Delokalisatie: mens en samenleving als speelbal van de economie

Op een dag begint het te knagen. Het bedrijf waar je werkt lijkt niet meer zo gehecht aan de plek waar het al zovele jaren produceert. Je kan het niet geloven dat jouw bedrijf tekenen van vertrek begint te vertonen. Toch valt het niet langer te ontkennen, investeringen raken teruggeschroefd, aanwervingen zijn er amper of niet, mondjesmaat verdwijnen delen van de productie naar elders, onzekerheid is troef over nieuwe producten of modellen en een stroom herstructureringen moet de neergang maskeren.

En plots is het helemaal zover, grote delen van de productie verhuizen naar elders, meestal naar lageloonlanden. Of nog erger, je bedrijf sluit volledig de deuren. Zo overkomt delokalisatie miljoenen werknemers, in rijke landen én in arme landen. Zo ervaren op dit ogenblik werknemers in de textiel- en confectiefabrieken van Mexico tot Tunesië, van Turkije tot Bangladesh de mokerslag van de Chinese industrie. Hun werkgevers kunnen de concurrentie op de wereldmarkt niet langer aan, jobs gaan massaal verloren en de mensen die de jobs uitoefenen vallen zonder werk en dikwijls zonder inkomen want sociale zekerheid is er amper of niet.

De kijk op delokalisatie van de bedrijfsleider, van de manager en van de onderneming waarvoor hij werkt is anders. Hij (heel soms zij) wil de kansen grijpen die zich voordoen op de steeds vrijere wereldmarkt. Vanzelfsprekend zoekt hij goede infrastructuur op, natuurlijk wil hij degelijk opgeleide, toegewijde en productieve werknemers, liefst ook rechtszekerheid en niet al te veel corruptie. Maar evenzeer zal hij uitkijken naar de goedkoopste grondstoffen, zal hij de goedkoopste werkkrachten verkiezen, de laagste belastingen, de laagste sociale zekerheidsbijdragen, goedkoop kapitaal en liefst zelfs onbelaste winsten. Hij zal zeggen dat hem weinig keuze rest… want wanneer handelsbarrières wegvallen, wanneer er steeds minder beperkingen zijn op het vrij verkeer van goederen, diensten, geld, minilening en kennis, wanneer de tijd van de min of meer afgeschermde thuismarkt op haar laatste benen loopt, wanneer de economische bedrijvigheid zich steeds meer op wereldmarkten afspeelt en bedrijven concurrentie zien opdoemen uit vele hoeken van de wereld, dan is overleven niet makkelijk. Dan kijken managers vooral naar de kosten, dan veranderen de werknemers van menselijk kapitaal in kostenposten waarin stevig gesnoeid moet worden, dan kijken zij uit naar goedkopere plekken waar mensen voor veel minder geld en met veel minder rechten aan het werk kunnen worden gezet.

Nogal wat economen en politici zullen van op de zijlijn van het mondiale economische speelveld argumenteren dat het goed is wanneer de economische en handelsgrenzen verdwijnen, de markten zich overal openen en ondernemingen zonder veel beperkingen aan de slag kunnen en mekaar kunnen beconcurreren. Want zo zal de productie van welvaart over de hele wereld op de meest efficiënte wijze gebeuren. Dat moet tot verhoogde welvaart leiden wat in principe meest voordelig voor de bewoners van die wereld is. Daar zit een groot stuk waarheid in, de vrijheid om te ondernemen op lokale, regionale en mondiale markten leidt dikwijls tot grotere productiviteit, tot nieuwe en tot betere producten. Zelfs is het waar dat delokalisatie niet negatief hoeft te zijn, op voorwaarde dat er nieuwe werkgelegenheid komt en opvang voor wie toch uit de boot valt en dat waar het werk naartoe gaat de mensen het beter krijgen, dat ze meer gaan verdienen en betere arbeidsvoorwaarden verkrijgen. Dan is het wijs om die vrijheid te koesteren.

Maar het is wijzer om tevens in te zien dat onbegrensde vrijheid het economische speelveld in een strijdperk verandert waar veel onschuldige slachtoffers vallen. Het grootste deel van de mensen is werklustig en zit vol initiatief maar heeft weinig of geen greep meer op zijn economische situatie. Werk, inkomen en dus het leven zelf zijn wankel. De steeds sneller draaiende wereldeconomie waarbij o.a. bedrijven voortdurend jagen op plekken waar het nog goedkoper produceren is, kan mensen van dag op dag in de buitenbaan doen belanden van onderbetaald werk, werkloosheid, ineenklappend inkomen en afwezige sociale bescherming, van uitsluiting, uitbuiting, ongelijkheid en armoede.

Nog wijzer is het om te beseffen dat in een menswaardige samenleving de focus niet enkel op het voortbrengen van welvaart moet liggen maar evenzeer op de verdeling ervan. Vergeet die fabel dat je eerst moet produceren en de verdeling van de welvaart dan wel zal volgen, het is niet het één na het ander, maar tegelijkertijd en van gelijk belang. Want het is een leugen dat de gecreëerde rijkdom wel vanzelf van de rijken naar de armen zal doorsijpelen, dat weten we intussen. En wanneer de lonen toch een keer stijgen, merken we regelmatig hoe bedrijven nog maar eens opstappen en hun activiteiten doorschuiven naar nieuwe lagekostgebieden.

Meest wijs is dan om de vraag te stellen naar het maatschappelijk nut van onze economische activiteiten. Onze economie is cruciaal omdat zij de middelen kan leveren om mensen en samenlevingen goed te laten leven. Hoe belangrijk ook, boven die economie als middel verdienen de rechten van alle mensen voorrang te krijgen, zeker ook hun sociale en economische rechten om werk en goede arbeidsvoorwaarden te hebben, voldoende te verdienen en te genieten van maatschappelijke zekerheid.

Wie op het standpunt staat dat economie een middel moet zijn in dienst van mens en samenleving, die kan onmogelijk vrede nemen met een economisch speelveld dat ontaardt in een slagveld waar regels, rechten en dus elke menselijkheid ontbreekt. Die huidige economie is een middel dat we ons laten ontsnappen, die economie is nog veel minder een democratie, zoveel is duidelijk. Hebben we dan maar werkloos te ondergaan hoe het werk verhuist? moeten we aanvaarden dat sociale zekerheid wereldwijd slechts voor een slinkende minderheid werknemers is weggelegd? moeten we maar slikken dat de welvaart steeds ongelijker verdeeld geraakt? moeten we berustend toekijken wanneer de keuze om alle economische remmen los te gooien ons mondiaal in een neerwaartse sociale spiraal doet terechtkomen, bijna als de radioactieve neerslag die onlosmakelijk samengaat met een kernontploffing.

Neen toch? de mens en de mensensamenleving zijn toch vrij om hun lot in handen te nemen? om hun welvaartsmachine te oliën en goed af te stemmen? Meer zelfs, is een humane samenleving eigenlijk niet verplicht om haar economie te sturen in het algemeen belang, moet zij uiteindelijk ook niet haar economie democratiseren, d.i. in handen geven van al wie er belang bij heeft en er moet van leven? Misschien de allereerste opdracht nu is om de delokalisaties die leiden tot mondiale sociale achteruitgang i.p.v. vooruitgang aan te pakken. Enkele remedies tegen die nefaste en dreigende dynamiek zijn bekend. Er is dringend nood aan sociale minimumregels die overal gelden. Verantwoordelijke politici kunnen zich niet langer verstoppen. Als zij in staat zijn om wereldwijd rechten te geven aan geld, goederen en diensten, waar blijven dan de afdwingbare sociale en economische rechten voor alle mensen? hun rechten op een levensvatbaar inkomen, menswaardige werkomstandigheden en duurzaam werk? Hoe krachtig verdedigen zij ook het recht op vrije vakbonden? Want de werkelijkheid leert hoe hard werknemersorganisaties nodig zijn om die rechten dag aan dag op te eisen, om de rechtvaardige verdeling van de geproduceerde welvaart te forceren en om ook systemen van sociale zekerheid af te dwingen? Wie dan ziet hoe werknemersorganisaties op de terugweg zijn in de Verenigde Staten en weinig voet aan de grond krijgen in China, twee bolwerken van de wereldeconomie, wie het misprijzen voor sociale en economische rechten kent bij internationale organisaties als het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie, begrijpt dat er dringend werk aan de winkel is voor al wie in de samenleving en in de politiek weigert de mens als speelbal aan de economie uit te leveren.