Het wegenvignet komt er ten vroegste in 2009. Groen! vindt dat het wegenvignet maar beter definitief afgevoerd kan worden en pleit voor een ecologische kilometerheffing, het liefst in Beneluxverband.

DE invoering van het wegenvignet is uitgesteld, of misschien zelfs definitief afgevoerd. Groen! heeft altijd de grootste vragen gehad bij de invoering van een wegenvignet. Omdat het in wezen niets oplost. Het is geen sturend instrument. Het vignet zal niet leiden tot minder verkeer of minder vervuiling door auto’s of vrachtwagens.

Als de Vlaamse regering toch nog van plan is haar Kyoto-doelstelling te halen, dan is de vervanging van de bestaande verkeersbelastingen door een ontradende ecologische heffing eigenlijk een absolute noodzaak. Zelfs als men kiest voor een ’groen’ vignet (waarbij relatief schonere auto’s minder betalen dan relatief vervuilender auto’s, wat minister Peeters ooit beloofde), zal de groene inkleuring maar een marginaal effect hebben in vergelijking met een ecologische heffing per kilometer. Daarnaast is er nog sprake van een vergroening van (wat dan nog rest aan) verkeersbelastingen: een wagen met een goede ’ecoscore’ (die minder CO2 of fijn stof uitstoot en minder lawaai maakt) wordt dan minder belast. Die vergroening van de verkeersbelasting ligt al jaren in de lade. Voordat die belasting naar Vlaanderen kwam, lagen op het kabinet-Aelvoet de KB’s al klaar. Daarna heeft Vlaanderen dus jaren getalmd. Waar wacht men eigenlijk op?

Intussen is duidelijk geworden dat het vignet vooral bedoeld is om buitenlanders geld uit de zak te kloppen. En op dat vlak krabbelen belangrijke woordvoerders van de meerderheid al terug, want men wil nu ook weer geen toeristen of klandizie verliezen in de Vlaamse steden. Bovendien zal Europa een systeem waarbij buitenlanders het vignet voluit moeten betalen, maar Belgen het helemaal terugbetaald krijgen, niet aanvaarden. Als minister Van Mechelen twee jaar nodig heeft om een goede argumentatie op te maken die Europa misschien zal overtuigen, dan ligt het blijkbaar toch niet zo simpel als men eerst liet doorschemeren.

Het vignet zal er ten vroegste in 2009 komen. Net als de vergroening van de autobelasting. Als men nog wat verder bekvecht binnen de meerderheid, dan worden die dingen allicht over het einde van de regeerperiode heen getild en dan spreken we al van 2010.

Sommige socialisten zeggen nu al dat het vignet eigenlijk maar een overgangsvorm is en dat we beter kunnen overstappen naar een meer sturend systeem vanaf 2012. En laat 2012 nu uitgerekend het jaar zijn dat de nieuwe Nederlandse regering-Balkenende IV een slimme kilometerheffing wil invoeren, ,,gedifferentieerd naar tijd, plaats en milieukenmerken’’. Zal Vlaanderen – of eigenlijk België, want de drie gewesten moeten overeenkomen – dan twee of drie jaar tevoren een heel ander systeem invoeren dat eigenlijk ingaat tegen de richting die Europa uit wil? En in Antwerpen moeten wagens met vignet dan ook nog eens tol betalen.

De oplossing ligt nochtans voor de hand. Laten we met zo veel mogelijk landen in 2012 samen in een nieuw systeem van slimme kilometerheffing stappen. Eventueel, om te beginnen, alleen voor vrachtwagens. Ook in Nederland willen ze gefaseerd werken. Een kilometerheffing voor vrachtwagens bestaat al in Duitsland. We zouden op zijn minst met de Beneluxlanden kunnen beslissen om zo’n kilometerheffing in te voeren, eventueel in stappen. En dan allemaal samen beginnen in 2012.

Is dat niet veel logischer en simpeler dan nu al te marchanderen tussen Vlaanderen en Nederland: als zij een vrijstelling krijgen voor het vignet, dan moeten wij minder kilometerheffing betalen. Gearrangeer met een hoog Kafka-gehalte.

Waarom houden we het niet simpel? Eén systeem, in alle Beneluxlanden en straks misschien in alle landen die vroeger meededen met het eurovignet voor vrachtwagens. De apparatuur bestaat al om er zelfs een slimme kilometerheffing van te maken, zodat rekening gehouden kan worden met tijd en plaats, en aparte tolheffingen niet meer nodig zijn. Ook de milieuprestaties van de wagen kunnen meteen verrekend worden. Dat kan allemaal met een soort gps-systeem via de satelliet. In Nederland wordt het de komende jaren verder uitgewerkt. Waar wachten wij op? Waarom kiezen we niet voor een eenvoudig en uniform systeem? Zeker als dat ook de beste oplossing is voor milieu en klimaat.

Je hoeft geen milieupessimist te zijn om te beseffen dat het op dit ogenblik – en al geruime tijd – zwaar bergaf gaat met de gezondheid van deze planeet. Meer nog, we begeven ons voortaan op onbekend en onvoorspelbaar terrein waarbij de meest realistische inschatting is dat we zware ecologische rampen riskeren.

Peter Tom Jones en Roger Jacobs zijn geen doemdenkers. Het is hen toevertrouwd een hyperrealistische tekening te maken van een wereld die haar ecologische fundamenten om zeep aan het helpen is en daarbij de sociale rechtvaardigheid aan diggelen gooit. De economische groei die we maar blijven nastreven – en die nu al in veel rijke landen achteruitgang in welvaart meebrengt – maakt van de ecologische crisis evenzo een sociale crisis. De rechten van meeste mensen en van alle toekomstige wereldburgers worden miskend.

Weten hoe ernstig de toestand is en waarom het zo ver kon komen, is hoogdringend. Niet om immobilisme te prediken, wel om zo gedocumenteerd mogelijk te zoeken naar de uitwegen uit de dreigende sociaal-ecologische impasse. Dat is wat Peter Tom Jones en Roger Jacobs doen. Hier spreken geen naïevelingen, wel hyperrealisten die de beste koers proberen uit te tekenen voor onze aarde. Zij noemen zich voorzichtig hoopvol omdat de mensen en de mensheid vrij kunnen kiezen voor een echt duurzame economie. Het is niet te laat om te handelen, maar diep ingrijpende actie dringt zich op, liefst nog vandaag i.p.v. morgen.

Deze auteurs hebben iets te vertellen, een verhaal van zo cruciaal belang voor onze levens en onze directe nakomelingen dat we het allemaal moeten kennen, dat niemand straks kan uitroepen: maar dat heb ik niet geweten.

Ik ben benieuwd in hoeveel talkshows en andere mediaformats ze zullen geraken met dat verhaal, en nog meer in wat ze er dan echt kwijt kunn en en mogen vertellen, op hoeveel onbegrip, onkunde, regelrechte domheid en zelfs manipulatie ze zullen stuiten.

PALA zal alvast nog meer dan eens terugkomen op dit indrukwekkende boek omdat – je raadt het al – zoveel mogelijk mensen de toestand van onze aarde en wereld moeten kennen. Dan kunnen ze op hun beurt tal van anderen kritisch doen stilstaan bij hun roekeloze overtuiging dat het wel niet zo’n vaart zal lopen en hen daar liefst van afhelpen, in het belang van ons allemaal. (DB)

Op een dag begint het te knagen. Het bedrijf waar je werkt lijkt niet meer zo gehecht aan de plek waar het al zovele jaren produceert. Je kan het niet geloven dat jouw bedrijf tekenen van vertrek begint te vertonen. Toch valt het niet langer te ontkennen, investeringen raken teruggeschroefd, aanwervingen zijn er amper of niet, mondjesmaat verdwijnen delen van de productie naar elders, onzekerheid is troef over nieuwe producten of modellen en een stroom herstructureringen moet de neergang maskeren.

En plots is het helemaal zover, grote delen van de productie verhuizen naar elders, meestal naar lageloonlanden. Of nog erger, je bedrijf sluit volledig de deuren. Zo overkomt delokalisatie miljoenen werknemers, in rijke landen én in arme landen. Zo ervaren op dit ogenblik werknemers in de textiel- en confectiefabrieken van Mexico tot Tunesië, van Turkije tot Bangladesh de mokerslag van de Chinese industrie. Hun werkgevers kunnen de concurrentie op de wereldmarkt niet langer aan, jobs gaan massaal verloren en de mensen die de jobs uitoefenen vallen zonder werk en dikwijls zonder inkomen want sociale zekerheid is er amper of niet.

De kijk op delokalisatie van de bedrijfsleider, van de manager en van de onderneming waarvoor hij werkt is anders. Hij (heel soms zij) wil de kansen grijpen die zich voordoen op de steeds vrijere wereldmarkt. Vanzelfsprekend zoekt hij goede infrastructuur op, natuurlijk wil hij degelijk opgeleide, toegewijde en productieve werknemers, liefst ook rechtszekerheid en niet al te veel corruptie. Maar evenzeer zal hij uitkijken naar de goedkoopste grondstoffen, zal hij de goedkoopste werkkrachten verkiezen, de laagste belastingen, de laagste sociale zekerheidsbijdragen, goedkoop kapitaal en liefst zelfs onbelaste winsten. Hij zal zeggen dat hem weinig keuze rest… want wanneer handelsbarrières wegvallen, wanneer er steeds minder beperkingen zijn op het vrij verkeer van goederen, diensten, geld, minilening en kennis, wanneer de tijd van de min of meer afgeschermde thuismarkt op haar laatste benen loopt, wanneer de economische bedrijvigheid zich steeds meer op wereldmarkten afspeelt en bedrijven concurrentie zien opdoemen uit vele hoeken van de wereld, dan is overleven niet makkelijk. Dan kijken managers vooral naar de kosten, dan veranderen de werknemers van menselijk kapitaal in kostenposten waarin stevig gesnoeid moet worden, dan kijken zij uit naar goedkopere plekken waar mensen voor veel minder geld en met veel minder rechten aan het werk kunnen worden gezet.

Nogal wat economen en politici zullen van op de zijlijn van het mondiale economische speelveld argumenteren dat het goed is wanneer de economische en handelsgrenzen verdwijnen, de markten zich overal openen en ondernemingen zonder veel beperkingen aan de slag kunnen en mekaar kunnen beconcurreren. Want zo zal de productie van welvaart over de hele wereld op de meest efficiënte wijze gebeuren. Dat moet tot verhoogde welvaart leiden wat in principe meest voordelig voor de bewoners van die wereld is. Daar zit een groot stuk waarheid in, de vrijheid om te ondernemen op lokale, regionale en mondiale markten leidt dikwijls tot grotere productiviteit, tot nieuwe en tot betere producten. Zelfs is het waar dat delokalisatie niet negatief hoeft te zijn, op voorwaarde dat er nieuwe werkgelegenheid komt en opvang voor wie toch uit de boot valt en dat waar het werk naartoe gaat de mensen het beter krijgen, dat ze meer gaan verdienen en betere arbeidsvoorwaarden verkrijgen. Dan is het wijs om die vrijheid te koesteren.

Maar het is wijzer om tevens in te zien dat onbegrensde vrijheid het economische speelveld in een strijdperk verandert waar veel onschuldige slachtoffers vallen. Het grootste deel van de mensen is werklustig en zit vol initiatief maar heeft weinig of geen greep meer op zijn economische situatie. Werk, inkomen en dus het leven zelf zijn wankel. De steeds sneller draaiende wereldeconomie waarbij o.a. bedrijven voortdurend jagen op plekken waar het nog goedkoper produceren is, kan mensen van dag op dag in de buitenbaan doen belanden van onderbetaald werk, werkloosheid, ineenklappend inkomen en afwezige sociale bescherming, van uitsluiting, uitbuiting, ongelijkheid en armoede.

Nog wijzer is het om te beseffen dat in een menswaardige samenleving de focus niet enkel op het voortbrengen van welvaart moet liggen maar evenzeer op de verdeling ervan. Vergeet die fabel dat je eerst moet produceren en de verdeling van de welvaart dan wel zal volgen, het is niet het één na het ander, maar tegelijkertijd en van gelijk belang. Want het is een leugen dat de gecreëerde rijkdom wel vanzelf van de rijken naar de armen zal doorsijpelen, dat weten we intussen. En wanneer de lonen toch een keer stijgen, merken we regelmatig hoe bedrijven nog maar eens opstappen en hun activiteiten doorschuiven naar nieuwe lagekostgebieden.

Meest wijs is dan om de vraag te stellen naar het maatschappelijk nut van onze economische activiteiten. Onze economie is cruciaal omdat zij de middelen kan leveren om mensen en samenlevingen goed te laten leven. Hoe belangrijk ook, boven die economie als middel verdienen de rechten van alle mensen voorrang te krijgen, zeker ook hun sociale en economische rechten om werk en goede arbeidsvoorwaarden te hebben, voldoende te verdienen en te genieten van maatschappelijke zekerheid.

Wie op het standpunt staat dat economie een middel moet zijn in dienst van mens en samenleving, die kan onmogelijk vrede nemen met een economisch speelveld dat ontaardt in een slagveld waar regels, rechten en dus elke menselijkheid ontbreekt. Die huidige economie is een middel dat we ons laten ontsnappen, die economie is nog veel minder een democratie, zoveel is duidelijk. Hebben we dan maar werkloos te ondergaan hoe het werk verhuist? moeten we aanvaarden dat sociale zekerheid wereldwijd slechts voor een slinkende minderheid werknemers is weggelegd? moeten we maar slikken dat de welvaart steeds ongelijker verdeeld geraakt? moeten we berustend toekijken wanneer de keuze om alle economische remmen los te gooien ons mondiaal in een neerwaartse sociale spiraal doet terechtkomen, bijna als de radioactieve neerslag die onlosmakelijk samengaat met een kernontploffing.

Neen toch? de mens en de mensensamenleving zijn toch vrij om hun lot in handen te nemen? om hun welvaartsmachine te oliën en goed af te stemmen? Meer zelfs, is een humane samenleving eigenlijk niet verplicht om haar economie te sturen in het algemeen belang, moet zij uiteindelijk ook niet haar economie democratiseren, d.i. in handen geven van al wie er belang bij heeft en er moet van leven? Misschien de allereerste opdracht nu is om de delokalisaties die leiden tot mondiale sociale achteruitgang i.p.v. vooruitgang aan te pakken. Enkele remedies tegen die nefaste en dreigende dynamiek zijn bekend. Er is dringend nood aan sociale minimumregels die overal gelden. Verantwoordelijke politici kunnen zich niet langer verstoppen. Als zij in staat zijn om wereldwijd rechten te geven aan geld, goederen en diensten, waar blijven dan de afdwingbare sociale en economische rechten voor alle mensen? hun rechten op een levensvatbaar inkomen, menswaardige werkomstandigheden en duurzaam werk? Hoe krachtig verdedigen zij ook het recht op vrije vakbonden? Want de werkelijkheid leert hoe hard werknemersorganisaties nodig zijn om die rechten dag aan dag op te eisen, om de rechtvaardige verdeling van de geproduceerde welvaart te forceren en om ook systemen van sociale zekerheid af te dwingen? Wie dan ziet hoe werknemersorganisaties op de terugweg zijn in de Verenigde Staten en weinig voet aan de grond krijgen in China, twee bolwerken van de wereldeconomie, wie het misprijzen voor sociale en economische rechten kent bij internationale organisaties als het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie, begrijpt dat er dringend werk aan de winkel is voor al wie in de samenleving en in de politiek weigert de mens als speelbal aan de economie uit te leveren.

Er wordt de laatste tijd opnieuw veel over fascisme gesproken. De grootste Vlaamse partij, het Vlaams Belang, wordt van fascisme beschuldigd, zelfs vanuit regeringskringen, met name door de minister van binnenlandse zaken. De schrijver Geert van Istendael associeerde opnieuw elk flamingantisme met fascisme, iets wat politici en journalisten in Wallonië eigenlijk al zestig jaar doen. Dat is geen onschuldig spelletje politiek pesten meer, dat is er óver. Tijd dus voor een stevige commentaar, die uiteindelijk niet over het Belang maar over de Vrede zal blijken te gaan.

 

Het woord fascisme wordt te pas en te onpas gebruikt. Soms wordt het gedefinieerd als het bundelen van alle macht rond een leider . Het is natuurlijk allemaal een kwestie van definitie, maar voor dit soort machtsconcentratie gebruik ik liever het woord autoritarisme . Het Vlaams Belang wordt inderdaad gekenmerkt door een autoritaire partijstructuur. De voorzitter van de partij bepaalt eigenmachtig wie hij in het bestuur opneemt en wie niet; hij vindt dat hij dat zelfs niet moet motiveren. Maar autoritair, ook wel despotisch genoemd, is nog niet fascistisch. De katholieke kerk kent dat in wezen ook, met de paus als onfeilbare leider, die het kiescollege voor zijn opvolger samenstelt. Ook andere vormen van cultus rond een bijna mythische leider zijn nog geen fascisme. Ik denk aan Castro, voor wie ik ook niet meteen over fascisme of links-fascisme wil spreken.

Een autoritair systeem kan verlicht genoemd worden als het zich ten dienste wil stellen van de mensen, zoals onze keizer-koster Jozef-II. Het regime kan tolerant genoemd worden als het zich niet wil moeien met alle menselijke gedragingen en eigenlijk alleen maar de openbare ruimte wil beheersen, zoals in Saoedi-Arabië. Als alle staatsmacht in één persoon verenigd is, wordt hij soms absoluut genoemd.

Wanneer een overheid werkelijk alle denken en alle gedragingen gaat beheersen wordt zij totalitair . De voormalige Duitse Democratische Republiek was een systeem dat bevolking zonder veel machtsvertoon kon beheersen, onder andere door de geheime politie. Het was wellicht het prototype van een totalitair regime dat niet absoluut was. Leiders als Ulbricht en Honecker meenden wellicht oprecht dat ze een nieuwe staat met een nieuwe mens uitbouwden. Sommige West-Europese landen gaan nu in die richting; het steeds meer pagina’s tellende Belgische Staatsblad is een signaal voor de groeiende bemoeizucht. Maar ook dit totalitarisme is niet fascistisch. De leiders van de DDR waren specifieke machtstypes, die ik ooit Honecker-types genoemd heb. Voor fascisme is er blijkbaar meer nodig.

De volgende trede in de slechtheid van een politiek systeem is die van de terreur en de fysieke uitschakeling. Autoritaire of totalitaire systemen kunnen de oppositie broodroven, gevangen houden, verbannen en eventueel een aantal van hen ter dood brengen. Dat is wat in het China van vandaag gebeurt. Een democratie kan dat uiteraard allemaal niet zonder haar democratisch karakter te verliezen. Maar ook de doodstraf voor politieke opponenten is nog geen fascisme, ik zou het eerder staatsterreur noemen. Het Amerikaanse gevangenisregime op Guantanamo gaat ook in de richting van staatsterreur, uitgelegd als anti-terreur. Maar het is geen fascisme.

Men kan nog één stap verder gaan. En dat is het (nodeloos) uitschakelen van een speciaal met dat doel geviseerde groep . Om de macht te bestendigen – zelfs te vereeuwigen – wil men deze groep dan zonder consideratie en met alle mogelijke middelen vernietigen. Dat noem ik fascisme . Dit regime heeft behoefte aan een permanente oorlogstoestand, minstens een voortdurende spanning. In die gespannen omgeving is namelijk een normale discussie, en dus ook een normale oppositie, niet meer mogelijk. En dat is precies de bedoeling, zodat de voorgenomen zuiveringen kunnen uitgelegd worden in het belang van de eenheid .

Als ik deze definitie wil uitwerken met voorbeelden, moet ik verschillende soorten fascisme onderscheiden (een poging tot systematiek).

1. het plebejisch fascisme

Het doel van het plebejisch fascisme is bestendiging van macht door de adel of de rijkere klasse of hun vooraanstaande vertegenwoordigers niet alleen te onteigenen maar doelbewust blijvend en fysiek te liquideren. Dat is wat de geschiedenis vertoond heeft bij het ontstaan van het Romeinse keizerrijk, bij een aantal communistische machtsovernames en in mindere mate bij de Franse revolutie.

Caesar en zijn opvolger Octavianus (Augustus) hebben doelbewust de republiek vernietigd en veel senatoren en patriciërs laten vermoorden, daaronder Cicero, om hun imperiale ambitie waar te maken. In Engeland hebben wij de kortstondige maar moordende “volksdictatuur” van Cromwell gehad. In Frankrijk lieten Robespierre en zijn jacobijnse partij de afgezette Franse koning Lodewijk XVI en veel afgevaardigden van de nationale conventie bewust elimineren. De daaropvolgende dictatuur van Napoleon valt mijns inziens niet onder de definitie van fascisme. Napoleon lanceerde wel een reeks Europese oorlogen maar in eigen land deed hij de uitroeiing van tegenstanders stopzetten. Lenin in Rusland en Mao Zedong in China lieten dan weer de oude elites en de rijke boeren, de koelakken bijvoorbeeld, fysiek elimineren.

In alle gevallen werden de geliquideerde tegenstanders een gevaar voor de eenheid of voor de revolutie genoemd. Volgens sommige bronnen zouden Castro en Mao Zedong ten tijde van de rakettencrisis in 1962 bij Chroesjtjov aangedrongen hebben op een wereldrevolutie door Amerika nucleair te vernietigen, zelfs als ook hun eigen landen er zwaar onder zouden lijden. Als dat waar is, waren zij zeer gevaarlijke fascisten.

De leuze alle macht aan het volk kán de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar is dat uiteraard niet noodzakelijk.

Ik verwerp alleszins de idee van de gewapende klassenstrijd. Een volgehouden vreedzame herverdeling door middel van tegensprekelijke belastingen moet kunnen volstaan.

2. het nationaal of etnisch fascisme

Het doel van het nationaal of etnisch fascisme is bestendiging van macht door een bepaalde bevolkingsgroep te liquideren. Dit is meestal terug te vinden bij genocides zoals in Turkije (tegen de Armeniërs), in Duitsland (tegen de Joden en de Roma), in Ruanda (tegen de Tutsi’s), in Servië (tegen de Albanezen), in Kosovo (tegen de Serviërs). Ook kinderen worden geviseerd want zij zijn de toekomstige vijand en dus een latere bedreiging van de macht. De eenheid wordt vertaald als “één volk, één staat, één leider”.

De leuze eigen volk eerst kán de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar is dat uiteraard niet noodzakelijk.

Ik verwerp alleszins de idee van gewapende botsende beschavingen (Huntington, 1993). Als het geleidelijk verdringen van een bevolkingsgroep geen algemeen doelbewuste gewelddadige actie is, zoals tegen de Indianen in Amerika, tegen de Grieken in Turkije en de Turken in Griekenland, tegen de Tibetanen in Tibet of tegen de Vlamingen in Brussel, dan is er geen fascisme, wel etnische zuivering en racisme. Of de gewelddadige verdrijving van Duitsers uit het Sudetenland en uit het huidige Polen in 1945 onder mijn definitie van fascisme valt, is te bediscussiëren. Dat het een etnische zuivering was, is duidelijk. Het eventueel ontbrekende element voor fascisme is de machtsbestendiging. Het is denkbaar dat Stalin voorzag dat hij geen communistische regimes in Polen en Tsjechoslovakije kon vestigen als er grote Duitse minderheden bleven wonen. Dan is wel aan mijn definitie van fascisme voldaan.

3. het religieus fascisme

Het doel van het religieus fascisme is bestendiging van macht door de ongelovigen die zich niet bekeren uit te roeien. Sommige islamitische strekkingen hebben die houding tegenover hun eigen land en tegenover Israël. Het is zonder twijfel toelaatbaar om zonder geweld een bepaalde politieke structuur, zoals het Perzische keizerrijk of de staat Israël (of België ?), te willen “vernietigen”. Maar dit wordt natuurlijk totaal anders als men in feite ook nog maar durft te denken aan de verdrijving van de ongelovigen. De eenheid en de zuiverheid wordt in dit geval opgelegd door de éne almachtige god.

De leuze god met ons kán de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar is dat uiteraard niet noodzakelijk.

Ik verwerp alleszins de idee van de gewapende jihad. Toch mag religieus fanatisme niet gelijkgesteld worden met religieus fascisme. Een strenge houding voor zichzelf, eventueel gepaard aan een vriendelijke bekeringsijver, zoals bij de getuigen van Jehova, is in principe ongevaarlijk. Na 11 november 2001 is het wel aan een aantal streng islamitische strekkingen om duidelijk te maken dat zij niet fascistisch zijn.

4. het ecofascisme

Het doel van het ecofascisme is bestendiging van macht door bewust de bevolking te verminderen door oorlog of hongersnood omdat er meer “slechte” mensen zijn dan de aarde kan dragen”. Eénheid van de “goede” mensen en ook wel soberheid is nodig als een overlevingsstrategie in een aangekondigd rampenscenario.

De leuzen anders gaan leven of stilte, soberheid, samenhorigheid kúnnen de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar zijn dat uiteraard niet noodzakelijk. Vanuit een bepaalde hoek, vooral in Duitsland, wordt tegenwoordig al te gemakkelijk met de term “ecofa” geslingerd in de richting van groene stromingen die zich ietwat conservatief opstellen.

Ik verwerp alleszins de idee van de gewapende strijd om de natuurlijke rijkdommen. Volgens sommigen had de genocide in een overbevolkt Ruanda zoiets ecofascistisch. De haatradio Mille Collines riep op om “het ongedierte dat het land overwoekert te vernietigen”. Ook de Duitse nazi’s hadden blijkbaar ecofascistische gedachten als ze voor zichzelf “lebensraum” wilden tot aan de Zwarte Zee. Soms wordt ook de Amerikaanse interventie in Irak op die manier uitgelegd, met name als een strijd om de olievoorraden, maar enige wil om de bevolking er te decimeren lijkt mij nochtans niet aanwezig.

5. het “zuivere” fascisme

Het doel van dit zuivere fascisme kan gezien worden in de bestendiging van macht door louter de interne oppositie te vernietigen. Dit is wat in Italië onder de fasces van Mussolini gebeurd is. Het Italiaanse fascisme was niet echt plebejisch, niet bijzonder racistisch, niet speciaal religieus, het was als het ware een fascisme zonder reden, pur sang, met onbetwiste “eeuwige” macht als enige doel. Je zou het ook wel aristocratisch fascisme kunnen noemen, de wil om beter te zijn en tegelijk de slechten te vernietigen. Misschien kan dit verklaren waarom het woord fascisme, oorspronkelijk de partijnaam van Mussolini, een meer veralgemeende betekenis gekregen heeft. De reden van dit fascisme ligt louter in de eenheid en de grootheid van de Staat. Iets soortgelijks hebben wij in het Spanje van Franco en in het Chili van Pinochet gezien. Ook Saddam Hoessein valt in deze categorie te plaatsen met de inval in Koeweit en de uitroeiing van Koerden en Sjiïeten.

Het organiseren van een mars op Rome of het uitroepen van een redder des vaderlands kúnnen de voorbode zijn van deze vorm van fascisme, maar is dat uiteraard niet noodzakelijk.

Ik verwerp alleszins de idee van de heldhaftige machtsgreep.

Niet elke dictatuur voldoet aan deze definitie van zuiver fascisme. Bij enkele Afrikaanse despoten, zoals Idi Amin in Oeganda en Bocassa in de Centraal-Afrikaanse Republiek, kan men de vraag stellen of zij hun tegenstanders bewust wilden uitroeien, dan wel of ze zonder meer zeer wreedaardig waren. Het apartheidsregime in Zuid-Afrika of de dictaturen van Mobutu in Congo of van Kadhafi in Libië zou ik niet fascistisch noemen, ondanks het uitgesproken racisme in het eerste voorbeeld en de uitgesproken personencultus in de laatste voorbeelden. Deze dictaturen beschouwden hun rijk niet als “eeuwig” en zij probeerden de tegenstellingen alleen maar te controleren, niet te vernietigen.

Een algemene beschouwing over de evolutie van het begrip fascisme

Het woord fascisme is blijkbaar geëvolueerd van een positief begrip bij de oprichting in 1921 van de Partito Nazionale Fascista naar de ergste vorm van tirannie, twintig jaar later. Daardoor ontstaat veel dubbelzinnigheid. Soms is het niet duidelijk of iemand het woord wil gebruiken in een nuchtere politieke analyse of er een stigmatiserende ondertoon weerklinkt. Die dubbelzinnigheid kan bewust uitgespeeld worden. Omdat het woord intussen onmiskenbaar een stigmatiserende betekenis gekregen heeft, is het eigenlijk niet meer zonder verduidelijking bruikbaar in de oorspronkelijke betekenis, namelijk als een radicale opvatting van patriottisme en corporatisme (Mussolini), als een collectivistisch nationalisme (Spann), als een bijproduct van het kapitalisme (Gramsci, Fromm), als een noodregering door de kleine burgerij (Trotsky, Mandel), als een pathologische massapsychologie (Reich), of als enige vorm van autoritair conservatisme (Winkler Prins).

Als men bijvoorbeeld op internet het gebruik van het woord nagaat, zal men vaststellen dat het begrip fascisme voortdurend oneigenlijk gebruikt wordt. Algemeen gekend is gelijkstelling met nationalisme; van het inderdaad fascistische nationaal-socialisme wordt als het ware het nationalisme overbelicht en het socialisme onderbelicht. Vanuit een andere hoek wordt elke vorm van ecologisch conservatisme gelijkgesteld met ecofascisme. Nog anderen verbinden bijna elke vorm van islam met religieus fascisme. Deze stigmatiseringen zijn onzindelijk te noemen. Dit felle anti-fascisme heeft tot doel het debat te verhinderen, ook met respectabele tegenpartijen. De enig redelijke houding is in het hedendaagse politieke taalgebruik het woord fascisme te reserveren voor de allerergste vormen van politieke zuivering. In de praktijk is het dat wat tegenwoordig ook meestal expliciet of impliciet bedoeld wordt. Persoonlijk maak ik daarbij geen onderscheid tussen “links” of “rechts”, begrippen die mijns inziens sowieso een erg relatieve betekenis hebben. In de definitie zoals wij ze uitgewerkt hebben, fascisme als excessieve zuivering, zal niemand er bezwaar tegen maken dat het woord in die omstandigheden stigmatiserend mág werken.

De leuze nooit meer fascisme krijgt dan ook een algemeen aanvaardbare betekenis.

De eerlijkheid gebiedt nu ook te zoeken naar regimes die volgens oude definities fascistisch waren maar die feitelijk nooit de systematische wreedheden begingen, zoals bedoeld in de nieuwe definitie. Er zijn er niet veel te vinden maar het regime van Salazar in Portugal (1926-1974), dat duidelijk een fascistisch corporatisme van de oude soort was, moet nu toch eerder met de DDR vergeleken worden. Ondanks een alomtegenwoordige geheime politie, is het nooit overgegaan tot fysieke liquidatie van een interne oppositie. Het heeft ook niet de massahysterie gekend die daarmee gewoonlijk gepaard ging. Het valt nu buiten mijn definitie van fascisme en wordt gewoon een corporatistische dictatuur.

Nog enkele bijkomende stellingen

1. over “fascisme” in verenigingen

Onze definitie laat ook toe het “fascisme” te beschrijven in andere dan staatsaangelegenheden. Ik zet het hier wel tussen aanhalingstekens. Ook verenigingen of organisaties kunnen respectievelijk “autoritair leiderschap”, “totalitaire controle” of “fascistische machtsgrepen” kennen. Religieuze sekten voldoen vaak aan de definitie van totalitarisme omdat zij het hele leven van hun leden willen beheersen. Politieke partijen zijn niet meteen “democratisch” omdat zij interne verkiezingen kennen, waar alleen maar een voorstel van het bestuur kan goed- of afgekeurd worden, zoals bij een poll over een modellijst. Bij de laatste voorzittersverkiezingen bij de Vlaamse liberalen, die weliswaar “open” waren, haalde de voorzitter (Somers) een uiterst nipte meerderheid. Eén van zijn eerste bestuursdaden was het uitsluiten van een tegenkandidaat (Coveliers) uit de partij. In plaats van te proberen met een ruime interne oppositie te leven, trachtte hij deze te vernietigen of te verzwakken door het buitenspel zetten van een woordvoerder ervan. De interne spanning wordt opgevoerd in het vooruitzicht van de voorgenomen zuivering. De eenheid die men hier inroept, is vanzelfsprekend de eenstemmigheid in de verkiezingsstrijd. Wat hier gebeurd is valt mutatis mutandis onder de aangenomen definitie van “fascisme”. In dit soort omstandigheden gebeurt de liquidatie uiteraard niet fysiek. Het steeds agressievere cordon tegen het Vlaams Blok begint ook kenmerken te krijgen van een “fascistische” zuiveringsoperatie.

2. over fascisme en anti-fascisme

Gevleugelde woorden van de Vlaamse hoogleraar Matthias Storme begin dit jaar (2005) luidden: als het fascisme ooit terugkeert, zal het dat doen onder de naam anti-fascisme .

Bij de eerste verkiezingen in 1946 in de Russische bezettingszone van Duitsland werden alle partijen gedwongen zich te verenigen in een anti-fascistisch blok. Anderen mochten niet deelnemen. Zo ontstond uit het anti-fascisme meteen een autoritaire en totalitaire staat, die weliswaar niet zover gegaan is zelf fascistisch te worden door fysieke zuiveringen uit te voeren.

Fascistische verkrampingen kunnen ontstaan als twee strijdende partijen elkaar met alle middelen gaan bekampen. In de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) is dat niet gebeurd, in de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) dan weer wel. De beide burgeroorlogen waren een betreurenswaardige escalatie van geweld maar toch is er een groot verschil. In Amerika hebben de “noordelijken” en de “zuidelijken” zich weten te beheersen. In veroverde of gecontroleerde zones werden de aanhangers van het andere kamp wel gecontroleerd maar niet geliquideerd. De verliezer wist dus dat er voor hem nog wel een plaatsje zou zijn na de oorlog. In Spanje hebben zowel de nationalisten (Franco) als de republikeinen (het linkse Volksfront) elk bijna 100.000 executies en moorden gepleegd buiten de eigenlijke militaire strijd. Beide kampen wilden hun macht bestendigen door de elite van de tegenstander uit te schakelen. Het ging onder meer om zuivering van vakbondsleiders en religieuzen. Daar ligt nu precies onze definitie van fascisme en dus kunnen de beide kampen zo genoemd worden. Het lijkt er bovendien op dat zij elkaar versterkt hebben. Het fascisme van de ene partij was een excuus voor dat van de andere partij; in beide kampen konden de extremen zich doorzetten. Wellicht wensten de leiders of de meerderheid in beide kampen geen oorlog, en als dat toch gebeurde, dan alleen maar een “beschaafd” gevecht. De werkelijkheid is anders gelopen. In Spanje duurden de executies van republikeinse sympathisanten voort tot in de jaren zestig.

Uit zulke ervaringen ontstaan overtuigingen van pacifisme en geweldloos verzet . Toch moeten wij wellicht vaststellen dat de bereidheid om het geweld te beperken wel van twee kanten moet komen. Het geweldloos verzet van Mahatma Gandhi was succesvol tegen een beschaafde Britse overheerser, maar zou wellicht minder kans gemaakt hebben tegen dictators als Hitler of Stalin.

Misschien zal de geschiedenis ooit vaststellen dat het anti-fascisme en het fascisme een Europese burgeroorlog gevoerd hebben, die in 1917 begon bij de beschieting van het Winterpaleis in Sint-Petersburg (terwijl er nog een klassieke oorlog tussen de mogendheden woedde) en die in 1989 eindigde bij de val de Muur in Berlijn. In de heetste fase van deze Europese burgeroorlog, tussen 1933 en 1945, hebben zij elkaar tot monsterachtige gruweldaden opgejut.

Na 1945 is de atoomknop in beschaafde handen terechtgekomen. Zowel Chroestsjov als Kennedy hebben zich weten te beheersen. We moeten er niet aan denken wat er zou gebeurd zijn als lieden als Hitler of Mao of Bin Laden bij die knop gekund hadden.

3. over de pax Romana, de pax Brittannica en de pax Americana

Op 25 oktober 1981 liep ik met bijna een kwart miljoen anderen door Brussel in een manifestatie tegen de kernbewapening. Op 21 november 1981 deden wij dat in Amsterdam nog eens over met bijna dubbel zoveel volk. De in West-Europa geplande raketten werden niettemin geplaatst maar misschien hebben wij toen toch de generatie van Gorbatsjov in het Kremlin overtuigd dat wij vrede wilden en geen Europese (burger)oorlog en dat er voor hen nog wel een plaatsje zou zijn na de opgave in de koude oorlog. (NB. Margaret Thatcher en Johannes-Paulus II hadden daarbij ook hun verdienste.)

Vergeleken bij die koude nucleaire oorlogsspanning tussen twee grootmachten, lijkt de wereld ons nu een stuk veiliger, zelfs met een oorlog in Irak. Over het algemeen wordt de wereld veiliger wanneer één enkele grootmacht de overhand haalt. De pax Romana ontstond in 146 vC. na de overwinning in een lange strijd met Carthago. De pax Brittanica ontstond in 1815 in Waterloo na de overwinning op Frankrijk. En de pax Americana ontstond in 1989 toen de Sovjet-Unie het opgaf. De overwinnaar en zijn geallieerden konden nadien relatief gemakkelijk de rust handhaven door hier en daar orde op zaken te stellen. De Romeinen moesten dat bijvoorbeeld doen in Egypte (40 vC.) en Judea (66), de Britten in India (1818), Griekenland (1854) en China (1860), de Amerikanen in Panama (1989), Irak (1991), Kosovo (1999), Afghanistan (2001) en nogmaals Irak (2003). Deze interventies worden ook oorlogen genoemd, maar verleken bij een vernietigende strijd om de wereldmacht vallen zij in het niets. De actuele herrie om Irak moet dan ook als erg tijdsgebonden beschouwd worden.

4. over de Kantiaanse vrede, linksisme en rechtsisme

Immanuel Kant is bij mijn weten de eerste filosoof geweest die een wereldvrede door een wereldfederatie in het vooruitzicht stelde (Zum ewigen Frieden, 1795). Op dat vlak werd hij nadien hevig bekampt door de hegelianen. Hegel zelf, en ook Marx en Lenin schenen te menen dat alles wat belangrijk is de vorm van dialectische tegenstelling aanneemt, dus vooral strijd en oorlog, voor Hegel tussen de naties, voor Marx tussen de klassen. Hegel pleitte tegen elke vorm van een volkenbond omdat zoiets de soevereiniteit van de naties aantastte. Wij hebben gezien welke ellende de hegeliaanse thesis en antithesis (fascisme en anti-fascisme, communisme en anti-communisme, linksisme en rechtsisme) over de twintigste eeuw gestort hebben. Voor een goed overzicht van die ellende, lees Hobsbawn (Een eeuw van uitersten, 1994). Intussen pleit ook Fukuyama (Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, 1992) vanuit een ietwat verrassende hegeliaanse invalshoek, voor het beëindigen van de tegenstellingen.

Sinds de grote tegenstelling van de koude oorlog in 1989 inderdaad geëindigd is, is de Kantiaanse wereldvrede nog nooit zo dichtbij geweest. Het is ook zo dat door de atoombewapening de vrede nog nooit zo nodig geweest. Het geweld kan echt te vernietigend worden. Wat er praktisch te gebeuren staat is dat de militaire macht van de Verenigde Staten geleidelijk aan wordt overgedragen aan de Verenigde Naties. Een andere weg om hetzelfde te bereiken is dat de andere atoommachten (Rusland, Pakistan, China, India, Israël) in de NAVO worden opgenomen, zodat er uiteindelijk niemand meer buiten en tegen de alliantie staat.

Er moet alles aan gedaan worden om te verhinderen dat nieuwe tegenstellingen zouden ontstaan, nieuwe gewelddadige thesissen en anti-thesissen, die opnieuw opgevoerd worden tot wereldwijde proporties. Een inventaris van de verschillende soorten fascisme kan daarbij leerrijk zijn. Wij hebben daarom geen nieuw militair tegengewicht tegenover de Verenigde Staten nodig, noch van de kant van Europa, noch van de kant van de islam, noch van de kant van China. De Verenigde Staten hebben in de twintigste eeuw aangetoond dat zij de situatie meester kunnen zijn zonder de vijand te vernietigen, dat wil zeggen zonder fascistisch te worden. Vele anderen hebben die terughoudendheid niet getoond.

5. over Europa

Eén van de doelstellingen van de nieuwe Europese grondwet is dat Europa militair met één stem zou spreken. Europa heeft zogezegd een slecht figuur geslagen door hopeloos verdeeld te zijn over de oorlog in Irak. En dat mag volgens sommigen nooit meer gebeuren. Het militaire hoofdstuk is in feite het enige nieuwe aan de grondwet. Alle andere bepalingen zijn herschreven en gecoördineerde bepalingen uit de vroegere verdragen van Rome, Maastricht en Nice. Hier is een waarschuwing op zijn plaats. Degenen in Europa die menen dat Europa een nieuw militair tegengewicht voor Amerika moet ontwikkelen (couterbalancing of power) vergissen zich schromelijk. Op den duur dreigen er weer drie of vier grootmachten verwikkeld te zijn in een onhoudbare evenwichtsoefening.

De rol die Europa moet spelen onder de pax Americana is de rol die Griekenland speelde onder de pax Romana. Griekenland behield zijn cultuur, zijn taal, zijn kunsten en wetenschap en overvleugelde daarmee zelfs Rome, dat te druk bezig was met de ordehandhaving en de graanvoorziening. In politieke en militaire zaken hielden de Grieken contact met alle strijdende partijen. Wat is er verkeerd wanneer sommige Europese leiders wat meer begrip hebben voor het Amerikaanse standpunt en andere wat meer voor het Arabische? Het tegendeel is eerder waar. Als de spanningen in een familie oplopen is het beter dat de verzoeners niet allemaal aan dezelfde kant staan. Dan kan iedereen met iedereen in gesprek blijven. Europa moet de rest van de wereld, en met name China, ervan overtuigen niet te gaan herbewapenen door dat zelf ook niet te doen. Europa kan de rest van de wereld ervan overtuigen dat de pax Americana een veilige vrede is, die kan uitgroeien tot een pax Kantiana .

In het ecologische discours van de laatste twee decennia verdringt het sleutelbegrip ‘duurzame ontwikkeling’ de voorheen dominante gedachte van ‘grenzen aan de groei’. ‘Duurzame ontwikkeling’ laat zich gemakkelijk perverteren tot ‘ontwikkeling-als-groei’, een race zonder eindstreep. In dit ‘strijddiscours’ neemt men stilzwijgend aan dat de voordelen zowel geografisch als demografisch beperkt zullen blijven. Andere visies zijn daarom nodig. Deze moeten een mondiaal milieubewustzijn weten te koppelen aan een sociaal rechtvaardigheidsstreven.

 

Taal is macht. Wie erin slaagt zijn terminologie, zijn analysekader op te dringen aan een gemeenschap, bepaalt niet alleen voor een groot deel hoe men naar een complexe werkelijkheid kijkt, maar beïnvloedt ook de mogelijkheden die zowel beleidsmakers als (individuele) burgers kunnen zien om deze werkelijkheid te veranderen. Met betrekking tot het sociaal-ecologisch vraagstuk is dat niet anders. Tijdens de laatste twee decennia heeft zich een ware verschuiving in paradigma’s voltrokken: van het discours rond ‘de grenzen aan de groei’ uit de jaren zeventig naar het hedendaagse, uiterst dubbelzinnige begrip ‘duurzame ontwikkeling’. Het is onze overtuiging dat dit concept, in zijn gangbare betekenis, een rookgordijn optrekt rond de diepere oorzaken van het mondiale sociaal-ecologische vraagstuk. Om een aanzet te geven tot het vinden van rechtvaardige en ecologisch duurzame oplossingen, willen we proberen bij te dragen tot een alternatieve benadering, niet het minst op het vlak van de taal. Dit impliceert de noodzaak van een ‘tegenvertoog’[1]. De kiemen voor dit alternatieve verhaal – dat ecologie en rechtvaardigheid in één visie wil verenigen – zoeken wij in (door anderen ontworpen) concepten als ‘ecologische duurzaamheid’, ‘ecologische schuld’ en ‘milieu(on)rechtvaardigheid’.

Van grenzen aan de groei…

In opdracht van de Club van Rome verscheen in 1972 het spraakmakende rapport Limits to Growth. Vier jonge onderzoekers maakten aan de hand van een computermodel een aantal projecties voor de toekomst. Zij concludeerden dat – als de trends in de groei van de wereldbevolking, industrialisering, vervuiling, voedselproductie en uitputting van de natuurlijke hulpbronnen zich zouden doorzetten – de grenzen aan de groei nog vóór het jaar 2100 zouden worden bereikt, met de instorting van het wereldsysteem tot gevolg. In tegenstelling tot de karikatuur die men er vandaag vaak van maakt, was het rapport niet defaitistisch. Het deed immers geen ‘voorspellingen’, maar stelde wel ‘projecties’ op van mogelijke resultaten, uitgaande van geselecteerde scenario’s.

De conclusies van dit uitermate invloedrijke document zorgden voor een ware revolutie in het denken over het milieu. Wellicht voor de eerste keer in de geschiedenis werd het blinde vooruitgangsgeloof ook vanuit een wetenschappelijke invalshoek radicaal ter discussie gesteld. Daarnaast wees het rapport in niet mis te verstane bewoordingen op de biofysische eindigheid van de planeet Aarde.

Hoewel het rapport van de Club van Rome de nadruk legde op de dreigende uitputting van de niet-hernieuwbare grondstoffen, weet men inmiddels dat enerzijds de overbelasting van de opnamecapaciteit voor afval van ’s werelds ecosystemen en anderzijds het beperkte regeneratievermogen van hernieuwbare bronnen als bossen en visstanden wellicht nóg acutere problemen vormen. De wetenschappelijke literatuur leert dat de totale inwerking van de wereldbevolking op het milieu het ecologisch draagvermogen van de planeet Aarde thans overschrijdt. Men heeft dit ecologisch deficit ruw – maar conservatief – geschat op ongeveer 20%[2]. Daarbij komt dat de rijkste 20% van de wereldburgers beslag leggen op 80% van het mondiale milieu. De grenzen aan de biofysische groei zijn inmiddels bereikt. Het ecosysteem Aarde verkeert thans in een no-analogue state[3], een begrip waarmee wordt aangegeven dat zowel de snelheid, de grootte als de ruimtelijke schaal van door mensen aangebrachte wijzigingen zonder weerga zijn in de geschiedenis van deze planeet – zodat er dus geen ‘analoge’ toestand meer is waarmee men het huidige tijdvak (het ‘Antropoceen’[4]) kan vergelijken. Onvoorspelbaarheid zal tijdens de komende decennia troef zijn.

… naar de genesis van duurzame ontwikkeling

Anderzijds kan worden vastgesteld dat de laatste decennia het besef van eindigheid (hier: de onhoudbaarheid van eindeloze groei) in politiek-economische kringen plaats heeft moeten maken voor de nieuwe ideologie van ‘duurzame ontwikkeling’. Hoe heeft deze idee zo snel aan invloed kunnen winnen? Begin jaren tachtig riepen de Verenigde Naties een nieuwe commissie in het leven die zich moest buigen over de milieu- en ontwikkelingsproblematiek. Onder voorzitterschap van de Noorse politicus Gro Harlem Brundtland produceerde deze World Commission on Environment and Development in 1987 haar eindrapport Our Common Future. Voor de definitie van duurzame ontwikkeling grijpt men ook tegenwoordig nog terug op dit document: ‘een ontwikkeling die tegemoetkomt aan de behoeften van de huidige generaties zonder de mogelijkheden van de toekomstige generaties om hetzelfde te doen, in gevaar te brengen’. De ondertussen bijna legendarische wereldtop in Rio de Janeiro, waar in 1992 de United Nations Conference on Environment and Development (UNCED) plaatsvond, kan men beschouwen als de tweede mijlpaal in de vestiging van het begrip duurzame ontwikkeling. Op deze conferentie poogde men een oplossing te vinden voor twee uiterst complexe crisissen: het milieuvraagstuk en de roep om mondiale rechtvaardigheid. Helaas durfde de conferentie in Rio het niet aan de netelige kwestie van het verband tussen beide vraagstukken onder ogen te zien, waarbij immers zowel de aanhoudende economische race in het noordelijk halfrond als de imitatie hiervan in het Zuiden ter discussie zouden moeten worden gesteld[5].

Terwijl de term ‘duurzaamheid’ (sustainability) vroeger werd gebruikt in verband met hernieuwbare ‘grondstoffen’ als bossen of visstanden, werd het begrip ‘duurzaam’ nu als bijvoeglijk naamwoord toegevoegd aan het, stilzwijgend belangrijker geachte, zelfstandig naamwoord ‘ontwikkeling’. Maar het begrip ‘ontwikkeling’ is een toonbeeld van conceptuele onduidelijkheid. ‘Ontwikkeling’ kan immers bijna alles betekenen, van de aanleg van exotische zwembaden voor gegoede toeristen tot elementaire watervoorzieningen voor de één miljard zielen die het zonder vanzelfsprekende toegang tot water moeten stellen; van intercontinentale vliegreisjes tot elementaire mobiliteit. In een notendop: betreft het ontwikkeling als kwantitatieve groei van het Bruto Nationaal Product of ontwikkeling als kwalitatieve verbetering van het sociaal-economisch leven van de 2,8 miljard mensen die moeten overleven met minder dan twee dollar per dag? Helaas heeft de eerste visie vrij snel de overhand gekregen op het kwalitatieve aspect, waarop ecologisch economen als Herman Daly zo vaak hebben gewezen:

‘Het ecosysteem Aarde ontwikkelt zich, maar groeit niet. Het deelsysteem, de economie, moet uiteindelijk ook stoppen met groeien, hoewel het zich kan blijven ontwikkelen. De term duurzame ontwikkeling snijdt daarom hout, maar enkel als men er “ontwikkeling zonder groei” mee bedoeld, bv. de kwalitatieve verbetering van een fysische economische basis die in een stationaire toestand wordt onderhouden via een doorstroom van materie en energie die de regeneratie- en afvalopnamecapaciteit van de ecosystemen respecteert. Vandaag wordt de term duurzame ontwikkeling gebruikt als een synoniem voor het “oxymoronische” duurzame groei… een cultuur die voor haar economische stabiliteit afhankelijk is van exponentiële groei.’[6]

Aangezien ontwikkeling-als-groei op deze manier eenvoudig kon worden ingebed in de idee van duurzame ontwikkeling, heeft de conferentie van Rio – wellicht onbewust – de notie van economische groei als begerenswaardig nieuw leven ingeblazen, precies datgene wat voorheen zo zwaar werd bekritiseerd in het discours over ‘grenzen aan de groei’. Sommigen – zoals de in wetenschappelijke kringen[7] vermaledijde Bjorn Lomborg – gaan zelfs nog verder en stellen dat economische groei de conditio sine qua non vormt voor sociaal-ecologische ontwikkeling én voor de terugdringing van de armoede.

De heropleving van het ontwikkelingsdiscours

Door de vaagheid van het concept ‘ontwikkeling’ stelde men in Rio geen vragen over het feit dat het Noorden vanuit ecologisch oogpunt ‘overontwikkeld’ is, in die zin dat het consumptiepatronen vertoont die volstrekt niet te veralgemenen zijn voor de gehele wereldbevolking. Immanuel Kant zou dit juist daarom een ‘ondemocratische’ welvaart hebben genoemd: een levenswijze die een aanhoudende toe-eigening vereist van de natuurlijke hulpbronnen in andere werelddelen. In het jargon van het ontwikkelingsdenken kan een land echter onmogelijk ‘overontwikkeld’ zijn: het is ofwel ‘ontwikkeld’, ofwel ‘onderontwikkeld’. We horen hier echo’s van een beruchte toespraak van President Harry Truman, zijn inaugurale rede voor het Amerikaanse Congres. In deze legendarische speech – in 1949 – reduceerde hij de immense diversiteit van het zuidelijk halfrond tot een ‘onderontwikkeld gebied’ dat men de helpende hand moest toesteken. De ontwikkelingsgraad van een land zou men voortaan kunnen aflezen aan zijn Bruto Nationaal Product.

Waarvoor Truman en zijn medestanders echter geen oog hadden, was dat ontwikkeling-als-groei een race zonder eindstreep is. Maria Mies en Vandana Shiva hebben er in Ecofeminism (1993) met klem op gewezen dat de ontwikkelingsideologie zichzelf rechtvaardigt door zich te presenteren als een project dat de armoede opheft. Groei zou het probleem ‘armoede’ oplossen en vormde voortaan alfa en omega van de maatschappij; het Noorden had het niveau bereikt dat de landen in het Zuiden zo snel mogelijk moesten trachten te halen (catching-up development). Hierbij verloor men echter uit het oog dat, als er in het Zuiden al stevige groeicijfers konden worden voorgelegd, de vruchten daarvan in de praktijk veelal afvloeiden naar de kleine elites en de betere middenklassen in deze landen. Hoewel groei werd geacht de armoede terug te dringen, zorgde het ontwikkelingstijdperk in de praktijk veelal voor een dubbele polarisatie, zowel tussen landen onderling als binnen die landen, een tendens die zich tijdens de laatste decennia van versnelde economische globalisering heeft doorgezet.

Deze tweevoudige polarisatie gaat hand in hand met de vorming van een ‘transnationale consumptieklasse’. Via allerlei zichtbare én onzichtbare kanalen slaagt deze groep erin, zich in het wereldwijde spinnenweb van grondstoffenstromen royaal te bevoorraden. Volgens het Worldwatch Institute hebben 362 miljoen Chinezen en Indiërs nu dezelfde inwerking op het milieu als de ‘gemiddelde’ Europese, Noord-Amerikaanse en Japanse consument[8]. De kloof tussen Noord en Zuid is tegenwoordig niet langer louter geografisch. Een hoog consumptieniveau (water, fossiele energie, vlees, materialen, enzovoort) is niet langer uitsluitend een westerse aangelegenheid. De ware scheidingslijn loopt tussen de mondiale, geïntegreerde transnationale consumptieklasse én de grote groep ‘plaatselijke armen’: de overbodigen, de ongewensten en de ontmenselijkten die vanwege hun gebrek aan koopkracht van geen tel zijn in de mondiale supermarkt.

Precies omdat in Rio de wereldwijde economische wedloop en het westerse ontwikkelingsmodel niet fundamenteel ter discussie werden gesteld, voelden de groeifetisjisten zich gesterkt in hun mondiale greep naar de ideologische macht: ‘duurzame ontwikkeling’ werd het nieuwe toverwoord. Milieuproblemen in het zuidelijk halfrond werden én worden voorgesteld als het gevolg van onvoldoende kapitaal, verouderde technologie, gebrek aan expertise en zieltogende economische groeicijfers. De oplossing – het navolgen van de westerse, op groei gerichte ontwikkeling – ligt al vast door de formulering van het probleem.

Te weinig aandacht voor intragenerationele solidariteit

In de betekenis van duurzame ontwikkeling als ‘duurzame economische groei’ verdwijnt het aspect van de rechtvaardigheid in de verhouding tussen het noordelijke en het zuidelijke halfrond naar de achtergrond. Wolfgang Sachs stelt terecht dat ecologie in het Westen te eenzijdig wordt bekeken als een kwestie van rechtvaardigheid jegens de generaties die na ons komen[9]. Tal van westerse milieubeleidsbepalers kloppen zich op de borst als verdedigers van de levensvoorwaarden van onze nakomelingen. Het feit dat de klassieke definitie van duurzame ontwikkeling van Brundtland naar de ‘behoeften van de toekomstige generaties’ verwijst, betekent dat de ongelijkheid in de verdeling van de ecologische koek in het heden onderbelicht blijft. Anders gezegd: er is misschien wel sprake van intergenerationele solidariteit (solidariteit tussen verschillende generaties), maar de intragenerationele solidariteit (die binnen een generatie) krijgt te weinig aandacht. Hoewel oog voor de toekomst vanzelfsprekend enorm belangrijk is, kan deze visie echter de aandacht afleiden van de broodnodige intragenerationele rechtvaardigheid. Vandaar dat onderzoekers naar ecologische rechtvaardigheid er met klem op wijzen dat het minstens even belangrijk is zich rekenschap te geven van de manier waarop de druk op het milieu en de risico’s vandaag worden verdeeld tussen Noord en Zuid, tussen arm en rijk.

De veronachtzaming van intragenerationele solidariteit blijkt bijvoorbeeld duidelijk in de discussies over de gevaren van global warming. Terwijl westerse milieuwetenschappers terecht wijzen op de potentieel catastrofale gevolgen van abrupte klimaatwijzigingen binnen enkele decennia, vergeten zij vaak de aandacht te vestigen op het feit dat global warming nu al leidt tot een aantal trage, sluipende gevolgen, vooral voor de armsten in de wereld[10]. Hoewel juist de geïndustrialiseerde wereld verantwoordelijk is voor het leeuwendeel van de uitstoot van broeikasgassen, zullen de meeste slachtoffers, zeker aanvankelijk, in de landen van het Zuiden vallen. Afgezien van het feit dat de effecten van klimaatwijzigingen sowieso erger zullen zijn in dat deel van de wereld, kunnen mensen die over weinig koopkracht beschikken zich minder goed beschermen tegen de gevolgen van overstromingen, orkanen, besmettelijke ziekten, droogte, enzovoort. Voor de mensen die leven in de periferie van de wereldeconomie gaan sociale en ecologische problemen vaak hand in hand. Hun levenskwaliteit wat voeding, gezondheid, onderdak en levensonderhoud betreft, is onlosmakelijk verbonden met het welzijn van het milieu waarin zij wonen en werken: de natuur is voor deze mensen geen luxe, maar wel een levensnoodzakelijk gegeven. Wanneer globale milieuproblemen de hen omringende ecosystemen aantasten, neemt terzelfdertijd ook de sociale ellende toe. In combinatie met bevolkingsgroei leidt dit tot verdere milieuvernietiging, hetgeen meteen wijst op de noodzaak zowel inter- als intragenerationele solidariteit na te streven.

Het strijdperspectief

In zijn Planet Dialectics (1999) stelt Wolfgang Sachs dan ook terecht dat het begrip duurzame ontwikkeling, in de overheersende betekenis van het woord, vooral een concept van onderdrukking is. Is blijvende groei iets wat men in elk geval gehandhaafd wil zien, dan neemt men stilzwijgend aan dat die zowel geografisch als demografisch beperkt zal blijven. Sachs spreekt in dit kader van duurzame ontwikkeling als een strijdperspectief, waarbij de schuld voor de verloedering van het milieu wordt toegeschreven aan de ‘armen’ in het Zuiden, die zich schuldig maken aan een ‘buitensporig voortplantingsgedrag’. Het strijdperspectief biedt echter geen perspectief. Hoewel het proces van globalisering ertoe heeft geleid dat veel van de lasten voor het milieu van het exuberante consumptieniveau in het Westen zowel in ruimte als in tijd konden worden afgewenteld op het Zuiden en op toekomstige generaties, begint men tegenwoordig de eerste signalen te ontvangen dat deze scheiding tussen kosten en baten, tussen winnaars en verliezers niet langer absoluut is. In de toekomst zullen de rijken overal ter wereld alsmaar meer worden blootgesteld aan de (minder aangename) keerzijde van een wereld van ongelijkheid en gebrek aan duurzaamheid: terroristische aanslagen, opflakkerend geweld, oorlog, migratie, uitputting van essentiële hulpbronnen, extreme weersverschijnselen, enzovoort. Indien de internationale gemeenschap er niet in slaagt een ander model voor globalisering op te bouwen, zal de meervoudige kloof tussen Noord en Zuid als een boemerang naar de transnationale consumptieklasse terugkeren. Wie wind zaait, zal storm oogsten.

Andere en betere definities van duurzame ontwikkeling zijn daarom nodig. Aan de basis van het begrip, in zijn niet-gecorrumpeerde betekenis, liggen twee bekommernissen die de éénentwintigste eeuw verregaand zullen bepalen: de groeiende kloof tussen Noord en Zuid én het voortschrijdend verval en de uitputting van de mondiale ecosystemen waarvan de mensheid afhankelijk is voor haar bestaan. De uitdaging ligt in een manier om beide problemen tegelijk aan te pakken zonder te vervallen in het euvel van ‘duurzame economische groei’. Volgens Wolfgang Sachs kan men in dit kader, naast het hierboven beschreven dominante strijddiscours, ook andere visies op duurzame ontwikkeling onderscheiden. In het astronautenperspectief erkent men de biofysische grenzen aan de groei en probeert men een mondiaal kader te scheppen om zowel de rechtvaardigheids- als de milieucrisis op te lossen; het thuisperspectief pleit voor structurele aanpassingen in het Noorden (verregaande matiging), zodat ruimte kan worden geschapen voor mondiale rechtvaardigheid (een herverdeling tussen Noord en Zuid). In wat volgt zullen wij een lans breken voor een bedachtzame synthese van deze twee visies.

Het astronautenperspectief

Vanuit dit perspectief vertrekt men van de wetenschappelijke vaststelling dat de planeet Aarde één geïntegreerd, materieel gesloten ecosysteem is[11]. Door de snelle ontwikkeling van de wetenschappelijke ecologie heeft men gedurende de voorbije decennia enorme vooruitgang geboekt bij het ontwikkelen van nieuwe meetinstrumenten en waarnemingstechnieken om de toestand van de globe in kaart te brengen. Sachs gebruikt hiervoor het beeld van de astronaut die vanuit de ruimte de blauwe, fragiele planeet Aarde gadeslaat tegen de koude en donkere achtergrond van het universum. Het gaat om niet meer of minder dan het redden van de Aarde. Deze visie houdt zich dan ook vooral bezig met de levensbedreigende mondiale milieuproblemen. Vanuit het astronautenperspectief vat men duurzame ontwikkeling op als een probleem van mondiaal beheer. Vooral in wetenschappelijke vakbladen als Nature en Science wijst men regelmatig op de noodzaak van monitoring en managing. Het wordt dan de taak van experts en wetenschappers, de inwerking van de mens op het milieu op planetaire schaal in overeenstemming te brengen met het ecologische draagvermogen van de aarde. Deze ‘ecologische duurzaamheid’ vereist dat de mensheid haar beslag op het milieu binnen de grenzen houdt: ‘Sustainability requires living within the regenerative capacity of the biosphere’[12].

Anders dan bij het strijdperpectief beseft men in dit geval zeer goed dat het ook moet gaan over een nieuw evenwicht tussen Noord en Zuid. De eenheid van de mensheid vanuit een gedeelde afhankelijkheid van biofysische, levensondersteunende systemen komt tot uitdrukking in de metafoor van het Ruimteschip Aarde dat op koers moet worden gehouden door intelligente en vooruitziende piloten. Naar analogie met de heropbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog roepen milieuwetenschappers in deze context op tot een Global Marshall Plan: een samenwerking van alle belanghebbenden op deze planeet om samen inspanningen te leveren om de demografische groei te beperken, eco-efficiënte technologieën te ontwerpen, de economische spelregels te verbeteren en te ‘vereerlijken’, enzovoort.

Ten aanzien van deze visie op duurzame ontwikkeling zijn diverse kritieken naar voren gebracht. Enerzijds staat het buiten kijf dat het een netelige opdracht is de precieze grootte van de draagkracht van de aarde te leren kennen en zo de veilige grenzen voor exploitatie van de natuur vast te leggen. Als gevolg van de complexiteit van ecosystemen, de onderlinge afhankelijkheid van deelsystemen, het bestaan van moeilijk becijferbare niet-lineaire terugkoppelingsmechanismen en de onomkeerbaarheid van veel systeemevoluties is het immers bepaald niet eenvoudig de precieze kritische drempelwaarden te bepalen én te beheren[13]. Wolfgang Sachs is hierover bijzonder scherp. Tegenover de opkomst van de wetenschap van de ecologie, die een pleidooi hield voor intelligente zelfbeperking, staat thans de ecologische wetenschap, die het managementdenken op een voetstuk wil plaatsen en daarmee opnieuw het startsein heeft gegeven voor de strijd voor de erkenning van de grenzen aan de groei die de milieubeweging al voerde, maar dan op een technocratische manier[14]. Zoals we verder zullen aangeven, is deze kritiek ons inziens té eenzijdig.

Een andere fundamentele kritiek op het astronautenperspectief luidt dat men de natuurlijke wereld nog steeds op een zuiver utilitaire en antropocentrische manier bekijkt. Men vraagt zich af: wat kan de natuur voor ons doen? In die zin is de term ‘natuurlijk kapitaal’ – die centraal staat in het astronautenperspectief – als zodanig al een enorme misvatting, alsof de natuur erom gevraagd heeft zich in economische termen te laten abstraheren. Opnieuw wordt het duidelijk dat taal op zich al onderdrukkend kan zijn. In deze visie beschouwt men ecosystemen, natural capital, als materiële hulpbronnen voor Koning Mens. Het tomeloze materialisme van de westerse cultuur wordt door de vingers gezien, zolang het maar het draagvermogen van de aarde respecteert.

Typisch voor het astronautenperspectief is dan ook dat het zich vooral richt op de mondiale milieuproblemen ‘van de tweede generatie’ – de opwarming, het gat in de ozonlaag, het verlies aan biodiversiteit – omdat die, op lange termijn althans, het voortbestaan van de mensheid in het gedrang brengen. Volgens andersglobalistische denkers als Vandana Shiva verhult de gerichtheid op de mondiale problemen een aantal meer lokale milieuproblemen, waar lokale gemeenschappen vaak evenzeer mee te maken krijgen. Shiva is de mening toegedaan dat mondiale milieuproblemen zo worden geformuleerd dat wordt verborgen dat ‘de globalisering van het lokale de oorzaak is voor de vernietiging van het milieu waarop de lokale bevolking steunt’[15].

Ondanks het onmiskenbare feit dat het astronautenperspectief aandacht heeft voor de rechtvaardigheidscrisis, biedt dit alternatief volgens Shiva geen duurzame oplossingen. Hoewel deze aanpak merkbaar beter is dan en te verkiezen boven het strijdperspectief, schiet ook de technocratische visie op duurzame ontwikkeling tenminste gedeeltelijk tekort. Op poëtische wijze stelt Sachs het als volgt:

‘De taal van de mondiale ecologie bestaat uit satellietbeelden die ‘s werelds vegetatie scannen, uit computergrafieken die interactiecurven doorheen de tijd afbeelden en uit drempelwaarden die als wereldwijde normen worden voorgehouden. Zij construeert een realiteit die massa’s data bevat, maar geen mensen. […] Zij biedt kennis die gezichtsloos en plaatsloos is, een abstractie die een aanzienlijke kost met zich meedraagt: zij veroordeelt de realiteiten van cultuur, macht en deugd naar de vergetelheid. Zij biedt data, maar geen context; zij toont diagrammen, maar geen mensen; zij geeft berekeningen, maar geen noties van moraliteit; zij zoekt stabiliteit maar veronachtzaamt schoonheid.’[16]

Duurzame ontwikkeling en het thuisperspectief

Vanuit het thuisperspectief beschouwt men duurzame (westerse) ontwikkeling als een contradictio in terminis. Hét centrale probleem van vandaag is de absolute overontwikkeling van het Noorden, dat een immense ecologische schuld heeft aan het Zuiden. Een fundamentele stelling van het thuisperspectief houdt in dat, gezien de reële biofysische grenzen aan de groei, de rechtvaardigheidscrisis niet langer kan worden opgelost via de klassieke (keynesiaanse) groeistrategieën die opgang maakten ten tijde van de uitbouw van de sociale welvaartstaat in West-Europa in de jaren zestig. Volgens deze visie kon men de rechtvaardigheidsvraag ‘oplossen’ door het vergroten van de economische koek. Veeleer dan de bestaande koek eerlijker te (her)verdelen tussen rijk en arm, pleitten links én rechts ervoor de taart te vergroten door economische groei, zodat iedereen vanzelf een groter stuk zou verwerven. Ook in het Brundtlandrapport (1987) riep men nog op het Wereld Economisch Product met een factor vijf à tien te vergroten, zodat ook de ‘armen’ aan hun trekken zouden komen. Helaas is deze visie vandaag achterhaald. De economische taart kan niet eindeloos in omvang toenemen. Daarom stelt het thuisperspectief dat we de klassieke groeistrategieën moeten laten voor wat ze zijn. In plaats van meer economische groei is een radicale herverdeling van de bestaande economische taart op wereldvlak noodzakelijk. Armoedebestrijding kan niet zonder gelijktijdige rijkdombestrijding.

Door het thuisperspectief ontmoeten de meer radicalen van de westerse andersglobalisten de lokale bewegingen en organisaties uit het Zuiden (figuren als Vandana Shiva en Walden Bello). Op wereldvlak pleiten zij voor eerlijke handelsrelaties tussen Noord en Zuid, voor de kwijtschelding van de financiële schuld van de Derde Wereld of voor technologische transfers van Noord naar Zuid, ter compensatie van zijn ecologische schuld, enzovoort. Het westerse ontwikkelingsmodel wordt beschouwd als een deel van het probleem; aanhangers van het thuisperspectief pleiten daarom voor lokale ontwikkelingspaden als alternatief voor op export gerichte groeistrategieën. Dit ontwikkelingsparadigma omvat concepten als economische deglobalisering, herlokalisering en decentralisering van de economie, terugdringing van de kapitalistische markt- en winstlogica, enzovoort[17].

In het thuisperspectief ontkent men allerminst de grenzen die ons worden opgelegd door de biofysische eindigheid van de aarde. Veeleer dan deze grenzen te beschouwen als beperkingen, zal men deze zien als uitdagingen die ons aanzetten te zoeken naar alternatieve vormen van het goede leven. Grenzen worden daarbij omgebogen in kansen, zodat een nieuwe, minder materialistische en minder antropocentrische cultuur kan rijpen. Het gaat daarbij niet om de idealisering van kleinschalige traditionele samenlevingen, noch om het herstel van het oude provincialisme en de navelstaarderij van de dorpsmentaliteit. Wel hebben we behoefte aan niet meer of minder dan een nieuw paradigma van beschaving, waarbij de menselijke ontwikkeling een richting kan uitgaan die het leven in de brede zin respecteert[18]. De Braziliaanse bevrijdingstheoloog Leonardo Boff pleit in zijn A Etica Da Vida (2000) voor een nieuwe cosmovision, voorbij het klassieke, moderne en reductionistische wereldbeeld.

Op zoek naar de synthese

De kritieken die het thuisperspectief naar voren brengt op het astronautenperspectief zijn ons inziens slechts tot op zekere hoogte correct. In zijn zuivere vorm vertoont ook het thuisperspectief beperkingen. Gezien de ernst en de aard van de hedendaagse milieucrisis is een of andere vorm van mondiaal ecobeheer onontbeerlijk. Mondiale milieuproblemen als de destabilisering van het klimaat vereisen verregaande, wereldwijde samenwerking, monitoring en coördinatie, ongeacht de wijze waarop de problemen tot stand zijn gekomen. Daarnaast zijn er als gevolg van de opkomst van de ecologische wetenschap ook positieve zaken te melden. Hoewel het klopt dat deze vaak wordt misbruikt om de menselijke dominantie van het ecosysteem Aarde te verwetenschappelijken, is ook de milieuwetenschap zélf een omstreden domein. Maar het is door de ecologische wetenschap dat we tegenwoordig het inzicht hebben verworven dat het functioneren van complexe en dynamische ecosystemen juist zo onvoorspelbaar is. Recente ontwikkelingen hebben daarbij aangetoond dat, gezien de alomtegenwoordigheid van niet-lineariteit en ongekende kritische drempelwaarden, het voorzorgsprincipe[19] nog steeds de beste raadgever is.

En er is nog een tweede reden waarom een thuisperspectief onvoldoende garanties biedt op duurzaamheid. Lokale gebeurtenissen en excessieve levenswijzen kunnen elders in de wereld nadelige gevolgen hebben. Dat leidt soms tot het ironische resultaat dat mensen in de meest afgelegen plaatsen ter wereld worden blootgesteld aan de risico’s en gevaren die in het centrum van de wereldeconomie werden veroorzaakt, zoals chemische vervuiling, het gat in de ozonlaag, enzovoort[20]. Global warming is een ander bekend voorbeeld. Zo is de krottenbewoner in La Paz, de visser in Senegal of de herder in Ethiopië op geen enkele wijze verantwoordelijk voor de global warming, maar hij is er wél een van de eerste slachtoffers van. Deze voorbeeldenillustrerenmeteenwaaromwe verplicht zijn op een of andere manier ‘het bereik van onze verantwoordelijkheid in overeenstemming te brengen met het bereik van deze effecten’[21]. Het astronautenperspectief blijft dus broodnodig en moet worden gecombineerd met de beste elementen uit het thuisperspectief.

Juist omwille van de verregaande pervertering van het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ in zijn gangbare betekenis, dringt zich de vraag op of het nog langer zinvol is dit concept te hanteren. De vraag stellen, is ze beantwoorden. Veeleer dan duurzame ontwikkeling na te streven, zal de internationale gemeenschap erin moeten slagen ecologische duurzaamheid te ontwikkelen, en de vruchten daarvan dan rechtvaardig te (her)verdelen. There is no time to waste.

[1] Voor het belang van ‘tegenvertogen’, zie Dieter Lesage, Vertoog over verzet. Politiek in tijden van globalisering, Meulenhoff/Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 2004.

[2] Jonathan Loh (red.), Living Planet Report 2002, WWF, Gland, 2002; Mathis Wackernagel e.a., ‘Tracking the ecological overshoot of the human economy’, in PNAS, 99 (14), 2002, blz. 9266-9271.

[3] Deze wetenschappelijke term ontlenen we aan de onderzoekers van het International Geosphere Biosphere Program, zie Will Steffen e.a., Global Change and the Earth System, Springer-Verlag, Berlijn, 2004.

[4] Om aan te geven wat de noodzaak is van een definitie van een nieuw geologisch tijdvak, gebruiken milieuwetenschappers de term ‘Antropoceen’ (zie Paul J. Crutzen en Eugene F. Stoermer, ‘The “Anthropocene”’, IGBP Newsletter, 41, Stockholm, 2000, blz. 17-18). Hiermee refereren zij aan de periode sinds het einde van de achttiende eeuw, het startpunt van de industriële revolutie. Het ‘Antropoceen’ volgt op het zogenaamde ‘Holoceen’, het tijdvak sinds het einde van de laatste ijstijd, ongeveer twaalfduizend jaar geleden.

[5] Erik Paredis, ‘Duurzame ontwikkeling: de ambities doorgelicht’, in B. Bode en E. Vervliet (red.), Duurzame ontwikkeling: verbeter de wereld, begin bij de aarde, NoordZuid Cahier, 26 (4), 2001, blz. 33-46.

[6] Herman Daly en Kenneth Townsend, Valuing the Earth: Economics, Ecology, Ethics, MIT Press, Cambridge-Mass., 1993, blz. 267.

[7] Voor een synthese van de wetenschappelijke weerleggingen van de belangrijkste stellingen van Lomborg, zie Peter Tom Jones en Roger Jacobs, ‘Pleidooi tegen onredelijk milieuoptimisme’, in Oikos, (29), 2004, blz. 15-33.

[8] State of the World 2004, Worldwatch Institute, New York/Londen, 2004; Norman Myers en Jennifer Kent, ‘New consumers: The influence of affluence on the environment’, in PNAS, 100 (8), 2003, blz. 4963-4968.

[9] Wolfgang Sachs, ‘Environment and Human Rights’, in Wuppertal Papers, (137), november 2003.

[10] Zie onze opiniestukken en publicaties omtrent dit thema: Peter Tom Jones en Roger Jacobs, ‘De vlinder van Lorenz: globalisering, ecologie en chaos’, in Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 38 (2), 2004, blz. 109-121; Peter Tom Jones, ‘Olieprijs en Kyoto zitten in hetzelfde debat’, in De Tijd, 7 september 2004; Peter Tom Jones, ‘Het blijft ook volgende week te warm’, in De Financieel Economische Tijd, 13 augustus 2003.

[11] Voor een wetenschappelijke beschrijving van deze zogenaamde ‘Earth System Analysis’, zie H. John Schellnhuber, ‘Earth system analysis and the second Copernican revolution’, in Nature, 402, 1999, blz. C19-C23.

[12] Mathis Wackernagel e.a., ‘Tracking the ecological overshoot of the human economy’, in PNAS, 99 (14), 2002, blz. 9266-9271.

[13] Voor een wetenschappelijke beschrijving van deze nieuwe inzichten, zie Marten Scheffer e.a., ‘Catastrophic shifts in ecosystems’, in Nature, 413, 2001, blz. 591-596; voor een beschrijving van de implicaties van deze nieuwe ontwikkelingen, zie Peter Tom Jones en Roger Jacobs, ‘De vlinder van Lorenz: globalisering, ecologie en chaos’, op. cit.

[14] Wolfgang Sachs, Planet Dialectics. Explorations in Environment and Development, Zed Books, Londen/New York, 1999, blz. 62.

[15] Vandana Shiva, Monocultures of the Mind. Biodiversity, Biotechnology and the Third World, Zed Books, Londen, 1993, blz. 151.

[16] Wolfgang Sachs, Planet Dialectics. Explorations in Environment and Development, Zed Books, Londen/New York, 1999, blz. 44. Oorspronkelijk citaat: ‘Satellite pictures scanning the globe’s vegetative cover, computer graphs running interaction curves through time, threshold levels held up as worldwide norms are the language of global ecology. It constructs a reality that contains mountains of data, but no people. […] They provide knowledge that is faceless and placeless, an abstraction that carries a considerable cost: it consigns the realities of culture, power and virtue to oblivion. It offers data, but no context; it shows diagrams, but no actors; it gives calculations, but no notions of morality, it seeks stability, but disregards beauty’.

[17] Voor een synthese van deze visies, zie Peter Tom Jones, ‘Globalisering, ecologie en duurzaamheid’, in Jan Dumolyn en Peter Tom Jones (red.), Esperanza! Praktische theorie voor sociale bewegingen, Gent, 2003, blz. 226-253.

[18] Alma De Walsche, ‘Het recht van de aarde: de lange weg naar een nieuw beschavingsmodel’, in B. Bode en E. Vervliet (red.), op. cit., blz. 107-115.

[19] Het voorzorgsprincipe verscheen voor het eerst op het toneel in de jaren zeventig. Meer recent brak het door in diplomatieke kringen. De meest gebruikte definitie is die van de Verklaring van Rio (Principe 15): ‘Where there are threats of serious or irreversible damage, lack of full scientific certainty shall not be used as a reason for postponing cost-effective measures to prevent environmental degradation’. Dit principe is bijzonder relevant in het licht van het klimaatvraagstuk. Hoewel er vandaag nog zeer grote onzekerheid bestaat over de ligging van bepaalde kritische drempelwaarden en de inherente niet-lineaire interacties in het ecosfeer-klimaatsysteem, kan men, gezien de potentieel catastrofale reacties, maar beter op veilig spelen en ervoor zorgen dat het klimaatbeest niet uitgedaagd wordt. Er moeten vandaag dringend effectieve maatregelen genomen worden. Zie Peter Tom Jones, ‘Olieprijs en Kyoto zitten in hetzelfde debat’, in De Tijd, 7 september 2004.

[20] Zo stonden wetenschappers perplex toen zij in de moedermelk van Inuit-vrouwen in Noord-Canada de hoogste PCB-concentraties ooit aantroffen. PCB’s (polychloorbifenylen) interfereren met de werking van onze hormonen en kunnen ernstige gezondheidsrisico’s teweegbrengen. Ondertussen weet men dat ‘persistente organische polluenten’ (zoals PCB’s) in staat zijn via de luchtstromingen afstanden van duizenden kilometers te overbruggen, richting poolstreken. Via dit proces kunnen PCB’s zich accumuleren in de ecosystemen aan de Noord- en de Zuidpool, vooral dan in het vetweefsel van zoogdieren als poolberen en walvissen, aangezien zij bovenaan de voedselketen staan. Het onderzoek toonde helaas aan dat PCB’s ook in de borstklieren van de Inuit-vrouwen ‘gebioaccumuleerd’ waren. Een gelijkaardig voorbeeld is dat van het gat in de ozonlaag, dat werd veroorzaakt door het massale gebruik van CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen), bijna uitsluitend in de geïndustrialiseerde wereld. Nochtans vormde het (seizoensgebonden) gat in de ozonlaag zich in de buurt van de Zuidpool, juist op die plaats waar er helemaal geen CFK’s aangewend werden.

Eιn oog op de televisiebeelden van de tsoenamiramp in Zuid-Oost-Azië het andere op het jongste boek van de Uruguyaanse schrijver en journalist Eduardo Galeano. Lezen kan soms een bevreemdende ervaring zijn.

Toegegeven: zelden hebben zo veel mensen zo diep in de geldbuidel getast om slachtoffers van een moordende natuurramp ter hulp te snellen. Voor de wereldwijde emo-tv werd het een uitgelezen kans om ιιn grote reality show op te voeren. Aanvankelijk stormde de verzamelde persmeute naar Thailand, waar de tsoenami nog het genadigst was geweest voor de plaatselijke bevolking. Maar in Thailand liggen doorgaans zeer veel blanke, westerse toeristen op het strand. En velen onder hen waren weggespoeld door de vloedgolf. Het duurde enkele dagen voor de camera’s ook naar de zwaarst getroffen gebieden in Indonesië, Sri Lanka en India werden versleept. Bij ons sloegen de openbare en de commerciële omroep de handen in elkaar voor een grote benefietshow voor de slachtoffers. Alleen mopperaars kunnen hierbij bedenkingen maken. We leven nu eenmaal in Orwelliaanse tijden. In kranten, op radio en TV is newspeak de algemene omgangstaal. Dus waarom zouden we liefdadigheid en paternalistische vrijgevigheid van industriλlen, bankiers, financiers en overheidsinstellingen niet als solidariteit mogen bestempelen?

In “Ondersteboven. De school van de omgekeerde wereld” haalt Eduardo Galeano hard uit. En dat is redelijk ontnuchterend. Middenin het tsoenamispektakel valt dan deze dreun: “In tegenstelling tot solidariteit, die horizontaal is en tussen gelijken wordt bedreven, wordt liefdadigheid van boven naar beneden beoefend, zij vernedert de ontvanger en verandert nooit iets aan de machtsverhoudingen: op zijn best zal er wel eens rechtvaardigheid zijn, maar dan wel in hemel. Hier op aarde verstoort liefdadigheid het onrecht niet. Het wordt er alleen maar door verhuld.”

Oneliner als literair genre

Politici en andere gewichtige mensen in onze maatschappij krijgen de dag van vandaag een intensieve mediatraining. Ze leren hoe ze met één oneliner zo snel mogelijk kunnen scoren voor het oog van de camera. Dat zorgt geregeld voor de nodige hilariteit. Wat ze zeggen doet er niet. Het moet “sexy” zijn, vlot, blits, gezellig. Met ‘Ondersteboven’ verheft Eduardo Galeano de oneliner tot literair genre. Maar in tegenstelling tot politici en gewichtige mensen die gedrild zijn in deze discipline, doet het er bij Galeano wel toe wat hij zegt.

Enkele staaltjes. Galeano is een Latijns-Amerikaan en op zijn continent tiert de corruptie welig. De scheidingslijn tussen politiek bedrijf en kleptocratie is er flinterdun. “Sommige politici houden zo veel van hun land dat zij het mee naar huis nemen,” schrijft Galeano.

In de wereld van de haute finance gaat veel duister geld rond. Vooral de Zwitserse bankiers hebben een reputatie op dit vlak. Eduardo Galeano: “Bertolt Brecht zei dat een bank bestelen een delict is, maar dat een bank oprichten nog een groter delict is.” “Na de oorlog werd Zwitserland een internationale grot van Ali Baba voor dictators, stelende politici, belastingontduikende jongleurs en wapen- en drugshandelaren.” “Onder de glanzende trottoirs van de Bahnhofstrasse in Zόrich of de Corraterie in Genθve slapen, onzichtbaar, de in goudstaven en bergen bankbiljetten omgezette vruchten van plundering en fraude.”

Latijns-Amerika zuchtte in de jaren zestig en zeventig onder een reeks meedogenloze militaire dictaturen (allemaal bondgenoten van de grootste democratie ter wereld: de Verenigde Staten van Amerika). “Toen de Latijns-Amerikaanse democratieλn herrezen,” stelt Eduardo Galeano vast, “waren zij veroordeeld tot betaling van de schulden en tot het vergeten van de misdaden.” “Het was alsof de burgerregeringen de mannen in uniform dankbaar waren voor hun werk: de militaire terreur had een gunstig klimaat voor buitenlandse investeringen gecreλerd en had de weg vrijgemaakt om in de volgende jaren de verkoop van de landen straffeloos te voltooien.” “De maatschappij die in de jaren tachtig zijn burgerrechten herkreeg was zijn beste krachten kwijtgeraakt, was aan het overleven in de leugen en de angst gewend geraakt en was even ziek door moedeloosheid als het behoefte had aan de adem van creatieve vitaliteit, die de democratie had beloofd en niet kon of niet in staat was te geven.”

Globalisering

Eduardo Galeano verwierf wereldfaam met de onbetwiste meesterwerken “De aderlating van een continent” (1976) en de monumentale trilogie “Kroniek van het vuur” (1984-1991). Wie de geschiedenis van vijf eeuwen gruwelijke economische uitbuiting van Latijns-Amerika wil kennen, moet de boeken van Galeano in huis halen. “Ondersteboven” is een glashelder essay, dat Galeano in 1998 schreef als terugblik op de jaren ’90, het laatste decennium van het voorbije millennium. De jaren, waarin de globalisering van de wereldeconomie (een erg verhullend neologisme voor de tot dan gangbare term imperialisme) razendsnel werkelijkheid werd. Voor Eduardo Galeano “is de globalisering een hoge hoed, waarin fabrieken naar arme landen worden weggetoverd”. “De technologie, die als een draaikolk de voor de productie van ieder ding benodigde tijd reduceert, verarmt en onderwerpt de arbeiders in plaats van hen van behoefte en slavernij te bevrijden; werk is niet langer noodzakelijk voor het maken van geld. Vele kapitalen zwenken af naar de speculatieve investeringen. Zonder grondstoffen om te zetten, zonder deze zelfs maar aan te raken, reproduceert het geld zich met grotere vruchtbaarheid door de liefde met zichzelf te bedrijven. Siemens, een van de grootste industriλle ondernemingen van de wereld, verdient meer geld met zijn financieringsinvesteringen dan met zijn productieactiviteiten.” “In de Verenigde Staten is veel minder werkloosheid dan in Europa, maar de nieuwe banen zijn maar tijdelijk, slecht betaald en bieden geen sociale bescherming. Bij de vijfhonderd grootste Amerikaanse bedrijven geniet slechts één op de tien arbeiders het voorrecht van een volledige en vaste baan. In Groot-Brittanniλ zijn negen op de tien nieuwe banen tijdelijk, in Frankrijk acht op de tien. De geschiedenis maakt een sprong van twee eeuwen, maar het is een sprong achteruit: de meerderheid van de arbeiders heeft in de huidige wereld geen vast werk of recht op een ontslagpremie; en de arbeidsonzekerheid haalt de lonen omlaag. Zes op de tien Amerikanen krijgen een loon, dat lager is dan het loon van een kwarteeuw geleden, hoewel de economie in de Verenigde Staten in deze vijfentwintig jaar met veertig procent is gegroeid.”

Galeano onderbreekt zijn betoog heel vaak met korte kaderstukjes, waarmee het surrealisme en de absurditeit van het kapitalisme treffend worden geοllustreerd. De net geciteerde passage wordt onderbroken door een kort stuk met de titel “Het kapitalistisch realisme”. Galeano laat Lee Iacocca aan het woord, de voormalige topman van Chrysler. In 1993 gaf deze captain of industry een voordracht in de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires. Iacocca had het over de werkloosheid in de Verenigde Staten en zei zeer openhartig: “Het kost mij moeite het te zeggen, maar ik vraag mij af of het niet beter zou zijn als de werklozen verstandig zouden handelen en rechtstreeks bij McDonald’s werk zouden zoeken.”

De gevolgen van de globalisering zijn voor de arme landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika veel verpletterender dan in de VS of Europa. Het beeld dat Galeano hiervan schetst, grijpt je naar de keel. De uitbuiting van deze landen is moordender dan ooit.

De moordenaars houden kantoor in de grote metropolen, waar alle belangrijke internationale instellingen zijn gevestigd, die over het lot van miljarden mensen beslissen. Galeano heeft het over “de macht van de gijzelnemers”. “Volgens het woordenboek betekent ‘gijzelen’: ‘iemand tegen zijn wil vasthouden om geld voor zijn vrijlating te vragen’. Het delict wordt in alle wetboeken van strafrecht zwaar bestraft; maar niemand zou het in zijn hoofd halen het grootkapitaal gevangen te zetten, dat vele landen in de wereld gegijzeld houdt en ze volkomen ongestraft dag in dag uit fabelachtige bedragen aan losgeld laat betalen. In vroegere tijden bezetten Amerikaanse mariniers de douanekantoren om de schulden van de Midden-Amerikaanse landen en de Caribische eilanden te innen. De Amerikaanse bezetting van Haοti duurde negentien jaar, van 1915 tot 1934. De indringers vertrokken pas toen de Citibank zijn door woekerrente verveelvoudigde leningen had geοnd. In hun plaats lieten de mariniers een nationaal leger achter dat was opgezet om de dictatuur uit te oefenen en de buitenlandse schuld af te lossen. Tegenwoordig, in de tijd van de democratie, zijn internationale technocraten effectiever dan militaire expedities. Het Haοtiaanse volk heeft, nog niet met één stem, het Internationaal Monetair Fonds of de Wereldbank gekozen, maar deze zijn het die beslissen waar iedere cent die in de schatkist komt, heengaat. Zoals in alle andere landen heeft het veto meer macht dan het votum: de democratische stem wikt en de financiλle dictatuur beschikt. Het Internationaal Monetair Fonds noemt zich Internationaal, zoals de Bank zich Wereldbank noemt, maar deze tweelingbroers wonen, innen en beslissen in Washington; en de omvangrijke technocratie spuugt nooit in het bord waaruit ze eet. Hoewel de Verenigde Staten verreweg de meeste schulden van de hele wereld hebben, schrijft niemand het land van buitenaf voor het Witte Huis aan banden te leggen en zal geen enkele internationale functionaris een dergelijke brutaliteit in zijn hoofd halen. De landen in het zuiden van de wereld, daarentegen, die in schuldenslavernij tweehonderdduizend dollar per minuut afdragen, zijn landen in gevangenschap en de schuldeisers vierendelen de soevereiniteit zoals de Romeinse patriciërs in andere imperialistische tijden hun plebejische schuldenaren in het openbaar lieten vierendelen.”

Galeano’s studieprogramma

Eduardo Galeano heeft “Ondersteboven” opgevat als een studieprogramma. Zijn feiten en cijfers zijn bikkelhard. Ze komen neer als mokerslagen. Maar Galeano is allesbehalve een saaie piet, zijn cursus is met veel humor (zij het van het sarcastische soort) opgebouwd. Het programma ziet er als volgt uit: school van de omgekeerde wereld met een basiscursus onrecht en een basiscursus racisme en seksisme. Voor Galeano kan het nooit kwaad dat een student bij het begin van zijn studie meteen met de eigen gebreken en hebbelijkheden wordt geconfronteerd. De globalisering heeft zo zijn eigen ideologie en die is gebaseerd op racisme en seksisme. “De zekerheid dat sommige volken worden geboren om vrij te zijn en andere om slaaf te zijn heeft als leidraad gediend voor alle imperiums die er in de wereld zijn geweest,” stelt Galeano. “Maar het was vanaf de Renaissance en de verovering van Amerika dat het racisme duidelijk vorm kreeg als morele vrijspraak ten dienste van de Europese vraatzucht. Sindsdien heerst het racisme in de wereld: in de gekoloniseerde wereld diskwalificeert het de minderheden; in de koloniserende wereld discrimineert het de minderheden. Het koloniale tijdperk had het racisme net zo hard nodig als het buskruit en vanuit Rome belasterden de pausen God door aan Hem de opdracht tot overweldiging toe te kennen. Het internationale recht ontstond om de invasie en de plundering te wettigen, terwijl het racisme een vrijgeleide verschafte aan de militaire wreedheden en een alibi voor meedogenloze exploitatie van de onderworpen volken en landen.”

Alom gekoesterde en bejubelde intellectuelen maakten van hun racistische denkbeelden nooit een geheim. “Immanuel Kant, die nooit in Zuid-Amerika was geweest, gaf in de Duitse stad Kφnigsberg als zijn oordeel dat Indianen ‘onbekwaam tot beschaving’ waren en dat zij tot verdelging voorbestemd waren. En het moet gezegd, zo gebeurde het ook, hoewel niet door eigen verdienste: maar weinig Indianen overleefden de schoten met de haakbus en het kanon, de aanval van in Zuid-Amerika onbekende virussen en bacteriën, de eindeloos lange werkdagen in dwangarbeid op de velden en in de goud- en zilvermijnen.”

“Het racisme erkent alleen de bewijskracht van de eigen vooroordelen. Het is bewezen dat Afrikaanse kunst een belangrijke inspiratiebron en vaak ook voorwerp van schaamteloos plagiaat is geweest voor de beroemdste schilders en beeldhouwers van de twintigste eeuw. Toch vonden Jorge Luis Borge, Arnold Toynbee en vele andere hedendaagse intellectuelen de culturele steriliteit van de negers evident,” merkt Galeano op.

De globalisering is niet alleen op racisme gebaseerd, ook op seksisme. “Het racisme en het seksisme drinken uit dezelfde bron en spuwen hetzelfde soort woorden uit.”

“Zoals ook voor Indianen en negers geldt, is de vrouw inferieur, maar tevens een bedreiging”. Galeano omschrijft verkrachtingen “als de riten waarbij het recht op eigendom worden uitgeoefend.” “De verkrachter zoekt noch vindt genot: hij moet onderwerpen. De verkrachting zet een gloeiend brandmerk van eigendomsrecht in de lende van het slachtoffer en is de bruutste expressie van het fallistisch karakter van de macht, van oudsher uitgedrukt door de pijl, het zwaard, het geweer, het kanon, de raket en andere erecties. In de Verenigde Staten wordt iedere zes minuten een vrouw verkracht, in Mexico iedere negen minuten. Een Mexicaanse vrouw zegt: ‘Het maakt geen verschil of je wordt verkracht of door een vrachtwagen wordt overreden, behalve dat de mannen daarna vragen of je het lekker vond.”

“In de wereld van vandaag is het een risico als meisje geboren te worden, bevestigt de directrice van Unicef. En zij stelt het geweld en de discriminatie aan de kaak, waar de vrouw vanaf haar jeugd onder lijdt, ondanks de verworvenheden in de hele wereld van de feministische bewegingen. De in 1995 in Beijing gehouden internationale conferentie over de rechten van de vrouw onthulde dat vrouwen vandaag de dag voor hetzelfde werk een derde verdienen van wat mannen verdienen. Van iedere tien armen zijn er zeven vrouw; slechts ιιn op de tien vrouwen is eigenares van iets. De mensheid vliegt scheef, een vogel met ιιn vleugel.”

Galeano vervolgt zijn studieprogramma met een “leerstoel van de angst” (het onderwijs in angst, de industrie van de angst, naai- en kniples: hoe maak ik vijanden op maat); “werkcollege ethiek”, “hoorcolleges straffeloosheid (straffeloosheid van mensenjagers, planeetverdelgers en van de heilige koe – de auto en automobielindustrie), “pedagogie van de eenzaamheid (lessen consumptiemaatschappij en stoomcursus isolement).

“De omgekeerde wereld leert ons de werkelijkheid te ondergaan in plaats van die te veranderen”, schrijft Eduardo Galeano, “het verleden te vergeten in plaats van ernaar te luisteren en de toekomst te accepteren in plaats van haar te bedenken: zo beoefent hij de misdaad en zo beveelt hij het aan. Op zijn school, misdaadschool, zijn de vakken onmacht, geheugenverlies en berusting verplicht. Maar het is bekend dat er geen ongeluk is zonder geluk, geen kop zonder munt, geen moedeloosheid die geen moed zoekt. En zo is er geen school die niet zijn tegenschool vindt.”

Voor mijn part mag “Ondersteboven” een verplicht handboek worden in onze scholen, aan onze universiteiten en zeker in de vormingsinstellingen van de vakbonden en de noord-zuidbeweging.

We plukken graag de vruchten van een economie waarin de vrije markt een grote rol speelt. Auto, fiets, gsm: met geld en een minilening is het allemaal te koop. Maar die welvaart moet niet alleen verdeeld maar ook geproduceerd worden. En dus is het recht om te ondernemen, om welvaart te creëren dus en het recht op kapitaal van groot belang. Ik ben dan ook in geen geval tegen ondernemers of tegen bedrijven. Maar ik geloof ze wel niet blindelings.

Niet als ik de woordvoerster van de multinational Monsanto, producent van zaden, onkruidbestrijders en biotechnologie, hoor vertellen hoe goed ze het wel menen met de boeren – hun stakeholders weet u wel – en dat in een gelijkwaardige relatie. Maar van gelijkwaardigheid is helemaal geen sprake: de boeren betalen gewoon de door Monsanto vastgelegde prijs. Ik geloof het niet meteen als de woordvoerster van Suez-Ondeo op een congres over water iedereen wil doen geloven dat haar bedrijf toch in de eerste plaats een menslievende instelling is, een instelling die iedereen op deze wereld aan water wil helpen. Klinkt al te doorzichtig en het geldt hoogstens voor mensen die genoeg geld hebben om dat water te betalen.

Er is natuurlijk een reden waarom grote bedrijven zoiets vertellen. Ze merken dat de samenleving kritischer wordt. Het volstaat niet langer om goede producten of diensten aan te bieden en winst te maken. Ze moeten zich hoe langer hoe meer verantwoorden voor de manier waarop ze werken. Helpen ze het milieu niet om zeep? Behandelen ze hun werknemers zoals het hoort? En hoe zit dat bij hun onderaannemers en leveranciers?

In de bedrijfswereld en daarbuiten is een stroming gegroeid die ijvert voor ethisch ondernemen, een wat vaag begrip. Je kan beter spreken over maatschappelijk verantwoord of duurzaam ondernemen. Bedrijven moeten niet alleen winstgevend of economisch leefbaar zijn, ze moeten ook de sociale en de ecologische balans van hun activiteiten in rekening brengen. In het Engels heet dat de triple bottom line : de drie p’s – profit , people en planet – misschien best vertaald met winst, mensen en aarde.

En nu de kernvraag: is het meer dan schone schijn, dat sociaal en ecologisch verantwoord ondernemen? Hoe vermijden bedrijven dat het alleen maar een marketingverhaaltje is en dat uiteindelijk altijd die ene bottom line, de winst, primeert? Hoe kunnen Amerikaanse topmanagers dit verhaal vertellen zonder dat het naar hypocrisie ruikt? Zij verdienen nu al in één jaar hetzelfde als een gewone werknemer in vijfhonderd jaar.

Toch is er vooruitgang mogelijk in verantwoord ondernemen. Een stabiel aandeelhouderschap bijvoorbeeld, kan enorm helpen om bedrijven verder te doen kijken dan economische resultaten alleen. Minstens even belangrijk is het aantrekken van echt onafhankelijke bestuurders die de sociale en ecologische maat nemen van de onderneming en die hardnekkig ijveren om het respect voor mens, samenleving en milieu te vertalen in duidelijke ambities. Gebudgetteerd, gepland en geëvalueerd. Zij moeten garanderen dat het management niet altijd alleen op financiële winst wordt afgerekend. Vanzelf zal het niet gaan. Onze bedrijven zullen moeten leren om dergelijke ’rare snuiters’ binnen te halen.

Denk niet dat het allemaal maar ijdele hoop is. Er zijn heel wat voorbeelden te vinden van erg succesvolle bedrijven die werk maken van verantwoord ondernemen. Het is boeiend om zien dat zelfs de coöperatieve samenwerking niet langer refereert aan bijna vervlogen tijden. Nee, vandaag zien we nieuwe coöperaties. Ondernemende mensen die hun economische activiteiten ook sociaal en ecologisch verantwoord willen uitoefenen hebben de coöperatie herontdekt, van een kaasmakerij tot een reclamebureau.

Maar het gebeurt allemaal veel te weinig. We lopen niet echt voorop in verantwoord ondernemen. Jammer, want de wereld heeft nood aan ondernemers die mee aan de wereld van morgen sleutelen. Het maatschappelijk draagvlak daarvoor groeit snel. Het zijn slimme en verantwoordelijke ondernemers die er gebruik van maken.

Mbaye Gueye is een Senegalese jongen van 17, wat zwakjes én levenslustig, wanneer ik hem bij het filmen van de televisiereportage ‘Het gezicht van de honger’ leer kennen. Drie maanden later zou ik hem opnieuw ontmoeten maar… twee dagen tevoren is hij overleden. Mbaye heeft al meer dan een jaar geneesmiddelen nodig, de familie koopt die ook, voor zowat 60 euro. Maar dan is het geld op, en dus sterft de jongen… één van de minstens dertig à veertigduizend jongeren en kinderen die dezelfde dag omkomen door vooral ondervoeding en daarmee samenhangende ziekten, door een gebrek aan inkomen dus. Ze sterven omdat we onze wereld slecht besturen.

Waarom vertel ik dit? Omdat hier globalisering aan het werk is. En omdat we hier meteen de essentie raken van wat wereldburgerschap hoort te zijn, namelijk de mensenrechten in de meest brede zin waarmaken voor alle wereldburgers, om te beginnen het eerste mensenrecht van iedereen te bewaken, het recht op leven.

We zijn met andere woorden verplicht om de mondiale democratie uit te vinden om het globale samenleven mogelijk te maken. Want wat zal er gebeuren indien we er niet in slagen mondiale problemen of evoluties zoals de dalende graanprijzen op de wereldmarkt die miljoenen mensen de hongerdood injagen, de toenemende macht van multinationals, de opwarming van de aarde, de groeiende inkomensongelijkheid, de steeds krachtiger migratiestromen, oorlogsgeweld en terrorisme of de internationaal georganiseerde misdaad aan te pakken met democratische internationale instellingen? Die fenomenen trekken zich niets aan van grenzen en gaan de krachten van de afzonderlijke landen te boven. Als we ze niet mondiaal kunnen beheren en beheersen en ze ontsnappen aan de bestaande democratische bestuursniveaus – en tot vandaag zijn dat vooral de nationale overheden -, dan lijdt de democratie daar overal onder.

Dit is de context waarin het verhaal van Mbaye en van vele honderden miljoenen, zelfs enkele miljarden medeburgers, zich afspeelt.

Waar Mbaye leefde, verdienen de mensen hun brood met het verbouwen van aardnoten – apenootjes – voor de wereldmarkt, vooral voor de productie van aardnotenolie. Maar de prijzen dalen, de opbrengsten van hun gronden zijn meer dan gehalveerd in dertig jaar tijd en een devaluatie van vijftig procent maakt het leven veel duurder omdat vele levensnoodzakelijke goederen uit het buitenland komen. Nog is dit niet alle ellende. Eind 2001 wordt het overheidsbedrijf dat de meeste aardnoten aankoopt geprivatiseerd, onder druk van het Internationaal Monetair Fonds. Dat jaar zijn de landbouwers door hun regering aangemoedigd om zoveel mogelijk te produceren en, samen met een goed regenseizoen, zorgt dat voor een grote oogst. Maar het nieuwbakken privé-bedrijf wil ineens nog maar de helft kopen van wat was aangekondigd vóór de Senegalese boeren en boerinnen beslisten om aardnoten te planten. Zo stuikt hun inkomen verder ineen, hele bergen aardnoten zijn blijven liggen, onverkocht. Het volgende jaar brengt opnieuw een ramp, door droogte mislukt de oogst bijna volledig. Het platteland, door de overheid in de steek gelaten, beleeft ongeziene armoede.

En misschien vraagt u zich af waarom ze dan geen graan verbouwen, voor zichzelf en voor de lokale markt? Dat doen ze ook, ze verbouwen gierst, maar daar valt al evenmin menswaardig van te leven. In de steden eet bijna iedereen Frans brood, gemaakt van vooral uit Europa ingevoerde tarwe. En tarwe groeit daar niet eens. Het is die gesubsidieerde tarwe die hun markt inpikt én die de prijs van het weinige graan dat ze kunnen verkopen nog verder de dieperik injaagt. Want wij in de rijke landen beschermen – grotendeels terecht – onze landbouw en onze voedselproductie maar dat is net wat zij niet kunnen én niet mogen, en waar hun politici niet van wakker liggen. Die politici zijn zelden of nooit geïnteresseerd in het bevorderen van menswaardige levensomstandigheden op het platteland.

Laten we zeker niet vergeten dat van de achthonderd miljoen ondervoede mensen op onze aarde zeshonderd miljoen zelf boeren en (vooral) boerinnen zijn.

En vergeet evenmin – dit gaat over globalisering – dat de graanprijzen tot stand komen op de wereldmarkt. In de jongste vijftig jaar daalden die prijzen met twee derden. Wat is het verband tussen deze twee fenomenen? Wel, arme landbouwers zijn zo arm dat ze eenvoudigweg niet kunnen investeren om meer te produceren. Wanneer de prijs van hun product terugvalt op één derde, dan verdienen ze dus alleen al daarom drie keer minder. En wanneer erosie, of droogte, of gebrek aan zaaigoed, mest, trekdieren of werktuigen, hun schaarse opbrengsten nog verminderen, dan jaagt dat hun inkomen nog verder naar beneden. Wie dan durft vertellen dat de oplossing voor de ruim één miljard arme boeren en boerinnen is dat ze op de wereldmarkt beter moeten kunnen concurreren, die dwaalt. Je kan hen niet laten concurreren met de enkele tientallen miljoenen boeren die over de meeste en de beste gronden beschikken, over een tractor en andere machines, over de beste zaden, over mest, over krediet, zelfs over subsidies, allemaal zaken die zij niet hebben. Dat is alsof je een voetbalwedstrijd zou laten spelen tussen het wereldelftal van Real Madrid en een duiveltjesploeg uit jouw eigen gemeente, dat is geen eerlijke wedstrijd, dat is onmenselijk en dus ethisch onverantwoord. De wereldmarkt kan inderdaad veel, zij is prima voor auto’s – ik rijd zelf met een Japanse auto en ik weet waarom -, voor gsm’s, voor computers, voor tal van zaken, maar niet voor onze landbouw en onze voedselzekerheid, daar is concurrentie op een wereldmarkt om meer dan één reden werkelijk moordend. Denk ook maar even aan de sterk schommelende prijzen: is er te weinig geoogst, dan schieten de prijzen omhoog, is er wat te veel geoogst, dan storten ze ineen, en je kan niet even de productie stilleggen zoals dat in een fabriek veel makkelijker kan.

Waar wij filmden, in een land waar de wereldmarkt vrij spel kreeg en dat lang niet het armste is van Afrika, bestempelen de mensen hun goed boerende grootouders als rijke mensen : die hadden genoeg te eten, zij konden hun kinderen naar school sturen want er waren scholen en ze konden het schoolgeld betalen, een dokter vinden wanneer nodig was niet meteen een probleem en ook daarvoor verdienden ze genoeg, kortom, zij hadden een goed leven. Maar nu zijn scholen, gezondheidsvoorzieningen en infrastructuur om de landbouw te ondersteunen in belangrijke mate verdwenen… ja, inderdaad, onder andere wegens de door het IMF opgedrongen politiek van de jongste decennia.

Dus hoeft het niet te verbazen dat vele Senegalezen nog amper een kwart of minder verdienen van wat hun ouders en grootouders dertig of veertig jaar geleden verdienden, dat het almaar achteruit gaat met hun voeding, met hun gezondheid, met hun onderwijs. Wij kunnen ons dat heel moeilijk voorstellen, maar de mensen op het platteland zien hun inkomens voortdurend verder ineenstuiken.

Dat is de reden waarom zoveel mensen naar de grote steden in de arme landen trekken. Zo telde de Senegalese hoofdstad Dakar honderdduizend inwoners na de Tweede Wereldoorlog, een halve eeuw later is dat aangegroeid tot tweeëneenhalf à drie miljoen inwoners, en Dakar is lang niet de snelst groeiende stad ter wereld. Die migranten van het platteland zoeken werk, ze zoeken een inkomen. Maar heel dikwijls zullen ze dit niet vinden. Want in veel van die steden kwijnt de industrie en sluiten fabrieken, er is desindustrialisering. Dan is er natuurlijk ook minder nood aan diensten voor die industrie, en ook overheden, scholen, klinieken – denk aan de IMF besparingen – hebben minder volk nodig. Enkel de zogenaamde informele sector van allerlei ateliertjes, klusjesmensen en straatverkopers, soms bijna wandelende supermarkten, groeit sterk. Maar het is vrijwel ondoenbaar om een leefbaar inkomen te verdienen wanneer je sigaretten moet verkopen, stuk per stuk.

Er is trouwens nog een andere schaduwzijde aan deze invasie van arbeid in de steden. Het stuwt de inkomens naar beneden. Hoe dat komt? De minimumlonen in de steden zijn iets hoger dan het inkomen van de armste boeren, dat trekt hen naar de stad. Wanneer nu de koopkracht van de armste boeren daalt, zijn ze bereid om voor minder geld elders te gaan werken en zullen dus ook de minimumlonen in de stad dalen. Voor wie denkt dat stad en platteland los van elkaar te zien zijn, dat is niet zo, uiteindelijk is het voor hen samen uit, samen thuis. De stad kan het zich niet veroorloven om het platteland langdurig te verwaarlozen. Om te ontsnappen aan de armoede investeren Senegalese families intussen in een familielid dat migreert, meestal naar Europa, om er te werken en het gespaarde geld te bezorgen aan de achtergebleven familie. Je kan ze bijvoorbeeld vinden in de straten van de Italiaanse binnensteden, waar ze van alles en nog wat verkopen.

Dit is de dynamiek die vandaag de wereld regeert, een zelfde verhaal van verarming en crashende inkomens op het platteland in Senegal en bijna heel Afrika, Honduras en het grootste deel van Midden- en Zuid-Amerika, zelfs grote delen van Azië, Rusland en Oost-Europa, zelfs verarming van vele mensen in toch rijke landen als de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. En overal in het Zuiden migreren de mensen naar de steden – waar nu voor het eerst in de geschiedenis meer dan de helft van de wereldbevolking huist – overvolle steden die niet in staat zijn om de groeiende behoeften aan werk en diensten te vervullen; en de mensen trekken verder, naar de plaatsen in de wereld waar ze kunnen hopen om wat te verdienen, Noord-Amerika, Europa, Oost-Azië, Zuid-Afrika.

Wat is globalisering?

Dan is het tijd voor een streepje theorie. Ook al lijkt het een nieuw begrip, globalisering is eigenlijk niet echt nieuw. Al zeker 500 jaar verspreidt ons westerse economische systeem – de wetenschappelijke naam is kapitalisme – zich steeds verder over de wereld en raken de economieën van de hele wereld meer verweven. Die vrije markteconomie produceert veel welvaart en verrast ons met steeds nieuwe producten, het ene al nuttiger dan het andere. Daar kunnen vooral wij in de rijke landen tevreden over zijn, we zijn meestal rijke mensen en we waren zelfs zo verstandig om deze welvaart ook te investeren in heel wat nuttige publieke voorzieningen en er onze welvaartstaten mee uit te bouwen.

Maar, er is een keerzijde, we krijgen te maken met een economie die niet meer in dienst van de mens staat maar waarbij de mens die economie moet dienen. Dit kan slogantaal lijken maar wie globaal naar de wereld kijkt, ziet dat de welvaart steeds ongelijker verdeeld raakt – zelfs dat deze economie armoede en honger produceert -; die ziet dat de mens en haar rechten steeds meer in de verdrukking komen; die ziet dat de ecologische ravages onvoorstelbaar groot zijn; die ziet dat de besluitvorming over dit alles heel ondemocratisch gebeurt door vooral grote multinationale bedrijven, enkele grote landen, instellingen zoals IMF, Wereldbank en Wereldhandelsorganisatie en misschien bovenal, volledig losgelaten financiële markten; en die ziet dat de talen, culturen en levenswijzen van vele volkeren, vooral inheemse volkeren, in de verdrukking komen. Met andere woorden: het resultaat van deze economie is dat pakweg 1 van de 6 miljard mensen het – voorlopig – goed hebben. Maar aan de andere kant zijn we overal geconfronteerd met groeiende onaanvaardbare sociale, ecologische, politieke en culturele deficits.

Globalisering mag dan al heel oude wortels hebben, ons economisch systeem verandert natuurlijk wel, en zeker ook de jongste decennia. De derde industriële revolutie en de informaticarevolutie maken het makkelijker voor bedrijven en financiële markten om wereldwijd te werken en de klok rond te presteren. Dat is zeker nieuw aan de huidige globalisering. Nieuw is ook dat steeds meer aan de markt wordt overgelaten en dat vooral het geld – het financiële kapitaal – van de zogenaamde liberalisering profiteert. Nieuw is dat er blijkbaar nooit genoeg geprivatiseerd kan worden, dat steeds meer goederen en diensten in privé handen terechtkomen, tot water toe, tot zelfs de privé eigendom van stukjes plant, dier of menselijk leven. Nieuw is dat een economisch gezond winstdenken plaats maakt voor korte termijn en speculatief winstdenken . En ook nieuw – en wat in grote mate samenhangt met het voorgaande – is dat de politiek meer en meer afwezig is. De politiek ruimt de plaats voor de economie, deregulering is al wat de klok slaat. Multinationals werken globaal, de politiek veel minder en de civiele samenleving amper. We maken mee hoe de economie en de markten als het ware in de mondiale champions league gaan spelen, terwijl de overheden en de samenleving toch vooral nog nationaal spelen, een beetje Europees en bijna niet op wereldschaal. Net doordat de economie zich op wereldvlak organiseert en de samenlevingen en vooral de politiek dat veel minder of niet doen, moeten we meemaken hoe de economie alle terreinen van het sociale, politieke en culturele leven verovert en koloniseert – er haar economische wetten opdringt – en het milieu exploiteert. Zo maken we mee dat de industrie meer en meer onderzoekscontracten sluit met onze wetenschappers waarbij de resultaten van het onderzoek eigendom worden van de industrie en maar mogen gepubliceerd worden als de industriële partner daar toestemming voor geeft. Dit is geen evenwichtige relatie meer, dit ondermijnt de publieke toegankelijkheid van de wetenschappelijke kennis, terwijl onze universiteiten en wetenschappers toch in de eerste plaats met publieke gelden werken. Dit schaadt zelfs de wetenschappelijke vrijheid omdat het industriële belangen zijn die de onderzoekskeuzes leiden. Het is op lange termijn zelfs economisch nefast omdat er vooral belangstelling is voor de snel te exploiteren resultaten van het toegepaste onderzoek. Maar dat gaat ten nadele van het fundamentele onderzoek dat vandaag de basis zou moeten leggen voor onze economie over tien, twintig of dertig jaar. Ziedaar één voorbeeld van het culturele deficit van deze globalisering.

Het succes van de welvaartstaten en van de sociale welvaarteconomieën is juist dat – net zoals voetballers spelen op een voetbalterrein – het economische spel gespeeld mag én moet worden op het economische terrein. Daar heersen, zoals in het voetbal, spelregels die iedereen moet respecteren. Daar hebben principes zoals concurrentie en winststreven een zekere geldigheid en nuttigheid. Daar zijn onpartijdige scheidsrechters die erop toezien dat die regels en principes nageleefd en geëerbiedigd worden. En net zoals voetballers met de bal binnen de krijtlijnen van het veld moeten blijven, moet ook de economie de grenzen van haar terrein respecteren.

Het neoliberalisme doet vergeten dat het succes van onze vrije markteconomieën en onze welvaartstaten juist mee te danken is aan actieve en efficiënte overheden die zorgen voor belangrijke publieke goederen zoals onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid, eigendomsrecht, allerlei infrastructuur,… en die de economie spelregels opleggen, sociale spelregels zoals minimumlonen, vakbondsvrijheid en andere sociale normen maar ook ecologische regels en zelfs wat democratische regels zoals toegang tot essentiële bedrijfsinformatie voor werknemers – denk maar aan wat de werknemers van Sabena is overkomen, of die van het Amerikaanse bedrijf Enron. Toen dat energieconcern failliet ging in 2002 – even terzijde, Enron was de grootste financier van de kiescampagne van president Bush junior – verloren de mensen die er werkten niet alleen hun job en daarmee hun maatschappelijke status, ze speelden ook hun spaargeld kwijt want dat waren Enron aandelen, ze zagen zelfs hun pensioenen in rook opgaan want ook die bestonden uit Enron aandelen. En toen ze het faillissement zagen aankomen werd het hen zelfs verboden om hun aandelen nog voor een beetje geld te verkopen. Dat is in zeker opzicht nog erger dan slavernij, want de heer die zijn slaaf niet kon onderhouden had de plicht hem vrij te laten.

Globalisering, een nieuw geloof

Misschien kunnen we best de term globalisering voorbehouden voor de politiek van liberaliseringen, privatiseringen en dereguleringen die vanaf de late jaren zeventig van vorige eeuw voor velen zowat een nieuw geloof werd. Op de eerste rij om dat geloof in praktijk te brengen staat Margaret Thatcher die in 1979 premier van Groot-Brittannië wordt, weldra gevolgd door president Ronald Reagan van de Verenigde Staten. Internationale organisaties zoals het IMF, de Wereldbank en later ook de Wereldhandelsorganisatie, waarin vooral de VS veel invloed heeft, dringen die neoliberale politiek vervolgens op aan tal van andere landen.

Maar dit neoliberalisme werkt niet, en zeker niet voor de armen: niet in Groot-Brittannië, waar de privatiseringen van spoor en water uitdraaiden op falende en dure dienstverlening, op mislukkingen en meer dan één ramp. We moeten nu weten dat in dit geval privatisering niet de beste oplossing is; niet in de Verenigde Staten, waar de geprivatiseerde elektriciteitssector in Californië niet kan garanderen dat er stroom uit het stopcontact komt wanneer in de zomer de meeste Californiërs hun airco aanzetten; niet in Argentinië, tot voor kort min of meer een welvaartstaat waarvan de inwoners na de tweede wereldoorlog rijker waren dan de Fransen en met de sterkste industrie van heel Zuid-Amerika, nu is die industrie vrijwel verdwenen, leeft drie vijfde van de Argentijnen in armoede en sterven kinderen van honger in een land dat voedsel voortbrengt voor wel driehonderd miljoen mensen, dat is acht maal de eigen bevolking; niet in Azië, waar het volgens de voormalige hoofdeconoom van de Wereldbank en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz zelfs enkele decennia zal duren vooraleer landen volledig zullen herstellen van de onnodig diepe economische crisis die ze eind van de jaren negentig door de schuld van het IMF te verduren kregen; niet in Rusland, waar de economische neergang werkelijk mensen doodt, elk jaar zijn er ruim een miljoen Russen minder, en vooral Russische mannen sterven veel vlugger dan vroeger, hun gemiddelde leeftijd benadert nu meer die van Afrikanen dan van West-Europeanen; zelfs niet in België – voor wie denkt dat dit alles toch een ver-van-mijn-bed-drama is – waar de privatisering of het patenteren van het borstkankergen borstkankertests flink duurder dreigt te maken. Volgens het bedrijf Myriad Genetics, eigenaar van het octrooi, mogen die tests alleen nog in de VS worden gevoerd… en dan moeten vrouwen daarvoor 3000 euro betalen in plaats van nu nog geen 300 euro en na tussenkomst van de sociale zekerheid zelfs maar 9 euro.

En dat mensen van het IMF of van de Wereldbank, om hun gelijk te bewijzen, niet komen vertellen dat Zuid-Korea of Taiwan bewijzen dat landen in één generatie welvarend kunnen worden. Zij presteerden dat inderdaad, maar enkel omdat zij het recept van die instellingen aan hun laars lapten. Als zij het volgens de aanbevelingen van IMF of Wereldbank of volgens het boekje van andere neoliberale economen zouden moeten gedaan hebben, dan was hen dat nooit gelukt en waren ze misschien nog zo arm als Kenia, Ivoorkust of Ecuador. Zuid-Korea én Taiwan verdeelden de grond en voerden een landhervorming door vooraleer zij met hun industriële ontwikkeling startten. Zij beschermden altijd hun eigen landbouw en gebruikten die als inkomstenbron voor hun industriële investeringen, zij beschermden altijd hun binnenlandse markt en gingen zelf pas exporteren wanneer zij achter hun gesloten grenzen sterk genoeg waren geworden om de internationale concurrentie aan te kunnen, en vooral Zuid-Korea had en heeft sterke vakbonden… samengevat, dit is een ontwikkelingsmodel dat niets te maken heeft met wat het IMF predikt en opdringt.

Ik weet wel, men zal komen aandraven met cijfers en statistieken van o.a. de Wereldbank die aantonen dat de armoede in de wereld kleiner wordt. Dat is zo, op papier, of op het computerscherm. Wie rondloopt in de echte wereld, die weet dat de armoede op onze wereld enorm groot is, én dat ze groeit. Maar dit vertaalt zich maar slecht in de cijfers en statistieken. Die tonen nu reeds een daling in de inkomens van de inwoners van Afrikaanse, Oost-Europese, Centraal-Aziatische en tal van Amerikaanse landen ten zuiden van de Rio Grande.

Toch valt te vrezen dat de echte armoede daarmee nog zwaar is onderschat, deels wegens een welvaartsverdeling die steeds ongelijker verloopt waardoor massa’s mensen zelfs bij goede economische groeicijfers armer worden, dat is de groeiende inkomenskloof. Zo vertelt ons het Rapport over de Menselijke Ontwikkeling van de Verenigde Naties van 1999 dat de twintig procent rijksten van de wereld vierenzeventig keer rijker zijn dan de armste twintig procent.

Veel belangrijker nog, de armoede is onderschat omdat het verlies aan natuurlijk kapitaal niet verrekend geraakt in de inkomenscijfers. En het verlies of de afnemende kwaliteit van vruchtbaar land, watervoorraden, bossen, viswateren en weiden tast rechtstreeks de welvaart en het inkomen aan van de armsten, van vele honderden miljoenen, zelfs enkele miljarden mensen over de hele wereld. Deze armoede is ook merkbaar in de slums van vele steden. Ik herinner me zeer goed hoe ik een man interview op een steile heuvel vlakbij de Hondurese hoofdstad Tegucigalpa, terwijl hij zijn huis ineentimmert. Hij vertelt me dat er geen elektriciteit is, geen water, geen riolering, geen school, geen openbaar vervoer, niets is er; in feite is het hier helemaal niet goed, zegt hij, maar toch is dit de plaats waar ik moet leven, ik kan nergens heen waar het voor mij beter zou zijn.

Vergeet daarenboven niet hoe onze economie werkt. Indien de koopkracht van de armen verder wordt vernietigd kan vrijwel niemand hen nog iets verkopen, dan verdwijnen deze markten gewoonweg en uiteindelijk raakt ook de welvaart van de rijken aangetast.

Verzet groeit: wie zijn die zogenaamde antiglobalisten of andersglobalisten?

Als een economie zo veel deficits veroorzaakt, is het maar normaal dat de onvrede daarover heel groot en wijd verspreid is en sterk groeit. Vooral in het Zuiden van de wereld, waar vier vijfden van de wereldbevolking het moeten doen met één vijfde of zelfs minder van het wereldinkomen. Daar organiseren miljoenen landlozen zich in Brazilië om op geweldloze wijze onbebouwde landbouwgrond te bezetten, daar protesteren miljoenen boeren in India al even geweldloos tegen de almacht van zaad- en pesticidenmultinationals die hen bijvoorbeeld willen opzadelen met onvruchtbare planten zodat ze voortaan altijd bij hen moeten aankloppen voor nieuw zaad, daar eisen talrijke bewegingen van inheemse volkeren hun rechten op.

En kijken we verder naar die zogenaamde antiglobaliseringsbeweging, dan zien we dat de aanhang loopt van de traditionele vakbonden – bij de betogingen tegen de Wereldhandelsconferentie eind 1999 in Seattle zorgden de Amerikaanse vakbonden trouwens voor de meeste actievoerders, en vakbondsmilitanten herkennen zich natuurlijk makkelijk in de groeiende welvaartskloof en bijhorende strijd om inkomensherverdeling – over al even oude bewegingen als vrouwenbeweging en vredesbeweging, over jongere maar niet meer zo jonge bewegingen als milieubeweging, mensenrechtenbewegingen, en Derde Wereldbeweging, tot de allernieuwste bewegingen en initiatieven zoals Reclaim the Streets, Attac, het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre, en noem maar op, ja zelfs ondernemers die ecologisch en sociaal verantwoord willen produceren, en straks wellicht ook een groot deel van de landbouwers in het rijke Noorden.

Die beweging is dus zo veelzijdig als je maar kan indenken en dat is de vertaling van al die problemen die de huidige globalisering met zich meebrengt. Maar net omdat al die problemen meer en meer met elkaar te maken hebben, zullen al die bewegingen zich vinden in één grote mondiale sociale beweging voor een wereld die democratischer, duurzamer en socialer is, eigenlijk dus veel meer een globaliseringsbeweging dan een antiglobaliseringsbeweging. Let wel, deze beweging werkt niet met een bijbel of een manifest, het is een wereldbrede regenboogcoalitie zonder veel structuur en zonder duidelijk leiderschap. Velen vinden dat wat ongemakkelijk maar het is – voorlopig? – niet anders.

Hoog tijd voor antwoorden?

Het is tijd om over oplossingen te spreken. We zegden het al, antiglobaliseringsbeweging is een wel heel onjuiste benaming voor een beweging die druk zoekt naar alternatieven voor de huidige globalisering. Hier groeit een ander maatschappelijk project dat prioriteit geeft aan mensenrechten, aan sociale en ecologische oogmerken, aan duurzame ontwikkeling dus, aan participatie en democratie én aan een economische productie van welvaart in functie van al die menselijke ambities. Het Wereld Sociaal Forum dat sinds 2001 plaatsgrijpt in het Braziliaanse Porto Alegre en in 2004 voor het eerst naar een ander continent verhuist, naar India, is een belangrijke hefboom voor de ontwikkeling van een mondiale sociale beweging die weerwerk kan bieden aan de economische krachten en de politici dwingt het mondiale algemeen belang te organiseren.

Wie goed luistert komt zeker op het spoor van de antwoorden die deze beweging biedt, van daadwerkelijke oplossingen, zelfs bijna van een heus programma voor een andere wereld. We volstaan hier met een greep uit het rijke aanbod.

Heel concreet is het recht op regionale voedsel- en landbouwmarkten, dat hier wat meer wordt uitgewerkt omdat het zo immens belangrijk is. Alle rijke landen beschermen hun voedselproductie en hun landbouw, zij weten waarom en het belet hen niet om welvarend te zijn. Die bescherming is grotendeels terecht. Alleen, dan zouden ook arme landen hun voedsel zelf mogen produceren en hun markten beschermen. Want – denk aan het voorbeeld van Senegal – vrije wereldhandel in voedselproducten veroorzaakt massale verarming, ondervoeding voor honderden miljoenen en de hongerdood voor tientallen miljoenen mensen. En wie het niet meer ziet zitten op het platteland, trekt naar de steden en oefent daar nog meer druk uit op de al lage lonen. Zo wordt ook zonneklaar dat boerenbonden en vakbonden overal ter wereld meer gelijklopende dan tegengestelde belangen hebben: een welvarend platteland draagt bij tot de welvaart van wie in de stad aan de kost moet komen én omdat de druk op de lonen vermindert én omdat het platteland een afzetmarkt voor de producten van de stad is. Indien wij op deze wereld voldoende voedsel willen, voedsel dat tevens veilig is om te eten, milieuvriendelijk ook, dus op duurzame wijze voortgebracht, met behoud van de cultuurlandschappen en met respect voor de plattelandstradities, dan moeten wij de landbouw organiseren en beschermen binnen de Europese markt, binnen de Westafrikaanse, de Zuidamerikaanse en andere regionale markten : want denk vooral niet dat Toscane of Dordogne, streken die we allemaal zo aantrekkelijk vinden, mogelijk zouden zijn in een vrije wereldlandbouwmarkt.

Tijd nu voor andere programmapunten.

Natuurlijk kapitaal aan grond, wateren, bossen en weiden moet worden beschermd en toegankelijk zijn voor wie ervan moet leven. Herverdelingen van de grond en landhervormingen zijn dringend nodig in heel veel landen. Onze wereld heeft dringend behoefte aan mondiale sociale regels – de arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie bijvoorbeeld – , aan ecologische en aan democratische regels die waar nodig voorrang krijgen op financiële en economische regelgeving. Want nu beleven we de absurde situatie dat goederen, diensten en geld rechten hebben die wereldwijd afdwingbaar zijn terwijl de rechten van de mensen en van het milieu niet afdwingbaar zijn of zelfs amper bestaan… om maar te zeggen dat we mondiaal niet enkel nood hebben aan een wereldministerie voor financiën en economie, want dat zijn IMF en Wereldhandelsorganisatie eigenlijk. We hebben dan vanzelfsprekend ook mondiale ministeries nodig van sociale zaken, van arbeid, van milieu, van veiligheid,…

We moeten opnieuw de waarde erkennen van wat de econoom Keynes heel goed wist te duiden, dat de economie een immense, bijna dierlijke kracht herbergt, maar dat samenleving en politiek dit dier moeten berijden en er de teugels stevig van vastnemen. Zij moeten de economie sturen in functie van de nagestreefde maatschappelijke doelen. De weg naar meer democratie en vooral naar meer economische democratie is nog heel lang.

Er is behoefte aan mondiale inkomensherverdeling via vormen van globale sociale zekerheid, te beginnen met een basisinkomen voor alle wereldburgers, als een sokkel voor een mondiaal sociaal zekerheidssysteem. Dit basisinkomen en andere globale publieke goederen kunnen we financieren met de inkomsten uit mondiale belastingen, een Tobin of een Spahn taks op internationale financiële verrichtingen, heffingen op fossiele brandstoffen, op kerosine onder andere; en voor fiscale paradijzen is er geen plaats meer op deze wereld. De Verenigde Naties hebben een permanente politiemacht nodig om in te grijpen ingeval van volkerenmoord – denk aan Rwanda in 1994 – of om internationale terreur te bestrijden. Want zoiets is niet de taak van één land, dat is een opdracht voor de hele wereldgemeenschap vertegenwoordigd in de VN.

En wat zouden we dan zien? Laten we beginnen op het platteland, in vele landen zouden talloze mensen werk en inkomen hebben indien het grondbezit evenwichtig verspreid zou zijn; nog betere resultaten zouden er zijn indien dit samen gaat met een duurzaam beheer van velden, weiden, bossen en wateren; en wanneer de landbouw inderdaad vooral op regionale schaal in West- of Zuidelijk Afrika, Zuid-Amerika of Zuid-Azië uitgebouwd zal zijn – zoals wij in Europa doen – dan zal de welvaart nog groeien. Verder én heel cruciaal, fatsoenlijk betaalde arbeid in behoorlijke werkomstandigheden blijft hét middel bij uitstek om de kost te verdienen. Een verstandige indus-trialisering die gebruik maakt van een milieuvriendelijke techno-logie kan wonderen doen op het vlak van de werkgelegenheid en de inko-mensgroei. Vergeet trouwens niet dat de ombouw naar zonne-energie nog maar juist is begonnen.

Echte vrije handel, waarbij alle partijen hun voordeel doen, draagt daar bovenop nog bij tot de ver-spreiding van welvaart. Indien de transacties niet voor iedereen voordeel opleveren, spreken we beter van uitbuiting en niet langer van handel.

Is dit alles utopisch? Neen, niet in de zin van illusoir. Dit is utopisch in de zin van richtinggevend, van mobiliserend. Weet u. Wie 100 jaar geleden pleitte voor algemeen stemrecht, of voor de achturendag of voor gelijke rechten voor man en vrouw was volgens de meeste ‘weldenkende’ zogenaamde ‘realisten’ van toen naïef. Maar wie was echt naïef? Welnu, als ik mét anderen bijvoorbeeld pleit voor een mondiaal basisinkomen voor alle wereldburgers zal dit vandaag volgens velen een naïeve utopie zijn. Het is mijn overtuiging dat zulk basisinkomen over enkele tientallen jaren voor iedereen de normaalste zaak hoort te zijn, net zoals het algemeen stemrecht voor man en vrouw dat nu ook is, ook al is dit nu nog niet overal gerealiseerd.

Slaagt deze beweging?

De zwaarste opdracht is niet eens zozeer de uitwerking van een programma. Nee, de grootste klip die deze beweging moet nemen is het verzamelen van de kracht om die alternatieven af te dwingen. Want de weerstand tegen verandering is enorm, er wachten vele hindernissen: er is het bestaande economische systeem, er zijn de vele kortzichtige economische en financiële spelers, verblinde en slechte politici, de complexiteit van onze ‘moderne’ wereld, de verlokkingen van extreem nationalisme en fundamentalisme. En toch is deze beweging potentieel heel sterk, toch zijn haar kansen om een tegenmacht op te bouwen die met succes het dominante economische model kan counteren misschien groter dan menigeen denkt. Bedenk dat de arbeidersbeweging er ook wat jaren voor nodig heeft gehad om alvast in de industriële wereld een herverdeling van de welvaart te forceren. Deze vernieuwde beweging is maatschappelijk veel breder en voor het eerst ook werkelijk mondiaal. Maar hoe breed ze ook is, cruciaal voor haar succes zal de rol zijn van vakbonden en boerenbonden overal ter wereld. Zij zijn het sterkst ingeplant in de samenleving, zij hebben meest leden, zijn zelf ook het meest democratisch georganiseerd en dus gelegitimeerd. Doorslaggevend zal zijn of ze er in kunnen lukken elkaar te vinden, en of ze bovenop nog slagen in een alliantie met vooral milieubewegingen allerhande, zodat de duurzaamheid van landbouw en economie voor hen vanzelfsprekend wordt.

Afwezige politici… het tij kan keren

De jongste decennia zijn politici héél afwezig geweest, zij verzaakten aan hun opdracht om het algemeen belang te bewaken. Maar deze beweging kan hen van hun blindheid genezen, deze beweging kan hen dwingen om opnieuw rekening te houden met de belangen van veel meer mensen, deze keer zelfs van alle mensen.

Trouwens, wanneer sociaal-democraten, ecologisten, flink wat christen-democraten, democratische nationalisten en sociaal liberalen in hun eigen gedachtegoed en geschiedenis grasduinen vinden zij de aanknopingspunten met deze beweging zo voor het oprapen. En wanneer zij dan hun politieke verantwoordelijkheid opnemen, dan abdiceren zij niet langer voor de economie maar kunnen zij werk maken van de politieke vertaling van deze beweging. Het is deze wisselwerking tussen een mondiale sociale beweging en politici die zich mondiaal organiseren die voor het noodzakelijke evenwicht kan zorgen met de economie zodat minimale welvaart in het bereik komt van alle mensen, ons samenleven democratisch functioneert en het milieu eindelijk gerespecteerd raakt.

Wij zijn allemaal wereldburgers, lokaal en globaal

Essentieel voor de werelddemocratie is dit, in de straten van Bangalore, Seattle, Porto Alegre, Brussel, Dakar, Bangkok, Firenze, Johannesburg en tal van andere steden betogen de meest wakkere wereldburgers van de mondiale samenleving. Zij volgen hun mondiale burgerzin en geven daar inhoud aan. Samen met honderden miljoenen anderen hebben zij al begrepen wat te veel politici en te veel mensen op de huidige machtsposities in economie, gerecht, media enzovoort maar heel langzaam lijken te vatten, namelijk dat wij allemaal ook wereldburgers zijn geworden.

Net zoals men er al lang achter is dat stadsstaten niet meer geschikt zijn om veiligheid en vrede te verzekeren, komt men er nu achter dat de aanpak van oorlogen, voedselzekerheid, broeikaseffect, internationale schuldenlast en financieel-economische bokkensprongen thuishoort bij internationale organisaties. En nog trager ontdekt men dat lokale overheden en gemeenschappen beter meer te zeggen krijgen en meer verantwoordelijkheid moeten kunnen dragen en nemen. Doorgaans blijken zij bijvoorbeeld de beste behoeders van de lokale natuurlijke rijkdommen. Voor een duurzame ontwikkeling is er dus werk aan de winkel op alle mogelijke bestuursniveaus. Lokaal en globaal denken én handelen, dat is geen slogan maar een noodzakelijkheid.

In de praktijk stapt de wereld geleidelijk aan af van de opvatting dat alleen soevereine staten het spel om politieke macht mogen meespelen. Er komt meer ruimte voor kleinere spelers binnen landen en grotere spelers op regionaal of mondiaal vlak. Dat betekent dat de wereld traag aanvaardt dat politieke problemen het best worden aangepakt en opgelost op het meest aangewezen niveau.

De democratie op wereldvlak is dus nog ver van gerealiseerd. En toch is het wereldburgerschap de onvermijdelijke toekomst, want de toename van de mondiale problemen laat ons geen andere democratische keuze. Zoals bij het begin van de twintigste eeuw doorgaans vol ongeloof werd gereageerd op de gedachte dat vrije verkiezingen en algemeen stemrecht nog die eeuw de wereld zouden veroveren, zo staan we nu aan de vooravond van het wereldburgerschap, van een heus wereldparlement, van een wereldregering. In de loop van de eenentwintigste eeuw komen ook die democratiseringen er hoogstwaarschijnlijk aan en worden we echte wereldburgers, hoe talrijk ook degenen zijn die daar vandaag niet in geloven.

Feitelijk evolueren we naar een volledig federale inrichting van de wereld, van dorpsraad of stadsbestuur, over regionale, nationale, Europese en andere parlementen tot een heus wereldparlement waarvoor alle wereldburgers kunnen stemmen. Voorlopig nog grotendeels toekomstmuziek, maar de eerste passen in die richting zijn al geruime tijd gezet en meer passen volgen in een federaal proces dat sneller verloopt dan velen vermoeden.

Op 26 januari 2003 trekken voor het eerst tienduizenden Senegalese boeren en boerinnen naar de hoofdstad Dakar om er gezamenlijk te manifesteren. Om die unieke gebeurtenis te filmen reis ik mee met enkele bussen die vertrekken uit een dorp niet ver van waar Mbaye Gueye anderhalf jaar ervoor is gestorven. Dit maakt indruk, hoe deze mensen in beweging komen om hun regering te vertellen dat ze zich in de steek gelaten voelen, om te protesteren tegen hun uitlevering aan oneerlijke concurrentie van gesubsidieerde landbouwproducten en aan een wereldlandbouwmarkt die mensen verarmt en zelfs verhongert, die ecologische catastrofes veroorzaakt en die hele economieën onderuit haalt. Zij vragen respect voor degenen die voor voedsel in het land kunnen zorgen, en zij willen dit kunnen doen in menswaardige omstandigheden, net zoals de boeren in de rijke landen dat kunnen. Want, dit is essentieel, wat zij vragen is heel redelijk, is doenbaar, is in het voordeel van de meeste mensen, is economisch verstandig, en is bovenal héél menselijk. Een democratische wereld kan zich niet veroorloven om de rechten van zoveel wereldburgers nog langer te ontkennen. De opbloeiende mondiale democratie, van het kleinste dorp tot de Verenigde Naties, zal degenen die hier verantwoordelijk voor zijn ter verantwoording roepen, geweldloos maar heel beslist.