Over het wereldburgerschap in onze globaliserende wereld

Mbaye Gueye is een Senegalese jongen van 17, wat zwakjes én levenslustig, wanneer ik hem bij het filmen van de televisiereportage ‘Het gezicht van de honger’ leer kennen. Drie maanden later zou ik hem opnieuw ontmoeten maar… twee dagen tevoren is hij overleden. Mbaye heeft al meer dan een jaar geneesmiddelen nodig, de familie koopt die ook, voor zowat 60 euro. Maar dan is het geld op, en dus sterft de jongen… één van de minstens dertig à veertigduizend jongeren en kinderen die dezelfde dag omkomen door vooral ondervoeding en daarmee samenhangende ziekten, door een gebrek aan inkomen dus. Ze sterven omdat we onze wereld slecht besturen.

Waarom vertel ik dit? Omdat hier globalisering aan het werk is. En omdat we hier meteen de essentie raken van wat wereldburgerschap hoort te zijn, namelijk de mensenrechten in de meest brede zin waarmaken voor alle wereldburgers, om te beginnen het eerste mensenrecht van iedereen te bewaken, het recht op leven.

We zijn met andere woorden verplicht om de mondiale democratie uit te vinden om het globale samenleven mogelijk te maken. Want wat zal er gebeuren indien we er niet in slagen mondiale problemen of evoluties zoals de dalende graanprijzen op de wereldmarkt die miljoenen mensen de hongerdood injagen, de toenemende macht van multinationals, de opwarming van de aarde, de groeiende inkomensongelijkheid, de steeds krachtiger migratiestromen, oorlogsgeweld en terrorisme of de internationaal georganiseerde misdaad aan te pakken met democratische internationale instellingen? Die fenomenen trekken zich niets aan van grenzen en gaan de krachten van de afzonderlijke landen te boven. Als we ze niet mondiaal kunnen beheren en beheersen en ze ontsnappen aan de bestaande democratische bestuursniveaus – en tot vandaag zijn dat vooral de nationale overheden -, dan lijdt de democratie daar overal onder.

Dit is de context waarin het verhaal van Mbaye en van vele honderden miljoenen, zelfs enkele miljarden medeburgers, zich afspeelt.

Waar Mbaye leefde, verdienen de mensen hun brood met het verbouwen van aardnoten – apenootjes – voor de wereldmarkt, vooral voor de productie van aardnotenolie. Maar de prijzen dalen, de opbrengsten van hun gronden zijn meer dan gehalveerd in dertig jaar tijd en een devaluatie van vijftig procent maakt het leven veel duurder omdat vele levensnoodzakelijke goederen uit het buitenland komen. Nog is dit niet alle ellende. Eind 2001 wordt het overheidsbedrijf dat de meeste aardnoten aankoopt geprivatiseerd, onder druk van het Internationaal Monetair Fonds. Dat jaar zijn de landbouwers door hun regering aangemoedigd om zoveel mogelijk te produceren en, samen met een goed regenseizoen, zorgt dat voor een grote oogst. Maar het nieuwbakken privé-bedrijf wil ineens nog maar de helft kopen van wat was aangekondigd vóór de Senegalese boeren en boerinnen beslisten om aardnoten te planten. Zo stuikt hun inkomen verder ineen, hele bergen aardnoten zijn blijven liggen, onverkocht. Het volgende jaar brengt opnieuw een ramp, door droogte mislukt de oogst bijna volledig. Het platteland, door de overheid in de steek gelaten, beleeft ongeziene armoede.

En misschien vraagt u zich af waarom ze dan geen graan verbouwen, voor zichzelf en voor de lokale markt? Dat doen ze ook, ze verbouwen gierst, maar daar valt al evenmin menswaardig van te leven. In de steden eet bijna iedereen Frans brood, gemaakt van vooral uit Europa ingevoerde tarwe. En tarwe groeit daar niet eens. Het is die gesubsidieerde tarwe die hun markt inpikt én die de prijs van het weinige graan dat ze kunnen verkopen nog verder de dieperik injaagt. Want wij in de rijke landen beschermen – grotendeels terecht – onze landbouw en onze voedselproductie maar dat is net wat zij niet kunnen én niet mogen, en waar hun politici niet van wakker liggen. Die politici zijn zelden of nooit geïnteresseerd in het bevorderen van menswaardige levensomstandigheden op het platteland.

Laten we zeker niet vergeten dat van de achthonderd miljoen ondervoede mensen op onze aarde zeshonderd miljoen zelf boeren en (vooral) boerinnen zijn.

En vergeet evenmin – dit gaat over globalisering – dat de graanprijzen tot stand komen op de wereldmarkt. In de jongste vijftig jaar daalden die prijzen met twee derden. Wat is het verband tussen deze twee fenomenen? Wel, arme landbouwers zijn zo arm dat ze eenvoudigweg niet kunnen investeren om meer te produceren. Wanneer de prijs van hun product terugvalt op één derde, dan verdienen ze dus alleen al daarom drie keer minder. En wanneer erosie, of droogte, of gebrek aan zaaigoed, mest, trekdieren of werktuigen, hun schaarse opbrengsten nog verminderen, dan jaagt dat hun inkomen nog verder naar beneden. Wie dan durft vertellen dat de oplossing voor de ruim één miljard arme boeren en boerinnen is dat ze op de wereldmarkt beter moeten kunnen concurreren, die dwaalt. Je kan hen niet laten concurreren met de enkele tientallen miljoenen boeren die over de meeste en de beste gronden beschikken, over een tractor en andere machines, over de beste zaden, over mest, over krediet, zelfs over subsidies, allemaal zaken die zij niet hebben. Dat is alsof je een voetbalwedstrijd zou laten spelen tussen het wereldelftal van Real Madrid en een duiveltjesploeg uit jouw eigen gemeente, dat is geen eerlijke wedstrijd, dat is onmenselijk en dus ethisch onverantwoord. De wereldmarkt kan inderdaad veel, zij is prima voor auto’s – ik rijd zelf met een Japanse auto en ik weet waarom -, voor gsm’s, voor computers, voor tal van zaken, maar niet voor onze landbouw en onze voedselzekerheid, daar is concurrentie op een wereldmarkt om meer dan één reden werkelijk moordend. Denk ook maar even aan de sterk schommelende prijzen: is er te weinig geoogst, dan schieten de prijzen omhoog, is er wat te veel geoogst, dan storten ze ineen, en je kan niet even de productie stilleggen zoals dat in een fabriek veel makkelijker kan.

Waar wij filmden, in een land waar de wereldmarkt vrij spel kreeg en dat lang niet het armste is van Afrika, bestempelen de mensen hun goed boerende grootouders als rijke mensen : die hadden genoeg te eten, zij konden hun kinderen naar school sturen want er waren scholen en ze konden het schoolgeld betalen, een dokter vinden wanneer nodig was niet meteen een probleem en ook daarvoor verdienden ze genoeg, kortom, zij hadden een goed leven. Maar nu zijn scholen, gezondheidsvoorzieningen en infrastructuur om de landbouw te ondersteunen in belangrijke mate verdwenen… ja, inderdaad, onder andere wegens de door het IMF opgedrongen politiek van de jongste decennia.

Dus hoeft het niet te verbazen dat vele Senegalezen nog amper een kwart of minder verdienen van wat hun ouders en grootouders dertig of veertig jaar geleden verdienden, dat het almaar achteruit gaat met hun voeding, met hun gezondheid, met hun onderwijs. Wij kunnen ons dat heel moeilijk voorstellen, maar de mensen op het platteland zien hun inkomens voortdurend verder ineenstuiken.

Dat is de reden waarom zoveel mensen naar de grote steden in de arme landen trekken. Zo telde de Senegalese hoofdstad Dakar honderdduizend inwoners na de Tweede Wereldoorlog, een halve eeuw later is dat aangegroeid tot tweeëneenhalf à drie miljoen inwoners, en Dakar is lang niet de snelst groeiende stad ter wereld. Die migranten van het platteland zoeken werk, ze zoeken een inkomen. Maar heel dikwijls zullen ze dit niet vinden. Want in veel van die steden kwijnt de industrie en sluiten fabrieken, er is desindustrialisering. Dan is er natuurlijk ook minder nood aan diensten voor die industrie, en ook overheden, scholen, klinieken – denk aan de IMF besparingen – hebben minder volk nodig. Enkel de zogenaamde informele sector van allerlei ateliertjes, klusjesmensen en straatverkopers, soms bijna wandelende supermarkten, groeit sterk. Maar het is vrijwel ondoenbaar om een leefbaar inkomen te verdienen wanneer je sigaretten moet verkopen, stuk per stuk.

Er is trouwens nog een andere schaduwzijde aan deze invasie van arbeid in de steden. Het stuwt de inkomens naar beneden. Hoe dat komt? De minimumlonen in de steden zijn iets hoger dan het inkomen van de armste boeren, dat trekt hen naar de stad. Wanneer nu de koopkracht van de armste boeren daalt, zijn ze bereid om voor minder geld elders te gaan werken en zullen dus ook de minimumlonen in de stad dalen. Voor wie denkt dat stad en platteland los van elkaar te zien zijn, dat is niet zo, uiteindelijk is het voor hen samen uit, samen thuis. De stad kan het zich niet veroorloven om het platteland langdurig te verwaarlozen. Om te ontsnappen aan de armoede investeren Senegalese families intussen in een familielid dat migreert, meestal naar Europa, om er te werken en het gespaarde geld te bezorgen aan de achtergebleven familie. Je kan ze bijvoorbeeld vinden in de straten van de Italiaanse binnensteden, waar ze van alles en nog wat verkopen.

Dit is de dynamiek die vandaag de wereld regeert, een zelfde verhaal van verarming en crashende inkomens op het platteland in Senegal en bijna heel Afrika, Honduras en het grootste deel van Midden- en Zuid-Amerika, zelfs grote delen van Azië, Rusland en Oost-Europa, zelfs verarming van vele mensen in toch rijke landen als de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. En overal in het Zuiden migreren de mensen naar de steden – waar nu voor het eerst in de geschiedenis meer dan de helft van de wereldbevolking huist – overvolle steden die niet in staat zijn om de groeiende behoeften aan werk en diensten te vervullen; en de mensen trekken verder, naar de plaatsen in de wereld waar ze kunnen hopen om wat te verdienen, Noord-Amerika, Europa, Oost-Azië, Zuid-Afrika.

Wat is globalisering?

Dan is het tijd voor een streepje theorie. Ook al lijkt het een nieuw begrip, globalisering is eigenlijk niet echt nieuw. Al zeker 500 jaar verspreidt ons westerse economische systeem – de wetenschappelijke naam is kapitalisme – zich steeds verder over de wereld en raken de economieën van de hele wereld meer verweven. Die vrije markteconomie produceert veel welvaart en verrast ons met steeds nieuwe producten, het ene al nuttiger dan het andere. Daar kunnen vooral wij in de rijke landen tevreden over zijn, we zijn meestal rijke mensen en we waren zelfs zo verstandig om deze welvaart ook te investeren in heel wat nuttige publieke voorzieningen en er onze welvaartstaten mee uit te bouwen.

Maar, er is een keerzijde, we krijgen te maken met een economie die niet meer in dienst van de mens staat maar waarbij de mens die economie moet dienen. Dit kan slogantaal lijken maar wie globaal naar de wereld kijkt, ziet dat de welvaart steeds ongelijker verdeeld raakt – zelfs dat deze economie armoede en honger produceert -; die ziet dat de mens en haar rechten steeds meer in de verdrukking komen; die ziet dat de ecologische ravages onvoorstelbaar groot zijn; die ziet dat de besluitvorming over dit alles heel ondemocratisch gebeurt door vooral grote multinationale bedrijven, enkele grote landen, instellingen zoals IMF, Wereldbank en Wereldhandelsorganisatie en misschien bovenal, volledig losgelaten financiële markten; en die ziet dat de talen, culturen en levenswijzen van vele volkeren, vooral inheemse volkeren, in de verdrukking komen. Met andere woorden: het resultaat van deze economie is dat pakweg 1 van de 6 miljard mensen het – voorlopig – goed hebben. Maar aan de andere kant zijn we overal geconfronteerd met groeiende onaanvaardbare sociale, ecologische, politieke en culturele deficits.

Globalisering mag dan al heel oude wortels hebben, ons economisch systeem verandert natuurlijk wel, en zeker ook de jongste decennia. De derde industriële revolutie en de informaticarevolutie maken het makkelijker voor bedrijven en financiële markten om wereldwijd te werken en de klok rond te presteren. Dat is zeker nieuw aan de huidige globalisering. Nieuw is ook dat steeds meer aan de markt wordt overgelaten en dat vooral het geld – het financiële kapitaal – van de zogenaamde liberalisering profiteert. Nieuw is dat er blijkbaar nooit genoeg geprivatiseerd kan worden, dat steeds meer goederen en diensten in privé handen terechtkomen, tot water toe, tot zelfs de privé eigendom van stukjes plant, dier of menselijk leven. Nieuw is dat een economisch gezond winstdenken plaats maakt voor korte termijn en speculatief winstdenken . En ook nieuw – en wat in grote mate samenhangt met het voorgaande – is dat de politiek meer en meer afwezig is. De politiek ruimt de plaats voor de economie, deregulering is al wat de klok slaat. Multinationals werken globaal, de politiek veel minder en de civiele samenleving amper. We maken mee hoe de economie en de markten als het ware in de mondiale champions league gaan spelen, terwijl de overheden en de samenleving toch vooral nog nationaal spelen, een beetje Europees en bijna niet op wereldschaal. Net doordat de economie zich op wereldvlak organiseert en de samenlevingen en vooral de politiek dat veel minder of niet doen, moeten we meemaken hoe de economie alle terreinen van het sociale, politieke en culturele leven verovert en koloniseert – er haar economische wetten opdringt – en het milieu exploiteert. Zo maken we mee dat de industrie meer en meer onderzoekscontracten sluit met onze wetenschappers waarbij de resultaten van het onderzoek eigendom worden van de industrie en maar mogen gepubliceerd worden als de industriële partner daar toestemming voor geeft. Dit is geen evenwichtige relatie meer, dit ondermijnt de publieke toegankelijkheid van de wetenschappelijke kennis, terwijl onze universiteiten en wetenschappers toch in de eerste plaats met publieke gelden werken. Dit schaadt zelfs de wetenschappelijke vrijheid omdat het industriële belangen zijn die de onderzoekskeuzes leiden. Het is op lange termijn zelfs economisch nefast omdat er vooral belangstelling is voor de snel te exploiteren resultaten van het toegepaste onderzoek. Maar dat gaat ten nadele van het fundamentele onderzoek dat vandaag de basis zou moeten leggen voor onze economie over tien, twintig of dertig jaar. Ziedaar één voorbeeld van het culturele deficit van deze globalisering.

Het succes van de welvaartstaten en van de sociale welvaarteconomieën is juist dat – net zoals voetballers spelen op een voetbalterrein – het economische spel gespeeld mag én moet worden op het economische terrein. Daar heersen, zoals in het voetbal, spelregels die iedereen moet respecteren. Daar hebben principes zoals concurrentie en winststreven een zekere geldigheid en nuttigheid. Daar zijn onpartijdige scheidsrechters die erop toezien dat die regels en principes nageleefd en geëerbiedigd worden. En net zoals voetballers met de bal binnen de krijtlijnen van het veld moeten blijven, moet ook de economie de grenzen van haar terrein respecteren.

Het neoliberalisme doet vergeten dat het succes van onze vrije markteconomieën en onze welvaartstaten juist mee te danken is aan actieve en efficiënte overheden die zorgen voor belangrijke publieke goederen zoals onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid, eigendomsrecht, allerlei infrastructuur,… en die de economie spelregels opleggen, sociale spelregels zoals minimumlonen, vakbondsvrijheid en andere sociale normen maar ook ecologische regels en zelfs wat democratische regels zoals toegang tot essentiële bedrijfsinformatie voor werknemers – denk maar aan wat de werknemers van Sabena is overkomen, of die van het Amerikaanse bedrijf Enron. Toen dat energieconcern failliet ging in 2002 – even terzijde, Enron was de grootste financier van de kiescampagne van president Bush junior – verloren de mensen die er werkten niet alleen hun job en daarmee hun maatschappelijke status, ze speelden ook hun spaargeld kwijt want dat waren Enron aandelen, ze zagen zelfs hun pensioenen in rook opgaan want ook die bestonden uit Enron aandelen. En toen ze het faillissement zagen aankomen werd het hen zelfs verboden om hun aandelen nog voor een beetje geld te verkopen. Dat is in zeker opzicht nog erger dan slavernij, want de heer die zijn slaaf niet kon onderhouden had de plicht hem vrij te laten.

Globalisering, een nieuw geloof

Misschien kunnen we best de term globalisering voorbehouden voor de politiek van liberaliseringen, privatiseringen en dereguleringen die vanaf de late jaren zeventig van vorige eeuw voor velen zowat een nieuw geloof werd. Op de eerste rij om dat geloof in praktijk te brengen staat Margaret Thatcher die in 1979 premier van Groot-Brittannië wordt, weldra gevolgd door president Ronald Reagan van de Verenigde Staten. Internationale organisaties zoals het IMF, de Wereldbank en later ook de Wereldhandelsorganisatie, waarin vooral de VS veel invloed heeft, dringen die neoliberale politiek vervolgens op aan tal van andere landen.

Maar dit neoliberalisme werkt niet, en zeker niet voor de armen: niet in Groot-Brittannië, waar de privatiseringen van spoor en water uitdraaiden op falende en dure dienstverlening, op mislukkingen en meer dan één ramp. We moeten nu weten dat in dit geval privatisering niet de beste oplossing is; niet in de Verenigde Staten, waar de geprivatiseerde elektriciteitssector in Californië niet kan garanderen dat er stroom uit het stopcontact komt wanneer in de zomer de meeste Californiërs hun airco aanzetten; niet in Argentinië, tot voor kort min of meer een welvaartstaat waarvan de inwoners na de tweede wereldoorlog rijker waren dan de Fransen en met de sterkste industrie van heel Zuid-Amerika, nu is die industrie vrijwel verdwenen, leeft drie vijfde van de Argentijnen in armoede en sterven kinderen van honger in een land dat voedsel voortbrengt voor wel driehonderd miljoen mensen, dat is acht maal de eigen bevolking; niet in Azië, waar het volgens de voormalige hoofdeconoom van de Wereldbank en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz zelfs enkele decennia zal duren vooraleer landen volledig zullen herstellen van de onnodig diepe economische crisis die ze eind van de jaren negentig door de schuld van het IMF te verduren kregen; niet in Rusland, waar de economische neergang werkelijk mensen doodt, elk jaar zijn er ruim een miljoen Russen minder, en vooral Russische mannen sterven veel vlugger dan vroeger, hun gemiddelde leeftijd benadert nu meer die van Afrikanen dan van West-Europeanen; zelfs niet in België – voor wie denkt dat dit alles toch een ver-van-mijn-bed-drama is – waar de privatisering of het patenteren van het borstkankergen borstkankertests flink duurder dreigt te maken. Volgens het bedrijf Myriad Genetics, eigenaar van het octrooi, mogen die tests alleen nog in de VS worden gevoerd… en dan moeten vrouwen daarvoor 3000 euro betalen in plaats van nu nog geen 300 euro en na tussenkomst van de sociale zekerheid zelfs maar 9 euro.

En dat mensen van het IMF of van de Wereldbank, om hun gelijk te bewijzen, niet komen vertellen dat Zuid-Korea of Taiwan bewijzen dat landen in één generatie welvarend kunnen worden. Zij presteerden dat inderdaad, maar enkel omdat zij het recept van die instellingen aan hun laars lapten. Als zij het volgens de aanbevelingen van IMF of Wereldbank of volgens het boekje van andere neoliberale economen zouden moeten gedaan hebben, dan was hen dat nooit gelukt en waren ze misschien nog zo arm als Kenia, Ivoorkust of Ecuador. Zuid-Korea én Taiwan verdeelden de grond en voerden een landhervorming door vooraleer zij met hun industriële ontwikkeling startten. Zij beschermden altijd hun eigen landbouw en gebruikten die als inkomstenbron voor hun industriële investeringen, zij beschermden altijd hun binnenlandse markt en gingen zelf pas exporteren wanneer zij achter hun gesloten grenzen sterk genoeg waren geworden om de internationale concurrentie aan te kunnen, en vooral Zuid-Korea had en heeft sterke vakbonden… samengevat, dit is een ontwikkelingsmodel dat niets te maken heeft met wat het IMF predikt en opdringt.

Ik weet wel, men zal komen aandraven met cijfers en statistieken van o.a. de Wereldbank die aantonen dat de armoede in de wereld kleiner wordt. Dat is zo, op papier, of op het computerscherm. Wie rondloopt in de echte wereld, die weet dat de armoede op onze wereld enorm groot is, én dat ze groeit. Maar dit vertaalt zich maar slecht in de cijfers en statistieken. Die tonen nu reeds een daling in de inkomens van de inwoners van Afrikaanse, Oost-Europese, Centraal-Aziatische en tal van Amerikaanse landen ten zuiden van de Rio Grande.

Toch valt te vrezen dat de echte armoede daarmee nog zwaar is onderschat, deels wegens een welvaartsverdeling die steeds ongelijker verloopt waardoor massa’s mensen zelfs bij goede economische groeicijfers armer worden, dat is de groeiende inkomenskloof. Zo vertelt ons het Rapport over de Menselijke Ontwikkeling van de Verenigde Naties van 1999 dat de twintig procent rijksten van de wereld vierenzeventig keer rijker zijn dan de armste twintig procent.

Veel belangrijker nog, de armoede is onderschat omdat het verlies aan natuurlijk kapitaal niet verrekend geraakt in de inkomenscijfers. En het verlies of de afnemende kwaliteit van vruchtbaar land, watervoorraden, bossen, viswateren en weiden tast rechtstreeks de welvaart en het inkomen aan van de armsten, van vele honderden miljoenen, zelfs enkele miljarden mensen over de hele wereld. Deze armoede is ook merkbaar in de slums van vele steden. Ik herinner me zeer goed hoe ik een man interview op een steile heuvel vlakbij de Hondurese hoofdstad Tegucigalpa, terwijl hij zijn huis ineentimmert. Hij vertelt me dat er geen elektriciteit is, geen water, geen riolering, geen school, geen openbaar vervoer, niets is er; in feite is het hier helemaal niet goed, zegt hij, maar toch is dit de plaats waar ik moet leven, ik kan nergens heen waar het voor mij beter zou zijn.

Vergeet daarenboven niet hoe onze economie werkt. Indien de koopkracht van de armen verder wordt vernietigd kan vrijwel niemand hen nog iets verkopen, dan verdwijnen deze markten gewoonweg en uiteindelijk raakt ook de welvaart van de rijken aangetast.

Verzet groeit: wie zijn die zogenaamde antiglobalisten of andersglobalisten?

Als een economie zo veel deficits veroorzaakt, is het maar normaal dat de onvrede daarover heel groot en wijd verspreid is en sterk groeit. Vooral in het Zuiden van de wereld, waar vier vijfden van de wereldbevolking het moeten doen met één vijfde of zelfs minder van het wereldinkomen. Daar organiseren miljoenen landlozen zich in Brazilië om op geweldloze wijze onbebouwde landbouwgrond te bezetten, daar protesteren miljoenen boeren in India al even geweldloos tegen de almacht van zaad- en pesticidenmultinationals die hen bijvoorbeeld willen opzadelen met onvruchtbare planten zodat ze voortaan altijd bij hen moeten aankloppen voor nieuw zaad, daar eisen talrijke bewegingen van inheemse volkeren hun rechten op.

En kijken we verder naar die zogenaamde antiglobaliseringsbeweging, dan zien we dat de aanhang loopt van de traditionele vakbonden – bij de betogingen tegen de Wereldhandelsconferentie eind 1999 in Seattle zorgden de Amerikaanse vakbonden trouwens voor de meeste actievoerders, en vakbondsmilitanten herkennen zich natuurlijk makkelijk in de groeiende welvaartskloof en bijhorende strijd om inkomensherverdeling – over al even oude bewegingen als vrouwenbeweging en vredesbeweging, over jongere maar niet meer zo jonge bewegingen als milieubeweging, mensenrechtenbewegingen, en Derde Wereldbeweging, tot de allernieuwste bewegingen en initiatieven zoals Reclaim the Streets, Attac, het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre, en noem maar op, ja zelfs ondernemers die ecologisch en sociaal verantwoord willen produceren, en straks wellicht ook een groot deel van de landbouwers in het rijke Noorden.

Die beweging is dus zo veelzijdig als je maar kan indenken en dat is de vertaling van al die problemen die de huidige globalisering met zich meebrengt. Maar net omdat al die problemen meer en meer met elkaar te maken hebben, zullen al die bewegingen zich vinden in één grote mondiale sociale beweging voor een wereld die democratischer, duurzamer en socialer is, eigenlijk dus veel meer een globaliseringsbeweging dan een antiglobaliseringsbeweging. Let wel, deze beweging werkt niet met een bijbel of een manifest, het is een wereldbrede regenboogcoalitie zonder veel structuur en zonder duidelijk leiderschap. Velen vinden dat wat ongemakkelijk maar het is – voorlopig? – niet anders.

Hoog tijd voor antwoorden?

Het is tijd om over oplossingen te spreken. We zegden het al, antiglobaliseringsbeweging is een wel heel onjuiste benaming voor een beweging die druk zoekt naar alternatieven voor de huidige globalisering. Hier groeit een ander maatschappelijk project dat prioriteit geeft aan mensenrechten, aan sociale en ecologische oogmerken, aan duurzame ontwikkeling dus, aan participatie en democratie én aan een economische productie van welvaart in functie van al die menselijke ambities. Het Wereld Sociaal Forum dat sinds 2001 plaatsgrijpt in het Braziliaanse Porto Alegre en in 2004 voor het eerst naar een ander continent verhuist, naar India, is een belangrijke hefboom voor de ontwikkeling van een mondiale sociale beweging die weerwerk kan bieden aan de economische krachten en de politici dwingt het mondiale algemeen belang te organiseren.

Wie goed luistert komt zeker op het spoor van de antwoorden die deze beweging biedt, van daadwerkelijke oplossingen, zelfs bijna van een heus programma voor een andere wereld. We volstaan hier met een greep uit het rijke aanbod.

Heel concreet is het recht op regionale voedsel- en landbouwmarkten, dat hier wat meer wordt uitgewerkt omdat het zo immens belangrijk is. Alle rijke landen beschermen hun voedselproductie en hun landbouw, zij weten waarom en het belet hen niet om welvarend te zijn. Die bescherming is grotendeels terecht. Alleen, dan zouden ook arme landen hun voedsel zelf mogen produceren en hun markten beschermen. Want – denk aan het voorbeeld van Senegal – vrije wereldhandel in voedselproducten veroorzaakt massale verarming, ondervoeding voor honderden miljoenen en de hongerdood voor tientallen miljoenen mensen. En wie het niet meer ziet zitten op het platteland, trekt naar de steden en oefent daar nog meer druk uit op de al lage lonen. Zo wordt ook zonneklaar dat boerenbonden en vakbonden overal ter wereld meer gelijklopende dan tegengestelde belangen hebben: een welvarend platteland draagt bij tot de welvaart van wie in de stad aan de kost moet komen én omdat de druk op de lonen vermindert én omdat het platteland een afzetmarkt voor de producten van de stad is. Indien wij op deze wereld voldoende voedsel willen, voedsel dat tevens veilig is om te eten, milieuvriendelijk ook, dus op duurzame wijze voortgebracht, met behoud van de cultuurlandschappen en met respect voor de plattelandstradities, dan moeten wij de landbouw organiseren en beschermen binnen de Europese markt, binnen de Westafrikaanse, de Zuidamerikaanse en andere regionale markten : want denk vooral niet dat Toscane of Dordogne, streken die we allemaal zo aantrekkelijk vinden, mogelijk zouden zijn in een vrije wereldlandbouwmarkt.

Tijd nu voor andere programmapunten.

Natuurlijk kapitaal aan grond, wateren, bossen en weiden moet worden beschermd en toegankelijk zijn voor wie ervan moet leven. Herverdelingen van de grond en landhervormingen zijn dringend nodig in heel veel landen. Onze wereld heeft dringend behoefte aan mondiale sociale regels – de arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie bijvoorbeeld – , aan ecologische en aan democratische regels die waar nodig voorrang krijgen op financiële en economische regelgeving. Want nu beleven we de absurde situatie dat goederen, diensten en geld rechten hebben die wereldwijd afdwingbaar zijn terwijl de rechten van de mensen en van het milieu niet afdwingbaar zijn of zelfs amper bestaan… om maar te zeggen dat we mondiaal niet enkel nood hebben aan een wereldministerie voor financiën en economie, want dat zijn IMF en Wereldhandelsorganisatie eigenlijk. We hebben dan vanzelfsprekend ook mondiale ministeries nodig van sociale zaken, van arbeid, van milieu, van veiligheid,…

We moeten opnieuw de waarde erkennen van wat de econoom Keynes heel goed wist te duiden, dat de economie een immense, bijna dierlijke kracht herbergt, maar dat samenleving en politiek dit dier moeten berijden en er de teugels stevig van vastnemen. Zij moeten de economie sturen in functie van de nagestreefde maatschappelijke doelen. De weg naar meer democratie en vooral naar meer economische democratie is nog heel lang.

Er is behoefte aan mondiale inkomensherverdeling via vormen van globale sociale zekerheid, te beginnen met een basisinkomen voor alle wereldburgers, als een sokkel voor een mondiaal sociaal zekerheidssysteem. Dit basisinkomen en andere globale publieke goederen kunnen we financieren met de inkomsten uit mondiale belastingen, een Tobin of een Spahn taks op internationale financiële verrichtingen, heffingen op fossiele brandstoffen, op kerosine onder andere; en voor fiscale paradijzen is er geen plaats meer op deze wereld. De Verenigde Naties hebben een permanente politiemacht nodig om in te grijpen ingeval van volkerenmoord – denk aan Rwanda in 1994 – of om internationale terreur te bestrijden. Want zoiets is niet de taak van één land, dat is een opdracht voor de hele wereldgemeenschap vertegenwoordigd in de VN.

En wat zouden we dan zien? Laten we beginnen op het platteland, in vele landen zouden talloze mensen werk en inkomen hebben indien het grondbezit evenwichtig verspreid zou zijn; nog betere resultaten zouden er zijn indien dit samen gaat met een duurzaam beheer van velden, weiden, bossen en wateren; en wanneer de landbouw inderdaad vooral op regionale schaal in West- of Zuidelijk Afrika, Zuid-Amerika of Zuid-Azië uitgebouwd zal zijn – zoals wij in Europa doen – dan zal de welvaart nog groeien. Verder én heel cruciaal, fatsoenlijk betaalde arbeid in behoorlijke werkomstandigheden blijft hét middel bij uitstek om de kost te verdienen. Een verstandige indus-trialisering die gebruik maakt van een milieuvriendelijke techno-logie kan wonderen doen op het vlak van de werkgelegenheid en de inko-mensgroei. Vergeet trouwens niet dat de ombouw naar zonne-energie nog maar juist is begonnen.

Echte vrije handel, waarbij alle partijen hun voordeel doen, draagt daar bovenop nog bij tot de ver-spreiding van welvaart. Indien de transacties niet voor iedereen voordeel opleveren, spreken we beter van uitbuiting en niet langer van handel.

Is dit alles utopisch? Neen, niet in de zin van illusoir. Dit is utopisch in de zin van richtinggevend, van mobiliserend. Weet u. Wie 100 jaar geleden pleitte voor algemeen stemrecht, of voor de achturendag of voor gelijke rechten voor man en vrouw was volgens de meeste ‘weldenkende’ zogenaamde ‘realisten’ van toen naïef. Maar wie was echt naïef? Welnu, als ik mét anderen bijvoorbeeld pleit voor een mondiaal basisinkomen voor alle wereldburgers zal dit vandaag volgens velen een naïeve utopie zijn. Het is mijn overtuiging dat zulk basisinkomen over enkele tientallen jaren voor iedereen de normaalste zaak hoort te zijn, net zoals het algemeen stemrecht voor man en vrouw dat nu ook is, ook al is dit nu nog niet overal gerealiseerd.

Slaagt deze beweging?

De zwaarste opdracht is niet eens zozeer de uitwerking van een programma. Nee, de grootste klip die deze beweging moet nemen is het verzamelen van de kracht om die alternatieven af te dwingen. Want de weerstand tegen verandering is enorm, er wachten vele hindernissen: er is het bestaande economische systeem, er zijn de vele kortzichtige economische en financiële spelers, verblinde en slechte politici, de complexiteit van onze ‘moderne’ wereld, de verlokkingen van extreem nationalisme en fundamentalisme. En toch is deze beweging potentieel heel sterk, toch zijn haar kansen om een tegenmacht op te bouwen die met succes het dominante economische model kan counteren misschien groter dan menigeen denkt. Bedenk dat de arbeidersbeweging er ook wat jaren voor nodig heeft gehad om alvast in de industriële wereld een herverdeling van de welvaart te forceren. Deze vernieuwde beweging is maatschappelijk veel breder en voor het eerst ook werkelijk mondiaal. Maar hoe breed ze ook is, cruciaal voor haar succes zal de rol zijn van vakbonden en boerenbonden overal ter wereld. Zij zijn het sterkst ingeplant in de samenleving, zij hebben meest leden, zijn zelf ook het meest democratisch georganiseerd en dus gelegitimeerd. Doorslaggevend zal zijn of ze er in kunnen lukken elkaar te vinden, en of ze bovenop nog slagen in een alliantie met vooral milieubewegingen allerhande, zodat de duurzaamheid van landbouw en economie voor hen vanzelfsprekend wordt.

Afwezige politici… het tij kan keren

De jongste decennia zijn politici héél afwezig geweest, zij verzaakten aan hun opdracht om het algemeen belang te bewaken. Maar deze beweging kan hen van hun blindheid genezen, deze beweging kan hen dwingen om opnieuw rekening te houden met de belangen van veel meer mensen, deze keer zelfs van alle mensen.

Trouwens, wanneer sociaal-democraten, ecologisten, flink wat christen-democraten, democratische nationalisten en sociaal liberalen in hun eigen gedachtegoed en geschiedenis grasduinen vinden zij de aanknopingspunten met deze beweging zo voor het oprapen. En wanneer zij dan hun politieke verantwoordelijkheid opnemen, dan abdiceren zij niet langer voor de economie maar kunnen zij werk maken van de politieke vertaling van deze beweging. Het is deze wisselwerking tussen een mondiale sociale beweging en politici die zich mondiaal organiseren die voor het noodzakelijke evenwicht kan zorgen met de economie zodat minimale welvaart in het bereik komt van alle mensen, ons samenleven democratisch functioneert en het milieu eindelijk gerespecteerd raakt.

Wij zijn allemaal wereldburgers, lokaal en globaal

Essentieel voor de werelddemocratie is dit, in de straten van Bangalore, Seattle, Porto Alegre, Brussel, Dakar, Bangkok, Firenze, Johannesburg en tal van andere steden betogen de meest wakkere wereldburgers van de mondiale samenleving. Zij volgen hun mondiale burgerzin en geven daar inhoud aan. Samen met honderden miljoenen anderen hebben zij al begrepen wat te veel politici en te veel mensen op de huidige machtsposities in economie, gerecht, media enzovoort maar heel langzaam lijken te vatten, namelijk dat wij allemaal ook wereldburgers zijn geworden.

Net zoals men er al lang achter is dat stadsstaten niet meer geschikt zijn om veiligheid en vrede te verzekeren, komt men er nu achter dat de aanpak van oorlogen, voedselzekerheid, broeikaseffect, internationale schuldenlast en financieel-economische bokkensprongen thuishoort bij internationale organisaties. En nog trager ontdekt men dat lokale overheden en gemeenschappen beter meer te zeggen krijgen en meer verantwoordelijkheid moeten kunnen dragen en nemen. Doorgaans blijken zij bijvoorbeeld de beste behoeders van de lokale natuurlijke rijkdommen. Voor een duurzame ontwikkeling is er dus werk aan de winkel op alle mogelijke bestuursniveaus. Lokaal en globaal denken én handelen, dat is geen slogan maar een noodzakelijkheid.

In de praktijk stapt de wereld geleidelijk aan af van de opvatting dat alleen soevereine staten het spel om politieke macht mogen meespelen. Er komt meer ruimte voor kleinere spelers binnen landen en grotere spelers op regionaal of mondiaal vlak. Dat betekent dat de wereld traag aanvaardt dat politieke problemen het best worden aangepakt en opgelost op het meest aangewezen niveau.

De democratie op wereldvlak is dus nog ver van gerealiseerd. En toch is het wereldburgerschap de onvermijdelijke toekomst, want de toename van de mondiale problemen laat ons geen andere democratische keuze. Zoals bij het begin van de twintigste eeuw doorgaans vol ongeloof werd gereageerd op de gedachte dat vrije verkiezingen en algemeen stemrecht nog die eeuw de wereld zouden veroveren, zo staan we nu aan de vooravond van het wereldburgerschap, van een heus wereldparlement, van een wereldregering. In de loop van de eenentwintigste eeuw komen ook die democratiseringen er hoogstwaarschijnlijk aan en worden we echte wereldburgers, hoe talrijk ook degenen zijn die daar vandaag niet in geloven.

Feitelijk evolueren we naar een volledig federale inrichting van de wereld, van dorpsraad of stadsbestuur, over regionale, nationale, Europese en andere parlementen tot een heus wereldparlement waarvoor alle wereldburgers kunnen stemmen. Voorlopig nog grotendeels toekomstmuziek, maar de eerste passen in die richting zijn al geruime tijd gezet en meer passen volgen in een federaal proces dat sneller verloopt dan velen vermoeden.

Op 26 januari 2003 trekken voor het eerst tienduizenden Senegalese boeren en boerinnen naar de hoofdstad Dakar om er gezamenlijk te manifesteren. Om die unieke gebeurtenis te filmen reis ik mee met enkele bussen die vertrekken uit een dorp niet ver van waar Mbaye Gueye anderhalf jaar ervoor is gestorven. Dit maakt indruk, hoe deze mensen in beweging komen om hun regering te vertellen dat ze zich in de steek gelaten voelen, om te protesteren tegen hun uitlevering aan oneerlijke concurrentie van gesubsidieerde landbouwproducten en aan een wereldlandbouwmarkt die mensen verarmt en zelfs verhongert, die ecologische catastrofes veroorzaakt en die hele economieën onderuit haalt. Zij vragen respect voor degenen die voor voedsel in het land kunnen zorgen, en zij willen dit kunnen doen in menswaardige omstandigheden, net zoals de boeren in de rijke landen dat kunnen. Want, dit is essentieel, wat zij vragen is heel redelijk, is doenbaar, is in het voordeel van de meeste mensen, is economisch verstandig, en is bovenal héél menselijk. Een democratische wereld kan zich niet veroorloven om de rechten van zoveel wereldburgers nog langer te ontkennen. De opbloeiende mondiale democratie, van het kleinste dorp tot de Verenigde Naties, zal degenen die hier verantwoordelijk voor zijn ter verantwoording roepen, geweldloos maar heel beslist.