Guy Debord is een helse machine die moeilijk te ontmijnen is. En toch heeft men het geprobeerd. En probeert men het nog steeds. Men probeert hem te neutraliseren, te verzachten, te esthetiseren, te banaliseren. Niets helpt. De dynamiet blijft erin en riskeert te exploderen in de handen van degenen die het willen ontmijnen.
René Schérer en Giorgio Passerone hebben een boek over Pasolini gepubliceerd, onder de titel ‘Passages pasoliniens’. De Franse vrije zender Radio Libertaire interviewde één van beide auteurs over de Italiaanse cineast, dichter, schrijver, homo en activist. Johny Lenaerts vertaalde.
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Nieuw aan deze crisis is dat niemand de schuld aan de werklozen geeft. Niemand klaagt erover dat ze te lui zijn. Niemand verlangt dat ze asperges steken. Niemand beweert dat ze te veel geld van de staat ontvangen. De laatste keer was dat anders. Ook in de jaren 2002 tot 2005 kende Duitsland een zware crisis. Het aantal werklozen lag haast bij de vijf miljoen, veel hoger dan nu, in de talkshows stelden de moderatoren steeds weer dezelfde vraag: Waar is het aan te wijten? Waarom gaat het het land zo slecht?
De Duitse schrijver Alfred Döblin geeft een beeld van de economische crisis van de jaren dertig, dat, in het licht van een aantal recente gebeurtenissen, erg vertrouwd overkomt.
Toen ik nog werkte in België woonde ik ooit een "studiedag" bij (met Electrabel als één van de promotoren) waarin het effekt van hoogspanningskabels toegeschreven werd aan "massahysterie". Uit de brief van Joris Bosmans (Humo 3514) blijkt dat er de afgelopen 15 jaar geen stap vooruit is gezet in deze materie, en "massahysterie" nog steeds de officiële leer blijft. Van mijn kant heb ik wel de moeite genomen om mijn licht op te steken bij andere bronnen. Laat ons beginnen bij het begin. De (...)
Mathias Bienstman, medewerker van Netwerk Vlaanderen, pleit in deze tekst voor een sociaal transitiefonds in de sector van energierenovatie. Opmerkingen en commentaren zijn welkom bij de auteur. Zie onderaan voor gegevens.
Het concept ’transities’ is vandaag in volle opgang. Zoals we al eerder aangaven op de website is het belangrijk om aandacht te geven aan hoopvolle, enthousiasmerende projecten en experimenten. Transition town Totnes is zo’n voorbeeld hiervan. Het volgende artikel van Peter Polder verscheen in het Nederlandse webzine Ravagedigitaal (25 juli 2008).
Het is een oorlog van een nieuw type dat de Scientology Kerk sedert enkele dagen te verduren heeft. Want het is namelijk op het virtuele terrein dat zich momenteel de strijd van de antisekteactivisten afspeelt. Verschillende internetsites van de Scientology Kerk (die volgens rapport nr 2468 van het Franse parlement als een sekte beschouwd wordt) worden aldus door internet-‘hacktivisten’ en door een denkbeeldige groep onder de benaming ‘Anonymus’, geviseerd.
Midden jaren zestig. Raymond Borde is een vermaard filmcriticus. Zijn specialiteit: de erotische film. Op lyrische wijze schrijft hij over ‘het zoete, zeer zoete droombeeld’ van lesbiennes die in een somber kasteel opgesloten worden. Hij beschrijft hoe in het leven van de man het opduiken van de eerste lesbiennes op het witte doek ‘de opborreling van het meest natuurlijke wonder ter wereld’ met zich meebrengt. ‘Dat gebeurt rond het zestiende jaar. (...) Maar meedogenloze regels leggen deze waanzin het zwijgen op. Op de eerste plaats is er niemand die op dit droombeeld antwoordt. Het poogt zich tevergeefs te objectiveren.’
Peter Tom Jones & Roger Jacobs
dinsdag 28 juni 2005, door Peter Tom Jones, Roger Jacobs
In 1972 verscheen in opdracht van de Club van Rome het spraakmakende rapport Limits to Growth (Meadows et al.). Vier jonge onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology maakten aan de hand van een computermodel een aantal toekomstprojecties. Zij concludeerden dat, als de groeitrends inzake wereldbevolking, industrialisatie, vervuiling, voedselproductie en uitputting van de natuurlijke hulpbronnen onveranderd zouden doorgezet worden, de grenzen aan de groei nog voor 2100 zouden bereikt worden met de ineenstorting van het wereldsysteem tot gevolg. In tegenstelling tot de karikatuur die men er vandaag vaak van maakt, was het rapport niet defaitistisch: het stelde zeer duidelijk dat de groeitrends konden veranderd worden teneinde een toestand van ‘mondiaal evenwicht’ na te streven. Het rapport maakte immers geen ‘voorspellingen’; wel ‘projecties’ van mogelijke toekomsten uitgaande van geselecteerde scenario’s. Dat is een levensgroot verschil in de milieuwetenschap. Dennis Meadows, één van de auteurs van Limits to Growth, vergeleek het rapport recent nog met een radar op een schip: “Als de kapitein weet dat hij op een ijsberg afstevent, kan hij zijn koers veranderen. Wij brengen alle beschikbare gegevens in kaart en waarschuwen: als wij deze koers aanhouden, loopt het verkeerd af. Dat is een voorspelling die zichzelf zou moeten ondergraven, geen self-fulfilling prophecy maar een self-defeating prophecy. Want dat is altijd onze bedoeling geweest: mensen aanzetten tot actie, om de ineenstorting te voorkomen.” (geciteerd in De Ceulaer, 2004) De conclusies van dit uitermate invloedrijk document zorgden alleszins voor een ware revolutie in het denken ten aanzien van het milieu. Wellicht voor de eerste keer in de geschiedenis werd het blinde vooruitgangsgeloof ook vanuit een wetenschappelijke invalshoek radicaal aan de kaak gesteld. Daarnaast wees het in niet mis te verstane bewoordingen op de biofysische eindigheid van de planeet Aarde: eindeloze economische (volume)groei werd voortaan onmogelijk geacht.
De relevantie van de hoofdwetten van de thermodynamica
De idee dat er grenzen aan de groei bestaan, is nochtans veel ouder dan het rapport van de Club van Rome. De kiemen van deze inzichten zijn reeds aanwezig sinds de negentiende eeuw, toen de thermodynamica zich in ijltempo ontwikkelde. Deze tak van de fysica houdt zich bezig met de studie van energetische omzettingen. Hoewel deze wetenschap thans een buitengewoon breed toepassingsveld beslaat, zijn we hier geïnteresseerd in de relatie tussen haar hoofdwetten en het bestaan van biofysische grenzen. De Eerste Hoofdwet van de thermodynamica stelt dat energie niet kan vernietigd worden. In een geïsoleerd én gesloten systeem (geen transfer van materie en energie tussen het systeem en de omgeving) is de totale hoeveelheid energie constant. Bij reële processen kan de vorm van de energie wel veranderen, maar niet de totale energie-inhoud van het systeem. De Tweede Hoofdwet bepaalt de richting waarin reële processen kunnen plaatsvinden: hete voorwerpen koelen spontaan af; botsende ballen komen uiteindelijk tot stilstand. De meest algemene synthese van deze wet stelt dat alle reële processen irreversibel of onomkeerbaar zijn. Alle gebeurtenissen laten een uitwisbaar spoor na; een geïsoleerd stelsel kan nooit in een vorige toestand terugkeren. De Tweede Hoofdwet introduceert een richting van de Tijd (the arrow of time).
Een fysische limiet aan de efficiëntie en exergie
Afhankelijk van het toepassingsgebied bestaan er verschillende, meer specifieke formuleringen voor de Tweede Hoofdwet. In een geïsoleerd systeem vinden reële processen slechts plaats als er netto gezien entropie geproduceerd wordt. De entropie - van het Griekse woord tropè (transformatie) - is een maat voor de wanorde in een systeem: hoe groter deze chaos, hoe groter de entropie. Dat er een fysische limiet bestaat aan de te bereiken efficiëntiegraad van industriële omzettingsprocessen is één van de meest fundamentele inzichten die deze wet biedt. Om het verschil aan te geven tussen de kwaliteit en de kwantiteit van energie, heeft men het begrip ‘exergie’ of ‘beschikbare energie’ ingevoerd (3). Dit is het benutbare deel van de energie van een systeem in een bepaalde omgeving: de exergie vertegenwoordigt de maximale arbeid die een systeem in zijn omgeving kan presteren. De toestandsgrootheid exergie plakt een kwaliteitslabel op een gegeven hoeveelheid energie. Via de Eerste Hoofdwet weten we dat er in de strikte betekenis van het woord geen energiecrisis kan zijn. Correcter is het om te spreken van een ‘exergiecrisis’: i.e. de uitputting van de hoeveelheid beschikbare energie.
Dissipatieve systemen
Aangezien de entropiewet stelt dat de wanorde (entropie) in een gesloten en geïsoleerd systeem slechts kan toenemen en de exergie enkel kan afnemen, heeft dit sommigen ertoe aangezet om zich zeer pessimistisch uit te laten over de toekomst van het leven. Indien men het universum als een gesloten systeem kan beschouwen, dan incorporeert de Tweede Hoofdwet inderdaad dat het heelal op termijn een thermische dood zal sterven: i.e. het heelal evolueert naar een toestand waarin alle verschillen in temperatuur ongedaan gemaakt worden, zodat er geen leven meer mogelijk is. Dit beeld staat bij voorbeeld centraal in het boek The Runaway Universe (1978) van Paul Davies. In de postmoderne sociale theorie hanteert men het entropieconcept vaak als een metafoor om de degradatie aan te geven van ons hedendaagse sociale en culturele bestaan. Ook in de literatuur doen tal van schrijvers beroep op dit pessimistische entropiebeeld om de teloorgang van de ‘entropische wereldorde’ aan te duiden. Deze apocalyptische visie wordt sterk in de verf gezet in de roman Do Androids Dream of Electric Sheep (1968) van SF-schrijver Philip Dick. In de futuristische wereld van Dick staat het entropieconcept centraal: steden verloederen, de natuurlijke leefomgeving verdwijnt, de levensduur van de androïden (robotmensen) neemt af, en de ongelukkigen die nog op deze planeet vertoeven worden met doffe ellende geconfronteerd. Het metaforische entropiebegrip komt ook terug in het werk van Thomas Pynchon. In zijn SF-roman Gravity’s Rainbow (1973) beschrijft Pynchon de evolutie van de samenleving vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog. Deze wordt aangedreven door het groeiende mondiale kapitalisme, geruggensteund door het militair-industrieel complex, revolutionaire technologieën en snel uitbreidende bureaucratische structuren van controle en macht. Gravity’s Rainbow kan men lezen als een parabel van de geboorte van een ‘postmoderne’ samenleving in een matrix van een gelijktijdige decompositie van de moderne samenleving, die uiteindelijk uitmondt in een wereldoorlog en de atoombom (zie bv. Best & Kellner, 2001:23-56).
En toch is niet alles kommer en kwel wat het entropieverhaal betreft. In Pynchons verhaal is er ook ruimte voor een constructieve visie. In wezen beroept hij zich op de recente ontwikkelingen in de chaos- en complexiteitstheorie. De pessimistische gevolgtrekkingen inzake het entropiebegrip zijn immers slechts geldig voor gesloten, geïsoleerde systemen die gradueel neigen naar meer chaos en wanorde. In het geval van ‘open systemen’ en ‘materieel gesloten, maar niet geïsoleerde systemen’ zijn de conclusies minder negatief. Dit zijn thermodynamische stelsels die interacties kunnen ondergaan met hun omringende omgeving. Voor open systemen betreft dit zowel uitwisseling van energie als materie; voor gesloten, niet-geïsoleerde systemen is er enkel uitwisseling mogelijk op energetisch vlak (cf. onze planeet Aarde). Via deze interacties kunnen open en energetisch niet-geïsoleerde systemen zelf orde opbouwen. De entropieafname in het open of niet-geïsoleerde systeem moet echter wel gecompenseerd worden door een grotere entropietoename in de omringende omgeving.
In deze systemen is er sprake van de ‘dialectiek van de entropie’, een thema dat ook centraal staat in Thomas Pynchons Gravity’s Rainbow. Orde kan uit chaos ontstaan. Levende organismen zijn uitstekende voorbeelden van wat de Belgisch-Russische Nobellaureaat Ilya Prigogine ‘dissipatieve systemen’ heeft genoemd. Dit zijn structuren die door interactie met hun omgeving intern orde genereren. Hun overleving gaat evenwel onvermijdelijk ten koste van de verhoging van de wanorde in hun omgeving. In de natuur zijn er dus twee tegengestelde principes actief: het destructieve, entropische beginsel versus het constructieve, evolutionaire principe. Zoals we in de volgende paragrafen zullen zien, kunnen we deze principes van de Tweede Hoofdwet ook gaan toepassen op de relatie tussen economie en ecologie, het terrein bij uitstek van de school van de Ecological economists.
De ecologische economie
Historische roots van de ecologische economie
Het gebruik van thermodynamische principes voor de studie van economische systemen heeft een lange geschiedenis. Het valt buiten het bestek van deze bijdrage om een exhaustief overzicht te bieden van haar genesis; daarvoor kunnen we verwijzen naar de literatuur (zie bv. Ropke, 2005). In deze bijdrage zullen we ons beperken tot de vermelding van de ‘geestelijke vaders’ van de ‘ecologische economie’.
De Oekraïense socialist Sergei Podolinsky was de eerste figuur die op expliciete wijze het economische proces vanuit een thermodynamische invalshoek bekritiseerde. In zijn bekende briefwisseling met Friedrich Engels stelde hij zich bijzonder scherp op ten aanzien van het gebrek aan ecologisch inzicht in het model van het ‘wetenschappelijk socialisme’. Conform het vooruitgangsgeloof dat zij deelden met hun liberale collega’s, gingen Westerse marxisten er botweg vanuit dat uiteindelijk alle vormen van grondstoffenschaarste overwonnen konden worden: ongebreidelde materiële expansie lonkte aan de horizon. Podolinsky wees Engels echter op de fundamentele (thermodynamische) belemmeringen die de natuurwetenschappen oplegden aan de economische (volume)groei.
Een tweede cruciaal figuur in de ontwikkeling van de ecologische economie luistert naar de naam Frederick Soddy (1877-1956). Deze Nobellaureaat in de scheikunde hanteerde de thermodynamische wetten om de gebruikelijke economische standaardtheorieën te ontkrachten. Soddy liet zich ooit ontvallen dat de “principes en de ethiek van alle menselijke conventies mogen niet indruisen tegen die van de thermodynamica” (Soddy, 1922:9). Soddy was de mening toegedaan dat de achilleshiel van de economische theorie zijn oorsprong vindt in de fundamentele verwarring tussen welvaart en schulden. Daar waar welvaart, op de keper beschouwd, een niet-reduceerbare fysische dimensie incorporeert, vormen schulden een imaginaire wiskundige hoeveelheid zonder fysische relevantie. Geld is dan ook het enige object dat niet gehoorzaamt aan de Tweede Hoofdwet. Om het met de parafrasering van Daly (1996:178) iets eenvoudiger uit te drukken: de positieve, fysische hoeveelheid - twee varkens - vertegenwoordigt welvaart en kan gezien en aangeraakt worden. Minus twee varkens - schuld - is een imaginaire hoeveelheid zonder enige fysische dimensie. Soddy stelde dat deze verwarring ertoe leidde dat financiële instellingen werden ontwikkeld die volledig vervreemd geraakten van de biofysische principes die ten grondslag liggen aan de productie van welvaart.
In het verlengde van het werk van Soddy, wees de Roemeense wiskundige en econoom Nicholas Georgescu-Roegen (1906-1994) in The Entropy Law and the Economic Process (1971) op de inherente grenzen aan de totale schaal van het economische proces met betrekking tot het omringende Ecosysteem Aarde. Georgescu-Roegen maakte uitvoerig gebruik van thermodynamische beschouwingen om tot deze conclusie te komen. Met name de Tweede Hoofdwet van de thermodynamica speelde een essentiële rol in zijn analyse van economische processen. Zonder de entropiewet was er volgens Georgescu-Roegen geen inzicht in de economische schaarsteproblematiek mogelijk. Deze man kan men zonder enige twijfel beschouwen als dé pionier van de ecologische economie.
In de jaren die volgden op de publicatie van Georgescu-Roegens meesterwerk in 1971, zouden figuren als Herman Daly, Robert Constanza, Joan Martinez-Alier en Mathis Wackernagel deze theorieën verder uitwerken en verfijnen. Vooral Herman Daly, één van de studenten van Georgescu-Roegen, geniet inmiddels grote bekendheid. Zijn magistraal Steady-State Economics (1977) vormt één van de mijlpalen in het analysekader van de ecologische economie. Dit werk heeft een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de verspreiding van de fundamentele inzichten van deze economische school. Hoewel weinig bekend in populaire kringen, kent deze school inmiddels, vooral in academische kringen, een bloeiend bestaan.
De economie is een deelsysteem van het Ecosysteem Aarde
Essentieel is dat de ecologische economie de fysieke dimensie van het economisch proces benadrukt. Dit staat in schril contrast met de neoklassieke economie die zich bijna uitsluitend bezighoudt met de financiële dimensie en uit het oog verliest dat de economie fundamenteel afhankelijk is van het Ecosysteem Aarde. Herman Daly heeft er met klem op gewezen dat de neoklassieke economie de bal danig misslaat: “Neoklassieke economie is, zoals de klassieke fysica, een bijzonder geval dat vooronderstelt dat we ver van grenzen zijn (...) en ver van de beperkende draagcapaciteit van de omgeving en de beperkende verzadiging van de behoeften van de consumenten.” (Daly, 1987:324).
Anno 2005 baseert de gangbare economie zich nog steeds op de klassieke figuur waarin men via een cirkelvormig diagram de (macro)economie beschouwt als een geïsoleerd systeem waarin ‘ruilwaarde’ in een gesloten kringloop circuleert tussen bedrijven en particulieren (zie Fig. 1). Competitieve markten zorgen voor de optimale allocatie (toewijzing) van kapitaal en arbeid. In deze economie zijn er blijkbaar geen energie- of materiaalinputs vereist en wordt er geen afval geproduceerd. Daar volgens deze visie abstracte ruilwaarde eindeloos circuleert in een geïsoleerd en zelfvoorzienend systeem (zonder een omgevend milieu), kan er ook geen probleem zijn met de uitputting van schaarse milieubronnen, noch met ecologische verontreiniging of aantasting van essentiële milieufuncties. De macro-economie is in deze visie van niets afhankelijk buiten zichzelf. Tot in der eeuwigheid kan deze machine blijven functioneren. Ook vandaag nog ontsiert dit waanbeeld menig handboek in de inleidende economie. Dergelijke opvatting is om evidente redenen danig achterhaald: de Tweede Hoofdwet leert ons dat een perpetuum mobile een fysische onmogelijkheid is.
Milieueconomie en internalisering van externe kosten
Zelfs als men op één of andere manier een aantal ecologische aspecten tracht te incorporeren in de neoklassieke economie, dan nog is dit ontoereikend. Zo stelt de nu in opgang zijnde milieueconomie (environmental economics) zich tot doel ‘correcte prijzen’ te berekenen via de internalisering van externe (ecologische) kosten. Op die manier hoopt men via marktmechanismen een nieuw, ecologisch verantwoord ‘evenwicht’ te bereiken. In de milieueconomie gaat men er immers van uit dat milieuproblemen het gevolg zijn van een niet-optimale toewijzing van milieugoederen en -diensten. Door rechtstreeks te interveniëren in de markten of door markten te creëren voor deze goederen en diensten, denkt men problemen zoals verontreiniging en uitputting te kunnen oplossen (Paredis et al., 2004:76). Hoewel de meeste ecologische economisten het zeker zullen toejuichen dat er een aantal ecologische schaduwkosten worden doorgerekend in de prijs van milieubelastende producten, is deze strategie onvoldoende. In de werkelijkheid bestaat er immers niet iets zoals de ‘correcte prijs’. We kunnen ons dan ook volledig terugvinden in de gevleugelde woorden van Herman Daly: “Onsamenhangendheden, drempels en complexe weefsels van onderliggende afhankelijkheid bespotten de idee dat we vlot groeiende ecosysteemkosten leuk kunnen in evenwicht brengen met de afnemende marginale nuttigheid van productie op macroniveau. De idee dat systemische vitale kosten van collectief gedrag (broeikaseffect, ozonvernietiging) het beste worden aangepakt door te doen alsof elk individu op basis van vooronderstelde perfecte kennis vanuit zijn of haar bereidheid kan en moet beslissen tot betalen om het verlies van zulke diensten te vermijden, is niet een idee dat gemakkelijk voor de onbevooroordeelde geest komt. Het vereist jaren van indoctrinatie in ‘methodologisch’ individualisme.” (Daly, 1996:54) Er bestaat namelijk geen enkele garantie dat dat nieuwe marktevenwicht zou overeenkomen met een ‘ecologisch evenwicht’. Het marktprincipe kent immers geen ingebouwd controlemechanisme dat ervoor zorgt dat het draagvermogen van de Aarde niet wordt overschreden. Een duurzame schaal voor de wereldeconomie kan bijgevolg niet via het marktprijsmechanisme bereikt worden. In economisch jargon kan men dit als volgt omschrijven: ‘allocatieve efficiëntie’ vormt geen enkele garantie voor ecologische duurzaamheid. De bepaling van een duurzame schaal voor de economie moet het resultaat zijn van een sociale beslissing uitgaande van de kennis van de ecologische grenzen. In de ecologische economie zal men daarom drie economische problemen onafhankelijk van elkaar proberen op te lossen: de bepaling van (1) de totale schaal van de economie, (2) de initiële verdeling en (3) de allocatie van productiefactoren. We komen er in deel II van deze bijdrage uitvoerig op terug.
De ‘volle wereld’ versus de ‘lege wereld’
Zoals reeds aangegeven is een cruciaal gegeven in de ecologische economie dat men de economie, in haar fysische dimensie althans, expliciet beschouwt als een open deelsysteem van de Aarde. Het Ecosysteem Aarde is op zijn beurt een energetisch open (influx zonne-energie) maar materieel gesloten, niet-groeiend eindig systeem (Fig. 2). Op een sporadische meteoorinslag na, wisselt de aarde namelijk geen materie uit met het universum. Het geheel van technologische middelen kan niet ontsnappen aan de basiswetten van de thermodynamica. Reële processen vergen een ononderbroken inzet van nieuwe exergiebronnen. De aarde is zowel de leverancier van laag-entropische, hoog-kwalitatieve grondstoffen (biomassa, fossiele bronnen, ertsen) als de ontvanger van hoog-entropische, laag-kwalitatieve afvalstoffen (koolstofdioxide, radioactief afval etc.). De toename van de schaal van het economisch deelsysteem is gelimiteerd door de beperkte omvang van de aarde als grondstoffenleverancier (sources) en als buffer om afvalstoffen en emissies op te nemen en te verwerken (sinks).
Met deze achtergrond kunnen we Fig. 2 nu ten volle begrijpen. In deze figuur illustreert Daly de interactie tussen het (open) economische deelsysteem en het omvattende (materieel gesloten, energetisch open) Ecosysteem Aarde. De biosfeer wordt aangedreven door een bijna constante hoeveelheid zonne-energie (exergie) die gedeeltelijk door het Ecosysteem Aarde gebruikt wordt en gedeeltelijk terug verloren gaat als restwarmte. De continue influx van nieuwe zonne-energie zorgt voor het hernieuwbare karakter van een aantal energiebronnen in het Ecosysteem Aarde. Via de influx van zonne-energie zijn tal van organismen in staat om via fotosynthese stoffen met een hoge entropiewaarde (zoals CO2 en H2O) om te zetten tot stoffen met een lage entropiewaarde (voedingsgewassen, organische koolstof). Net zoals dat het geval is bij levende organismen, heeft de economie nood aan een metabolisme om te kunnen functioneren. Zonder voedsel en water sterft elk organisme aan ontbering. Doorheen de economie stromen daarom hernieuwbare en fossiele grondstoffen en materialen (M) enerzijds en energie (E) anderzijds (throughput). Via deze inputs is het economisch proces in staat om economische goederen en diensten te leveren. Daar waar een deel van de materiaalstroom gerecycleerd kan worden en als nieuwe input kan dienen voor de economie, daalt de kwaliteit van de aangewende exergievormen onomkeerbaar (conform de Tweede Hoofdwet): van een hoogwaardige gecondenseerde vorm (bv. fossiele brandstoffen, i.e. stoffen die ooit via zonne-energie aangemaakt werden) naar een laagwaardige, diffuse vorm (bv. verbrandingsproducten zoals CO2 en H2O). Terzelfder tijd levert het Ecosysteem Aarde ook een aantal essentiële milieufuncties: klimaatregulering, waterbevoorrading, recyclage van nutriënten, opname van afval etc. Wanneer de mens de hoogwaardige stoffen aanwendt tegen een snelheid die hoogstens de productiesnelheid is van de ecosfeer en emissies levert onder de vorm van opnieuw CO2 en H2O in plaats van synthetische, niet-afbreekbare stoffen, dan is de materiaalcirkel gesloten en bijgevolg duurzaam.
Daly maakt een duidelijk onderscheid tussen de situatie van een bescheiden wereldeconomie vroeger (‘lege wereld’) en de totaal andere situatie van vandaag (‘volle wereld’). Daar waar het economisch deelsysteem ‘vroeger’ slechts een beperkt deel van het Ecosysteem Aarde innam, botst de totale schaal van de wereldeconomie momenteel op de biofysische grenzen van deze planeet. De figuur toont schematisch aan dat bij de overgang van de ‘lege wereld’ naar de ‘volle wereld’ de stroom aan economische diensten aanzienlijk is toegenomen, evenwel met als gevolg dat de hoeveelheid ‘milieudiensten’ sterk is verminderd, zoals ook wordt aangegeven door het Millennium Ecosytem Assessment-rapport. Het blijft koffiedik kijken hoe groot het verlies aan milieudiensten kan zijn vooraleer de gezondheid van het Ecosysteem Aarde werkelijk onherroepelijk gecompromitteerd wordt.
Figuur 2.1 - Het klassieke schema van de economie als een geïsoleerd systeem
Figuur 2.2 - Daly’s analytisch concept van de economie als een deelsysteem van het grotere ecosysteem Aarde [‘Lege wereld: vroeger’ versus ‘Volle wereld: nu’]
Nood aan harde duurzaamheid
Aangezien de economie een deelsysteem is van een eindige aarde, kan de totale biofysische schaal van de economie niet blijven groeien. Zowel de ecosfeer als de economie zijn wat men in de niet-evenwichtsthermodynamica ‘dissipatieve’ systemen noemt. Zoals reeds eerder aangegeven zijn dit structuren die zelforganiserend zijn en zich ‘ver van het thermodynamisch evenwicht’ bevinden: dit impliceert dat zij intern orde kunnen opbouwen en/of kunnen groeien door energie (exergie) te importeren van hun gastsysteem en hun afvalstromen opnieuw te dumpen (dissiperen) in hun omgeving. Het grote verschil tussen de ecosfeer en de economie is dat de eerste zichzelf kan ontwikkelen door de dissipatie van zonne-energie; daar waar de economie enkel en alleen kan groeien door dissipatie van de ecosfeer (Rees, 2003:898).
De hamvraag blijft dus hoe de wereldeconomie duurzaam kan gemaakt worden. Het thans populaire, maar uiterst ambiguë begrip ‘duurzame ontwikkeling’ biedt ons inziens geen perspectieven (Jones & Jacobs, 2005a). Omdat deze nieuwe ideologie zich vandaag gemakkelijk laat perverteren tot ‘ontwikkeling-als-groei’ - een race zonder eindstreep - opteren wij voor het alternatieve concept ‘duurzaamheid’ (sustainability). Niet dat er omtrent dit concept geen debat zou bestaan. Verre van zelfs. Duurzaamheid heeft echter het voordeel dat het de aandacht afleidt van het aspect ‘ontwikkeling’ in het begrip ‘duurzame ontwikkeling’. Veeleer dan duurzame ontwikkeling na te streven zal de internationale gemeenschap erin moeten slagen ‘duurzaamheid te ontwikkelen’. Doorgaans maakt men inzake het debat rond duurzaamheid een onderscheid tussen twee vormen van ‘kapitaal’. Human-made capital (‘artificieel kapitaal’) omvat alle materiële goederen (gereedschap, machines, gebouwen, infrastructuur) die een bijdrage leveren aan het productieproces maar die geen deel uitmaken van de economische output omdat zij bedoeld zijn om gedurende een aanzienlijke tijd ingezet te kunnen worden in het proces. ‘Natuurlijk kapitaal’ - vergeef ons het bedenkelijke karakter van de term - is een complexe categorie die vier aparte milieufuncties vervult ten aanzien van de mens. Ekins et al. (2003:167) onderscheiden:
• grondstoffen die als input dienen in de economie (sources: fossiele brandstoffen, ertsen, hernieuwbare energiebronnen, water etc.); • het vermogen van de natuur om afvalstoffen en/of emissies die vrijgekomen zijn tijdens het economisch proces te absorberen en te verwerken (afvalopnamecapaciteit van de sinks: bv. bossen die CO2 opnemen); • fundamentele levensinstandhoudingssystemen (life-support systems) zoals een stabiel klimaat, een beschermende ozonlaag etc.; • ‘leefbaarheidsvoorzieningen’ (amenity services) die een toegevoegde, artistieke en spirituele meerwaarde geven aan het leven.
Duurzaamheid betekent dat de hoeveelheid kapitaal instandgehouden wordt; het begrip kan zowel afzonderlijk bekeken worden per type ‘kapitaal’ of als combinatie van de twee soorten kapitaal. Zo impliceert milieuduurzaamheid dat de totale hoeveelheid ‘natuurlijk kapitaal’ niet mag afnemen. In de literatuur kan men grosso modo twee hoofdtendensen onderscheiden ten aanzien van dit debat. Een eerste groep auteurs schuift de idee van zachte duurzaamheid (weak sustainability) naar voor. Dit behelst dat de totale hoeveelheid kapitaal niet mag afnemen. In deze visie veronderstelt men dat het op zich niet zo’n drama is dat de hoeveelheid ‘natuurlijk kapitaal’ terugloopt zolang die maar vervangen wordt door artificieel kapitaal. Men gaat ervan uit dat welvaart enkel afhankelijk is van de combinatie van de twee soorten kapitaal terwijl de juiste verhouding tussen de twee niet zo relevant is. De aanhangers van deze visie ten aanzien van duurzaamheid zijn meestal ook de verdedigers van de gangbare idee van duurzame ontwikkeling.
Ook al vormt het pleidooi voor zachte duurzaamheid reeds een merkbare verbetering ten opzichte van de business as usual-situatie, toch zijn er zeer duidelijke aanwijzingen dat zachte duurzaamheid onvoldoende garanties biedt op ecologische duurzaamheid. Een heel scala aan milieufuncties zijn immers onmogelijk te vervangen door artificieel kapitaal en zijn bijgevolg ‘essentieel’. Dat is trouwens ook de reden waarom milieueconomen het concept ‘kritisch natuurlijk kapitaal’ hebben ingevoerd. Daarmee refereert men aan die delen van de natuur die essentieel zijn om te onderhouden omdat hun vernietiging negatieve gevolgen voor de mens impliceert (Ekins et al., 2003:169). Artificieel en ‘natuurlijk kapitaal’ zijn dus veeleer complementair in plaats van substituten. Eens de biofysische grenzen aan de groei bereikt zijn, is het vrij zinloos om extra artificieel kapitaal te produceren als het resterende ‘natuurlijk kapitaal’ het niet meer kan aanvullen. Het verschil tussen de ‘lege wereld’ en de ‘volle wereld’ wordt hier pijnlijk duidelijk. Historisch gezien was het beschikbare ‘natuurlijk kapitaal’ overvloedig aanwezig voor een relatief kleine wereldbevolking. De limiterende factor was de beschikbaarheid van artificieel kapitaal. In de huidige wereld zijn de rollen helemaal omgedraaid als gevolg van de combinatie tussen de globale bevolkingsgroei en een hoge milieudruk/capita vanwege de getransnationaliseerde consumptieklasse. Vandaag zitten we in een situatie waar er meer - weliswaar ongelijk verdeeld - artificieel kapitaal dan ooit voorhanden is; terwijl het resterende ‘natuurlijk kapitaal’ in het gedrang komt (zie bv. Palmer et al., 2004; Wackernagel et al., 2002; Vitousek, 1997). Daly (1996:78) gebruikt het volgende plastische voorbeeld. Waar vroeger de visvangst beperkt was door het aantal visboten (artificieel kapitaal); is zij thans de facto begrensd door de resterende vispopulaties in ’s werelds zeeën (‘natuurlijk kapitaal’). Welke zin heeft het vandaag om twee maal de huidige visvloot in te zetten als de te vangen visbestanden gedecimeerd zijn? Daly vervolgt: “[De hoeveelheid] houtproductie wordt beperkt door de overblijvende bossen, niet door de houtzagerijen; vaten van opgepompte ruwe olie worden beperkt door de petroleumlagen (of misschien strenger door de capaciteit van de atmosfeer om CO2 op te nemen), niet door de pompcapaciteit; en de landbouwproductie is herhaaldelijk beperkt door de watervoorraad, niet door tractors, oogstmachines of zelfs landoppervlakte.” (Daly, 1996:78)
Daar waar de vernietiging van artificieel kapitaal bijna nooit echt onomkeerbaar is, kan niemand ontkennen dat de aantasting van natuurlijke ecosystemen en/of grondstoffen dat vaak wél is (cf. verbranding fossiele brandstoffen, verlies aan biodiversiteit, abrupte klimaatswijzigingen etc.). Daarom is er een groeiende groep van wetenschappers en ecologische economen die een stap verder durven gaan en zich beroepen op de notie van harde duurzaamheid (strong sustainability). Deze gaat ervan uit dat de enige echt verstandige visie ten aanzien van duurzaamheid diegene is die stelt dat de stocks aan ‘natuurlijk kapitaal’ in stand moeten gehouden worden ongeacht de parallelle productie van artificieel kapitaal. Door ‘natuurlijk kapitaal’ conceptueel gescheiden te houden van andere vormen van kapitaal speelt men aan de veilige kant.
Oneconomische groei
In de visie van de ecologische economie bestaat er een omslagpunt waarbij verdere economische groei in feite ‘oneconomische groei’ wordt. Dit impliceert groei waarvan de negatieve gevolgen (marginale kosten) de bijkomende voordelen (marginale baten) overschrijden. De expansie van het mondiale economisch deelsysteem ten opzichte van het ecosysteem aarde is dus streng gelimiteerd: volgens ecologische economisten bestaat er, net zoals in de micro-economie, ook op macro-economisch vlak een ‘optimale schaal’ (Daly & Farley, 2004:16-23). Daly hanteert hiervoor de metafoor van de Plimsoll-lijn. Hiermee refereert hij aan de lijn die in de scheepvaart gebruikt wordt om de maximale belastingsgraad van een vaartuig te bepalen. Eenmaal deze lijn overschreden wordt, stelt men zich aan zeer grote risico’s bloot: “Wanneer het watermerk de Plimsoll-lijn raakt, is het schip vol; het heeft zijn veilig draagvermogen bereikt. Natuurlijk zal, indien het gewicht slecht gestapeld is, de waterlijn het Plimsoll-merk eerder raken. Maar uiteindelijk zal de waterlijn, indien de absolute vracht vergroot is, de Plimsoll-lijn bereiken, zelfs voor een schip waarvan de vracht optimaal gestapeld is. Optimaal gestapelde schepen zullen nog steeds zinken onder te veel gewicht - ook al zinken ze optimaal!” (Daly, 1996:50) De analogie met het ultieme falen van de milieueconomie - optimale allocatie via internalisering van de kosten - is duidelijk. Naarmate de economische schaal bepaalde kritische drempelwaarden (thresholds) overschrijdt, kan een deel of het geheel van het ecosysteem Aarde via complexe ecologische interacties (Jones & Jacobs, 2004a) onomkeerbaar verstoord worden. Hierdoor kunnen essentiële milieufuncties verloren gaan of aangetast worden.
BNP versus ISEW
Diverse ecologische economisten hebben erop gewezen dat de manier waarop de neoklassieke economie de gezondheid van de economie van een gegeven land tracht in te schatten - via de evolutie van het Bruto Nationaal Product (BNP) - volkomen ontoereikend is. De kritieken ten aanzien van het BNP als (indirecte) maat voor ‘economische welvaart’ zijn inmiddels genoegzaam bekend. Primo. Het BNP telt alle formele economische activiteiten gewoonweg bij elkaar op, zonder onderscheid te maken tussen positieve en negatieve bedrijvigheden. Kijken we maar naar het voorbeeld van de olietanker Erika die enkele jaren geleden voor de Franse kust schipbreuk leed. Deze olieramp verhoogde het BNP omdat er economische activiteiten noodzakelijk waren om de besmeurde stranden op te ruimen. Idem dito voor allerlei andere fenomenen die bezwaarlijk bijdragen tot onze welvaart: sekstoerisme, ziekten, oorlogen, vervuiling, stormen, etc. Secundo. Anderzijds negeert het BNP een heel scala aan activiteiten die de welvaart wél stimuleren maar die niet behoren tot de formele economie. De arbeid van ouders die instaan voor de zorg van hun kroost telt niet mee bij de bepaling van het BNP. Wanneer die ouders evenwel derden betalen voor de oppas van de kinderen, dan komt dit ten goede aan het BNP. Hetzelfde geldt voor de milieudiensten die ’s werelds ecosystemen gratis leveren: zuiver water, propere lucht, een stabiel klimaat, nutriëntrecyclage, etc. Wanneer deze functies echter aangetast worden en er economische activiteiten vereist zijn om deze te herstellen - voorzover dat al mogelijk zou zijn - dan neemt het BNP eens te meer toe. Tertio. BNP-cijfers veronachtzamen de wijze waarop de nationale inkomens verdeeld worden. Een land met astronomische groeicijfers waarvan de vruchten in de zakken verdwijnen van een kleine minderheid zal dus goed scoren in het BNP-klassement ook al kunnen de sociale ongelijkheid en de armoede er misselijk makende vormen aannemen.
Omwille van dit rijk palet aan argumentaties hebben diverse onderzoekers pogingen ondernomen om alternatieve meetinstrumenten te ontwikkelen voor de welvaart van een land. Een vaak geciteerde indicator is de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW) van Daly en Cobb (1989). Deze welvaartsbarometer maakt een onderscheid tussen positieve en negatieve economische bedrijvigheden, brengt informele economische activiteiten in rekening en neemt de ongelijkheid der inkomensverdelingen mee op tijdens de bepaling van de ‘economische welvaart’. De Genuine Progress Indicator (GPI) is een aangepaste versie van de oorspronkelijke ISEW (voor een overzicht van de diverse bijdragen aan de GPI, zie Constanza et al., 2004). Het is vrij evident dat ook deze indicatoren niet vrij zijn van allerlei beperkingen (zie Neumayer, 2004). De oorspronkelijke architecten van de ISEW hebben dit trouwens zonder enige restricties erkend: “Indien het BNP een sigaret is, dan zou het ISEW die sigaret zijn met een filter. Indien je verslaafd bent aan sigaretten dan is het beter er met een filter te roken. Indien je verslaafd bent aan het numeriek meten van welvaart, dan is het beter om ISEW te gebruiken.” (Daly, 1996:98) Omdat maatstaven voor ‘welvaart’ sowieso buitengewoon sterk afhankelijk zijn van allerhande (arbitraire) aannames en inschattingen, kan men niet anders dan zeer voorzichtig omspringen met numerieke bepalingen van economische welvaart. Dit neemt niet weg dat de ISEW minder eenzijdig is ten opzichte van het BNP en bijgevolg kwalitatief gezien beter geschikt is om ‘economische welvaart’ te benaderen met betrekking tot een ruimere, ook sociaal-ecologische visie.
De ISEW voor ‘ontwikkelde’ landen
Sinds 1990 heeft men voor de VS, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Zweden (Fig. 3) een vergelijking gemaakt tussen de evolutie van het BNP en de ISEW of de GPI). Wat duidelijk opvalt in deze berekeningen is dat men voor al deze landen heeft kunnen vaststellen dat, daar waar het BNP ongeveer lineair blijft stijgen, de ISEW op een bepaald moment stagneert en in de meeste gevallen zelfs afneemt. In de literatuur noemt men dit kantelpunt het zogenaamde threshold point: “Voor elke maatschappij blijkt er een periode te zijn waarin economische groei (zoals die conventioneel gemeten wordt) een verbetering van de levenskwaliteit voortbrengt, maar alleen tot aan een punt - het drempelpunt - voorbij hetwelke de levenskwaliteit zal beginnen slechter worden indien er meer economische groei is.” (Max-Neef, 1995:117)
In het jargon van Herman Daly kan men dan spreken van ‘oneconomische groei’. Voorbij de kritische drempelwaarde lijkt de economische welvaart af te nemen ondanks (of dankzij) aangehouden economische groei. Indien deze threshold-hypothese daadwerkelijk correct is, dan moet men zich ernstige vragen stellen bij de zin van het nastreven van economische groei als middel om de welvaart te verhogen. En de bevordering van de economische groei is tot op heden nog steeds het primaire doel en de alfa en de omega van het beleid van nationale (en supranationale) regeringen. Erger nog, auteurs zoals Bjorn Lomborg veronderstellen dat economische groei een conditio sine qua non vormt om milieuproblemen en armoede terug te dringen (cf. Kuznetscurven, zie ook Jones & Jacobs, 2004b). Uit de ISEW-studies kan men echter afleiden dat deze stelling stante pede toe is aan een uiterst kritische bevraging: “Met andere woorden, het ‘grote voordeel’ dat gewoonlijk wordt gebruikt om offers van de omgeving, gemeenschapsstandaarden en industriële vrede te rechtvaardigen, blijkt, bij nadere inspectie, zelfs niet te bestaan.” (Daly & Farley, 2004:234)
Figuur 3 - Vergelijking BNP en ISEW voor diverse geïndustrialiseerde landen (op basis van Constanza et al., 2004:141). 1970 is het vergelijkingspunt (index 100). Chili werd bewust niet opgenomen.
De ISEW voor ‘zich ontwikkelende landen’
Aangezien het groeigerichte, Westerse ontwikkelingsmodel in toenemende mate hét referentiepunt en rolmodel is voor de economieën van het Zuiden, is deze discussie van enorm gewichtig belang. Als economische groei namelijk niet tot welvaart leidt, dan impliceert dit dat men dringend op zoek moet gaan naar andere beleidsmaatregelen teneinde welvaart te creëren. Deze conclusie zou één van de meest centrale uitgangspunten van de gangbare economische orthodoxie op losse schroeven zetten.
Het is deze onderzoeksvraag die Matthew Clarke en Sardar Islam (2005) ertoe hebben gemotiveerd een ISEW-studie aan te vatten met betrekking tot de evolutie van de Thaise economie voor de periode 1975-1999 (met inbegrip van de financiële crisis in 1997). Thailand kan men namelijk beschouwen als een bijzonder interessante case-study. Juist omdat dit Aziatische land prima groeicijfers kan voorleggen, stellen neoklassieke economen dit land graag voor als een na te volgen voorbeeld voor andere ‘ontwikkelingslanden’. De relevante vraag luidt nu echter of ook een ‘gematigd ontwikkeld’ land als Thailand al geconfronteerd wordt met een kritische drempelwaarde waaraan voorbij additionele economische groei in wezen oneconomisch is. Hoewel ze er obligaat aan toevoegen dat verder onderzoek onontbeerlijk blijft, is het antwoord op deze vraag volgens Clarke en Islam een voorzichtig ‘ja’: “De trend voor het GDP per capita [voor Thailand, ptj & rj] heeft drie hoofdfases: de initiële gestadige opgang tot 1986, de versnelde groei tot 1997, en de laatste neergang en het klaarblijkelijk herstel tot 1999. Het patroon voor ISEW is evenwel betekenisvol verschillend. De opgang is trager, er is geen versnelde periode of een aanduiding van herstel in het laatste jaar nadat de index begint te falen in 1997. Wanneer men de twee indices verder vergelijkt, is ook een groeiende divergentie duidelijk. Dit duidt aan dat de relatie tussen GDP per capita en ISEW per capita steeds meer zwakker wordt, waarmee twijfel wordt opgeroepen over de wenselijkheid op lange termijn van de economische groei in Thailand in termen van welvaart.” (Clarke & Islam, 2005) Volgens Clarke en Islam zijn er naar het beleid toe een drietal lessen die we uit hun ISEW-studie kunnen trekken. Een eerste suggestie luidt om ‘minder nadruk te leggen op biofysische economische groei’ (sic), in de betekenis van een verhoogde doorstroom van grondstoffen en energie. Wanneer groei rechtstreeks samengaat met een verlies aan ‘natuurlijk kapitaal’ (bv. ontbossing voor landbouw of houtkap) dan kan men dit niet bepaald omschrijven als een positieve bijdrage tot de langertermijnwelvaart van de Thaise maatschappij. Voor landen in het Zuiden is er dus duidelijk nood aan selectieve groei in bepaalde economische sectoren, veeleer dan het nastreven van ‘groei om de groei’ waarbij men hoopt dat de vruchten van de groei zich uiteindelijk wel zullen verspreiden naar alle inwoners van het land (trickle-down effect). Hiermee komen we meteen bij een tweede suggestie. Het terugdringen van de armoede moet geschieden via specifieke herverdelingsprogramma’s. De ISEW-studie van Thailand laat namelijk duidelijk zien dat de hoge economische groeicijfers geen positieve gevolgen hebben gehad voor de armste lagen van de bevolking, die daarentegen wel disproportioneel te lijden hebben gehad onder de ecologische schaduwkosten van de economische groei. Tenslotte wijzen Clarke en Islam erop dat Thailand in het bijzonder geconfronteerd wordt met een significante afname van de bosoppervlakte. De impact hiervan is vooral desastreus voor ‘arme’ subsistentiegemeenschappen die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze habitats om in hun overlevingsbehoeften te voorzien. Daarom breken zij een lans voor drie milieubeleidspistes die ten goede zouden komen aan de welvaart in de bredere betekenis van het woord: (1) bescherming van de natuurlijke ecosystemen; (2) regulering van de vervuiling en (3) limieten op de winning van hernieuwbare grondstoffen.
Nood aan andere ontwikkelingsparadigma’s
We herhalen het. Het ondubbelzinnig meten van menselijke welvaart is even moeilijk als het vullen van het vat van de Danaïden. Om welvaart evenwel benaderend te vatten, is de ISEW-methode alleszins minder eenzijdig dan de BNP-indicator. Hoewel de evolutie van de ISEW slechts voor een beperkt aantal landen is opgesteld, luidt de behoedzame bevinding dat in het geval van de (over)geïndustrialiseerde landen het kritische drempelpunt, waar voorbij verdere economische groei schadelijke gevolgen met zich meebrengt, reeds gedurende enige jaren bereikt is. Dit besluit loopt ook parallel met de voornaamste conclusies van de bepaling van de ecologische deficits van het Westen via de vergelijking van de respectievelijke ecologische voetafdrukken en de nationaal beschikbare biocapaciteiten. Uit die cijfers blijkt duidelijk dat de gemiddelde consumptiepatronen van Westerse landen onduurzaam zijn en enkel en alleen in stand kunnen gehouden worden omdat men milieugebruiksruimte elders in de wereld kan inpalmen én disproportioneel beslag kan leggen op mondiale sinks (cf. klimaatproblematiek).
De ISEW-studie van een ‘gematigd ontwikkeld’ land zoals Thailand suggereert bovendien dat het kritische drempelpunt reeds bij relatief lage inkomensniveaus kan worden bereikt. Dit biedt niet meteen veel hoop voor beleidsmakers die ‘economische groei’ als het zaligmakende recept naar voren schuiven om armoede en milieuproblemen terug te dringen. Hoewel zowel ISEW- als EVA-studies nog slechts in hun kinderschoenen staan en nog voor verbetering vatbaar zijn, kan men tot de slotsom komen dat alternatieve ontwikkelingsmodellen zich meer dan ooit opdringen. Vooraleer we verder inzoomen op zo’n alternatieve visies, beschrijven we eerst de vaak desastreuze gevolgen van het huidige mondiale handelsbeleid. We doen dit aan de hand van het analysekader van de ecologische economie.
Economische globalisering volgens de WTO
Comparatieve versus absolute voordelen Het hegemonisch economisch model dat vandaag wordt uitgedragen door instanties zoals de WTO, stelt zich tot doel economische groei te stimuleren. Free trade en growth zijn de toverwoorden. Via een beleid gebaseerd op de zogenaamde Consensus van Washington -privatiseren, liberaliseren en dereguleren - beoogt men een drastische toename van de wereldwijde handel in goederen en diensten. Vrijhandel leidt volgens de proponenten van dit model tot meer efficiëntie, hogere groeicijfers en welvaart voor iedereen. Orthodoxe economen baseren zich hiervoor op de theorie van de ‘comparatieve voordelen’ die door David Ricardo werd ontwikkeld begin negentiende eeuw. Deze theorie postuleert dat landen zich moeten specialiseren in de productie van die goederen waarin ze een comparatief (eerder dan een absoluut) voordeel hebben ten opzichte van andere landen. Een comparatief voordeel houdt in dat een land een bepaald product relatief goedkoper kan produceren in vergelijking met andere goederen, ongeacht de absolute kosten, en dit relatief gezien ten opzichte van de handelspartner. De theorie luidt dat, indien alle landen zich specialiseren in de productie van die goederen waarin ze een comparatief voordeel hebben, de wereld in zijn totaliteit er dan beter aan toe zal zijn in vergelijking met de situatie waarin geen mondiale handel plaatsvindt. Ricardo wees er echter met klem op dat deze theorie onderhevig is aan een heel aantal voorwaarden zoals de afwezigheid van oligo- of monopolies, de volledige internalisering van de externe kosten en de immobiliteit van kapitaal tussen landen. In de geglobaliseerde wereld van vandaag waar kapitaal mobieler is dan ooit, is het nogal wiedes dat er hoegenaamd niet voldaan is aan Ricardo’s vereisten. Dit betekent dat in de realiteit de theorie van de absolute (of competitieve) voordelen de scepter zwaait, veeleer dan die van de comparatieve voordelen. En zoals we verder zullen zien, levert dit een totaal ander plaatje op van de werkelijkheid: “Het is evident dat globalisering de voorwaarden die vereist zijn voor efficiënte marktallocatie kan ondermijnen door het creëren van minder maar grotere bedrijven, meer negatieve externaliteiten, en meer monopolies op niet concurrerende informatie. Meer negatieve externaliteiten en verhoogde economische groei die gekoppeld is aan een beperking op het nationale vermogen om externaliteiten te regelen, is een bedreiging voor de duurzame schaal. Het is ook empirisch evident dat globalisering onder het principe van absoluut voordeel eenvoudigweg de bestaande patronen van winst en verlies zal versterken, wat zal leiden tot een grotere concentratie van welvaart, zowel tussen als binnen landen.” (Daly & Farley, 2004:340)
Transport en externalisering van kosten
Uit de ISEW-studies hebben we reeds kunnen afleiden dat economische groei bij hogere inkomensniveaus in de meeste gevallen geen goede correlatie vertoont met welvaart in een verruimde betekenis. In het huidige globaliseringsmodel is economische groei sterk gecorreleerd met een bijna exponentiële toename van internationale handelsstromen. Inmiddels zijn we bijzonder goed op de hoogte van het feit dat transport een hele resem van ecologische schaduwkosten met zich meedraagt, die heden ten dage bijna niet worden geïnternaliseerd in de prijs van de producten die wij consumeren. Zo wijzen de UNEP-rapporten op het negatieve effect van de vaak ontwrichtende invasie van vreemde soorten en organismen die hand in hand gaan met de intercontinentale handel. Wellicht nog veel pregnanter is de pijlsnelle toename van het langeafstandsvervoer van grondstoffen, halffabrikaten en afgewerkte producten, waarvoor steeds meer infrastructuur (wegen, havens, pijpleidingen, dammen, luchthavens) vereist is. Meer transport per vrachtwagen of vliegtuig heeft belangrijke implicaties voor de gezondheid van mens en milieu. Nu al sterven jaarlijks drie miljoen mensen als gevolg van luchtverontreiniging. Hoewel men gewag kan maken van een relatieve ontkoppeling tussen het monetaire handelsvolume en de hiermee gepaard gaande CO2-emissies, stelt men in de praktijk vast dat deze ontkoppeling helemaal niet opgaat in absolute termen. Inmiddels neemt transport op mondiaal vlak niet minder dan één derde van ’s werelds broeikasgasuitstoot voor zijn rekening. Met een jaarlijkse gemiddelde groei van 2.6 procent zijn de door transport teweeggebrachte CO2-emissies de snelst aanzwellende component van de energetische voetafdruk. Naast een sterke toename in de (inter)continentaal verhandelde volumes, is dit ook het gevolg van de gezwind stijgende omvang van het mondiale wagenpark: van 40 miljoen eind jaren veertig in de vorige eeuw tot 676 miljoen in 1996 (Steffen et al., 2004:5).
Vanuit ecologisch standpunt is een groot deel van de huidige wereldhandel bovendien volstrekt irrationeel. Waarom moeten basisproducten die men lokaal kan vervaardigen, ingevoerd worden uit de andere kant van de globe? Is het zinvol dat zelfs de geassembleerde delen van een eenvoudig karton voor Europese yoghurt een reis afleggen van wel 9000 kilometer (Sachs, 2001)? Of wat te denken van de logica om garnalen uit de Noordzee per gekoelde vrachtwagen te transporteren naar lageloonlanden om ze daar te pellen en ze vervolgens voor consumptie terug te voeren naar dezelfde landen in het Noorden? Onderzoekers in Duitsland hebben aangetoond dat de bijdrage aan het menselijk versterkte broeikaseffect van non-lokale voedselproductie zes tot twaalf keer zo hoog is als die van plaatselijke voedselproductie (Shiva, 2000).
Ongelijke ecologische ruil
Dat de dominante exportgerichte logica vaak tot perverse resultaten leidt, zou geen betoog meer mogen behoeven. In de huidige wereldeconomie beschikken sommige kapitaalkrachtige groepen over zodanig veel macht dat zij schier unilateraal kunnen bepalen voor welke doeleinden de beschikbare biocapaciteit in het Zuiden aangewend wordt (Andersson & Lindroth, 2001:121). Dualistisch gesteld komt dit neer op de keuze tussen productie voor de voorziening van de lokale basisbehoeften of productie van winstgevende cash crops voor de wereldmarkt. Vaak met het (IMF-)mes op de keel worden arme landen in het Zuiden gedwongen om het familiezilverwerk te verkopen en/of milieuschadelijke economische activiteiten te ondernemen teneinde buitenlandse valuta’s in het laatje te brengen. Deze deviezen zijn nodig om de financiële schuld aan de landen in het Noorden af te betalen. Het betreft sectoren als exportgerichte landbouw, mijnbouw, visvangst, houtkap etc. Dichtbevolkte landen die op zich al in een staat van nationale ecologische overshoot (4) verkeren, zien zich dan genoodzaakt om enkele specifieke exportgoederen - tropisch hout, mineralen/ertsen en cash crops zoals koffie, katoen, bananen, citrusvruchten, soja, en suiker - voor de wereldmarkt te produceren. Hierdoor vindt de uitputting en aantasting van hun ‘natuurlijk kapitaal’ nog sneller plaats dan voorheen. Grote multinationals schuimen daarbij de wereldbol af op zoek naar goedkope natuurlijke rijkdommen. Niet zelden wordt dit probleem nog versterkt door het bestaan van een kleine plaatselijke (vaak militaire of paramilitaire) elite die mee aan de multinationale tafel mag zitten. In ruil voor hun participatie aan deze roofbouw delen zij mee in de (kortetermijn)winst, ten nadele evenwel van de langetermijnstabiliteit en de natuurlijke rijkdommen van hun land.
Het spreekt voor zich dat dit alles nauw gerelateerd is aan de asymmetrische machtsrelaties in de wereldeconomie. Veel van de internationale handel die er in deze wereld plaatsgrijpt, is wat sommige onderzoekers ‘ongelijke ecologische ruil’ noemen. Men kan dit fenomeen op verschillende manieren definiëren. In een eerste interpretatie van het concept gaat men uit van een analyse van de fysische handelsbalansen. Zelfs wanneer handel tussen regio’s of landen evenwichtig is in monetaire termen, kan dit een grondig onevenwicht versluieren wat de stromen van natuurlijke hulpbronnen en emissies betreft. Men kan dit ook trachten uit te drukken in termen van ongelijke ecologische voetafdrukken (Andersson & Lindroth, 2001). De meeste landen in het Noorden vertonen niet alleen een ecologisch deficit ten opzichte van hun nationaal beschikbare biocapaciteit maar hebben daarnaast ook een ecologisch handelsdeficit: i.e. hun ecologische voetafdruk vanwege hun totale consumptie overschrijdt de voetafdruk van de totale productie in eigen land. Anderzijds zijn een heel scala aan landen in het Zuiden netto-exporteurs van biocapaciteit. De ongelijke machtsrelaties in deze wereld maken dat de exportgerichte landen in het Zuiden af te rekenen krijgen met, op enkele uitzonderingen na, verslechterende ruiltermen en oververzadigde markten. Enerzijds dalen de prijzen voor de primaire grondstoffen en de landbouwproducten die deze landen exporteren; anderzijds stijgen de prijzen van de industriële producten met hoge toegevoegde waarde die deze landen moeten invoeren. Vanuit sociaal-ecologisch standpunt zijn de prijzen voor de cash crops totaal scheefgetrokken: zoals we al aangaven weerspiegelen deze op geen enkele manier de reële ecologische (schaduw)kosten van hun productie. Dit brengt vaak een negatieve spiraal met zich mee waardoor de afhankelijkheidsrelaties tussen grote delen van het Zuiden ontaarden ten opzichte van het Noorden. Ecologisch ongelijke ruil leidt er onder andere toe dat hulpbronnen van de arme landen overgaan naar de rijke landen, terwijl de gevolgen van milieuvervuiling zich van de rijke naar de arme landen verplaatsen.
Exemplarisch voor deze schabouwelijke gang van zaken is het verhaal dat verteld wordt in de aangrijpende documentaire Darwin’s Nightmare (2005). Bij wijze van experiment hebben wetenschappers in de jaren zestig de nijlbaars uitgezet in het Victoriameer in Tanzania. Inmiddels heeft deze roofvis bijna alle inheemse vissoorten verdrongen en plant deze zich zodanig snel voort dat de nijlbaars één van de belangrijkste exportproducten is geworden van de regio. De documentaire toont hoe vrachtvliegtuigen wegvliegen om de opbrengsten van het meer naar vismarkten over de hele wereld te vliegen. De baten zijn voor de getransnationaliseerde consumptieklasse; de sociale en ecologische nadelen worden afgewimpeld op de lokale bevolking. Nog gruwelijker is het feit dat de vliegtuigen bij hun terugkeer naar Tanzania volgestouwd worden met munitie en allerlei wapentuig. Terwijl de nijlbaarsfilets de luxemaaltijd vormen van koopkrachtige consumenten overal ter wereld, voeden de kalasjnikovs en kogels de continue oorlogen in Afrika. De bloeiende handel van ‘vis voor wapens’ creëert een surrealistische, wansmakelijke wereld waarin zowel vissers, Russische piloten, Tanzanese hoertjes, dakloze kinderen, EU-commissarisen als Afrikaanse ministers verwikkeld zijn. Hubert Sauper, maker van deze documentaire, merkt wrang op dat de nijlbaars slechts één voorbeeld vormt van het hedendaagse model van globalisering: “Ik kan een zelfde soort fim maken in Sierra Leone, alleen zou de vis dan diamanten zijn, in Honduras bananen, en in Libië, Nigeria of Angola ruwe olie.” Hoe lang kan men nog Oost-Indisch doof blijven ten opzichte van dit manifeste onrecht?
Meer algemeen refereren onderzoekers van het Duitse Wuppertal Instituut in deze context aan het begrip ‘ecologische rugzak’. Deze bestaat uit alle materiaalstromen en emissies die veroorzaakt worden om een bepaald product te genereren maar er niet onmiddellijk deel van uitmaken (Sachs et al., 1998:51). Het betreft alle negatieve effecten (bv. mijnafval) die gevoeld worden in het land van herkomst maar onzichtbaar blijven voor de consument die het eindproduct nuttigt. Bij uitbreiding kan men ook spreken van een sociale rugzak zoals duidelijk tot uiting komt in Darwin’s Nightmare (2005).
In een studie naar de milieuimpact van het handelsbeleid van de EU hebben vorsers van het Wuppertal Instituut aangetoond dat de ecologische rugzak van de EU-import nog sneller toeneemt dan de absolute volumes van de import zelf (Schütz et al., 2004:20). In 2000 bedroeg de verhouding tussen de importstromen in de EU en de ermee geassocieerde ecologische rugzakken een slordige 1 versus 3,8. Aangezien ecologische rugzakken niet in economische termen in rekening worden gebracht hebben zij bijgevolg ook geen prijs. Ook dit is een vorm van ongelijke ruil. In dit kader spreken Andersson en Lindroth (2001) van het ‘rich country illusion effect’: via een toename van de import kan men verkeerdelijk de illusie koesteren dat de milieuperformantie van het ‘welvarende’ land erop vooruit is gegaan, omdat er lokaal minder pollutie wordt gecreëerd. Men wimpelt de milieukosten immers simpelweg af door gebruik te maken van de milieugebruiksruimte elders in de wereld en/of de overbelasting van de mondiale sinks.
Conclusie
Als we ervan uitgaan dat het doel van de economie erin zou moeten bestaan duurzame en sociaal rechtvaardige menselijke welvaart te creëren voor alle mensen op deze planeet, dan hebben we om evidente redenen nood aan een ander economisch model dan het huidige neoliberale paradigma. In deel II van dit artikel zullen wij een lans breken voor een sociaal-rechtvaardige, stationaire (steady state) economie. Daarbij zullen wij met klem aantonen dat we niet alleen tegen iets zijn, maar dat het van vitaal belang is om ook met positieve alternatieven op de proppen te komen. De ecologische economie zal daarbij gekoppeld worden aan enkele krachtdadige voorstellen vanuit de andersglobalistische beweging.
Bibliografie deel I
Andersson, J.O., Lindroth, M., ‘Ecologically unsustainable trade’, Ecological Economics, 37, 2001, 113-122. Best, S., Kellner, D., The Postmodern Adventure, Londen, 2001.
Boyce, J.K., 1999, The Globalization of Market Failure? International Trade and Sustainable Agriculture, Amherst (MA), Political Economy Research Institute (PERI), 1999.
Clarke, M., Islam S.M.N., ‘Diminishing and negative welfare returns of economic growth: an index of sustainable economic welfare (ISEW) for Thailand’, Ecological Economics, 2005, in druk.
Constanza, R., et al., ‘Estimates of the Genuine Progress Indicator (GPI) for Vermont, Chittenden County and Burlington, from 1950 to 2000’, Ecological Economics, 51 (1/2), 2004, 139-155.
Daly,H., Farley,J., Ecological Economics: Principles and Applications, Washington, 2004.
Daly, H., Beyond Growth, Boston, 1996.
Daly, H., Cobb, J., For the Common Good: Redirecting the Economy Towards Community, the Environment and a Sustainable Future, Boston, 1989.
Daly, H., Steady State Economics, San Francisco, 1977.
Daly, H. (ed.), Toward a Steady State Economy, San Francisco, 1973.
De Ceulaer, J., ‘Ecologie is een religie’ (Interview met Dennis Meadows), Knack, 4 januari 2004.
De Wulf J., Van Langenhove, H., ‘Concrete duurzame technologie’, Het Ingenieursblad, (3), 2001, 42-51.
Dick, P.K., Do Androids Dream of Electric Sheep?, Boston, 1975.
Ekins, P., et al., ‘A framework for the practical application of the concepts of critical natural capital and strong sustainability’, Ecological Economics, 44, 2003, 165-185.
Georgescu-Roegen, N., The Entropy Law and the Economic Process, Cambridge-MA, 1971.
Jones, P.T., Jacobs, R., ’Duurzame ontwikkeling is een contradictio in terminis’, Streven, maart 2005a, 195-207
Jones, P.T., Jacobs, R., ’Onze ecologische voetafdruk’, De gids op maatschappelijk gebied, 2005, in druk.
Jones, P.T., Jacobs, R., ’De vlinder van Lorenz’, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 38 (2), 2004a, 109-119.
Jones, P.T., Jacobs, R., 2004b, ’Pleidooi tegen onredelijk milieuoptimisme’, Oikos, (29), 2004b, 15-33.
Jones, P.T., ‘Klimaatcrisis eist onverwijld maatregelen’, Samenleving en Politiek, 12 (3), 2005, 31-40.
Loh, J., Wackernagel, M., Living Planet Report 2004, Gland, 2004.
Max-Neef, M., Economic growth and quality of life: a threshold hypothesis, Ecological Economics, 15, 1995, 115-118.
Meadows, D.H., The Limits to Growth: A Report for the Club of Rome’s Project on the Predicament of Mankind, New York, 1972.
Sarukhán, J., et al., Millennium Ecosystem Assessment Synthesis Report, maart 2005 [www.millenniumassessment.org].
Neumayer, E., ‘On the methodology of ISEW, GPI and related measures: some constructive suggestions and some doubt on the ‘threshold’ hypothesis’, Ecological Economics, 34, 2004, 347-361.
Palmer, M., et al., ‘Ecology for a Crowded Planet’, Science, 304, 2004, 1251-1252.
Paredis, E., et al., ’Elaboration of the concept of ecological debt’, VLIR-BVO project 2003, Gent, 2004
Prigogine, I., The End of Certainty, New York, 1997 (ned: Het einde van de zekerheden: tijd, chaos en de natuurwetten, Tielt 1996).
Pynchon, T., Gravity’s Rainbow, New York, 1973.
Rees, W.E., ‘A blot on the land’, Nature, 421, 2003, 898.
Ropke, I., ’The early history of modern ecological economics’, Ecological Economics, xx, 2005.
Sachs, W., ‘Environment and Human Rights’, Wuppertal Papers, (137), November 2003
Sachs, W. (ed.), The Jo’Burg Memo: Fairness in a Fragile World, Heinrich Böll Foundation, Berlijn, 2002, zie ook http://www.bondbeterleefmilieu.be/PDF/Memorandum%20Johannesburg.pdf
Sachs, W., Planet Dialectics, Explorations in Environment and Development, Londen/New York, 1999.
Sachs, W., et al., Greening the North, A Post-Industrial Blueprint for Ecology and Equity, Londen/New York, 1998. Sachs, 2001 ‘De macht van limieten’, In: J. Mertens (ed.), De groei van groen: 20 jaar ecologische politiek in Europa, Antwerpen/Baarn, 2001.
Shiva, V., ‘The World on the Edge’, In: W. Hutton & A. Giddens (ed.), Global Capitalism, New York, 2000.
Schütz, H., et al., ‘Globalisation and the Shifting Environmental Burden’, Wuppertal Papers, (134), July 2004.
Soddy, F., Wealth, Virtual Wealth, and Debt, Londen, 1926.
Soddy, F., Cartesian Economics: The Bearing of Physical Science upon State Stewardship, Londen, 1922.
Steffen, W., et al., Global Change and the Earth System: A Planet Under Pressure, Berlijn/New York, 2004.
Vitousek, P.M, et al., ‘Human Domination of Earth’s Ecosystems’, Science, 277, 1997, 494-499.
Wackernagel, M., et al., ‘Tracking the ecological overshoot of the human economy’, PNAS, 99 (14), 2002, 9266-9271.
Noten:
1. De auteurs zouden graag Francine Mestrum en Erwin Van Uffel willen bedanken voor hun commentaren ten aanzien van dit stuk.
2. Deel II verschijnt in het volgende VMT-nummer.
3. Men kan het begrip exergie ook trachten uit te breiden naar ertsen en mineralen. Dit zijn niet-hernieuwbare grondstoffen met een hoge exergieinhoud (of: stoffen met een lage entropieinhoud). Waardevolle voorraden van ertsen (bv. ijzer-, koper- of chroomerts) komen in de aardkorst voor met een verschillende graad van zuiverheid. Net zoals bij fossiele brandstoffen kan men deze zuiverheid beschouwen als een maat voor lage entropie; sterk geconcentreerde ertsen hebben dan een lage entropieinhoud en zijn bijgevolg hoogwaardig. In de literatuur spreekt men van de Vierde Hoofdwet van de Thermodynamica (cf. het werk van Georgescu-Roegen), al is er veel discussie over de geldigheid van deze uitbreiding.
4. Dit betekent dat de ecologische voetafdruk veroorzaakt door de economische productie die plaatsvindt binnen een gegeven land groter is dan de beschikbare biocapaciteit. Het gevolg hiervan is dat het natuurlijk kapitaal van dat land dan onherroepelijk achteruitgaat.
Over de auteurs
Peter Tom Jones (1973) is Burgerlijk Ingenieur Milieukunde, Doctor in de Materiaalkunde en werkzaam als post-doctoraal onderzoeker aan de KULeuven. Hij is actief binnen ATTAC en het Masereelfonds, publiceerde in diverse tijdschriften en is coauteur van Ya Basta! Globalisering van onderop (2002) en co-redacteur van Esperanza! Praktische theorie voor sociale bewegingen (2003).
Roger Jacobs (1954) studeerde filosofie en menselijke ecologie en werkt sinds 15 jaar in het Centrum Basiseducatie in Hasselt. Hij is coauteur van het boek Het pomphuis van de 21ste eeuw (2000) en auteur van diverse artikelen en boekbijdragen over linkse politieke theorievorming, sociale ecologie en emancipatorische educatie.
** Meer info over het VMT kan men terugvinden op http://www.imavo.be/vmt/index.htm
