emotioneel, zorgend, zacht... Een eerste probleem is dat de daarmee gepaard gaande verwachtingen het leven van mensen reeds voor een groot stuk vastleggen en zo de vrijheid vanaf de geboorte ernstig beknot wordt.Wat ontstaat, is een uiterst effectieve vorm van sociale controle: ’gendercontrole’. Evidente voorbeelden hiervan zijn bestaande gegenderde codes voor ’gepaste’ kledij, taal, speelwijzen, beroepen, gedragingen. Waar we van sommige (!) vormen van sociale controle nog kunnen zeggen dat ze emanciperend zijn, al was het maar opdat we elkaar niet de kop zouden inslaan, lijken ons de mogelijke gevolgen van gendercontrole minder onschuldig. Gendercontrole leidt tot ‘normalisering’: de inschakeling in en het voortzetten van een heteroseksueel systeem met duale machtsverhoudingen, waarin twee ’complementaire’ genders zorgen voor de voortzetting van de status-quo van datzelfde heteroseksuele systeem. Een systeem dat het tegendeel is van vrijheid voor multipele genders, multipele seksuele belevingen, multipele arbeidsverdelingen... ’Multipele’ staat hier voor een veelheid aan vormen en een veelheid aan combinaties tussen deze vormen. Dit zou betekenen dat mensen in volle vrijheid kunnen kiezen en nieuwe vormen gestalte kunnen geven. Hier een opsomming van deze vormen geven, zou reeds een beperking van hun onbepaaldheid impliceren, dus doen we dat niet...
De verankering van bepaalde kenmerken volgens het geslacht (door God, door de natuur, door de gewoonte...) is één van de populairste argumenten om eisen tot verandering af te kraken. ‘Het is normaal dat hij niet zorgt, het zit niet in hem’ of ‘Het is normaal dat zij zorgt, het zit in haar’, klinkt het dan. Bepaalde kwaliteiten komen eerder in aanmerking voor het ene geslacht en ’normaliseren’ dat geslacht op die manier. Wanneer zij bij het andere geslacht afwezig zijn, vormen zij een aanleiding voor het vergoelijken van daaraan gerelateerd gedrag. Zo staat het toebedelen van geslachtsspecifieke gedragskenmerken ook de validatie van deze kenmerken op zichzelf in de weg. Een waarde zoals ’zorg’ kan op die manier nog onmogelijk op een genderneutrale manier geëvalueerd en bedongen worden. Een maatschappij met een dergelijke genderverdeling creëert en koestert automatisch de machtsongelijkheden tussen deze genders. Typisch aan (onder andere westers) duaal denken is dat aan de ene pool meer waarde wordt toegekend dan aan de andere. Op die manier krijgt de groep waaraan positief gewaardeerde eigenschappen toegeschreven worden, macht toebedeeld. Ook omgekeerd belanden de veronderstelde eigenschappen van de machtige groep aan de meest gevalideerde kant van het eigenschappenspectrum. Een voorbeeld: mannen worden verondersteld eerder rationeel dan emotioneel te zijn. In de westerse maatschappij wordt aan rationaliteit meer waarde toegekend dan aan emotionaliteit. Mannen kunnen zich als groep op hun rationaliteit beroepen om zich macht toe te eigenen: zij staan immers garant voor een goede rationele beslissing. Vrouwen kunnen hun veronderstelde emotionaliteit zelden inroepen als basis om macht uit te oefenen. Het tonen van emotionaliteit staat in de westerse samenleving eerder garant voor machtsverlies. (Dezelfde redenering is ook toepasbaar op machtsverschillen tussen andere dualistisch gedachte groepen zoals bijvoorbeeld wit/zwart, autochtoon/allochtoon, legaal/illegaal...) Vanuit feministisch oogpunt is het fenomeen ’prostitutie’ niet interessant omdat het nu eenmaal over ’vrouwen’ gaat, maar wel omdat ’prostitutie’ in haar huidige dominante vorm een uiting is van toegeschreven kenmerken (mannen zijn heteroseksueel en hebben meer nood aan seks, vrouwen zijn passief en zorgend) en maatschappelijke machtsverhoudingen (zodat men het feit dat de prostitutiesector bijna uitsluitend door vrouwen bevolkt wordt als evidentie aanvaardt).
Concluderend: een hedendaags feminisme richt zijn focus en kritiek op de maatschappelijke effecten van de geconstrueerde opdeling mannelijkheid versus vrouwelijkheid. Feministisch engagement veronderstelt een kritische bereidheid om de aan mannen en vrouwen toegeschreven kenmerken samen met de hieraan verbonden machtsverhoudingen in vraag te stellen.
DE GESCHIEDENIS VAN DE WESTERSE VROUWENSTRIJD: VAN FERME MADAMMEN NAAR GRRLS
Feministisch denken en verzet van vrouwen dateren van voor onze jaartelling. Toch kunnen we stellen dat de periode van de Verlichting een cruciale rol speelt in de ontwikkeling van het (hedendaagse) feminisme. Een opstoot van het feminisme in die periode vindt niet toevallig plaats onder invloed van de sociaal-politiek bewogen periode van de Franse Revolutie. In 1792 bijvoorbeeld schrijft Mary Wollstonecraft haar boek A vindication of the rights of Women, dat een ode is aan de zelfbepaling en (keuze)vrijheid van mensen, wat hen, mannen en vrouwen dus, in principe gelijk maakte. Het gelijkheidsidee verwijst in eerste instantie naar de (rationele, en dus keuze-) mogelijkheden en verantwoordelijkheid van het individu. Het ‘systeem’ wordt bij deze nog ongemoeid gelaten, wat later ook de kritiek zal zijn. Deze sociaal-politieke inbedding, alsook de verlichte vrijheidsgedachte, bepalen de eerste vrouwenbeweging, waarin gelijke rechten centraal staan. Van een ‘feministische beweging’ spreken we doorgaans pas vanaf midden of eind negentiende eeuw, respectievelijk in Amerika en Europa. Vanaf dan begint zich immers een aparte sociale groep te onderscheiden die zich profileert binnen een grotere, georganiseerde beweging. Dit feminisme luidt meteen de eerste feministische golf in, die haar opvolger kent in de jaren zestig en zeventig. De feministische beweging wordt doorgaans ingedeeld in deze ‘golven’. In een meer bediscussieerde derde feministische golf (in de jaren tachtig en negentig) worden - onder meer onder invloed van de ideologiekritiek - nieuwe invullingen gezocht voor het vroegere collectieve activisme, met aandacht voor de veelheid aan topics en belangen binnen de vrouwenbeweging. Kenmerkend is hier de expansie van feministische theorievorming.
De eerste feministische golf
De eerste feministische golf situeert zich in Amerika en Europa vanaf midden negentiende tot begin twintigste eeuw. Op de agenda staan gelijke rechten centraal. Dit feminisme, gegroeid vanuit liberale principes van individuele vrijheid en gelijke rechten, wordt daarom het ‘burgerlijk liberale feminisme’ genoemd, ook en meer bekend als de ‘sufragettenbeweging’. Deze beweging bestaat voornamelijk uit autonome groepen die zich richten op politieke veranderingen via het beleid. Er wordt geijverd voor gelijkheid in onderwijs en beroep, recht op eigen bezit, recht om in het openbaar te spreken... Vooral de eis van vrouwenkiesrecht brengt verschillende geledingen van de vrouwenbeweging bijeen. België komt als één van de laatste landen tot actie en kent vrouwen pas stemrecht toe in 1948. Een ander voorbeeld van dergelijke gelijkberechtiging is de toelating van de eerste vrouwen tot de universiteiten in 1880 (hoewel zij na hun studies, zoals te verwachten was, soms ronduit als ‘ongeschikt’ worden beschouwd om hun beroep uit te oefenen). Er worden verenigingen opgestart die ijveren voor de juridische gelijkberechtiging van vrouwen en die pleiten voor de modernisering van de burgerlijke wetgeving. Zo richten Marie en Louise Popelin in 1892 de ‘Belgische Liga voor de Rechten van de Vrouw’ op. De eisen voor burgerlijke rechten scheppen echter een kloof met de vrouwen die niet tot de burgerlijke klasse behoren: vrouwen uit de arbeidersklasse, de boerenstand... Zo eisen de burgerlijke vrouwen bijvoorbeeld het recht op arbeid buitenshuis, omdat zij het besloten domein van de huishouding beu zijn. De arbeidersvrouwen daarentegen zijn al lang noodgedwongen ingeschakeld in het arbeidsproces om ‘rond te komen’ en eisen daarom specifieke bescherming van huishoudelijk werk als loonarbeid.
De tweede feministische golf
De tweede golf situeert zich in de jaren zestig, terwijl het in de westerse wereld gonst van veranderingswensen en -activiteiten. Deze tijdsgeest betekent een belangrijke impuls voor het feminisme, dat gekarakteriseerd wordt door activisme en kritiek op de gevestigde denkpatronen. Er worden meer radicale en sociale standpunten ingenomen, waarin de strijd tegen het patriarchaat centraal staat: men moet zich politiek bewust worden van dit structurele systeem dat ervoor zorgt dat mannen op alle gebieden meer macht hebben dan vrouwen. Vrouwen moeten hiervoor samenwerken en zich organiseren. Er ontstaan in deze periode veel verschillende groepen met elk hun eigen accenten. In Vlaanderen wordt in 1970 Dolle Mina opgericht. Deze groep richt zich vooral op ludieke en/of sensationele media-acties, zoals billenknijpen, verstoring van miss-verkiezingen... Er ontstaan ook meer gematigde en pragmatische groepen, zoals de PAG’s (Pluralistische Actiegroepen voor Gelijke Rechten van Man en Vrouwen), het pluralistische en expliciet feministische VOK (Vrouwenoverlegkomitee) en daarnaast ook de vrouwengroepen binnen de politieke partijen. Het VOK is in Vlaanderen het meest bekend voor de vrouwendag die het sinds 1972 jaarlijks organiseert. De eis voor gelijke rechten van de eerste feministische golf heeft ertoe geleid dat de wetgeving veranderde ten gunste van vrouwen. Zo wordt in 1958, de juridische onbevoegdheid van gehuwde vrouwen afgeschaft. Op tal van vlakken blijft de discriminatie van vrouwen echter bestaan, zoals op loongebied. In 1966 leggen de werkneemsters van de wapenfabriek FN-Herstal daarom gedurende drie maanden het werk neer. Ze verkrijgen uiteindelijk hun gelijke loon, maar slagen er vooralsnog niet in de wetgeving te doen veranderen. Pas in 1975 komt er een CAO over gelijk loon voor gelijk werk. Het tweedegolffeminisme besteedt naast juridisch-politieke rechten ook aandacht aan mentaliteitswijzigingen (Poldervaart, 1991). Met de slogan ‘het persoonlijke is politiek’ legt men er de nadruk op dat wat als persoonlijk wordt beschouwd, zoals persoonlijke machtsverhoudingen, seksualiteit, zorg... structureel-maatschappelijke oorzaken heeft. Vrouwen worden in het domein van het persoonlijke geduwd, het domein dat daarenboven als minderwaardig wordt beschouwd ten opzichte van het publieke, dat voor mannen wordt voorbehouden. Vrouwen moeten zich bewust worden van dit proces om zich ervan te kunnen bevrijden en zich te ontdoen van een vals (zelf)bewustzijn.
In de turbulente periode van de tweede golf is ook de feministische theorievorming in volle ontwikkeling. Het hele veld aan theorieën wordt grotendeels bepaald door de gelijkheid-verschil-discussie. De gelijkheidsdenkers van het emancipatorische feminisme (zoals liberale, socialistische en marxistische feministes) zien de verschillen als een gevolg van een ongelijke behandeling. Volgens hen kunnen deze verschillen verdwijnen bij de invoering van gelijke kansen en rechten of door mentaliteitsverandering. Verschildenkers (zoals psychoanalytisch feminisme, cultureel feminisme) willen daarentegen een herwaardering van het ‘vrouwelijke’, omdat zij ervan uitgaan dat de sekseverschillen niet kunnen of moeten weggewerkt worden. Zij bekritiseren de gelijkheidsideeën die het mannelijke kritiekloos als ‘norm’ nemen zonder de waardeschaal te heroriënteren. Anderen verwijten de liberale gelijkheidsfeministes voornamelijk dat zij de vele verschillen en ongelijkheden die in de werkelijkheid aanwezig zijn, miskennen (Tong, 1992).
Naar een derde feministische golf
De term ‘derde golf’ duikt op in de jaren tachtig en breekt door in de jaren negentig. Deze golf is gekenmerkt door een grote diversiteit. Van stromingen of grote categorieën kunnen we niet meer spreken. Een gemeenschappelijke agenda ontbreekt, de hoogdagen van het (collectieve) activisme zijn voorbij. Op vlak van de vrouwenbeweging zien we een duidelijke trend tot grotere samenwerking met het politieke bestel, in tegenstelling tot de beginjaren zestig. Bestaande organisaties zijn vrouwenafdelingen van vakbonden, partijen... Net zoals in andere sociale bewegingen keren in de vrouwenbeweging dezelfde identiteitsvragen terug: moeten we van binnenuit (via de bestaande instellingen) of van buitenaf (autonoom) veranderingen bewerkstelligen? Het gewicht weegt dus door aan die ene kant: staatssecretaris voor maatschappelijke emancipatie, Raad voor de gelijke kansen voor mannen en vrouwen, gesubsidieerde migrantenwerkingen voor meisjes... het zijn allemaal tekenen van deze integratie. De afstand tussen de beweging en ‘het publiek’ is groot. Er komt bijvoorbeeld ook weinig reactie van onderop op deze samenwerking. Nadat de meest duidelijke discriminaties van vrouwen in de jaren zeventig zijn weggenomen, verminderde de steun voor (radicale) feministische standpunten hoe dan ook. Postfeministische iconen zijn een beetje blasé: ‘we zijn het feminisme voorbij’.
Girlpower
Als er al van feminisme sprake is, is het een feminisme dat verteerbaar is voor iedereen. In tegenstelling tot andere feministische stromingen komen er geen nadrukkelijk maatschappelijke (politieke) thema’s aan bod. Sommige jonge feministes keren zich tegen de ‘rigide ideologie’ van hun voorgangsters. Zij willen niet voorgeschreven krijgen hoe een feministe hoort te zijn, maar willen er zelf een individuele invulling aan geven. ‘Do it yourself’ is de leuze. De jonge, zelfbewuste vrouwen van de girlpower weigeren zich te buigen naar een door de maatschappij gedicteerde rol. De girls gaan op een ironische manier om met (sekse-)identiteit en dragen een sfeertje van rebelsheid met zich mee. Zij willen werken als hen dat uitkomt, thuis blijven wanneer ze dat willen, sexy en vrouwelijk zijn naar eigen believen... Zij voelen zich niet ‘onderdrukt’ en in geen geval ‘slachtoffer’. Door gebrek aan maatschappelijk-politieke analyses achter hun rebelsheid worden de jonge jaren echter vaak opgevolgd door een terugkeer naar een meer stereotype sekserol en dito conformistische levensstijl. Maar niet alle girls keren hun rug naar de politiek. De Amerikaanse Riot Grrls tonen in hun acties (reclame-affiches, website...) een spel met lichaam, seksualiteit en gangbare normen doorspekt met ironie en parodie. Cyberfeministes nemen de wereld van het internet als ruimte waarin de voorgeschreven identiteiten overstegen worden. In de anonieme cyberwereld kunnen zij onbegrensd spelen met grenzen en categorieën als natuur/cultuur, man/vrouw, realiteit/virtualiteit. Zij hopen door middel van techniek en nieuwe media de vrouw te emanciperen en patriarchale structuren onderuit te halen.
Nieuwe uitdagingen
Vanaf de jaren negentig komen met het postmodernisme alle grote ideologieën onder druk te staan; alle grote verhalen moeten eraan geloven, dé waarheid, dé kennis, dé kunst... worden gedeconstrueerd. Ook hét feminisme komt dus in de problemen, met name haar westerse etno- en heterocentrisme worden genadeloos blootgelegd, alsook haar middenklasse-invulling. ‘Sekse’ en ‘vrouwen’ als universele categorieën komen onder druk te staan, hun historisch en cultureel variabele aard komt bovendrijven. Het hele feministische discours waarin wordt uitgegaan van een welomlijnde (minderheids)groep, ‘de vrouw’, en waarin haar politiek wordt gezien als een kwestie van gelijke rechten, houdt niet langer stand. Met name zwarte en lesbische feministes wijzen op de contextgebondenheid en normativiteit van het feministische constructiedenken (cfr. Black feminism). Zij ontkennen het bestaan van een lichamelijke of psychische essentie of essentieel identieke situaties en ervaring van onderdrukking die een gemeenschap funderen en die een gemeenschappelijke politiek funderen. Verschillen in klasse, opleiding, leeftijd alsook etniciteit en seksuele oriëntatie worden in het vizier geplaatst. Deze kritiek leidt enerzijds tot theoretische discussies, die vooral intern worden gevoerd. Onder invloed van wat men de ‘queertheorie’ noemt, wordt kritiek geuit op de identiteitenpolitiek (politiek gebaseerd op een identiteit, bijvoorbeeld vrouw, homo-lesbisch, die steunt op gedeelde ervaringen), omdat die onbedoeld bijdraagt tot de bevestiging van een onderscheid, een minderheid (vrouwen versus mannen, homo-lesbiennes versus hetero’s) en voorbijgaat aan onderlinge verschillen (Butler, 2000; Scott & Jackson, 1996). Naast theoretische discussies heeft deze reactie van zwarte en lesbische vrouwen anderzijds net de aandacht gevestigd op een sociale realiteit, en heeft ze geleid tot een hernieuwd activisme. Hoewel de theoretische wedloop even haar link met de sociale realiteit leek te zijn verloren, wordt terug gezocht naar samenwerkingsverbanden. Meer en meer vrouwen trekken het feministische debat open naar andere maatschappelijke problematieken en leggen hun oor te luister bij vrouwen uit andere werelddelen.
FEMINISME GLOBAAL ANDERS. VROUWENSTRIJD WERELDWIJD
Afghanistan: RAWA (Revolutionary Afghan Women Association) werd in 1977 opgericht. De vrouwen vochten sindsdien tegen elke vorm van onderdrukking waar Afghaanse vrouwen mee te maken kregen. In 1987 werd de oprichtster vermoord. Ze vochten tegen de Russische bezetting en revolteerden tegen de Taliban, maar verzetten zich ook tegen de Amerikaanse en geallieerde tussenkomst en tegen de al even vrouwonvriendelijke Noordelijke Alliantie. Ze ijveren voor sociale gelijkheid en voor vrouwenemancipatie en vechten tegen het fundamentalisme. Hun dagelijkse strijd bestaat uit financiële steunverlening aan vrouwen, de organisatie van gemengde niet-religieuze scholen, oprichten van zorgcentra... (‘No Pasaran’, Anti-patriarchat (2), 2002)
Een veelheid aan invloeden
Vrouwenbewegingen in de Derde Wereld ontstonden tegen een complexe historische achtergrond. Verschillende invloeden speelden hierin een rol. Cultureel bepaalde ongelijkheden, de koloniale erfenis, de ambivalente relatie tussen vrouwenbewegingen, nationalistische bewegingen en de derdewereldstaat, en de ontwrichtende gevolgen van de economische globalisering drukten een stempel op zowel de vorm als de praktijk van derdewereldfeminismen. Een gevolg hiervan is de grote diversiteit aan vormen die feminisme er aanneemt. De meervoudsvorm feminismen, net zoals bij het westerse feminisme, versplintert de idee van een monolithisch, homogeen blok en is een correctere weergave van de vele discussiepunten tussen en binnen westerse en derdewereldvrouwenbewegingen. Het gebruik van de term ‘feminisme’ ligt moeilijk. Veel vrouwen die ijveren voor een feministisch doel, mijden de term (Mohanty, Russo & Torres, 1991). De hoofdreden hiervoor is dat het westerse feministische discours lange tijd in de eerste plaats een weergave was van de realiteit van blanke, heteroseksuele middenklassevrouwen. Binnen dat discours was er weinig of geen aandacht voor de relatie tussen gender, klasse, regio, etniciteit en seksualiteit en voor de wijze waarop gender een andere invulling krijgt voor vrouwen met een andere etnische, regionale, economische en seksuele achtergrond. Westerse feministes kregen ook het verwijt dat ze er een kortzichtige visie op de feministische praktijk op nahielden, een praktijk die zich beperkte tot actie tegen discriminatie op basis van geslacht.
Kolonialisme
Koloniale heerschappij beïnvloedde de positie van vrouwen in de gekoloniseerde gemeenschappen. Bestaande relaties en verhoudingen tussen gekoloniseerde mannen en vrouwen werden symbool voor de barbaarsheid en degeneratie van de ‘Andere’. De gekoloniseerde man werd zowel afgeschilderd als oorlogszuchtig en agressief (Indo-Europese mannen, zoals Afghanen), op het dierlijke af onbeschaafd (Afrikanen) of verwijfd (Aziaten), maar alle mannen werden beschreven als gewelddadig ten aanzien van vrouwen. Het redden van autochtone vrouwen uit hun benarde positie was dan ook één van de argumenten om de kolonisatie te verantwoorden. (Zo vreemd is dit niet, denk maar aan de bombardementen op Afghanistan en de redding van de Afghaanse vrouw in de Bush-retoriek.) Koloniale mogendheden consolideerden hun macht door middel van instituties die sekse, klasse/kaste en etniciteit omlijnden en regelden, met een bijhorende ideologische praktijk die dit legitimeerde. Zo was in Afrika de institutionalisering van landeigendom en -gebruik, waarbij enkel mannen landrechten kregen, nefast voor vrouwen. Koloniale stereotiepe opvattingen in Zambia over de rol van mannen en vrouwen in de maatschappij hadden als gevolg dat enkel mannen als hoofd van het huishouden werden gezien en dus in aanmerking kwamen voor landbouwkredieten en opleidingen. Ook elders leidden gelijkaardige maatregelen tot de uitsluiting van vrouwen uit het economisch leven. Nog in Afrika werd de positie van mannelijke familiehoofden versterkt door het wettelijk verankeren van patriarchale gewoonten rond huwelijk, opvolging en traditie. Het kolonialisme versterkte dus niet alleen bestaande ongelijkheid, maar creëerde er vaak nieuwe vormen van (Rai, 2002).
Nationale bevrijding?
Feminisme kwam in de Derde Wereld gelijktijdig op met de koloniale ontvoogdingsstrijd en heeft als gevolg een complexe relatie met de linkse bevrijdingsstrijd, het nationalisme en de staat. Ondanks de grote verschillen tussen bewegingen van vrouwen in verschillende landen en continenten zijn een aantal invloeden bijzonder belangrijk geweest. De relatie tussen nationalistische bewegingen en feminismen is van in het begin ambivalent geweest. Bijna alle nationalismen namen vrouwenthema’s op, maar gingen (in een verder stadium) ook over tot repressie ten aanzien van vrouwenorganisaties. Het nationalisme incorporeerde vrouwenthema’s om verschillende redenen. In de eerste plaats deed het dat als een onderdeel van een algemeen proces van inclusie met als doel zoveel mogelijk groepen in de samenleving warm te laten lopen voor de nationalistische zaak. Veranderingen op het vlak van man-vrouw-verhoudingen zijn een krachtig politiek symbool. Het staat voor een breuk met het verleden en suggereert een activistisch heden en een utopische nationale toekomst. Dergelijke veranderingen zijn niet altijd progressief, ook de heropleving van een conservatieve, traditionele visie op de positie van de vrouw staat symbool voor een breuk met vroegere regimes. Verder vormen gegenderde symbolen een leidmotief binnen de nationalistische ideologie. Denk bijvoorbeeld aan moedertaal, vaderland, voorvaders, Mother Africa... Vrouwen - en het vrouwelijke - reproduceren en behoeden cultuur en traditie. In een dergelijke logica worden vrouwen vaak gereduceerd tot moeders en zijn ‘kuisheid’ en de heteronorm belangrijke onderdelen van het waardestelsel. Nationalistisch geïnspireerde regimes die vrouwen bepaalde rechten toekenden, zagen dit eerder als een noodzakelijke stap naar de ontwikkeling van de natie en economische vooruitgang dan als een feministisch engagement voor de afschaffing van genderongelijkheden. Een nationalistische ideologie legt grenzen op aan wat een ideale (nationalistisch gezinde) vrouw is en begrenst op die manier vrouwelijke levens (Alexander & Mohanty, 1997). De invulling van de visie op de vrouw kan verschillen van de ene nationalistische beweging tot de andere. De grote impact van het nationalisme en het gevaar om als anti-nationalistisch bestempeld te worden, bracht het feminisme er soms toe om zelf een nationalistisch discours aan te gaan. In het Midden-Oosten varieerde de ideologische inspiratie bij nationalistische bewegingen van Islam over Arabisch socialisme tot een zuiver seculiere vorm van nationalisme, met telkens andere consequenties voor de vrouwenbeweging. In landen waar de nationalistische retoriek een traditionele visie op vrouwen bleef doorschemeren, deden vrouwen vaak beroep op de lokale culturele geschiedenis. Dit deden ze door feministische en proto-feministische mythen, verhalen, wetten en gebruiken uit hun cultuur aan te halen of te construeren en door de strategische interpretatie van de religieuze traditie. Het nationalisme in Turkije nam een seculiere en pro-westerse houding aan. Vrouwenrechten werden opgenomen als een symbool voor een breuk met de Ottomaanse erfenis en als een spiegel van de europeanisering. In het discours streefde men een synthese na tussen westerse en seculiere ideeën en de veronderstelde gelijke positie van vrouwen in het pre-islamitische Turkije. De feministische beweging was als gevolg hiervan minder bezig met het inschrijven van feminisme in de lokale cultuur. De aandacht ging uit naar de rol van de staat met betrekking tot de vrouwenzaak en Turkse feministes formuleerden kritiek op het door de staat geformuleerde feminisme (Tekeli, 1994).
Vadertje staat
De rol van de staat is een andere belangrijke invloed op de ontwikkeling van het feminisme in derdewereldlanden. In vele landen parasiteert de staat op de uitbuiting van vrouwen, in het slechtste geval speelt de staat hierin een actieve rol. Zo is het BNP in Thailand en de Filippijnen rechtstreeks afhankelijk van de prostitutie. Twee miljoen Thaise prostituees, waarvan ongeveer 800.000 jonger dan 15 jaar, zijn verantwoordelijk voor de toevoer van vreemde valuta en vormen de motor achter het bloeiende toerisme. De staat, de banken, het buitenlandse kapitaal en de hotelindustrie hebben rechtstreeks belang bij het instandhouden en uitbreiden van de prostitutie. Huismeiden zijn een belangrijk ‘exportproduct’ van de Filippijnen. Alleen al in Hongkong worden 60.000 Filippijnse vrouwen tegen een bijzonder laag loon als huismeid tewerkgesteld. Van het geld dat deze vrouwen naar familie terugsturen, rijft de Filippijnse staat ongeveer 1 biljoen HK$ binnen. Singapore belast werkgevers van huisbedienden en haalt zo per jaar 234 miljoen S$ op. De belasting ligt een stuk hoger dan het loon van de meeste huisbedienden.
Bovendien zijn staten in de Derde Wereld uitgerust met een uitgebreid instrumentarium om dissonante geluiden aan banden te leggen. Het feit dat feminisme onderhevig is aan repressie bepaalt ook de vorm en inhoud die feministische groepen er aannemen. In mei 1987 werden twee leden van de Singaporaanse vrouwenorganisatie Association of Women for Action and Research (AWARE) samen met twintig andere mensen gearresteerd wegens deelname aan een vermeende marxistische samenzwering tegen de staat. AWARE was tot dan een heel actieve en kritische uitgesproken feministische organisatie geweest. Uit angst voor vervolging van de andere leden kwam er quasi geen protest tegen de repressie. AWARE bleef bestaan en leverde nog steeds feministisch werk, maar hanteerde uit overlevingsnoodzaak een andere strategie. In teksten en praktijk verschoof de inhoud van wat eens een politieke en bijzonder kritische werking rond vrouwenthema’s was naar een organisatie die zonder al teveel ruchtbaarheid diensten, informatie en steun verleende aan vrouwen. Gevoelige onderwerpen zoals etniciteit, klassenongelijkheid en seksuele preferenties werden in tegenstelling tot vroeger vermeden. Naast brutale repressie bepalen ook de invloed en controle van de staat over publieke instellingen dat feminisme zich in Zuidoost-Azië veelal uit als kleinschalige informele collectieven en lokale groepen. Ze werken rond de organisatie van vrouwen in arme gemeenschappen, dorpen, plantages of achtergestelde stadswijken in Maleisië, de Filippijnen en Thailand. Doordat ze geen erkende groepen zijn, kunnen ze zonder inmenging en controle van bovenaf succesvol werken aan de basis (Alexander & Mohanty, 1997).
Moderne vrouwen
Een andere belangrijke invloed op de ontwikkeling van feminisme in de Derde Wereld, is de ambivalentie van de derdewereldstaat en nationalisme ten aanzien van de moderniteit. Vaak worden de economische en technologische aspecten van de moderniteit aanvaard, maar bestaat er een terughoudendheid tegenover culturele en sociale aspecten. Dit geldt voornamelijk voor de landen waar de moderniteit in de voetsporen trad van de kolonisatie en voor de landen waar religieus traditionalisme de meer dominante uiting van nationalisme is. Hier wordt de afkeer voor de sociale implicaties van de moderniteit vertaald als een diepgeworteld wantrouwen tegenover het Westen. De gelijkstelling tussen moderniteit en het Westen heeft als gevolg dat beschuldigingen naar sociale bewegingen toe als zijnde modern of westers, en dus inherent vreemd aan de eigen cultuur, volstonden om die bewegingen te criminaliseren. Het relatief recente ontstaan van feminisme in de Derde Wereld en de ongemakkelijke verhouding met nationalistische bewegingen maken het kwetsbaar voor dergelijke beschuldigingen. Feminisme wordt dan gezien als een westers product en niet als een autonome emancipatorische beweging. De beschuldiging dat feministes marionetten zijn van de Wereldbank of de VS verschijnt dan snel. In Egypte stelden antifeministische nationalisten het feminisme voor als het product van een destabiliserende moderniteit en als een exponent van het westerse imperialisme (Alexander & Mohanty, 1997).
Een coalitie met valkuilen
Het lijkt misschien vanzelfsprekend dat feministes uit Noord en Zuid gezwind samen de strijd aangaan, maar uit de praktijk blijkt dat een dergelijk verbond niet zomaar kan ontstaan: getuige hiervan de uitgebreide en diepgaande kritiek van vrouwen uit de Derde Wereld en gekleurde vrouwen in het Westen op het westerse feminisme. Een fundamentele kritiek werd al aangehaald, namelijk dat het begrip gender zoals gebruikt in het westerse feministische discours enkel de situatie van blanke, welgestelde, heteroseksuele vrouwen uit een stedelijke omgeving omvat. De gevolgen van de economische globalisering maken het broodnodig om te reflecteren over hoe waarden, verlangens en behoeften verschillen voor vrouwen die niet in die geprivilegieerde positie zitten. Hiervoor volstaat het niet om gekleurde vrouwen in de feministische canon op te nemen of hen kort te behandelen als één van de vele topics van Vrouwenstudies-programma’s. Er is een minutieuze reflectie nodig over gebruikte begrippen en over wat het betekent om blank te zijn in deze wereld. Feminismen uit de Derde Wereld zijn niet enkel een aanvulling op het westerse denken, maar pleiten ervoor om te reageren tegen het wereldwijde proces van herkolonisering door middel van een vergelijkende en relationele feministische beweging die de naties overstijgt.
WAAROM DE ANDERSGLOBALISERINGSBEWEGING NIET OM VROUWENTHEMA’S HEEN KAN
Een invloed van de globalisering van de informatie is de nieuwe zichtbaarheid van vrouwenthema’s op wereldschaal. Op het internet vind je de neerslag van vele internationale conferenties over geweld op vrouwen, reproductieve gezondheid en beleid, vrouwen en armoede... Een aantal van die thema’s, zoals armoede, geweld en migratie, liggen in het hart van de andersglobaliseringsbeweging, maar ze worden nog onvoldoende benaderd vanuit genderperspectief.
Armoede is vrouwelijk
In Bolivia verzet de National Federation of Peasant Women zich door middel van massale blokkades en hongerstakingen tegen Plan Dignity. Plan Dignity ontstond onder invloed van de VS (War on Drugs) en is een afgeleide van Plan Colombia. In plaats van de grote drugsproducenten en handelaren aan te pakken verbood het Plan de cocateelt in de regio Chapare. Hiervan waren kleine boeren die volledig afhankelijk waren van de teelt het slachtoffer. Verder eist het plan dat 15.000 families de olierijke streek verlaten en de grond overlaten aan enkele multinationale organisaties die winst halen uit de oliewinning en de verhandeling van tropisch hout. (People’s Global Action, pamflet, 2002)
Onder invloed van de economische globalisering is de vrouwelijke betaalde tewerkstelling in de laatste 50 jaar fenomenaal gegroeid. Wereldwijd steeg het aandeel van ongeveer 40% naar 80%, in de Derde Wereld was dat van 40% naar 70%. Met uitzondering van Afrika was de groei van de vrouwelijke betaalde arbeid groter dan die van de mannelijke. Tewerkstelling wordt door velen gezien als een deel van de strijd voor de verbetering van de positie van vrouwen. Binnen de economische globalisering is dit dikwijls niet het geval. De competitiviteit en flexibiliteit die staten nodig hebben om concurrentieel te blijven op de wereldmarkt, is in grote mate afhankelijk van vrouwelijke arbeid. Zowel privé als publiek wordt vrouwelijke arbeid systematisch ondergewaardeerd, doordat vrouwen in de eerste plaats geïdentificeerd worden als huisvrouw en niet als werkkracht. Als ze buitenshuis gaan werken, komen ze vaak in de slechtst betaalde banen terecht en verdienen ze ook minder dan mannen voor hetzelfde werk. Een kapitalistisch systeem kan niet werken zonder goedkope arbeid, terwijl ook onbetaalde reproductieve arbeid is nodig om het systeem te laten functioneren. Het belangrijkste gevolg voor vrouwen is dat ze minder economische kansen krijgen en dat hun arbeid laag of niet betaald is.
Gendersegregatie leidde tot een concentratie van vrouwen in bepaalde sectoren. Vrouwen zijn de voornaamste werksters in exportgerichte industrieën onder leiding van de staat, zoals de kleding- en speelgoedindustrie. De verschuiving naar de commerciële verbouwing van gewassen in Zuid-Amerika leidde ertoe dat vrouwen seizoensgebonden tewerkgesteld worden in plaats van het hele jaar rond. In China zijn vrouwen verantwoordelijk voor zowel de voedselproductie als de cash-cropteelt. Een andere sector die vrouwen (en in toenemende mate kinderen) wereldwijd massaal tewerkstelt is de seksindustrie en de ermee gepaard gaande porno-industrie. In Rusland is deze industrie één van de meest winstgevende activiteiten, enkel voorafgegaan door de wapen- en de drugshandel. Zowel porno als prostitutie zijn in hoge mate verbonden met geweld op vrouwen. De seksindustrie gedijt goed in conflictgebieden, zeker als er een grote militaire aanwezigheid is.
Vrouwen werken ook vaak informeel. Zo kunnen ze tegen een hongerloon voor grote ondernemingen thuis werken als naaister of tapijtweefster. Doordat dit soort werk thuis wordt uitgevoerd, is het nog meer onderbetaald en is er ook geen enkele garantie voor de bescherming tegen misbruik. Dergelijke arbeid is slecht betaald, vakbonden zijn zelden toegelaten en er is een minimale of onbestaande regelgeving ten aanzien van gezondheid en veiligheid. Staten en regeringen zijn hiervoor medeverantwoordelijk, want het toestaan van dergelijke praktijken is een garantie voor een competitieve positie op de wereldmarkt. Multilaterale handelsakkoorden zoals het North American Free Trade Agreement (NAFTA) en de handelsovereenkomsten vastgelegd in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) staan buiten de wetgeving van staten en maken het voor een staat erg moeilijk om uitbuiting te voorkomen of te bestraffen. Veelal zijn vrouwen hiervan het grootste slachtoffer. Zo heeft NAFTA specifieke clausules die stellen dat ondernemingen vergoed moeten worden voor verlies dat opgelopen is door overheidsvoorzieningen, zoals gezondheid- en welzijnsdiensten. Dit soort maatregelen verhindert dat er nieuwe programma’s worden opgezet die aan de noden van vrouwen tegemoetkomen, zoals gesubsidieerde kinderopvang. Een manier om derdewereldlanden de hoge schuldenlast te laten inlossen zijn de SAP’s, of Structural Adjustment Programs. Deze vereisen echter grote besparingen op publieke voorzieningen zoals gezondheid, welzijn en voedselsubsidiëring. Vrouwen dragen de dubbele last van onbetaald huishoudelijk werk en laagbetaalde arbeid. Doordat vrouwen 70% van de armen uitmaken, zijn vrouwen meer dan mannen afhankelijk van publieke voorzieningen. De gevolgen van de SAP’s zijn dan ook anders voor vrouwen dan mannen. Bij besparingen stijgt voor vrouwen het aandeel onbetaald werk. Economische globalisering betekent voor vrouwen een verergering van bestaande politieke, sociale en economische ongelijkheden (Rai, 2002).
In de wurggreep van geweld
De nacht zal van ons geweest zijn en de nacht zal van ons zijn. Wij, dat zijn alle vrouwen die niet binnen willen blijven voor de bestaande en de vermeende onveiligheid. Wij, dat zijn alle vrouwen die dit reden genoeg vinden om op 25 november (Internationale dag tegen geweld op vrouwen) in Gent op straat te komen en kabaal te maken. Op deze nacht zullen wij de straten gevuld hebben met muziek, met vuur en vlammen, met onze woede en met ons feest (FAM-pamflet, 25 november 1998).
Zonder te willen suggereren dat geweld tegen vrouwen een onvermijdelijk verschijnsel is, moeten we toch vaststellen dat vrouwen over de hele wereld met praktijken zoals partnergeweld en verkrachting geconfronteerd worden. Geweld tegen vrouwen manifesteert zich ongeacht de regio, de religie, etniciteit of klasse en is dus jammer genoeg een uiterst ’globaal’ fenomeen. De ervaringen van vrouwen wereldwijd in cijfers omzetten is een precaire zaak, maar algemeen wordt aangenomen dat ten minste één op drie vrouwen tijdens haar leven slachtoffer wordt van mishandeling, gedwongen seks of een andere vorm van misbruik, meestal door iemand die ze kent. Daarnaast zijn vrouwen omwille van hun vrouw-zijn het voorwerp van specifieke geweldsvormen zoals oorlogsverkrachting, genitale mutilatie, verminking, selectieve abortus, verbranding of moord. Het is vooral het inzicht in de diepgaande effecten hiervan op de levens van vrouwen dat geweld op vrouwen tot een kernthema van het feminisme gemaakt heeft. Dankzij het doorbreken van het taboe rond geweld begonnen vrouwen hun ervaringen met anderen te delen en werd duidelijk welke afschuwelijke praktijken vrouwen te beurt vallen. Of het nu om psychisch, fysiek of seksueel geweld gaat, de vrouwen die er het slachtoffer van zijn, moeten voor de rest van hun leven met de gevolgen leren ’over’-leven. Zij hebben te kampen met grote angsten, onzekerheid, depressies, fysieke verwondingen, seksuele problemen... Soms neemt het geweld zulke proporties aan dat de lijdensweg van deze vrouwen eindigt in hun dood.
Geweld tegen vrouwen wordt vandaag niet meer gezien als het gedrag van individuele, slecht aangepaste mannen, maar integendeel als een maatschappelijk, socio-psychologisch en cultureel structureel machtsprobleem. Daar waar de problematiek als dusdanig erkend wordt, zoekt men een oplossing, naast therapieën en repressie van de daders, in emancipatorische veranderingen van denkbeelden en handelingspatronen van mannen. In het beste geval worden slachtoffers ondersteund door medische, materiële en psychologische hulp. Daarnaast wordt een algemeen preventief effect verwacht van algemene emancipatie en van het stimuleren van economische en emotionele onafhankelijkheid van vrouwen.
Senegal: Juli 1997: Malicounda, een onbeduidend dorpje: dertig vrouwen doorbreken het taboe dat op vrouwenbesnijdenis rust. Na meer dan één jaar onderhandelen overhaalden ze, in samenwerking met de ngo Tostan, de dorpsoversten om de praktijk een halt toe te roepen. Februari 1998: dertig dorpen uit de omgeving volgen het voorbeeld van Malicounda. In april 2000 hebben 175 dorpen de besnijdenispraktijken afgeschaft en ontvangen de vrouwen van Malicounda en de andere dorpen bezoekers vanuit heel Senegal om ervaringen over acties tegen besnijdenis uit te wisselen. (‘Femmes Rebelles’, Manière de Voir, (68), Le Monde Diplomatique, 2003)
Ondanks zijn mondiaal karakter en de omvang van het fenomeen ervaren we dat de strijd tegen geweld op vrouwen geen topic is binnen de andersglobalistische beweging. Volgens ons heeft dit deels te maken met het feit dat zo’n fenomeen weinig gebonden lijkt aan een economisch model, aan een politiek bestel of aan ecologische omstandigheden. De klassieke andersglobalistische pijlen lijken met andere woorden voor dit soort doel slecht gescherpt. Tegen wie te betogen? Hoe concrete eisen te stellen?
Als de hedendaagse andersglobalistische beweging niet enkel een anti-beweging is, maar ook werkelijk voor een ’andere’ wereld wil gaan, dan lijkt het ons op z’n minst nodig dat het thema van het globale geweld tegen vrouwen als actiepunt opgenomen wordt. Dat een dergelijk thema enkel aan bod komt wanneer vrouwengroepen het op de agenda pushen, lijkt ons niet zo’n gezonde situatie. Geweld tegen vrouwen is een globale zorg, een zorg van vrouwen én mannen. Bovendien stelt een dergelijk thema steeds een bijkomende, kwalitatieve eis aan de verschillende deelfracties van de andersglobalistische beweging: een andere economische, politieke en ecologische wereld biedt immers helemaal geen garanties op een wereld zonder geweld op vrouwen, zolang niet ook de genderverwachtingen en -verhoudingen tot een centraal discussiepunt gemaakt worden. Aandacht voor geweld tegen vrouwen kan de andersglobalistische beweging nog een andere belangrijke analytische dimensie bieden, met name een kritiek op het gehanteerde geconstrueerde verschil tussen de publieke en de private sfeer. Het neoliberalisme verwijst vele zogenaamd ’private’ omstandigheden, die echter deel uitmaken van het ’publieke welzijn’, naar het terrein van de individuele verantwoordelijkheid. Door geweld tegen vrouwen tot één van haar strijdpunten te maken, zou de andersglobalistische beweging de terechte feministische leuze dat het ’persoonlijke politiek is’ ook tot de hare kunnen maken. Een ander, meer voor de hand liggend, andersglobalistisch actiepunt zou kunnen bestaan in het wijzen op de perverse effecten van bepaalde (militaire, economische...) mondialiseringsprocessen, die geweld tegen vrouwen in de hand werken, zoals de massale aanwezigheid van Amerikaanse troepen in bepaalde Aziatische regio’s.
Tot besluit nog het volgende: het beëindigen van geweld op vrouwen is één van de weinige thema’s die reeds sinds decennia strijdbare (jammer genoeg enkel) vrouwen van over gans de wereld in hun eisen verenigd heeft, los van regio, kleur, klasse, religie. De internationale Wereldvrouwenmars is hier een mooi voorbeeld van.
Women on the move
Migratie is volgens ons één van de meest centrale andersglobalistische thema’s, en dat zal nog wel een tijdje zo blijven. Zowel globaal denken als lokale ervaring drukken ons met de neus op het feit dat mensen zich door economische en culturele processen steeds meer uit dwang, uit noodzaak of vrijwillig over deze aardbol zullen verplaatsen. De zoektocht van deze mensen naar veiligheid, overleving of geluk kunnen wij niet anders omschrijven dan als een recht van elke op deze wereldbol geworpen sterveling.
Migratie: voltooid. Migratie wordt van oudsher voornamelijk gezien als een mannelijk fenomeen: mannen zijn mobiel, hun eventuele partners en kroost volgen gedwee. De gastarbeiderpolitiek van de tweede helft van de twintigste eeuw was dan ook helemaal niet geïnteresseerd in de eerste generatie migrantenvrouwen: een onzichtbaar aanhangsel dat mettertijd in het zog van de actieve trekker terug naar het land van herkomst zou verdwijnen. Niemand vond het nodig deze vrouwen te betrekken bij het dagelijkse reilen en zeilen van het gemeenschapsleven of hen te helpen zich de lokale taal eigen te maken. Gemakshalve werd hun relatieve isolatie jaren later toegeschreven aan kenmerken eigen aan hun cultuur. ‘Daar komen de vrouwen niet buiten,’ heet het dan. Zo’n analyse is wel erg cynisch in het licht van het feit dat in veel van deze herkomstculturen vrouwen een bloeiend en boeiend gemeenschapleven hebben. Zoals echter zo dikwijls in het kader van het migrantendebat gebeurt, is het natuurlijk gemakkelijker om de allochtone cultuur met de vinger te wijzen in plaats van de hand in eigen boezem te steken. Tot op vandaag worden deze eerste-generatie-vrouwen nog steeds geblameerd voor het feit dat zij onder elkaar een eigen gemeenschapsleven ontwikkeld hebben, en men interpreteert dit doelbewust alsof deze vrouwen thuis vastgeketend zitten en hun huis niet uitkomen. De toegeschreven genderkenmerken van de tweede generatie zien er compleet anders uit en lijken steeds meer rond integratie te draaien. Migrantenjongens worden bijna steeds gezien als problematisch: segregatie, overlast en criminaliteit zijn mannelijk. De migrantenmeisjes van de tweede generatie worden vandaag of als integratie-prototypes of als islam-slachtoffers naar voor geschoven. Alleen al het feit dat allochtone jongeren op zo’n doortastende manier, veel meer dan bij de autochtone bevolking het geval is, in meisjes en jongens opgedeeld worden, zou ons tot een aantal kritische vragen moeten brengen. De gemakkelijkheidsoplossing zal ook hier weer in de culturele verklaringen liggen (waarmee we niet willen suggereren dat die niet belangrijk zijn). De vragen die wij ons bijkomend willen stellen, zijn vragen naar de heersende dominante beelden omtrent migrantenjongens en -meisjes. Wat verwacht de dominante cultuur van hen, welke stereotypes leven er, welke kansen krijgen ze en hoe anders is dit in vergelijking met autochtone meisjes en jongens? Wat is de reden voor zo’n verschillende visie op migrantenjongens en -meisjes? Hebben migrantenjongens niet veel meer gemeen met autochtone jongens dan met migrantenmeisjes?
Migratie: aan de gang. Dat gender een diepgaand effect heeft op migratie, is zeker. Zowel voor, tijdens als na de migratie speelt een amalgaam aan gegenderde factoren een rol (Boyd & Grieco, 2003). De culturele positie van vrouwen in de maatschappij waaruit gemigreerd wordt, bepaalt mee of zij al dan niet autonoom zullen kunnen beslissen om te migreren en of zij over de nodige middelen beschikken om dit te doen. Familiale genderrelaties en hiërarchieën zijn hierin heel belangrijk, aangezien de familie dikwijls dé plaats is waar seksespecifieke rollen hun invulling krijgen. Deze rollen beïnvloeden de motivaties om te migreren en bepalen ook de controle over en de toegang tot de nodige middelen en informatie om de eventuele migratie mogelijk te maken. Beslissen om te migreren betekent echter nog niet dat het land van herkomst dit toelaat, laat staan dat je een ander land binnenkomt. De regelgeving om emigratie uit de landen van herkomst te verhinderen of te promoten, kunnen een verschillend effect hebben op mannen en vrouwen. Impliciete of expliciete veronderstellingen over de status en de rollen van mannen en vrouwen beïnvloeden dit proces. Zo wordt in sommige Aziatische landen een actief arbeidsemigratiebeleid gevoerd om vrouwen aan te zetten als huishoudelijk hulpje te gaan werken bij westerse tweeverdienersgezinnen. De overheid organiseert zelf cursussen om vrouwen hiervoor klaar te stomen. De overheid heeft in deze meer interesse voor de euro’s en dollars die deze vrouwen opsturen dan voor de emotionele malaise en het slavenleven die deze vrouwen te beurt vallen.
In de landen waarnaar geëmigreerd wordt, spelen dan weer andere zaken die voor mannen en vrouwen een verschillende uitwerking zullen hebben. Vrouwen worden dikwijls los gezien van hun eigen onafhankelijke status en bestaan slechts in hun relatie tot de mannen (als dochter, als echtgenote) met wie ze migreren. Daardoor worden ze eerder in een familierol dan in een marktrol geplaatst, wat op zijn beurt de sociale kwetsbaarheid van migrantenvrouwen bevestigt. Wanneer zij toch via arbeidsmigratie toegelaten worden, worden zij dikwijls exclusief voor zorgarbeid gerekruteerd. Ook internationale conventies over migratie laten zien dat ’de vluchteling’ nog steeds als een man gepercipieerd wordt, aangezien specifieke redenen van vrouwen om te vluchten zoals geweld in het privé-leven, politieke vervolging van hun echtgenoten, oorlogsverkrachting... niet als asielgronden erkend worden.
Migratie: in de marge. Een nieuw fenomeen van de laatste decennia is dat overheden steeds meer een beroep doen op de omstandigheden van vrouwen om hun eigen buitenlands en binnenlands beleid te verantwoorden. De invasie in Afghanistan werd mede gemotiveerd door middel van emo-tv over vrouwen in burqa. Vrouwen als slachtoffer bij uitstek van mensenhandel en gedwongen huwelijken moeten dienen als rechtvaardiging voor een repressief migratiebeleid. Een kwalitatieve, diepgaande discussie over het dragen van een hoofddoek wordt omzeild door diezelfde migrantenvrouwen als slachtoffers van een patriarchale islam af te schilderen. Sommigen zullen dit zien als een erkenning van de eisen van de vrouwenbeweging. Wij zien dit eerder als een fundamentele, onfeministische miskenning van de vrouwen in kwestie, aangezien zij gezien worden alsof ze niet over een eigen wil, een eigen stem en een eigen handelen beschikken. Een dergelijke selectieve verontwaardiging doet ons de haren ten berge rijzen. Het is evident dat elke schending van vrouwenrechten aangeklaagd moet worden, maar enig wantrouwen ten aanzien van de moraalridders van de laatste decennia lijkt ons een noodzaak. Zelden hebben wij vanuit diezelfde hoek iets gehoord over het patriarchaal machogehalte van de door de VS in het zadel geholpen nieuwe Afghaanse machthebbers, over schendingen van vrouwenrechten in de landen van waaruit vrouwen zich laten smokkelen, of over pleidooien voor genderspecifieke asielgronden voor vrouwen. Voor alle duidelijkheid: Fort Europa is enkel geïnteresseerd in vrouwenrechten wanneer het erover gaat vrouwen buiten te houden (mensenhandel, schijnhuwelijken), Fort Europa geeft geen zier om vrouwenrechten als grond voor immigratie (geweld op vrouwen is nog steeds geen grond voor asiel, ook het verplicht dragen van een burqa niet trouwens).
Wat migratie betreft, kunnen we besluiten dat gender voor overheden belangrijk is wanneer het hen goed uitkomt en anders niet. Een zelfde wansmakelijke benadering moet door andersglobalisten ten alle koste vermeden worden door op een consequente en doordachte manier permanent aandacht voor genderdimensies te hebben en wel zo dat ze bevrijdend werken voor de mensen over wie het gaat.
FEMINISME: GEWOON DÓEN!
Het is misschien enigszins overbodig om het te stellen, maar wat het vorige duidelijk moet maken, is dat het feminisme nog steeds relevant is en dat het evenzeer over ’mannen’ als over ’vrouwen’ gaat. Het Ene bestaat immers niet zonder het Andere. Dat de feministische beweging zich desondanks toch meestal manifesteert via de acties van aparte vrouwengroepen (enkel vrouwen), heeft eerder redenen van praktische dan van theoretische aard. Vooreerst is het zo dat sinds de eerste golf bijna uitsluitend vrouwen zich geëngageerd hebben om feministische thema’s op de maatschappelijke agenda te plaatsen. Enerzijds lijkt dit logisch: het feminisme als een typische sociale beweging waar diegenen die het onderspit moeten delven, opkomen voor een betere conditie voor zichzelf. Dat mannen aan de zijlijn blijven toekijken, kunnen we dan toeschrijven aan het feit dat zij hier meer te verliezen hebben dan te winnen. Anderzijds heeft het feminisme slechts heel weinig mannen kunnen bekoren, ondanks het feit dat het in se iets zegt over vrouwen én mannen, en dus ook aan mannen de kans biedt de genderverwachtingen - ook ten aanzien van huneigen geslacht - en de bijhorende machtsverhoudingen te bekritiseren. Een vergelijking met de antiracistische beweging is hier interessant: daar bestaan zowel aparte (enkel allochtonen) als gemengde (allochtonen en autochtonen) groepen simultaan naast elkaar. Echter: als er dan toch al eens een (pro-feministische) mannengroep ontstaat, hebben de mannen het dikwijls moeilijk om de problemen te detecteren en zichzelf binnen de groep te positioneren. De meeste mannengroepen zijn dan ook maar een kort leven beschoren. Sowieso lijkt het alsof het voor mannen uiterst moeilijk is om feminisme op een geëngageerde manier au sérieux te nemen, waarschijnlijk omdat ze gender niet relevant genoeg vinden om er intensief mee bezig te zijn. Om gemengde groepen (vrouwen en mannen) op te richten wordt kennelijk initiatief van vrouwenzijde afgewacht. Feministische vrouwen kiezen echter dikwijls juist voor een vrouwengroep om rond dit thema te werken. Uit ervaring blijkt dat feministische eisen in gemengde groepen niet (feminisme is voor na de revolutie) of nauwelijks (theoretisch wel, doch mannen zwaaien de plak) aan bod komen. Daarom wordt geopteerd voor ruimtes waarbinnen vrouwen zelf de discussies voeren en de acties op poten zetten. Zelfvertrouwen, trots en onderlinge solidariteit zijn beoogde effecten. Natuurlijk zou het floreren van pro-feministische mannen- en gemengde groepen de toekomst meer roze kunnen kleuren. Maar zolang zelforganisaties van vrouwen zich nog steeds als enigen in de strijd werpen, hebben zij zeker hun nut nog niet verloren.
Een ander aspect dat feministische basisgroepen typeert en hen samen met anderen in het hart van de andersglobalistische beweging plaatst, is de autonomie van hun werking. Deze zelfstandigheid is vandaag des te belangrijker aangezien de klassieke vrouwenbeweging (vooral in het Westen) door inkapseling in het politieke bestel en beleid haar onafhankelijkheid voor een groot stuk verloren is, ten voordele van rechtstreekse invloed en subsidies. Basisgroepen zijn niet in de eerste plaats gericht op mogelijke beleidsbeïnvloeding (wat natuurlijk niet uitgesloten is), maar eerder op emancipatie van de eigen basis en het nastreven van veranderingen in de directe denk- en leefwereld en in de dagdagelijkse praktijk van mensen. Autonomie geeft aan basisgroepen ook een meer solide ondergrond om diverse allianties aan te gaan.
Hoe zien wij de verhouding tussen feministische groepen en de andersglobalistische beweging nu concreet? Op het eerste zicht is dit een tautologische vraagstelling, aangezien juist het in vraag stellen van meerdere machtsverhoudingen (naast gender) de kern van een hedendaags feminisme uitmaakt, waardoor het meteen deel uitmaakt van de andersglobalistische beweging. Voor feministes is het duidelijk dat uitwisseling en samenwerking binnen de andersglobalistische beweging het feministische gedachtegoed op belangrijke wijze kan verfijnen, verbreden en aanvullen. Het globale karakter van de beweging biedt aan feministes van over de hele wereld een extra ruimte om met elkaar in dialoog te treden. Op die manier worden lokale nuances meer geëxploreerd en kunnen ze beter tot hun recht komen. Ook thematisch kan de andersglobalistische beweging het feminisme verrijken. Zo wordt de alertheid omtrent diverse andere thema’s (dan gender) constant aangescherpt.
Wederzijdse bevruchting als magische andersglobalistische toverformule? Ja, ware het niet dat tot nu toe van de omgekeerde beweging niet bijster veel te merken valt. Dit hebben we hierboven al proberen aantonen aan de hand van een aantal voorbeelden. Zo zijn migratie en armoede zeker thema’s van de andersglobalistische beweging, maar ze worden zelden door een genderbril bekeken. Daarnaast vormt een typisch gegenderd (’globaal’) fenomeen als geweld op vrouwen nauwelijks een thema binnen diezelfde beweging. Er schort dus nog wel het één en ander aan die ’wederzijdse bevruchting’... Het mag dan ook niet verwonderen dat kritische berichten over het gebrek aan gender-bewustzijn binnen de andersglobalistische beweging geregeld opduiken. Recentelijk werd weer openlijk voor een (apart!) actief feministisch netwerk binnen de beweging gepleit. Naast het gebrek aan aandacht voor feministische aspecten binnen de analyse van globalisering wordt vooral de gegenderde machtsverhouding binnen de organisaties die deel uitmaken van de beweging aangeklaagd. Er zijn heel veel vrouwen aanwezig binnen de beweging, doch de meest invloedrijke posities zijn bijna steeds in handen van mannen. Vrouwen delen flyers uit, nemen deel aan de discussies; mannen ’runnen’ en modereren de meetings... Wat hier gehekeld wordt, is dat er helemaal geen vragen gesteld worden bij de manier waarop macht ook binnen de diverse organisaties volgens klassieke genderpatronen gereproduceerd wordt. Een trieste vaststelling weliswaar... maar ook een zeer goede reden om wat meer feminisme in het hart van het andersglobalisme te katapulteren! Hopla!
Geselecteerde bibliografie
ALEXANDER, M. J., MOHANTY, C. T. (red.), Feminist Genealogies, Colonial Legacies and Democratic Futures, New York, 1997.
BUTLER, J., SCOTT, J.W. (red.), Feminists Theorize the Political, London/New York, 1992.
DE BEAUVOIR, S. Le deuxième sèxe, Paris, 1949. [Nederlandse vertaling: De tweede sekse, Utrecht, 1979]
DELHY, C., L’ennemi principal. 2. Penser le genre, Paris, 2001.
DE WEERDT, D., En de vrouwen? Vrouw, vrouwenbeweging en feminisme in België 1830-1960, Gent, 1980.
FAUTO-STERLING, A., Myths of Gender: Biological Theories about Women and Men, New York, 1985.
GOLDMAN, E., Essays en brieven, Bussum, 1982.
HOOKS, B., Feminism is for everybody. Passionate Politics, Cambridge/MA, 2000.
MEULENBELT, A., De schaamte voorbij: Een persoonlijke geschiedenis, Amsterdam, 1976.
SCOTT, S., JACKSON, S. (red.), Feminism and Sexuality: A Reader, Edinburgh, 1996.
