Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Didi De Pari$
vrijdag 7 januari 2005, door Didi de Pari$
RELAAS VAN EEN REL
Niets wees erop dat donderdag 27 juni 2002 een bijzondere dag zou worden. Die mooie lenteavond begaf ik mij naar het prestigieuze Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Studenten fotografie mochten er hun eindwerk exposeren. Ik werd uitgenodigd om de receptie te openen met een korte speech.
Tijdens de lezing reageerde een kleine groep laaiend enthousiast, het overgrote deel van de aanwezigen bleef echter, niettegenstaande er heel wat pretoogjes te bespeuren vielen, akelig stil. Na mijn uiteenzetting barstte de directeur los - ‘Dit kon toch niet. Als we met genoeg geweest waren, hadden we hem kunnen buiten smijten... Met zijn totaal voorbijgestreefde jaren zestig gezever.’ De aanwezige journalist werd met aandrang gevraagd hierover niet te schrijven. Bovendien moest er dringend een gesprek komen met de studenten die voor deze lezing verantwoordelijk waren. Ook wou de brave man mijn speech hebben - helaas lag mijn prijs te hoog. Ondanks de in mijn jonge jaren opgebouwde reputatie, en die sommigen ervaren als berucht, had ik deze keer zonder voorbedachte rade een rel van jewelste veroorzaakt. In mijn kinderlijke naïviteit had ik immers de kapitale fout begaan de aandacht te vestigen op de figuur van Aleksandr Brener.
Als ik het heb over een Russische kunstenaar die vijf maanden in gevangenschap vertoefde, dan valt men mij vaak in de rede met jammerklachten over de repressie onder het sovjetregime. Helaas moet ik er dan op wijzen dat Aleksandr Brener gevangen zat in Nederland, in 1997. Op 4 januari van datzelfde jaar spoot hij in het Stedelijk Museum op het schilderij Suprematiosme van Kazimir Malevitsj een groen fluorescerend dollarteken. Het werk, een wit kruis op een grijze achtergrond, kwam tot stand in de periode 1921-1927 en heeft een marktwaarde van 6.250.000 euro.
Brener kwam er nog relatief goedkoop vanaf. Het openbaar ministerie had 16 maanden geëist. Diverse overheidsinstanties wilden een voorbeeld stellen waarvan een preventieve werking moest uitgaan naar eventuele andere potentiële kunstvandalen. De internationale kunsthandel slooft zich uit om Brener te criminaliseren. Zoals in haast alle andere gevallen van moedwillige beschadiging van kunstwerken, plaatsen artistieke autoriteiten ook vraagtekens bij de psychische integriteit van Brener. Als er wordt geraakt aan de belangen van de elite - bijvoorbeeld multinationals die met hun zwart geld de zonnebloemetjes van Van Gogh willen buiten zetten - dan gaan de poppetjes aan het dansen. Niemand verwoordde het totnogtoe beter dan Leo de Haes met zijn boek uit 1995 Cultuur is oorlog.
HONDERDDUIZEND BOMMEN EN GRANATEN!
In deze tijd waarin kunst big business is, onderworpen aan marketing en p.r., komen de acties van Brener ongemeen hard aan. Maar ze roepen herinneringen op aan de evenmin vreedzame acties die de historische avant-garde ondernam. In 1912 maakten de futuristen in Rusland hun entree met een manifest waarvan de titel luidde: ‘Een klap in het gezicht van de smaak van het publiek.’
Aleksandr Brener is allesbehalve een mediageile fratsenverkoper; veeleer moeten zijn acties gezien worden als een strijd voor artistieke integriteit. De kunstenaar valt kunstwerken aan omdat hij het grootste deel van de hedendaagse kunst ziet als een belangrijke peiler voor het wereldwijde neoliberalisme.
Het is dan ook nuttig om te kijken naar voorbeelden van situaties waarin kunstwerken de inzet waren bij conflicten. De aanslepende perikelen over de door de nazi’s bij elkaar geroofde kunstwerken zijn genoegzaam bekend. En misschien herinnert u zich nog de heibel een paar jaar terug toen Sotheby’s een verkoop hield van uit China geroofde kunstwerken?
Toen in mei 1849 de Pruisische legers voor de poorten van het opstandige Dresden stonden, en alleen de opengebroken wegen en rails hun aanval vertraagden, stelde de Russische anarchist Michael Bakoenin de revolutionaire raad voor om alle kunstwerken op de barricaden te zetten. Om de Pruisen ervan te weerhouden de stad aan te vallen, diende men de Madonna van Rafaël en de schilderijen van Murrillo op te offeren.
Tijdens de onderdrukking van de Parijse Commune in 1871 kwamen meer mensen om dan tijdens de Terreur of in de Frans-Duitse Oorlog. Dit bracht Arthur Rimbaud ertoe de communards laakbare nalatigheid te verwijten: door de Bibliothéque Nationale en het Louvre niet in brand te steken was de Commune, volgens de dichter, zo stom geweest de Franse cultuur niét te vernietigen. Om dit vandaag goed te begrijpen, moet men weten dat de communards, wanneer de bloederige reactie haar eindfase bereikte, in ultieme wanhoop overgingen tot massaal brandstichten. Niet zelden was dit het werk van vrouwen: de zogenaamde petroleuses. Ook werden in die tijd daden van ‘creatief vandalisme’ nog algemeen beschouwd als een eerbetoon aan Baudelaire. De wandaden die de adulte terrible van de Franse letteren toegedicht worden, zijn niet bij te houden. Baudelaire was de eerste van een reeks ‘decadenten’ van het fin de siècle, die walgend van hun eigen tijd, een abjecte esthetiek ontwikkelden die voornamelijk tot doel had de burgerij en haar pseudo-democratie te schofferen.
Een gelijkaardige artistiek gefundeerde baldadigheid typeerde het dadaïsme. De jeugd, die de uit de loopgraven walmende stank van rotte lijken kotsbeu was, opende in februari 1916 in Zürich het Cabaret Voltaire. Daarna volgden surrealisme en situationisme. Doorheen de moderne cultuurgeschiedenis werd een spoor van woede getrokken. Mogelijk was punk een laatste opflakkering van de hidden history, zoals Greil Marcus die omschrijft in Lipstick Traces: een tegencultuur die niets anders met zich meedraagt dan de negatie, de afwijzing van de bestaande orde. En er zelfs niet voor terugdeinst te kiezen voor een intellectueel, artistiek verantwoord hooliganisme. Is dat ooit anders geweest? Wat was de zestiende-eeuwse Beeldenstorm? Bestaat er een bekender voorbeeld van kunst die ingezet wordt in een conflict dan het Paard van Troje? In De Kapellekesbaan sluit L.P. Boon ‘per abuis’ een rij overbekende schilders af met Marinus Van der Lubbe, de anarchistische militant die de geschiedenis inging als de vermeende brandstichter van Hitlers Reichstag.
In de nacht van 23 op 24 september 1971 werd in het Brusselse PSK het schilderij De Liefdesbrief van Jan Vermeer gestolen. In telefonische contacten met de media noemde de dief zich Tijl van Limburg. In ruil voor de teruggave van het schilderij eiste hij dat er 200 miljoen BEF gestort werd op een rekening van Caritas Catholica. Het geld moest worden besteed aan het bestrijden van de hongersnood in Bangladesh.
Tussen 1957 en 1972 was de Situationistische Internationale actief. De invloed van deze kleine revolutionaire groepering was doorslaggevend voor mei ’68 en de punkbeweging. Voor de situationisten werd de consument na de Tweede Wereldoorlog door een stortvloed van indrukken en voorstellingen overweldigd, met het doel hem in het passieve consumentensysteem in te passen. In de huidige tijd heerst het spektakel en in deze spektakelmaatschappij maakt ook de vrije tijd deel uit van de consumptiecultuur. Hieronder vallen dan fenomenen zoals sport, popmuziek en kunstbeleving. Opmerkelijk is dat zij geen onderscheid wouden maken tussen kunst en politiek. In hun geschriften lezen we dat revolutionaire studenten op 16 januari 1963 in Carácas een gewapende overval pleegden op een tentoonstelling van Franse schilderkunst. Ze ontvreemden een vijftal werken. De doeken zouden niet eerder terug bezorgd worden vooraleer een aantal gevangen medestanders vrij gelaten werden. Het resulteerde in een vuurgevecht. Enkele dagen later volgde er nog een - mislukte - aanslag op de auto waarin de herwonnen schilderijen vervoerd werden.
In augustus 2001 werd een schilderij van Marc Chagall, een werk met een marktwaarde van 1 miljoen dollar, tijdens een chique receptie ontvreemd. Enkele dagen later verklaarde de groep Art and Peace het werk pas vrij te geven als er een duurzame vrede kwam tussen Israël en de Palestijnen. Overal en altijd vindt men dit soort zaken terug.
Situationisme ontstond uit het nog obscuurdere Lettrisme. Daarvan vinden we sporen terug in de roman Mobilhome van Dirk van Weelden. Een heuse inventaris van kleine subversieve bewegingen vinden we in Stewart Homes The Assault on culture: utopian currents from Lettrisme to class war. Door de wereldgeschiedenis lopen iconoclasten op vuile versvoeten!
De acties van Aleksandr Brener en zijn vriendin Barbara Schurz zijn gericht tegen de kunst die zij zien als een pijler van het neoliberalisme. Het tweetal sluit aan bij een internationaal radicaliserend verzet dat niet langer de almacht van het economische dictaat aanvaardt. Zij werken in het cultureel veld als politieke activisten. Brener en Schurz zoeken aansluiting met het internationale en lokale verzet dat het socio-economisch systeem in vraag stelt. Het duo neemt duidelijk stelling. Zij voeren strijd op twee fronten. Enerzijds wordt de confrontatie aangegaan met de kunstwereld, als model en deel van het grotere politiek-economisch geheel, anderzijds stellen zij lokale en specifieke daden tegenover dat grotere deel. Zij reageren tegen kunstenaars en intellectuelen die te lang schaamteloos de kant van de elite kozen.
DEUS EX MACHINA
Nadat in februari 2000, de extreem-rechtse FPÖ aan de macht kwam, besloot het literaire tijdschrift Deus ex Machina in september een themanummer te maken ‘Het verdriet van Oostenrijk’. Mijn bijdrage ging over de in Wenen wonende Aleksandr Brener en was toegespitst op het boek dat hij samen met Barbara Schurz schreef: Was tun? 54 Technologien kulturellen Widerstandes gegen Machtverhältnisse im Spätkapitalismus. Mijn tekst werd niet weerhouden. Was niet literair genoeg. Bevatte teveel concrete aanspreekpunten en internetadressen. Los van alle persoonlijke rancune die ik als afgewezen literatuurminnaar aan de lijve mocht ondervinden, werd het een uitermate interessant nummer. Temeer omdat het overduidelijk illustreert hoe in de kunst het esthetische het ethische overwoekert. Veelzeggend was de reactie van Elfriede Jelinek: zolang Haider en kornuiten aan de macht waren, wou ze niet dat haar werk nog in Oostenrijk opgevoerd wordt...
Extreem-rechts onderkent het belang van cultuur voor de volle 100%. Overal waar ze aan de macht komen, ondernemen ze onmiddellijk actie tegen kunst die zij als hinderlijk ervaren. Verder gaan zij bijzonder onvoorspelbaar en misleidend met cultuur om. Wat te denken van het Vlaams Blok dat tijdens de voorbije verkiezingscampagne op Radio Donna, bekend van de hits en de fun, de gelegenheid kreeg een uurtje vol te stouwen met hun favoriete muziek. In plaats van Duitse marsmuziek of nazi-skin-gebral koos D.J. Dolf voor Gorky, Arno en konsoorten. Big Bills Iene mee hesp en iene mee kies kwam uit de bus als hun all-time favourite.
Dewinter omschrijft zich graag als een ‘rechts aanhanger van Gramsci’. Tegenover Knack verklaarde hij dat het voor het Vlaams Blok, veeleer dan acte de présence te geven op de gebruikelijke anachronistische evenementen zoals de IJzerbedevaart en het Vlaams Nationaal Zangfeest, het belangrijker is aanwezig te zijn op Studio Brussel, Rock Werchter, Marktrock... Was het nu ’60, ’70 of ‘40-’45?
Natuurlijk engageren kunstenaars zich wel eens! Eind 2001 lekte uit dat na tussenkomst van cultuurminister Bert Anciaux, Gerard Reve de Prijs der Nederlandse Letteren niet uit handen van Albert II zou ontvangen, maar gewoon per post, omdat de levenspartner van de auteur verdacht werd van pedofilie. De gemoederen raakten verhit. Ook mij werd toen gevraagd een petitie te ondertekenen waarin het ontslag van de minister geëist werd. Ik kon niet aan het verzoek voldoen. Het ontslag van de toenmalige cultuurminister zou een huilpartij zonder weerga veroorzaakt hebben, waartegen de zondvloed klein bier was. Ook moesten ze zich realiseren dat deze immer in kwisjes en praatprogramma’s vertoevende excellentie waanzinnig populair was bij miljoenen huisvrouwen. Ons leven zou niet langer veil zijn als ze erachter kwamen wie hen hun Bertje had afgenomen. Nog minder voelde ik mij geroepen om tussen te komen opdat de koning zijn job zou doen. Ook heb ik erop gewezen dat mijn pennenvriendjes Oost-Indisch doof bleven voor mijn mails over gebeurtenissen zoals het faillissement van Renault of van Sabena. Na het débacle van de nationale luchtvaartmaatschappij werd de inboedel verkocht. Een recordopbrengst ging naar L’ oiseau de ciel van René Magritte. De ontslagen werknemers kregen er geen cent van.
HET VERKOOPT, DUS IS HET WAAR !
Vandaag wordt kunst meer gemaakt door de markt dan door de kunstenaars. De overwoekering van de kunst door de markt is geen alleenstaand feit. Nooit eerder was de greep van de markt op elk facet van het leven zo ingrijpend. In deze context wordt elk kunstwerk quasi ongenietbaar.
Ogenschijnlijk leven we in een sfeertje van ‘alles kan en alles mag’. De waarheid is dat de markt controle uitoefent op de inhoud van wat er op cultureel gebied voorradig is. Geëngageerde kunstenaars gaat men vlug verwijten dat ze minder goeie artistieke prestaties leveren. Al te makkelijk verslijt men hen voor artiesten van lager allooi. Op de middelbare school was mijn leerkracht Nederlands laaiend enthousiast over Herman Gorter. Daarnaast werd ons verteld dat vanaf het moment dat de schrijver besloot zijn verdere productie ten dienste te stellen van het communisme, het geen enkele literaire kwaliteit meer bezat. Dat heeft mij lang bezig gehouden. Is de alom -en terecht! - bejubelde Peter Holvoet-Hanssen hetzelfde lot beschoren als straks blijkt dat hij zich in belangrijke mate laat inspireren door de communistische auteur en de dit jaar overleden Mark Braet?
Proust, Joyce, Musil, Céline. Al de groten van de voorbije eeuw worden vooral gekenmerkt door stijl. Céline die op politiek vlak een behoorlijk foute knaap was, wist echter zijn perfecte stijl glansrijk te combineren met de arbeiderscultuur. Louis-Paul Boon, die in hoge mate beïnvloed is door Céline, wist met dezelfde ingrediënten zijn werk echter een progressieve invulling te geven.
Los van de vraag of men vandaag nog gewag kan maken van arbeiders, of de discussie over wie moet bepalen wat cultuur is - een elite of de kijkers van Idool 2003 - is er altijd een typische arbeiderscultuur geweest. Sinds mensenheugenis zijn er culturele uitdrukkingen geweest waarmee de arbeiders zich bewust distantieerden van de hogere cultuur. In de subculturen vinden we in de loop van de geschiedenis ruige rockers, mods, skins en punks. Stuk voor stuk tegenculturen die hun street credibility halen uit hun working class roots. Wie herinnert zich niet de legendarische Johnies en Marina’s?
Uitermate zelden wordt literatuur benaderd vanuit een arbeidersstandpunt. In Frankrijk verschenen Histoire de la litérature libertaire en France van Thierry Maricourt en Histoire de la litérature proletarienne en France van Henry Poullaire. In het Nederlandse taalgebied kwam ik totnogtoe slechts één tegendraadse lezing van de literatuurgeschiedenis tegen: Stemmen der vrijheid van stalinistisch auteur Jozef Versou. Dezelfde mechanismen gelden ook voor alle andere artistieke disciplines. In Zomer te Ter-Muren heeft Louis-Paul Boon het over het werk van Jan Metsijs, broer van Quinten Metsijs, en hoe diens werk door de Inquisitie volledig vernietigd werd. Doorheen zijn oeuvre, maar vooral in deze roman, rakelt Boon ‘vergeten’ kunstenaars op en delft hij de verborgen geschiedenis op: alles wat men wou uitgommen, retoucheren of doodzwijgen. In De Bende van Jan de Lichte legt hij zelfs een hele taal weer bloot, m.n. het Bargoens, de eeuwenoude geheimtaal van de boosdoeners.
Van het wegmoffelen en verdraaien van de geschiedenis zijn er binnen de literatuur voorbeelden zat. Als Dietsche Warande & Belfort in 1999 een bijzonder goed gedocumenteerd nummer over het tijdschrift Tijd en Mens brengt, vergeet men even stil te staan bij het anarchisme van Jan Walravens. En dit terwijl al een kwarteeuw eerder de eerbiedwaardige Paul de Wispelaere op dit aspect had gewezen. Een mens zou er kwaad opzet achter zoeken. In Brood en Rozen (1999/4), het tijdschrift van de socialistische arbeidersbeweging, wijst Hans Vandevoorde erop hoe de jonge Karel van de Woestijne sympathiseerde met het anarchisme. Deze auteur stond hierin niet alleen. In het laatste decennium van de negentiende eeuw leunden in binnen- en buitenland vrij veel kunstenaars aan bij het libertaire ideeëngoed. Nochtans werd in die periode - vooral in Frankrijk - gekozen voor een uiterst gewelddadig anarchisme van de daad.
Censuur is van alle tijden. Van de ban die The Sex Pistols te beurt viel met hun ‘Anarchy in the UK’ en het gemak waarmee de media zich onderwierpen aan de censuur tijdens de laatste (?) Golfoorlog. In eigen land zijn er de minder spectaculaire gevallen van censuur: de kunstenaars Denis Tyfus en Els Van den Veyver. In de huidige sociaal-economische context wordt zelfs de censuur dubieus. Niet zelden betreft het door managers uitgelokte ‘rellen’ die de verkoopcijfers ten goede komen. Een verbod is nog steeds de beste promotie. Bovendien maakt de perfide markt het noodzakelijk dat figuren zoals Johnny Rotten en Manu Chao eerst moeten doordringen tot de hoogste regionen van het kapitalisme vooraleer ze internationaal erkend worden als rebel. De anarchierockers van The Clash hadden het in 1978 al over ‘Turning Rebellion into Money’.
De ergste censuur wordt echter uitgeoefend door de manier waarop de vrije markt georganiseerd is. De ‘vrije’ markt is een sterk staaltje van Newspeak. Vandaag wordt ook de cultuur geconfronteerd met een gigantisch overaanbod. Er wordt mega-veel geproduceerd. Het is voor de consument onmogelijk alles nog te kennen. Zelfs als men zich beperkt tot één artistieke discipline. Men mag zich tevreden stellen met een algemeen zicht op enkele subgenres. Het aanbod is verbluffend. In schril contrast staat het uitermate beperkt aantal ‘producten’ dat in aanmerking komt om de geoliede pr-mechanismen te doen draaien.
Eveneens opvallend is dat we vandaag overstelpt worden met gratis kunst. Kampioen hierin is de ‘krant’ De Morgen. Voor een appel en een ei deden ze onlangs 10 Nobelprijswinnende romans cadeau. Voor de volhouders die de reeks compleet hadden, stond er op de boekruggen een tekening van Jan Vanriet. En er was de kunst op Coca-Cola blikjes. Een schitterend initiatief. Alleen was het door de situatie in Irak niet echt het geschikte moment om met zo een Amerikaans icoon uit te pakken. Vandaag kan je geen krant of tijdschrift openslaan of er wordt gespaard voor een gratis video, boek, CD, DVD... Nog even en bij je brood krijg je een Renoir, een Picasso of een Bacon cadeau.
WE’RE ONLY IN IT FOR THE MONEY
Wat zijn de gevolgen van de productiewijze voor de kunst van vandaag? Deze wordt meer gemaakt door de markt dan door de kunstenaars. In de artistieke wereld doen zich dezelfde trends voor als in het mondiaal kapitalisme. Ook binnen de schone kunsten zijn fusies en schaalvergroting toverwoorden. Vandaag moet een artistiek product concurrentieel zijn. Van een kunstenaar wordt verwacht dat hij zich gedraagt als een bedrijf.
Enkele economische actoren hebben wereldwijd de macht in handen. In de cinema is het wars van elke dramatiek op het witte doek vooralsnog huilen met de pet op. Met uitzonderingen van enkele schaarse rebellen zoals Michael Moore, Ken Loach en Spike Lee wordt de markt overspoeld en gecontroleerd door Hollywood. Het marktaandeel van de Franse film in Frankrijk bedraagt 42%, de Nederlandse prenten vertegenwoordigen ongeveer 10% op hun inlandse markt, terwijl in België het percentage eigen films minder dan 1% bedraagt. Het is eenheidsworst van jewelste. Bovendien is de manier waarop er weer volop propaganda gemaakt wordt zowel schaamteloos als lachwekkend. De financiers willen waar voor hun geld. Ondertussen komt de distributie in handen van alsmaar minder actoren. De dorpscinema’s moesten plaats ruimen voor mastodontcomplexen.
In de rockbusiness is het niet beter. Het discours van de platenmaatschappijen is ronduit cynisch. Onder het mom de rechten van de artiesten te willen beschermen, schreeuwt de muziekindustrie om actie te ondernemen tegen kopiëren en downloaden, terwijl de prijs van een CD al sedert mensenheugenis buitensporig hoog was. Dit is pure diefstal. Vooral als men bedenkt dat de opbrengsten iedereen ten goede komen behalve de muzikanten. Wellicht herinnert u zich nog dat superster Prince op de bühne verscheen met op zijn gezicht het woord ‘slave’ geschilderd? Daarnaast komt nog het feitelijke monopolie van enkele concertpromotoren zoals Herman Schueremans en Paul Ambach. Op hun beurt zijn die grote jongens afhankelijk van hun broodheren Clear Channel - een organisatie die allesbehalve progressief is. Dit bleek onder andere tijdens de recentste Golfoorlog, en de waanzinnige reacties tegen de Texaanse meidengroep The Dixie Chicks. Op de site van Clear Channel wappert de Stars and Stripes.
Voor een goede kijk op de situatie op de boekenmarkt citeer ik uit Johny Lenaerts stuk ‘Notities uit de leeszaal van de Titanic’ in het anarchistisch tijdschrift Perspectief,
‘De Amerikaanse uitgever André Schiffrin, die na een jarenlange dienst bij Random in 1992 het alternatieve ‘The New Press’ opgericht heeft, klaagt in een interview met Le Monde (7/5/99) de doorgedreven concentratie van de uitgeverswereld in de VS aan, de ongebreidelde winsthonger en de voortschrijdende verarming van het publicatie-aanbod. “Globaal genomen worden in de VS 80% van de titels uitgegeven door vijf grote conglomeraten. De universitaire pers en de alternatieve uitgeverijen vertegenwoordigen samen minder dan 1%”. André Schiffrin verwijst naar de Duitse uitgever Klaus Wagenbach. Deze herinnert er aan dat het eerste boek van Kafka gedrukt werd op 800 exemplaren, en dat van Brecht op 600. Hij maakt er zich ongerust over wat er in Duitsland zou gebeuren mocht er slechts een handjevol onafhankelijke uitgevers overblijven. Hij vergelijkt de marktcensuur met die welke in Oost-Duitsland heerste, ten tijde van het communisme.
De vergelijking tussen privé-monopolies en staatsmonopolies vindt Schiffrin heel treffend. “De keuze-beperkingen zijn niet in detail met elkaar te vergelijken, maar wel wat de methode betreft. Robert Darnton heeft enkele jaren geleden een aantal interviews afgenomen over de Oost-Duitse censuur. De uitgevers legden hem uit dat het hun taak was om meer toegankelijke boeken uit te geven, dat vele auteurs hun boeken veel te moeilijk maakten, en dat dat alles moest veranderen. Het is amusant vast te stellen hoezeer de Oost-Duitse censuur dezelfde woordenschat gebruikte als die van de huidige uitgevers in de commerciële bedrijven. Met dezelfde betrachtingen ook: hoe boeken publiceren die niet te bedreigend en niet te gevaarlijk zijn. Wat er in het Westen tot stand komt, is het equivalent van de samizdat van het Sovjettijdperk. De weinige onafhankelijke uitgevers riskeren uiteraard niet de gevangenis of de ballingschap. Zij behouden het recht de zwakke plekken in het harnas van de markt op te zoeken en zijn vrij te verleiden wie zij willen met hun kleine oplages en hun beperkte distributie.”
Schiffrin wil de Europese uitgeverswereld waarschuwen voor Amerikaanse toestanden: “Indien het terrein der ideeën overgelaten wordt aan degenen die slechts vertier zoeken of gebanaliseerde informatie leveren, dan zal het essentiële debat nooit plaatsvinden.” (Lenaerts, Perspectief, juli/september 1999).
Terwijl het boekbedrijf in de wurggreep zit van holdings, verkeren auteurs nog in de waan dat ze hun bellettrie creëren ver weg van de markt. Gelijkstemmig met de media sabelen ze elk verzet neer met ‘argumenten’ zoals ‘Alles is al een keer gezegd’ en ‘In Mei ’68 was het allemaal zoveel leuker’.
Onze bijzondere aandacht verdient de hedendaagse kunst. Naast genieën zoals Jan Fabre, die ham tegen muren plakt en vetbetaalde kevers aan de koningin haar plafond hangt, en Wim Delvoye, die nadat hij furore maakte met een strontproducerende machine terugkeerde naar zijn oude liefde, het tatoeëren van varkens, wordt anno 2003 de zomer overschaduwd door Panamarenko. Gelukkig heeft deze ietwat excentrieke eenzaat een hoge amusementswaarde. In een recent interview merkt de sympathieke nar fijntjes op dat hij het niet leuk vindt dat mensen het prijskaartje van iets kennen. Panamarenko maakt echter kunst voor alle lagen van de bevolking. Terwijl De Standaard iedereen een genummerde reproductie van zijn Bing II cadeau deed, circuleerden elders discreet catalogi voor mensen met een meer verfijnde smaak, en tijdens de Europese Top van Laken (14-15/12/2001) was de maître niet te beroerd werk te exposeren voor het tuig dat zich op dat moment in het kasteel bevond. Gelukkig kon men rekenen op Marc Reynebeau, Knack-journalist maar eveneens te ‘bewonderen’ in kwisjes en televisiespelletjes, om dit kunstwerk te duiden:
‘Het creëert zijn eigen perpetuum mobile, een nieuw gesloten energiesysteem. Natuurlijk zullen de immobiele tuigen van Panamarenko door kleingelovigen altijd wel als een hinderlijke provocatie worden ervaren. (...) Maar voor wie er zich voor openstelt - bijvoorbeeld op en rond de Top van Laken - zullen ze blijk geven van een inspirerende dynamiek’.
Panamarenko heeft de top bereikt. We moeten hem plaatsen in een lange rij van groten, van Van Eyck tot heden: de galerij van grote gatlikkers van de elite.
MONKEY BUSINESS (THE SEQUEL)
Mogelijk wordt de tijd nog het best gevat door Jan Bucquoy. Een ingekaderde vuile keukenhanddoek waarop spatten frietvet zaten kreeg als titel Olie op doek.
De kunstwereld is een grijze zone. Wie kritiek heeft, zet zich hopeloos buiten spel. Kunstgalerijen bieden veel mogelijkheden. Bespaar je de verplaatsing naar de Bahamas, de Kaaimaneilanden, Luxemburg, of enig andere exotische locatie als je om de hoek een kunstgalerij hebt. In België zijn er ontzettend veel kunstgalerijen.
Steden proberen elkander de loef af te steken door werk aan te kopen van succesvolle kunstenaars. Tegenwoordig moet elke zichzelf respecterende stad een Jan Fabre hebben. Liefst als opstapje naar een eigen museum voor Actuele Kunsten. Wanneer krijgt Erps-Kwerps, na zijn gemeentelijk zwembad en dito sporthal, eindelijk waar het recht op heeft: zijn SMAK? Wanneer komt er nu een Güggenheim-filiaal in West-Malle?
In 1936 publiceerde Walter Benjamin Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid. De auteur bekreunde zich erover dat de reproduceerbaarheid van kunstwerken het karakter van de werken devalueerde. Tegenwoordig probeert de industrie binnen het productieproces waarin de kunstenaar altijd de zwakste schakel is, controle te krijgen over de productiemiddelen. De technische reproduceerbaarheid wil men tot een minimum herleiden. Het intellectueel eigendom van medische ontdekkingen is soms wraakroepend, PEPSI probeert een bepaald soort blauw te patenteren. In de Middeleeuwen hadden de rijken alleenrecht op bepaalde kleuren, Het ‘grauw’ mocht zijn linnen niet verven. Vandaag bezit men auteursrecht op genen, medicijnen, ja zelfs op het menselijke genoom. Hoe ver is men van de slavernij? Blauw, de hemel is blauw: Pepsiblauw.
MONEY TO BURN
Wat kunnen we doen? De artistieke wereld is een emanatie van de economische verhoudingen elders. De kunst staat niet buiten de economische wetten. Zowel kunstenaars als publiek moet men beter beschermen tegen de ‘vrije’ markt. Een eerste belangrijke stap is het kunstenaarsstatuut voor iedereen die dat wil. Denk even aan de honderden die er ooit korte of langere tijd in slaagden van hun kunst te leven en achteraf gedoemd zijn tot een pariabestaan, omdat ze niet meer terug kunnen naar het normale arbeidscircuit. Men moet komen tot een sociaal statuut voor kunstenaars, dat toegekend wordt op basis van objectief meetbare parameters. Als men financieel afhankelijk is van vage normen zoals artistieke kwaliteit, dan speelt men beter op de Lotto. Subsidies brengen geen structurele oplossing. Iedereen die erom vraagt een kunstenaarsstatuut geven, brengt ons ook weer bij het basisinkomen. Ik geloof niet dat dit, zoals Vivant voorstelt, moet gefinancierd worden uit consumptie, maar uit belastingen op kapitaal. Kunst kan een katalysator zijn voor fundamentele verandering. De strijd om een sociaal statuut voor artiesten staat niet los van de economische maatregelen die moeten getroffen worden: afschaffing van de belastingparadijzen, opheffing van het bankgeheim, actieve bestrijding van de fiscale fraude, de Tobintaks, kwijtschelding van de schuldenlast van de derdewereldlanden, vermogensbelastingen etc.
Kunstenaars moeten ophouden elkaar te bekampen als het over hun statuut gaat. Uiteraard vergt dit een mentaliteitsverandering van de kunstenaars zelf. Door ervoor te zorgen dat artiesten minder geklemd zitten in het keurslijf - of de dwangbuis? - van de commercie neemt de artistieke vrijheid toe. In de controlemaatschappij kan kunst een laatste - of een eerste? - vrijhaven zijn.
Ook het publiek moet genezen worden van de ‘vrije’ markt. Vandaag bevordert kunst consumptie. Ongetwijfeld spelen hier een aantal psychologische factoren mee. Men is er als de kippen bij om de nieuwste film te gaan kijken, het nieuwste boek te lezen, de nieuwste CD te kopen. Men legt dure verzamelingen aan. Dit kan men tegengaan door te zorgen voor meer openbare voorzieningen: videotheken, computergame-o-theken, speel-o-theken, bibliotheken etc. mét een actief aankoopbeleid. Ook moet het publiek de moed hebben zélf te oordelen over film, muziek of kunst. Er is niets meer boeiend dan zelf dingen te ontdekken. Het komt erop aan de economische mechanismen bloot te leggen. Als bij elk kunstwerk, zoals bij de dieren in de zoo, de sponsor vermeld staat, dan is het toch geen onredelijke eis om overal de kostprijs bij te vermelden. Dat is eerlijke marktinformatie.
De spanning tussen kunst en commercie is eeuwenoud. Misschien loopt het allemaal heel anders. Vergaat het de kust zoals vandaag het competitievoetbal? Dure transfers brengen de clubs ondanks puike sportprestaties naar de financiële afgrond. Geeft het wereldwijds kapitalisme zichzelf de doodsteek? Zetten bankgeheim en fiscale paradijzen de deur open voor terroristen?
Voorlopig kunnen de machtshebbers nog op beide oren slapen. Er is geen vuiltje aan de lucht. In de geïndustrialiseerde wereld blijft het gemiddeld politieke IQ nog ver onder de schoenmaat. Men heeft de jeugd stevig onder controle. De heersers konden zich geen betere wissel op de toekomst dromen. Ook in stemhokjes blijft de reactie hiertegen nog ver rechts van de komma.
Toch is er de laatste jaren een nieuw intellectueel en artistiek klimaat ontstaan. Ook vanuit de academische wereld wordt er weerwerk geboden tegen het neoliberalisme. Internationaal zijn er Slavoj Zizek, Joachim Hirsch, Saskia Sassen, Pierre Bourdieu etc. Bij ons is er onder meer Jaap Kruithof. En uit de ontmoeting tussen kunst en de nieuwe sociale bewegingen ontstaat een nieuwe synergie. In september 2000, tijdens de Top in Praag, was er binnen de andersglobalistische beweging een aanzienlijke artistieke aanwezigheid. Wereldwijd steken nieuwe fenomenen de kop op: Copyright Vioation Squad, Copyleft, Consumer’s Surrealism, Adbusting. Men maakt creatief gebruik van reclamepanelen, wendt beveiligingscamera’s aan om er heuse toneelstukken mee te realiseren. Er is de poëzie in de teksten van Subcomandante Marcos. En er is de creativiteit waarmee andersglobalisten en Reclaim The Streets-activisten zich manifesteren. De sceptici verwijs ik naar het bitterzoete voorbeeld van de Belgische Revolutie: die begon toch ook - als we de geschiedenisboekjes mogen geloven - met de opvoering van een opera.
ALL’S WELL THAT ENDS WELL
Vandaag blijkt dat ook met kunstvernielingen de kassa kan rinkelen. In Groot-Brittannië kochten de gebroeders Jake en Dinos Chapman, onder andere met het geld dat ze verdiend hebben met hun eerder artistiek werk, de 80 afdrukken die in 1937 gemaakt werden van de originele etsplaten Los destares de la guerra van Francisco de Goya (1746-1828). De serie is één van de bekendste anti-oorlogskunstwerken. Ze is uitgesproken anti-klerikaal en antipatriottisch. De Chapmans vervingen alle hoofden van slachtoffers door dierenhoofden en clownsmaskers. De kunstwereld reageert laaiend enthousiast. Ze belandden op de short list voor de prestigieuze Turner Prize 2003. Natuurlijk kan men dit werk ook zien als een sterk statement tegen de oorlog. Maar waar liggen de beperkingen van het eigendomsrecht? Hoe geloofwaardig is deze affaire, als men binnen diezelfde maatschappij mensen die een gelijkaardige boodschap uitdragen constant minimaliseert, ridiculiseert of criminaliseert?
Met figuren als Goya en El Greco (1541-1614) begon de moderne schilderkunst. El Greco zijn gedeformeerde perspectief was te wijten aan een oogkwaal. De schilderijen van Goya werden almaar zwarter. De verf bezorgde hem een loodvergiftiging. Over een periode van twintig jaar gleed hij tergend traag af naar een uitermate gruwelijk einde.
Rommelend in mijn platenbakken vind ik Goya een album van Grenadine. Op de hoes poseren de bandleden bij een stapel producten met allemaal dezelfde merknaam: Goya. Een vluchtige blik op het net verduidelijkt dat dit een reële firmanaam is. Weer eens heeft de realiteit de fictie ingehaald.
Private Art Detective Didi de Pari$ didi.deparis@chello.be
